Conclusie
Russische Federatierespectievelijk
PrivatBank.
1.Inleiding en samenvatting
Belbek c.s.), zaak 22/03901 (
Everest c.s.) en zaak 22/03902 (
Naftogaz c.s.). In deze zaak en in de zaak
Belbek c.s. heeft het scheidsgerecht dezelfde samenstelling. Dat scheidsgerecht heeft een tussenvonnis over zijn bevoegdheid en een gedeeltelijk eindvonnis over de gegrondheid van de vorderingen gewezen. Het oordeel over welke specifieke investeringen zijn beschermd en wat de hoogte is van de schadevergoeding voor hun onteigening, is aangehouden tot de kwantumfase van de arbitrage en loopt op dit moment nog. In de derde zaak,
Everest c.s., is een arbitraal eindvonnis gewezen en de vernietigingsprocedure is daartegen gericht. In de laatste zaak,
Naftogaz c.s.,heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijk eindvonnis (
Partial Award) gewezen; één arbiter heeft een
dissenting opiniongegeven. In april 2023, hangende de cassatieprocedure, heeft het scheidsgerecht in die zaak eindvonnis gewezen, opnieuw bij meerderheid.
Naftogaz c.s.heeft het hof het aangevochten deelvonnis ‘voor alle zekerheid’ vernietigd, namelijk voor zover het scheidsgerecht zich ook bevoegd heeft geacht ten aanzien van investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992.
Belbek c.s.en in de zaak
Naftogaz c.s.het principaal cassatieberoep van de Russische Federatie moet worden verworpen. Het hof heeft op juiste gronden geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard. Alleen in de zaak
Everest c.s.concludeer ik tot vernietiging. Ik acht in die zaak enkele feitelijke oordelen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken.
Everest c.s.voorwaardelijk ingesteld, en in de zaken
Belbek c.s.en
Naftogaz c.s.onvoorwaardelijk. Ik behandel in alle vier de zaken het incidenteel cassatieberoep en concludeer steeds tot verwerping ervan.
territory’in een situatie waarin tussen de twee verdragsstaten feitelijk de landsgrens is verlegd waardoor een investering in de rechtssfeer van de andere verdragsstaat is gekomen. In het verlengde daarvan is betwist of het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven omtrent het soevereiniteitsconflict over de Krim. Ten tweede is dat de vraag hoe moet worden bepaald of onteigende vermogensbestanddelen door de Oekraïense investeerders legaal waren verkregen. In het verlengde van die laatste vraag is alleen in de zaak
Everest c.s.concreet aan de orde of specifieke vastgoedobjecten rechtmatig waren verkregen. Al deze vragen zijn relevant voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Dáárover diende het hof te oordelen, ook al hangt de beantwoording van die vragen mede af van de uitleg van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie en dus van vreemd recht.
2.Feiten en procesverloop
BIT 1998). [2] De voor deze procedure relevante bepalingen uit dat verdrag luiden in de Engelse vertaling als volgt: [3]
Supreme Councilvan de Krim vóór aansluiting bij de Russische Federatie. Het agendeerde een referendum daarover op 16 maart 2014. Volgens de organisatoren van het referendum stemde 96% van de deelnemers daaraan vóór aansluiting. Op 17 maart 2014 verklaarden de
Supreme Councilen de gemeenteraad van Sebastopol zich onafhankelijk van de Oekraïne. De volgende dag werd een verdrag ondertekend met de titel ‘
Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’. Ondertekenaars waren, de Russische Federatie, de Republiek de Krim en de stadsstaat Sebastopol. Het Grondwettelijk Hof van de Russische Federatie erkende op 19 maart 2014 dat het verdrag in overeenstemming is met de Russische grondwet. Op 21 maart 2014 werd het verdrag door het Russische parlement geratificeerd met het aannemen van de
Crimean Incorporation Law. In die wet werd (onder meer) de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen eigendomsrechten erkend per 18 maart 2014. [4]
NBU) in de
State Register of Banksgeregistreerd. Het was PrivatBank daarmee toegestaan om bankactiviteiten te ontplooien in Oekraïne. In 1994 breidde PrivatBank haar activiteiten uit naar de Krim, waaronder Sevastopol. Vanaf 1996 begon de NBU licenties aan banken uit te geven. Aan PrivatBank is toen een volledige banklicentie uitgegeven. PrivatBank had filialen op de Krim en beheerde aldaar investeringen zoals geldautomaten en zelfbedieningsloketten. PrivatBank heeft leningen uitgegeven aan bedrijven en particulieren op de Krim.
State Council of the Republic of Crimea, de Staatsraad van de toen net opgerichte Republiek de Krim, een verordening uit waarin stond dat bepaalde bezittingen van PrivatBank op de Krim genationaliseerd werden (
Decree No. 2085-6/14 of the State Council of the Republic of Crimea dated 30 April 2014 and amendments thereto dated 3 september 2014 to 27 February 2015 (CE-88-E)).
Kroll) in haar opdracht heeft NBU op 16 januari 2018 een persbericht doen uitgaan waarin zij de belangrijkste bevindingen van het Kroll onderzoek omschreef. Dit persbericht luidt als volgt: [7]
Extraction of funds. There are clear indications that loan proceeds were used to purchase assets and to finance business enterprises inside and outside of Ukraine for the benefit of former shareholders and their affiliates.
Disguising the origins of funds. The mechanisms used to disguise the origin and destination of loan funds demonstrated the characteristics of a large-scale money-laundering scheme. The volume and timing of the transactions within minutes of each other and with no declared connection between the entity repaying the loan and the original borrower and the extensive use of Special Purpose Vehicle (SPV) companies based in off-shore jurisdictions, demonstrated indications of a concerted attempt to disguise the true nature of the economic purpose from regulatory and other stakeholders for the benefit of the former shareholders and their affiliates.
Bank within the bank. Central to the coordinated manipulation of the loan book, and extraction of benefit was a shadow banking structure within PrivatBank. The secretive structure processed and facilitated the movement of the proceeds of hundreds of loans worth billions of USD to parties related to the former shareholders and their affiliates. This shadow banking structure used hundreds of employees embedded within the bank.
Structure and administration of the loans. The shadow bank administered the related party corporate loan portfolio. It issued new loans, typically used to repay principal and interest on existing related party loans (Recycling Scheme), and was the architect of fund flow mechanisms to disguise the origin and destination of the loan funds, presenting a façade of an ordinary client-focused bank. The Bank attracted funds from private and commercial depositors from Ukraine and other countries, which facilitated the Loan Recycling Scheme. This long term hiding of such a large exposure to related parties required PrivatBank to make repeated false representations of its financial position. This misrepresentation could only have been achieved through multiple instances of banking fraud and false accounting by the former management of the bank.
Balance sheet. Prior to nationalisation in December 2016, more than 95 percent of corporate lending was to parties related to former shareholders and their affiliates. Towards the end of 2016, 75% of the loan book was consolidated into loans to 36 borrowers related to the former shareholders and their affiliates. The majority of these loans remain overdue and unpaid, resulting in a loss to the Bank of at least USD 5.5 billion.
