ECLI:NL:PHR:2024:46

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 januari 2024
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
22/03897
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1065 lid 1 RvArt. 1052 lid 2 RvArt. 31 WVVArt. 32 WVVArt. 1 lid 1 BIT 1998
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheid scheidsgerecht en toepasselijkheid bilateraal investeringsverdrag bij onteigeningen op de Krim

Deze zaak betreft een procedure tot vernietiging en herroeping van arbitrale uitspraken in een investeringsarbitrage tussen PrivatBank en de Russische Federatie. PrivatBank vordert schadevergoeding wegens onteigeningen van vermogensbestanddelen op de Krim, die sinds maart 2014 onder bestuur van de Russische Federatie valt.

Het scheidsgerecht verklaarde zichzelf bevoegd en oordeelde dat de Russische Federatie de investeringen onrechtmatig heeft onteigend. De Russische Federatie startte daarop een vernietigings- en herroepingsprocedure bij het gerechtshof Den Haag, die zij verloor. In cassatie staat centraal de vraag of het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard, mede in het licht van het bilaterale investeringsverdrag (BIT) tussen Oekraïne en de Russische Federatie uit 1998.

Het hof oordeelde dat het begrip 'territory' in het BIT niet beperkt is tot soeverein grondgebied, maar ook ziet op gebieden waar een verdragsstaat langdurige controle en rechtsmacht uitoefent, zoals de Krim. Ook werd geoordeeld dat de investeringen van PrivatBank, hoewel oorspronkelijk onder Oekraïens recht gedaan, na incorporatie van de Krim onder de Russische rechtsorde vallen en dat het scheidsgerecht bevoegd is om over deze investeringen te oordelen.

De Hoge Raad bevestigt dat het hof de bevoegdheid van het scheidsgerecht juist heeft getoetst en dat de Russische Federatie niet heeft deelgenomen aan de arbitrageprocedure in de zin van het Nederlandse procesrecht. Het hof heeft terecht geoordeeld dat de Russische Federatie haar recht om de bevoegdheid van het scheidsgerecht te betwisten niet heeft verwerkt. De klachten van de Russische Federatie over de uitleg van het begrip 'territory', de beoordeling van de rechtmatigheid van investeringen en de vermeende fraude binnen PrivatBank worden verworpen. De Hoge Raad wijst het cassatieberoep van de Russische Federatie af en verwerpt het incidenteel cassatieberoep van PrivatBank.

Uitkomst: Het cassatieberoep van de Russische Federatie wordt verworpen en het hof heeft terecht geoordeeld dat het scheidsgerecht bevoegd is.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/03897
Zitting12 januari 2024
CONCLUSIE
B.J. Drijber
In de zaak van
De Russische Federatie,
eiseres tot cassatie,
verweerster in het incidenteel cassatieberoep,
tegen
JSC CB Privatbank,
verweerster in cassatie,
eiseres in het incidenteel cassatieberoep.
Partijen worden verkort aangeduid als
Russische Federatierespectievelijk
PrivatBank.