UNCITRAL) van toepassing. Drie arbiters werden benoemd, zonder bemoeienis van de Russische Federatie. Het Permanent Hof van Arbitrage (hierna:
PHA)administreert de arbitrageprocedure. Den Haag is aangewezen als plaats van arbitrage.
non-disputing party submissioningediend. Daarin is haar standpunt over de toepasselijkheid van de BIT 1998 uiteengezet.
bifurcation), met als doel om kwesties betreffende bevoegdheid (
jurisdiction) en aansprakelijkheid (
liability) in een preliminaire procedure te behandelen. Op 24 februari 2017 (gecorrigeerd op 27 maart 2017) heeft het scheidsgerecht een tussenuitspraak gedaan (
Interim Awardof het
arbitrale tussenvonnis), waarvan het dictum luidt:
VIII. DECISION
Partial Awardof het
arbitrale deelvonnis). Het dictum van deze uitspraak luidt:
VII. DECISION
Procedural Order no. 7van 12 september 2019. [10] Deze beslissing van het scheidsgerecht luidt voor zover hier relevant als volgt:
hof) herroeping gevorderd van arbitrale vonnissen (de Interim Award en de Partial Award) gewezen tussen PrivatBank en de Russische Federatie. Bij dagvaarding van 3 juni 2019 heeft de Russische Federatie de vernietiging gevorderd van deze vonnissen. De rolraadsheer heeft rolvoeging gelast en PrivatBank heeft verweer gevoerd.
tussenarrest) heeft het hof deze vorderingen afgewezen en daartoe samengevat het volgende geoordeeld:
Disclosure Phasevan de arbitrage nogmaals documenten kunnen worden opgevraagd en dat in de
Quantum Phasevan de arbitrale procedure ook de rechtmatigheid van de investeringen ter discussie staat, heeft de Russische Federatie in dit stadium niet voldoende belang bij haar inzagevordering in deze procedure. (rov. 4.8)
alleinvesteringen van PrivatBank in de Krim zou kunnen aantonen dat zij door corruptie, fraude of geweld zijn verkregen. (rov. 4.9)
een deelvan de investeringen van PrivatBank in de Krim door corruptie, fraude of geweld is verkregen en/of dat PrivatBank informatie dienaangaande in de arbitrale procedure heeft achtergehouden, kan niet leiden tot herroeping of vernietiging van de Interim Award of de Partial Award. In de Interim Award is niet ingegaan op de rechtmatigheid van de investeringen. In de Partial Award is een algemeen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de investeringen dat berust op een analyse van de Russische incorporatiewetgeving. (rov. 4.10, p. 7)
Quantum Phaseis afgerond, waarin het scheidsgerecht zal oordelen over de (on)rechtmatigheid van specifieke investeringen naar aanleiding van de stellingen van de Russische Federatie. (rov. 4.10, p. 8).
eindarrest) heeft het hof zowel de vordering tot vernietiging als de vordering tot herroeping afgewezen en daartoe het volgende geoordeeld:
territorymoet volgens het scheidsgerecht niet worden uitgelegd als
sovereign territoryen voor de toepassing van art. 1 lid 4 BIT Pro 1998 is voldoende dat de Russische Federatie
settled, long-term controlheeft over de Krim. (rov. 5.5.6)
de factocontrole heeft over de Krim. De Krim valt onder
territoryvan de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998, omdat (i) de tekst van dit artikel niet spreekt van
sovereign territory; (ii) er geen regel is dat met
territoryaltijd wordt bedoeld
sovereign territory; en (iii) een uitleg conform art. 31 WVV Pro tot deze conclusie leidt. Het scheidsgerecht is dus niet uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip
territory. Bij deze stand van zaken kunnen in het midden blijven de argumenten van PrivatBank gebaseerd op het beginsel dat staten geen standpunten mogen innemen die met elkaar strijden. (rov. 5.7.8 - 5.7.9 en 5.7.26)
investmentsals bedoeld in art. 1 lid 1 BIT Pro 1998, ook al zijn die investeringen aanvankelijk in Oekraïne gedaan. Uit de letterlijke bewoordingen van de bepaling volgt niet dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen. Een uitleg conform art. 31 WVV Pro leidt tot de slotsom dat het voldoende is dat de investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden. (rov. 5.8.9)
investoris als bedoeld in de BIT 1998 gaat niet op. (rov. 5.9.7)
unity of investment’gaat niet op. Voor wat betreft het beroep op dit beginsel kan niet worden aangenomen dat elke vorm van fraude binnen een onderneming de investering als geheel aantast. Het hof is in dit geval van oordeel dat de geconstateerde fraude niet de investering als geheel besmet. (rov. 5.10.18 - 5.10.22)
Quantum Phaseaan de orde kunnen komen. Omdat de illegaliteitsbezwaren ten aanzien van de onderscheiden activa nog zullen worden besproken in die fase, zijn de argumenten over het achterhouden van stukken prematuur. (rov. 5.11.4 en 5.12.3 - 5.12.4, 5.13.6 - 5.13.7)
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
Onderdeel 1behelst klachten over de door het hof gegeven uitleg van het begrip
territoryen het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
Onderdeel 2bevat het betoog dat het hof zich heeft laten leiden door een kennelijke voorkeur/voorrang voor het standpunt van PrivatBank.
Onderdeel 3klaagt over doorschuiven van de illegaliteitsbeoordeling naar de
Quantum Phasevan de arbitrage.
Onderdeel 4gaat over het oordeel van het hof dat de vaststelling dat een deel van de investeringen door corruptie, fraude of geweld is verkregen, niet kan leiden tot de vernietiging van de Partial Award.
Onderdeel 5herbergt klachten over de door het hof gehanteerde bewijslastverdeling en de aan de stelplicht gestelde eisen.
Onderdelen 6-11zien op de oordelen over de gestelde illegaliteit van de investeringen, waarbij het hof volgens de Russische Federatie stellingen en bewijsstukken niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken en diverse onbegrijpelijke oordelen heeft gegeven.
Onderdeel 12heeft als doelwit het oordeel over het beginsel van ‘
unity of investment’, de overwegingen van het hof over het achterhouden van stukken en de gronden voor afwijzing van de herroepingsvordering.
Onderdeel 13heeft een voortbouwend karakter.