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft een procedure tot vernietiging en herroeping van arbitrale uitspraken. PrivatBank is op grond van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie een arbitrage tegen de Russische Federatie begonnen. Plaats van de arbitrage is Den Haag. De arbitrage gaat zaak over de rechtmatigheid van de onteigening van vermogensbestanddelen op grond van overheidsmaatregelen die zijn genomen nadat de Krim in maart 2014 onder het bestuur en de controle van de Russische Federatie is gekomen. In de arbitrale procedure vordert PrivatBank schadevergoeding voor de onteigeningen op de Krim wegens strijd met het bilaterale investeringsverdrag.
1.2
Het scheidsgerecht heeft (i) zichzelf bevoegd verklaard en (ii) geoordeeld dat de Russische Federatie in strijd met het investeringsverdrag vermogensbestanddelen heeft onteigend.
1.3
De Russische Federatie is daartegen een vernietigings- en een herroepingsprocedure gestart bij het gerechtshof Den Haag. Zij vordert vernietiging op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv (onbevoegdheid van het scheidsgerecht) en art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv (strijd met openbare orde). Het hof heeft die vorderingen afgewezen. De Russische Federatie komt daar in het principaal cassatieberoep tegen op. In cassatie staan centraal de gronden waarop het hof heeft geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard.
1.4
Het hof heeft daarnaast geoordeeld dat de Russische Federatie niet in de arbitrageprocedure is verschenen in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro en leidt daar uit af dat de Russische Federatie niet haar recht heeft verwerkt om in de vernietigingsprocedure de bevoegdheid van het scheidsgerecht te betwisten, na eerder van deelname aan de arbitrale procedure te hebben afgezien. PrivatBank heeft tegen die beslissing incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dat beroep stelt de vraag aan de orde wanneer een partij in een arbitrageprocedure is verschenen.
1.5
De onderhavige zaak hangt samen met drie andere zaken waarin de Russische Federatie cassatieberoep heeft ingesteld en waarin ik vandaag eveneens concludeer: zaak 22/03895 (
Belbek c.s.), zaak 22/03901 (
Everest c.s.) en zaak 22/03902 (
Naftogaz c.s.). In deze zaak en in de zaak
Belbek c.s. heeft het scheidsgerecht dezelfde samenstelling. Dat scheidsgerecht heeft een tussenvonnis over zijn bevoegdheid en een gedeeltelijk eindvonnis over de gegrondheid van de vorderingen gewezen. Het oordeel over welke specifieke investeringen zijn beschermd en wat de hoogte is van de schadevergoeding voor hun onteigening, is aangehouden tot de kwantumfase van de arbitrage en loopt op dit moment nog. In de derde zaak,
Everest c.s., is een arbitraal eindvonnis gewezen en de vernietigingsprocedure is daartegen gericht. In de laatste zaak,
Naftogaz c.s.,heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijk eindvonnis (
Partial Award) gewezen; één arbiter heeft een
dissenting opiniongegeven. In april 2023, hangende de cassatieprocedure, heeft het scheidsgerecht in die zaak eindvonnis gewezen, opnieuw bij meerderheid.
1.6
Het hof heeft de vorderingen in de eerste drie zaken, waaronder deze zaak, afgewezen. Alleen in de zaak
Naftogaz c.s.heeft het hof het aangevochten deelvonnis ‘voor alle zekerheid’ vernietigd, namelijk voor zover het scheidsgerecht zich ook bevoegd heeft geacht ten aanzien van investeringen die zijn gedaan vóór 1 januari 1992.
1.7
Ik meen dat in deze zaak, de zaak
Belbek c.s.en in de zaak
Naftogaz c.s.het principaal cassatieberoep van de Russische Federatie moet worden verworpen. Het hof heeft op juiste gronden geoordeeld dat het scheidsgerecht zich terecht bevoegd heeft verklaard. Alleen in de zaak
Everest c.s.concludeer ik tot vernietiging. Ik acht in die zaak enkele feitelijke oordelen van het hof onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd in het licht van de gedingstukken.
1.8
Het incidenteel cassatieberoep is in deze zaak en in de zaak
Everest c.s.voorwaardelijk ingesteld, en in de zaken
Belbek c.s.en
Naftogaz c.s.onvoorwaardelijk. Ik behandel in alle vier de zaken het incidenteel cassatieberoep en concludeer steeds tot verwerping ervan.
1.9
De vier conclusies zijn zo veel mogelijk identiek. De talrijke klachten zijn echter niet steeds identiek en kennen soms ook een afwijkende volgorde. In het principaal beroep van de Russische Federatie keren twee onderwerpen in elk van de vier zaken terug. Ten eerste is dat de uitleg van het begrip ‘
territory’in een situatie waarin tussen de twee verdragsstaten feitelijk de landsgrens is verlegd waardoor een investering in de rechtssfeer van de andere verdragsstaat is gekomen. In het verlengde daarvan is betwist of het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven omtrent het soevereiniteitsconflict over de Krim. Ten tweede is dat de vraag hoe moet worden bepaald of onteigende vermogensbestanddelen door de Oekraïense investeerders legaal waren verkregen. In het verlengde van die laatste vraag is alleen in de zaak
Everest c.s.concreet aan de orde of specifieke vastgoedobjecten rechtmatig waren verkregen. Al deze vragen zijn relevant voor de bevoegdheid van het scheidsgerecht. Dáárover diende het hof te oordelen, ook al hangt de beantwoording van die vragen mede af van de uitleg van het bilaterale investeringsverdrag tussen Oekraïne en de Russische Federatie en dus van vreemd recht.
1.1
De incidentele beroepen stellen met name aan de orde de vraag wanneer een partij geacht moet worden te zijn verschenen in een arbitraal geding waarop het Nederlandse procesrecht van toepassing is. Dat is een vraag van uitleg van art. 1052 lid 2 Rv Pro.