Bilateral Investment Treaty,hierna:
BIT) is een overeenkomst tussen twee landen die inhoudt dat – over en weer – bescherming wordt geboden aan investeerders uit het ene land die investeren in het andere land. Deze verdragen zijn gesloten ter bevordering van grensoverschrijdende investeringen.
investment) als aan het begrip investeerder (
investor).
territory). Waar het normaal gesproken een investeerder is die zich verplaatst naar het andere land om op het grondgebied daarvan een investering te doen, is het hier de grens tussen de beide staten die is verplaatst waardoor investeringen die op het grondgebied van de eigen staat zijn gedaan, zich zijn gaan bevinden op het grondgebied van de andere staat en daarmee investeringen in die staat zijn geworden.
in accordance with its legislation’. Dit vereiste wordt aangeduid als het ‘legaliteitsvereiste’. Als een investering op het grondgebied van de ene staat is gedaan maar zich vervolgens is komen te bevinden op het grondgebied van de andere staat, ziet de term ‘
its legislation’ dan op de wetgeving van de oorspronkelijke staat? Die vraag lijkt hier door beide partijen bevestigend te worden beantwoord. Toetsdatum is het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de Russische rechtssfeer, hier vastgesteld op 21 maart 2014. Als is aangetoond dat bepaalde investeringen niet voldoen aan het legaliteitsvereiste is het scheidsgerecht ten aanzien van die investeringen niet bevoegd. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of het scheidsgerecht bevoegd is, afhangt van de uitleg van de BIT.
investor, investmentsen
territorymoeten worden uitgelegd aan de hand van de internationaalrechtelijke uitlegregels van het WVV. Art. 31 WVV Pro noemt in dat verband de volgende elementen: tekst, context en ‘
object and purpose’, die tezamen ‘
in good faith’ moeten worden toegepast.
Gezien het voorgaandeis er op basis van de gewone betekenis van artikel 1 lid 1 van Pro de BIT 1998 - dat niet verw ijst naar sovereign territory - gecombineerd met de strekking en het doel van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag.
Het hof tekent daarbij nog aandat het bij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 3 1 WW, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking,
niet erop aankomt datde verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien.
Het komt erop aanna te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan.
territorymoet worden uitgelegd in die zin dat het ziet op grondgebied waar een partij feitelijk de mogelijkheid heeft over te gaan tot onteigening.
territoryvan de Russische Federatie als gedefinieerd in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998. De eerste zin van rov. 5.7.25 geeft al aan dat díe conclusie is gebaseerd op ‘het voorgaande’. Daarmee doelt het hof op rov. 5.7.9 - 5.7.24 waarin uitgebreid het oordeel is onderbouwd dat de Krim valt onder de
territoryvan de Russische Federatie (na in rov. 5.7.8 overwogen te hebben dat partijen het er over eens zijn dat de Russische Federatie
de factocontrole heeft over de Krim). Al deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Slechts ten overvloede heeft het hof vanaf de tweede zin van rov. 5.7.25 het oordeel gegeven dat met het middel wordt aangevallen. Een aanwijzing daartoe geven de woorden: “
Het hof tekent daarbij nog aan dat”. Gelet hierop ontbreekt belang bij het slagen van de klacht tegen rov. 5.7.25.
territoryis immers ook gebaseerd op ‘het voorgaande’, en dus op hetgeen is overwogen in rov. 5.7.9 - 5.7.24.
rov. 5.7.11 - 5.7.12van het eindarrest, die als volgt luiden:
territory(in beginsel) verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Anderzijds sluit dit volgens het hof niet uit dat verdragen ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zodat het begrip
territoryhier tevens verwijst naar de Krim. Deze benadering is praktisch onhanteerbaar omdat zij leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’.
territoryniet altijd de betekenis heeft van
sovereign territory. Dit licht het hof toe door te overwegen dat een verdrag over het algemeen gelding heeft op het gehele soevereine grondgebied van een staat, maar
daarnaast(‘
ook’) gelding kan hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Anders dan het middel betoogt, is deze benadering wel degelijk praktisch hanteerbaar (en zeker niet onbegrijpelijk). Omdat de Russische Federatie langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent op de Krim, kan alleen de Russische Federatie verplichtingen uit hoofde van de BIT 1998 hebben op de Krim, zoals in geval van onteigening door middel van overheidsbevoegdheden die sinds maart 2014 alleen de Russische Federatie op de Krim kan uitoefenen (zie rov. 5.7.23).
Het scheidsgerecht heeft in de arbitrale tussenuitspraak echter geoordeeld, dat het begrip territory nu juist niet moet worden uitgelegd als sovereign territory in deze zin. Het scheidsgerecht oordeelde (heel kort samengevat) dat voor de toepassing van artikel 1 lid 4 BIT Pro 1998 voldoende is dat de Russische Federatie “settled, long-term control” heeft over de Krim hetgeen er - mede - toe heeft geleid dat de Russische Federatie de verantwoordelijkheid voor de internationale betrekkingen van de Krim op zich heeft genomen.
Het scheidsgerecht hoefde, gegeven deze uitleg, geen oordeel te geven over het soevereiniteitsgeschil tussen de Russische Federatie en Oekraïne en heeft dat ook niet gedaan. Het heeft zich enkel gebaseerd op de feitelijke stand van zaken op de Krim. Of deze uitleg van het begrip territory juist is, komt hierna aan de orde. Waar het hier om gaat is dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de soevereine status van de Krim.
”
territory. Een dergelijk exclusief 'feitelijke invulling' staat haaks op de alternatieve 'soevereine invulling' die het hof - zelfs als algemene basis van het begrip
territory, buiten en binnen de BIT - in zijn eigen overwegingen heeft erkend.
nietheeft gedaan. Anders dan de Russische Federatie betoogt, hoefde het hof in deze context niet zelf de voorvraag te beantwoorden die in dit onderdeel wordt geformuleerd.
onderdeel 2is gericht tegen rov. 5.10.12 - 5.10.19 en 5.10.22 - 5.10.25 van het eindarrest. [16] In deze overwegingen bespreekt het hof de door de Russische Federatie gestelde schending van het legaliteitsvereiste in de definitie van
‘investments’in art 1 lid 1 BIT Pro 1998 (“
in accordance with its legislation”). Daarbij maakt het hof een tweedeling tussen (i) stellingen die zien op onwettigheden of onregelmatigheden bij ondernemingen gelieerd aan grootaandeelhouders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en/of de Privat Group, en (ii) stellingen over fraude binnen de PrivatBank zelf. De eerste categorie argumenten wordt verworpen met de motivering dat het verband tussen de Privat Group en de PrivatBank onvoldoende is toegelicht. De tweede groep argumenten wordt, ondanks het aannemen van het bestaan van fraude, verworpen omdat de fraude geen betrekking heeft op het doen van de investering door PrivatBank en omdat de fraude niet de investering als geheel besmet.