2.Feiten en procesverloop

2.1
In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan. [1]
2.2
Op 27 november 1998 hebben Oekraïne en de Russische Federatie een bilateraal investeringsverdrag gesloten (hierna:
BIT 1998). [2] De voor deze procedure relevante bepalingen uit dat verdrag luiden in de Engelse vertaling als volgt: [3]
“Article 1 Definitions
For the purposes of this Agreement:
1. The term “investments” means any kind of tangible and intangible assets [which are] invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with its legislation, including:
a) (…);
Any alteration of the type of investments in which the assets are invested shall not affect their nature as investments, provided that such alteration is not contrary to legislation of a Contracting Party in the territory of which the investments were made.
2. The term “investor of a Contracting Party” means:
a) any natural person having the citizenship of the state of that Contracting Party and who is competent in accordance with its legislation to make investments in the territory of the other Contracting Party;
b) any legal entity constituted in accordance with the legislation in force in the territory of that Contracting Party, provided that the said legal entity is competent in accordance with legislation of that Contracting Party, to make investments in the territory of the other Contracting party.
(...)
4. The term “territory” means the territory of the Russian Federation or the territory of Ukraine as well as their respective exclusive economic zone and the continental shelf, defined in accordance with international law.
5. The term “legislation of the Contracting Party” means legislation of the Russian Federation or Ukraine, respectively.
(…)
Article 5 Expropriation
1. Investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party shall not be expropriated, nationalized or subject to other measures equivalent in effect to expropriation (hereinafter referred to as “expropriation”), except in cases where such measures are taken in the public interest under due process of law, are not discriminatory and are accompanied by prompt, adequate and effective compensation.
2. (…).
(…)
Article 9 Resolution of Disputes between a Contracting Party and an Investor of the Other Contracting Party
1. Any dispute between one Contracting Party and an investor of the other Contracting Party arising in connection with investments (…) shall be subject to a written notice (…). The parties to the dispute shall endeavor to settle the dispute through negotiations if possible.
2. If the dispute cannot be resolved in this manner (…) it shall be referred to:
a) (…)
b) (…)
c) an “ad hoc” arbitration tribunal (…)
3. The arbitral award shall be final and binding upon both parties to the dispute. (…)
(…)
Article 12 Application of the Agreement
This Agreement shall apply to all investments made by investors of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party, on or after January 1, 1992.”
2.3
De Krim is een schiereiland. Tot in ieder geval 6 maart 2014 maakte de Krim deel uit van de Oekraïne. Op die dag stemde de
Supreme Councilvan de Krim vóór aansluiting bij de Russische Federatie. Het agendeerde een referendum daarover op 16 maart 2014. Volgens de organisatoren van het referendum stemde 96% van de deelnemers daaraan vóór aansluiting. Op 17 maart 2014 verklaarden de
Supreme Councilen de gemeenteraad van Sebastopol zich onafhankelijk van de Oekraïne. De volgende dag werd een verdrag ondertekend met de titel ‘
Treaty between the Russian Federation and the Republic of Crimea on the Acceptance of the Republic of Crimea into the Russian Federation and the Formation of New Constituent Parts within the Russian Federation’. Ondertekenaars waren, de Russische Federatie, de Republiek de Krim en de stadsstaat Sebastopol. Het Grondwettelijk Hof van de Russische Federatie erkende op 19 maart 2014 dat het verdrag in overeenstemming is met de Russische grondwet. Op 21 maart 2014 werd het verdrag door het Russische parlement geratificeerd met het aannemen van de