Subonderdeel 3.1bestempelt dit als onjuist, althans onbegrijpelijk. Hiermee heeft het hof namelijk (i) niet alle stellingen van de Russische Federatie beoordeeld, (ii) zijn rechtsprekende taak gedelegeerd aan het scheidsgerecht en (iii) het gesloten stelsel van rechtsmiddelen miskend.
de factoeen nieuwe klacht op. Uit de korte reactie in de dupliek nr. 8 blijkt niet dat de rechtsstrijd op dit punt is aanvaard. Voor zover overigens wordt gedoeld op de stellingen die in onderdeel 6 aan bod komen, verwijs ik naar mijn bespreking van dat onderdeel hierna.
tussenarrestde illegaliteitsargumenten niet heeft besproken kan niet leiden tot cassatie van dat arrest. Het hof oordeelt daar alleen over de incidentele inzagevordering en hoefde in dat kader niet de illegaliteitsargumenten te beoordelen. Het hof overwoog dat de Russische Federatie - in dat stadium - geen belang bij die inzagevordering had. In de arbitrageprocedure kunnen de stukken nog worden bemachtigd door de Russische Federatie (rov. 4.8). Verder stond als onvoldoende betwist vast dat bepaalde
rechtmatigeinvesteringen van PrivatBank waren onteigend (rov. 4.9). Een mogelijke vaststelling dat andere investeringen wel onrechtmatig zijn, kan volgens het hof niet leiden tot vernietiging van de Interim Award of de Partial Award (rov. 4.10).
subonderdeel 3.2over de overweging (rov. 5.10.22) dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden. Dit zou niet afdoen aan de vernietigbaarheid van de Partial Award op grond van strijd met de openbare orde (art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv).
Quantum Phasede illegaliteitsargumenten op het niveau van de schadevergoeding uitputtend zal behandelen. Dit stuit af op het deelvonniskarakter van de Partial Award, aldus de Russische Federatie, en komt neer op delegatie aan het scheidsgerecht.
Bij een onderneming van een omvang als die van de PrivatBank kan niet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder de BIT 1998 onttrekken.” In die context wijst het hof erop dat het scheidsgerecht de illegaliteitsargumenten nog uitputtend zal behandelen. Dit doet het hof ter verdere ondersteuning van het oordeel dat niet te snel kan worden aangenomen dat het ‘
unity of investment’-argument in dit geval opgaat (zie de inleidende zinsnede van rov. 5.10.23: “
Daartoe is te minder aanleiding nu […]”). Er is daarmee geen sprake van miskenning van het deelvonniskarakter van de Partial Award en evenmin van delegatie aan het scheidsgerecht.
procesinleiding p. 10 onderaan, overlopend in p. 11) bespeur ik nog een klacht. Het hof zou met zijn oordeel onvoldoende zijn ingegaan op de volgende door de Russische Federatie ingenomen stellingen:
een deelvan de investeringen van PrivatBank onrechtmatig zijn verkregen, niet kan leiden tot vernietiging van de Interim Award en de Partial Award. Het oordeel zoals de Russische Federatie dat leest, staat alleen in rov. 4.10 van het tussenarrest en niet in rov. 5.10.22 en 5.10.24 van het eindarrest. De klachten missen dan ook feitelijke grondslag voor wat betreft deze laatste twee overwegingen.
specifiekeinvesteringen - het scheidsgerecht nog niet naar die argumenten heeft gekeken. In rov. 4.10 van het tussenarrest oordeelt het hof dat het scheidsgerecht zich in de Interim Award niet heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de investeringen van PrivatBank. Verder overweegt het hof ten aanzien van de Partial Award dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van
specifiekeinvesteringen. Vervolgens sluit het hof af met het oordeel dat de vraag of het scheidsgerecht ten aanzien van specifieke investeringen onbevoegd is pas kan worden beantwoord na de
Quantum Phase. In dat stadium zal worden geoordeeld over de (on)rechtmatigheid van specifieke investeringen. Volgens het hof ligt er daarom nu geen oordeel voor over specifieke investeringen dat vatbaar is voor vernietiging. Er is alleen een algemeen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de investeringen en dát (wel gegeven) oordeel kan niet onderuit gaan op basis van hetgeen door de Russische Federatie thans is aangevoerd.
Fraude heeft geen betrekking op het doen van de investering, maar op wat er met die
het doenvan de investering zelf aantast; het gaat om illegaal handelen nadat de investering is gedaan.
Het hof gaat er, bij gebreke van concrete stellingen waaruit het tegendeel blijkt, van uit dat PrivatBank zowel op het moment van de aanvang van de bankactiviteiten als op het (latere) moment van het verkrijgen van de banklicentie voldeed aan de vereisten die door de Oekraïense overheid en/of de NBU voor het verrichten van bancaire activiteiten en het verkrijgen van een zodanige licentie gesteld werden.Er is niet gesteld dat de oprichting van de bank en het verkrijgen van de banklicentie van de NBU met onregelmatigheden (zoals omkoping of vervalsing van licenties) gepaard is gegaan. De Russische Federatie stelt wel dat PrivatBank gebruik maakte van corrupte rechters (hoofdstuk 4.8.2.b van de vernietigingsdagvaarding), maar onderbouwt deze stelling enkel met verwijzing naar een vertaling van twee bladzijden uit een in Oekraïne verschenen boek over PrivatBank. Uit wat daar is opgenomen blijkt bovendien niet van fraude bij het doen van de investering, maar op fraude bij de aanwending ervan.
bank within a bank", waaruit volgt dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden. Bij een onderneming van een omvang als die van de PrivatBank kan niet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder de BIT 1998 onttrekken.”
nietbewijzen. Asser merkt hierover het volgende op: [26]
tegendeelblijkt van de stelling dat PrivatBank aan de vereisten voldeed voor het verkrijgen van een banklicentie. Daarmee stelt het hof
te hoge eisenaan de betwisting van de stelling van PrivatBank dat een overeenkomst tot arbitrage bestaat. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden, omdat uit het vervolg van de overweging blijkt dat de Russische Federatie
nietsheeft gesteld over onregelmatigheden bij het oprichten van de bank en het verkrijgen van een banklicentie. Dat is in cassatie niet (kenbaar) bestreden. Hoe dan ook vormt dat een onvoldoende betwisting, hoe laag of hoog de lat voor de onderbouwing daarvan ook wordt gelegd. Daarom kon het hof op grond van art. 149 lid 1 Rv Pro als vaststaand aannemen dat PrivatBank voldeed aan de eisen voor het verkrijgen van een banklicentie.
subonderdeel 6.1(i)luidt dat
voor zoverin deze overwegingen enig inhoudelijk oordeel zou liggen besloten over het moment van het doen en/of de toenmalige rechtmatigheid van de door PrivatBank gestelde investeringen, dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Er is in dat geval niet ingegaan op tal van stellingen en bewijsstukken. De klacht in
subonderdeel 6.1(ii)houdt in dat
voor zoverde oordelen van het hof zo moeten worden gelezen dat het moment van doen van alle deelinvesteringen zou samenvallen met het begin van bancaire activiteiten of het veel eerder verlenen van een licentie (buiten de Krim-regio), dit onvoldoende gemotiveerd is. Dit oordeel zou althans innerlijk tegenstrijdig zijn omdat het hof oordeelt dat voor toepassing van het ‘
unity of investment’-leerstuk bij de beoordeling van het legaliteitsvereiste in beginsel geen plaats is (rov. 5.10.21). Dat oordeel brengt juist mee dat alle specifieke investeringen afzonderlijk moeten worden beoordeeld, aldus het middel.
doenvan de deelinvesteringen. In navolging van het scheidsgerecht, oordeelt het hof in rov. 5.10.12 wel dat de toetsing van het legaliteitsvereiste moet plaatsvinden per 21 maart 2014. Dit is de datum dat de investering onderdeel is gaan uitmaken
van de Russische rechtsorde. Dat is dus niet de datum van het doen van de investering. Het hof overweegt dat ondanks deze toetsingsdatum moet worden bezien of de investeringen naar Oekraïens recht legaal zijn verkregen. Het enige dat daaruit zou kunnen worden afgeleid is dat de investeringen volgens het hof zijn gedaan vóór 21 maart 2014. Dat lijkt mij een vanzelfsprekendheid in de context van de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie. Het betreft geen inhoudelijk oordeel over het moment en/of de toenmalige rechtmatigheid van de (deel)investeringen, zoals in de klachten lijkt te zijn bedoeld.
PrivatBank is in 1992 in Oekraïne opgericht naar Oekraïens recht.Vanaf de oprichting tot aan de nationalisatie in 2016 (waarover hieronder meer) waren de meerderheid van de aandelen en de zeggenschap in handen van twee personen met (onder meer) de Oekraïense nationaliteit, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . PrivatBank werd op 19 maart 1992 door de Nationale Bank van Oekraïne (hierna: NBU) in de State Register of Banks geregistreerd. Het was PrivatBank daarmee toegestaan om bankactiviteiten te ontplooien in Oekraïne.
In 1994 breidde PrivatBank haar activiteiten naar de Krim, waaronder Sevastopol. Vanaf 1996 begon de NBU licenties aan banken uit te geven. Aan PrivatBank is toen door de NBU een volledige banklicentie uitgegeven.PrivatBank had filialen op de Krim en beheerde aldaar investeringen als geldautomaten en zelfbedieningsloketten. PrivatBank heeft leningen uitgegeven aan bedrijven en particulieren op de Krim.
het doenvan de investering zelf aantast; het gaat om illegaal handelen nadat de investering is gedaan.
Het hof gaat er, bij gebreke van concrete stellingen waaruit het tegendeel blijkt, van uit dat PrivatBank zowel op het moment van de aanvang van de bankactiviteiten als op het (latere) moment van het verkrijgen van de banklicentie voldeed aan de vereisten die door de Oekraïense overheid en/of de NBU voor het verrichten van bancaire activiteiten en het verkrijgen van een zodanige licentie gesteld werden. Er is niet gesteld dat de oprichting van de bank en het verkrijgen van de banklicentie van de NBU met onregelmatigheden (zoals omkoping of vervalsing van licenties) gepaard is gegaan.De Russische Federatie stelt wel dat PrivatBank gebruik maakte van corrupte rechters (hoofdstuk 4.8.2.b van de vernietigingsdagvaarding), maar onderbouwt deze stelling enkel met verwijzing naar een vertaling van twee bladzijden uit een in Oekraïne verschenen boek over PrivatBank. Uit wat daar is opgenomen blijkt bovendien niet van fraude bij het doen van de investering, maar op fraude bij de aanwending ervan.
Crimean Incorporation Lawals weergegeven bij de samenvatting van het oordeel van het scheidsgerecht hierboven (zie rov. 5.10.1).
De activiteiten van PrivatBank (het aantrekken van gelden en het verstrekken van leningen) zijn verder naar hun aard niet illegaal.Dit alles leidt dus tot de slotsom dat geen sprake is van onwettigheden bij het doen van de investering.”
onderdeel 7neemt de Russische Federatie
rov. 5.10.18op de korrel. Het aldaar gegeven oordeel wordt zo gelezen dat de oprichting van de bank en de verkrijging van een banklicentie met zich brengen dat alle verwijten van fraude zien op handelen van na het doen van de investering. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de oprichting of de verkrijging van een banklicentie iets zeggen over het moment van het doen van andere investeringen op de Krim. Voorts is het hof niet ingegaan op specifieke stellingen met betrekking tot bepaalde deelinvesteringen. Het is verder onduidelijk waarom het hof meent dat een bank die op rechtmatige wijze een banklicentie verkrijgt, niet op een later moment een onrechtmatige investering zou kunnen doen, aldus de klacht.
onderdeel 9ageert de Russische Federatie tegen het oordeel van het hof dat het aantrekken van gelden en het verstrekken van leningen naar hun aard niet illegaal zijn (zie mijn onderstreping in
rov. 5.10.19in het citaat van zojuist). Dit oordeel is onbegrijpelijk, alleen al omdat niet valt in te zien waarom betekenis toekomt aan de vraag of transacties ‘naar hun aard’ legaal (kunnen) zijn.
slagen. Het oordeel is zonder nadere motivering niet te volgen en dus onbegrijpelijk. De Russische Federatie merkt - in de kern - terecht op dat het van de autoriteiten
mogenuitoefenen van de naar haar aard niet illegale activiteit van het verstrekken van zakelijke leningen uit binnengehaalde tegoeden, niet betekent dat het daadwerkelijk verstrekken van leningen op legale wijze is gebeurd. Als die verstrekking en het aantrekken van gelden is geschied met een frauduleus oogmerk of als deel van een frauduleus plot, zoals kennelijk in dit geval is aangenomen (zie rov. 5.10.15 en 5.10.16), lijkt mij dit op het eerste gezicht ook de legaliteit van het doen van deze investering (het verstrekken van een lening) aan te tasten. Waarom het hof dat toch anders ziet, en daarmee de investering toch door de legaliteitstoets van de BIT 1998 laat glippen, is niet duidelijk.
nietdat vernietiging van het eindarrest moet volgen. Het hof geeft twee redenen waarom de vaststaande fraude binnen PrivatBank niet tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht leidt (rov. 5.10.17). Dat de fraude geen betrekking zou hebben op het doen van de investering (rov. 5.10.18 en 5.10.19) is de eerste reden. De andere reden is dat, zelfs als de eerste reden niet opgaat, het beroep op het beginsel van ‘unity of investment’ niet opgaat (rov. 5.10.20 - 5.10.25). Als de tweede reden overeind blijft, komt het arrest niet voor cassatie in aanmerking. Daar is dan geen belang bij. [27] De slagende klachten kunnen daarom
niet tot cassatie leiden.
houdt deze fraude, kort samengevat, in dat structureel zakelijke leningen werden verstrekt aan offshore entiteitenverbonden aan de voormalige bestuurders ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ), welke leningen niet waren gesecuriseerd met zekerheden. Die leningen werden vervolgens niet afgelost. Op deze manier werden de door consumenten op hun bankrekeningen gehouden tegoeden aangewend ter verrijking van de voormalige bestuurders: de PrivatBank fungeerde als "stofzuiger” van consumententegoeden ten behoeve van deze bestuurders.
een dergelijke vorm van fraudebinnen PrivatBank. […] Dit betekent dat het hof in deze vernietigingsprocedure - in ieder geval veronderstellenderwijs - van het bestaan van fraude moet uitgaan.”
offshorevennootschappen, maar dat het merendeel van de leningen waren verstrekt aan entiteiten in de Oekraïne. De inhoudelijke beoordeling van die zakelijke leningen is ten onrechte achterwege gebleven. Bovendien heeft het hof stellingen die wel relevant zijn niet afdoende kenbaar in zijn beoordeling betrokken, aldus het middel.
offshoreentiteiten. In rov. 5.10.15 geeft het hof uitdrukkelijk een samenvatting van de stellingen van de Russische Federatie en in rov. 5.10.16 wordt duidelijk dat het hof alleen kijkt naar de beschreven
vormvan de fraude. Het enkele feit dat de zakelijke leningen ook werden verstrekt aan entiteiten binnen de Oekraïne heeft daarom geen invloed op deze beoordeling. Dat verandert niets aan de vorm van de fraude die centraal staat (kort gezegd: het verstrekken van leningen aan partijen gelieerd aan bestuurders van de PrivatBank die vervolgens niet werden afgelost). Zelfs als de klacht zou moeten slagen, lijkt mij gelet op vorenstaande (het gaat het hof om de vorm van de fraude, niet om het
offshoreelement) het belang daarbij ook te ontbreken.
legaalnaar Oekraïens recht gedane investeringen per 21 maart 2014 gelden als investeringen in de Russische Federatie. In het vervolg (rov. 5.10.13 e.v.) beziet het hof of sprake is van dergelijke legale investeringen. Hoewel wordt overwogen dat fraude met zakelijke leningen binnen PrivatBank heeft plaatsgevonden (rov. 5.10.16), betekent dit volgens het hof niet zonder meer dat binnen een grote onderneming als PrivatBank geen bescherming meer toekomt voor andere investeringen (rov. 5.10.22). Of er meer is dat ontneming van elke bescherming aan PrivatBank rechtvaardigt, komt nog aan bod in de arbitrage waarbij wordt teruggekeken op de specifieke investeringen gedaan vóór de peildatum (rov. 5.10.23). Kennelijk acht het hof de kans dat in dat kader (procedurele) waarheidsvinding kan plaatsvinden groter nu het oude bestuur van PrivatBank, dat volgens het hof een rol speelde bij de vastgestelde fraude (rov. 5.10.15), is vervangen. Van tegenstrijdigheid tussen de aangevallen overwegingen is dus geen sprake.
de geconstateerde fraudeniet de investering als geheel besmet. Een bankbedrijf bestaat per definitie uit veel verschillende aspecten. De Russische Federatie heeft in dit kader niet betwist dat de PrivatBank een grote systeembank was (en is) met vele consumenten als rekeninghouders: dit gold in ieder geval tot de gebeurtenissen in maart 2014 ook op de Krim.
Er zijn ook volgens het persbericht van de NBU waarop de Russische Federatie zich beroept normale bankactiviteiten; in dit persbericht wordt immers gesproken van een "bank within a bank", waaruit volgt dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden.[…].”
daaromsprake was van normale bankactiviteiten en dat dit ook zou volgen uit het persbericht. Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van het persbericht. Daarin wordt niet uitgegaan van normale bankactiviteiten. Privatbank was slechts een ogenschijnlijk normale (consumenten)bank, aldus de Russische Federatie.
bank within a bank’. Die lezing is niet onbegrijpelijk te noemen, gezien de tekst van het persbericht waarin ‘bank within a bank’ het kopje vormt van de volgende passage waaruit duidelijk volgt dat ook andere activiteiten dan de fraude met zakelijke leningen werden uitgevoerd binnen PrivatBank (zie ook het langere citaat van het persbericht in 2.8):
Bank within the bank.Central to the coordinated manipulation of the loan book, and extraction of benefit was a shadow banking structure within PrivatBank. The secretive structure processed and facilitated the movement of the proceeds of hundreds of loans worth billions of USD to parties related to the former shareholders and their affiliates. This shadow banking structure used hundreds of employees embedded within the bank.
Structure and administration of the loans.The shadow bank administered the related party corporate loan portfolio. […]
unity of investment’(rov. 5.10.20 - 5.10.25). Er is sprake van een onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd oordeel om de volgende redenen:
The Claimants argue that, for purposes of evaluating their expropriation claim, the Tribunal “should consider their investment in its entirety” rather than parsing it into its constituent parts.The Tribunal agreesthat this approach, which is supported by investment treaty jurisprudence, is appropriate in the present case, as all of the components of the business go to its value as a going concern and PrivatBank’s loss as a result of breaches of the Treaty.”
unity of investment’ bestaat, althans dat dit niet van toepassing zou zijn op legaliteitsvereisten.
unity of investment’ bestaat of dat dit niet van toepassing zou zijn op legaliteitsvereisten. De feitelijke grondslag ontbreekt dus. In rov. 5.10.20 oordeelt het hof dat het geen
vasteinvesteringsjurisprudentie is dat bepaalde vormen van fraude de legaliteit van de gehele investering kunnen aantasten. Vervolgens oordeelt het hof in rov. 5.10.21 dat in de (in de conclusie van repliek) vermelde jurisprudentie niet op grond van dit beginsel de onbevoegdheid van het scheidsgerecht is aangenomen op grond van een geconstateerde illegaliteit bij een investering. Toepassing van het beginsel is in het onderhavige geval dus geen automatisme, zo volgt uit het oordeel van het hof. Daarom vervolgt het hof met een concrete toets of in dit geval kan worden geoordeeld dat de geconstateerde fraude de investering als geheel besmet (rov. 5.10.22).
Als sprake is van met de wet strijdige kernactiviteiten, dan leidt dat tot de algehele onbevoegdheid van het scheidsgerecht”. Deze stelling heeft het hof gemotiveerd verworpen in rov. 5.10.22. Het hof oordeelt daar dat de geconstateerde fraude (die ziet op de kernactiviteit uitlenen van geld, zie rov. 5.10.15) niet de investering als geheel besmet, omdat er naast - kort gezegd - het frauduleus uitlenen van geld nog meer activiteiten binnen PrivatBank bestaan. Daarom leidt de geconstateerde fraude niet tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht (in rov. 5.10.17 stelt het hof dit voorop).
Het oordeel van het hof
Partial Award) is ontdekt, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1068 lid 1 Rv Pro. Niet ter discussie staat dat gedurende de arbitrageprocedure alle stukken de Russische Federatie hebben bereikt. De Russische Federatie was er dus mee bekend welke standpunten door PrivatBank werden ingenomen en welke informatie wel en niet door PrivatBank aan het scheidsgerecht werd verstrekt. Het persbericht van de NBU, waarop de Russische Federatie zich beroept en waaruit blijkt van de fraude binnen PrivatBank, dateert van 16 januari 2018, terwijl het scheidsgerecht op 4 februari 2019 de
Partial Awardheeft gewezen. Het laatste verzoek om informatie van het scheidsgerecht dateerde van 6 december 2018. Er is dus (ruim) voldoende gelegenheid geweest om dit persbericht onder de aandacht van het scheidsgerecht te brengen zodat PrivatBank om een reactie kon worden gevraagd. De stelling van de Russische Federatie dat nader onderzoek naar de aard en omvang van de fraude nodig was en dat dit onderzoek nog niet was afgerond toen het scheidsgerecht uitspraak deed, wordt verworpen. Het persbericht van de NBU (een onverdachte bron) was voldoende om de discussie binnen de nog lopende arbitrale procedure te openen. Het middel van herziening is niet bedoeld om een partij in staat te stellen aanvankelijk – door stil te zitten – het kruit droog te houden om vervolgens, bij een ongunstige uitspraak, vernietiging te verzoeken.
Quantum Phasevan de arbitrageprocedure.
klacht onder a)faalt omdat het hof eerder in het arrest de stellingen van de Russische Federatie over de Privat Group uitgebreider heeft geadresseerd (zie rov. 5.10.13 - 5.10.14 en 5.12.3). Het kon op deze plaats daarom volstaan met een korte(re) overweging. Verder maakt het enkele feit dat het hof Den Haag (in dezelfde samenstelling) in een andere zaak een ander oordeel zou hebben gegeven over banden tussen de Privat Group en de PrivatBank, het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk.
klachten onder b) t/m f)falen op grond van een verkeerde lezing van het arrest. Het middel gaat kennelijk ervan uit dat het hof een oordeel heeft gegeven over de vraag of de Russische Federatie tijdig een herroepingsvordering heeft ingesteld. Dat doet het hof niet. Voorwaarden voor een geslaagd beroep op de herroepingsgronden van art. 1068 lid Pro 1, onder a en c, Rv (openbare orde en achterhouden van bescheiden) zijn onder meer dat het bedrog
ná de uitspraakis ontdekt respectievelijk dat de achtergehouden bescheiden
ná de uitspraakin handen zijn verkregen. Het hof oordeelt in rov. 6.5 dat aan deze voorwaarden niet is voldaan voor zover het beroep op herroeping is gebaseerd op de fraude binnen PrivatBank. Dat is geen oordeel over de tijdigheid van de herroepingsvordering, maar een oordeel over de vraag of het rechtsmiddel herroeping überhaupt ter beschikking stond aan de Russische Federatie.
klacht onder g)voldoet deels niet aan de eisen die daaraan in cassatie worden gesteld. Er wordt alleen gesteld dat het hof niet mocht uitgaan van een bepaalde assumptie, maar niet
waaromdat zo is. Met het deel van de klacht over ‘verboden delegatie’ ziet de Russische Federatie over het hoofd dat het hof met ‘Zoals hiervoor overwogen’ in rov. 5.13.6 doelt op rov. 5.10.22 en 5.10.23. Zo bezien, vormt deze klacht een herhaling van de klachten in subonderdelen 3.1 en 3.2 waar wordt geklaagd over verboden delegatie door het hof aan het scheidsgerecht in rov. 5.10.22 en 5.10.23. Ik verwijs naar mijn bespreking van die klachten (3.32 e.v.).
klacht onder h)miskent de Russische Federatie dat indien de rechter een herroepingsvordering honoreert, vernietiging van het arbitrale vonnis volgt (art. 1068 lid 3 Rv Pro). Het hof doelt dus in rov. 6.5 - naar mij dunkt - op het verzoeken van vernietiging op grond van herroeping. Zelfs als dat anders zou zijn, bestaat bij het corrigeren van dit deel van de overweging geen belang. De afwijzing van het standpunt van de Russische Federatie wordt gedragen door de overige delen van de beoordeling. De klacht faalt.
4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel
Onderdeel 1wordt ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale cassatieberoep tegen rov. 5.5-5.10 slagen.
Onderdeel 2wordt ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale beroep tegen rov. 5.7 (inzake de uitleg van het begrip
territory) slagen.
Partijen gaan er terecht beide van uit dat in een arbitrale procedure geen formele eisen gelden voor het verschijnen in de procedure. Op zich is het dus mogelijk dat dergelijke brieven, ook als er verder geen participatie is, als een verschijnen moeten worden aangemerkt. Dat kan het geval zijn als (één van) de desbetreffende brieven het karakter hebben (heeft) van een (beknopt) verweerschrift. Dat is met deze brieven niet het geval.Op zichzelf is niet doorslaggevend dat de Russische Federatie in de begeleidende brief van 1 juli 2015 te kennen heeft gegeven dat de bijgevoegde briefvan [betrokkene 3] niet moet worden opgevat als een deelname aan de arbitrage. Het gaat om uitleg van de brief aan de hand van objectieve maatstaven, en niet om de uitleg die een partij daar zelf - in een begeleidende brief- aan geeft. Evenmin is doorslaggevend dat de brief aan het PHA is gestuurd, en niet aan het scheidsgerecht. PrivatBank moest er immers van uit gaan dat deze brief aan partijen zou worden doorgestuurd.
Doorslaggevend is dat de hoofdboodschap van de brief van 16 juni 2015 is dat de Russische Federatie de Notice of Arbitration retourneert met de kennelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met slechts twee volzinnen waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. Dat het scheidsgerecht het in de brief genoemde bevoegdheidsverweer wel heeft behandeld, maakt dit niet anders. Het scheidsgerecht was immers gehouden ook eigener beweging te toetsen of het bevoegd was en heeft dat ook - los van de desbetreffende brief- gedaan. In alinea 157 van de Interim Award van 24 februari 2017 overwoog het scheidsgerecht immers: "
As it informed the Parties by letter from the PCA dated 19 March 2016, the Tribunal considers that it is required to determine its jurisdiction and the admissibility of the claims whether or not objections have been raised by the respondent". De Russische Federatie heeft verder terecht naar voren gebracht dat zowel het scheidsgerecht (in hoofdstuk 3 van het arbitrale tussenvonnis van 24 februari 2017 onder
"The Respondent 's non-participation") als PrivatBank tijdens de arbitrale procedure er blijk van hebben gegeven dat zij de Russische Federatie beschouwden als "niet verschenen".
Procedural Order no. 7in de gelegenheid is gesteld om haar
illegality objectionin het kader van de
quantum phaseuit te werken staat er niet aan in de weg dat volledig getoetst moet worden of het scheidsgerecht bevoegd was.”
Een partij die in het arbitraal geding is verschenen, dient een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren te doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen, (…).”
is verschenen. De tekst van de wet biedt geen handvat voor de lezing dat het voorschrift van art. 1052 lid 2 Rv Pro tevens geldt voor de partij die niet is verschenen maar wel deugdelijk is opgeroepen. [31] In de parlementaire geschiedenis van de Arbitragewet 1986 is over ‘verschijnen in het arbitraal geding’ in de zin van deze bepaling namens de regering het volgende opgemerkt: [32]
Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende – een verweer ten principale voert zonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. Voert zij verweer (waaronder begrepen: referte) zonder beroep op onbevoegdheid te doen, dan heeft zij het recht verwerkt daar in een later stadium op terug te komen.
Voert een partij geen verweer ten principale, dan kan zij in een later stadium nog wel op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht een beroep doen.”
in algemene zinruim opgevat te worden. [33] Daarvan is vrij snel sprake, ook gezien de woorden ‘op enigerlei wijze deelneemt’. Van ‘verschenen’
in de context van art. 1052 lid 2 Rv Prois minder snel sprake. Dat wordt nader uitgelegd in het weergegeven citaat (na het woordje ‘echter’).
Kompetenz-Kompetenz). Hoewel deze bepaling anders kan doen vermoeden, zal het scheidsgerecht niet in alle gevallen ambtshalve mogen beslissen of het al dan niet tot kennisneming van het geschil bevoegd is. Alleen indien de verweerder in het arbitraal geding
nietis verschenen, zal aanleiding bestaan om naar de bevoegdheid ambtshalve onderzoek te doen. [37]
[…] /Ruwaover het samenstel van de hiervoor aangehaalde bepalingen van art. 1052 lid 1 en Pro 2 en art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv het volgende overwogen: [41]
een partij die in het arbitraal beding is verschenen” in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro. Daarvan is reeds sprake als een partij, zoals in dit geval, zich tot het scheidsgerecht richt en een inhoudelijk verweer aandraagt, ongeacht of (één van) de desbetreffende brieven het karakter hebben (heeft) van een beknopt verweerschrift. Er is in ieder geval sprake van verschijnen als een bevoegdheidsverweer wordt aangedragen, aldus de klacht.
een verweer ten principale voertzonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. […].”
verweer ten principalekan dus sprake zijn van een verval van recht in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro en daarmee van het prijs geven van de mogelijkheid van vernietiging op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv. Een verweer ten principale is een materieelrechtelijk verweer tegen de vordering van de eiser. [43] Het is, anders gezegd, een verweer betreffende de door eiser gestelde rechtsverhouding. Een beroep op onbevoegdheid vormt niet een verweer ten principale maar een
exceptie [44] , oftewel een verweer ten aanzien van de toepassing van procesrechtelijke regels. [45] Een dergelijk processueel verweer ziet niet op de rechtsbetrekking tussen partijen en beoogt een debat - althans een beslissing - daarover in beginsel juist te voorkomen. [46]
territoryen dat dit dus geen grond voor vernietiging van het arbitrale (tussen)vonnis oplevert. Bij deze stand van zaken kunnen de argumenten van PrivatBank gebaseerd op het volgens haar toepasselijke algemene beginsel van internationaal recht dat staten geen standpunten mogen innemen die met elkaar strijden, in het midden blijven.
Ten overvloede merkt het hof op datde Russische Federatie ook in deze procedure vooropstelt dat zij de Krim beschouwt als onderdeel van haar soevereine grondgebied, maar daarnaast consequenties verbindt aan het feit dat Oekraïne en de internationale gemeenschap dit standpunt niet delen, waardoor internationaalrechtelijk de rechtmatigheid van haar positie ter discussie staat. Aldus beschouwd neemt de Russische Federatie geen onverenigbare standpunten in.”
territoryslagen. Na cassatie en verwijzing zou de hier bestreden verwerping van het verweer van PrivatBank relevant kunnen worden.
standpunteninneemt die met elkaar strijden (binnen en buiten de vernietigingsprocedure), het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Het hof heeft miskend dat van strijd met het beginsel
venire contra factum propriumook sprake is als het standpunt van de Russische Federatie in deze procedure onverenigbaar is met de
gedragingen en houdingvan de Russische Federatie buiten deze procedure. PrivatBank heeft bij het hof gesteld dat de Russische Federatie buiten deze procedure de Krim beschouwt en behandelt als onderdeel van haar soevereine grondgebied. Dit ongeacht het feit dat de Oekraïne en de internationale gemeenschap de soevereiniteit van de Russische Federatie op de Krim niet hebben erkend. Dit is in strijd met voormeld beginsel.
Het standpunt van Privatbank
territoryals bedoeld in dat verdrag behoort, is in het licht daarvan niet te goeder trouw.
Het is een algemeen beginsel van internationaal recht dat staten geen standpunten mogen innemen die met elkaar strijden. Een verdragspartij kan niet stellen dat aan één van de vereisten van artikel 9 BIT Pro 1998 niet is voldaan als het eerder publiekelijk vele tegengestelde beweringen heeft gedaan.Een betoog inhoudende dat de Krim niet tot de
territoryvan de Russische Federatie behoort levert naar Nederlands procesrecht misbruik van bevoegdheid op om vernietiging op die grond te vorderen. PrivatBank verwijst op dit punt onder meer naar de brief aan het PHA van [betrokkene 3] , geciteerd in nr. 3.14 hierboven, waarin is opgenomen dat de Krim onderdeel uitmaakt van de Russische Federatie.
Verder verwijst PrivatBank naar de gebeurtenissen op de Krim in maart 2014, waaruit blijkt dat de Russische Federatie de Krim als haar grondgebied beschouwt. Het desbetreffende beginsel ("venire contra factum proprium")maakt deel uit van het positieve internationale recht. Dit beginsel vindt in investeringsarbitrages toepassing door artikel 3 1 lid WW. Het beginsel van goede trouw is uitdrukkelijk ook van toepassing op kwesties betreffende de bevoegdheid van een scheidsgerecht.”
venire contra factum propriuminhoudt dat staten in respectievelijk buiten rechte geen
standpuntenmogen innemen die met elkaar strijden. De stelling van PrivatBank dat sprake is van strijd met dit beginsel (dus: strijdige standpunten) is volgens het hof onder meer onderbouwd door te wijzen op de gebeurtenissen op de Krim in maart 2014. Dit is, ook volgens PrivatBank in cassatie (onder 8), een
gedragingvan de Russische Federatie. Hieruit volgt dat het hof met het oordeel dat de Russische Federatie geen onverenigbare standpunten heeft ingenomen, ook gedragingen van de Russische Federatie heeft meegenomen. Het hof heeft dus niet miskend dat van strijd met het beginsel
venire contra factum propriumook sprake kan zijn als het standpunt van de Russische Federatie in deze procedure onverenigbaar is met de gedragingen en de houding van de Russische Federatie buiten deze procedure.
venire contra factum propriumis een uitdrukking van de redelijkheid en billijkheid in haar corrigerende functie. [50] Rechtsverwerking is een Nederlandse verschijningsvorm van dit beginsel [51] en misbruik van recht is een rechtsfiguur in het Nederlandse recht die nauw verwant is aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [52] Zowel rechtsverwerking als misbruik van recht kunnen worden gebruikt om consequenties te verbinden aan een schending van het beginsel. Het hof heeft het standpunt van PrivatBank ook in die zin begrepen, getuige de hiervoor geciteerde rov. 5.7.6.1. Met de verwerping van het beroep op het beginsel
venire contra factum proprium, heeft het hof ook het beroep op rechtsverwerking en misbruik van recht (voldoende gemotiveerd) verworpen.