Crimean Incorporation Law. In die wet werd (onder meer) de doorlopende geldigheid van onder Oekraïens recht rechtsgeldig verkregen eigendomsrechten erkend per 18 maart 2014. [4]
2.4
Oekraïne heeft niet erkend dat de Krim onderdeel is gaan uitmaken van de Russische Federatie. Ook op internationaal niveau bestaat daartegen verzet. [5] Dat neemt niet weg dat de Krim sinds maart 2014 onder bestuur en controle van de Russische Federatie staat.
2.5
PrivatBank is in 1992 in Oekraïne opgericht naar Oekraïens recht. Vanaf de oprichting tot aan de nationalisatie in 2016 (waarover hieronder in 2.7 meer) waren de meerderheid van de aandelen en de zeggenschap in handen van twee personen met (onder meer) de Oekraïense nationaliteit, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . PrivatBank werd op 19 maart 1992 door de Nationale Bank van Oekraïne (hierna:
NBU) in de
State Register of Banksgeregistreerd. Het was PrivatBank daarmee toegestaan om bankactiviteiten te ontplooien in Oekraïne. In 1994 breidde PrivatBank haar activiteiten uit naar de Krim, waaronder Sevastopol. Vanaf 1996 begon de NBU licenties aan banken uit te geven. Aan PrivatBank is toen een volledige banklicentie uitgegeven. PrivatBank had filialen op de Krim en beheerde aldaar investeringen zoals geldautomaten en zelfbedieningsloketten. PrivatBank heeft leningen uitgegeven aan bedrijven en particulieren op de Krim.
2.6
Op 21 april 2014, kort na de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie, nam de Russische Centrale Bank het besluit de activiteiten van PrivatBank op de Krim te beëindigen. [6] Tussen maart 2014 en dit besluit waren al filialen en andere activa van PrivatBank op de Krim door de Russische Federatie in beslag genomen. In april 2014 vaardigde de
State Council of the Republic of Crimea, de Staatsraad van de toen net opgerichte Republiek de Krim, een verordening uit waarin stond dat bepaalde bezittingen van PrivatBank op de Krim genationaliseerd werden (
Decree No. 2085-6/14 of the State Council of the Republic of Crimea dated 30 April 2014 and amendments thereto dated 3 september 2014 to 27 February 2015 (CE-88-E)).
2.7
Op 18 december 2016 heeft de NBU PrivatBank in Oekraïne failliet laten verklaren. De reden daarvoor was de slechte kapitaalpositie van PrivatBank. Op voorstel van de NBU is PrivatBank vervolgens voor 1 Oekraïense grivna verkocht aan de Oekraïense staat. Na de nationalisatie werd een herkapitalisatie van PrivatBank uitgevoerd. In totaal vond herkapitalisatie plaats voor een bedrag van meer dan USD 5,5 miljard.
2.8
Naar aanleiding van een onderzoek door een extern internationaal onderzoeksbureau, Kroll Inc. (hierna:
Kroll) in haar opdracht heeft NBU op 16 januari 2018 een persbericht doen uitgaan waarin zij de belangrijkste bevindingen van het Kroll onderzoek omschreef. Dit persbericht luidt als volgt: [7]
“The results of an independent investigation by the company Kroll have been presented to the National Bank of Ukraine. The investigation has identified that PrivatBank was subjected to a large scale and coordinated fraud over at least a ten year period ending December 2016, which resulted in the Bank suffering a loss of at least USD 5.5 billion. Key findings of the investigation include:
1.
Extraction of funds. There are clear indications that loan proceeds were used to purchase assets and to finance business enterprises inside and outside of Ukraine for the benefit of former shareholders and their affiliates.
2.
Disguising the origins of funds. The mechanisms used to disguise the origin and destination of loan funds demonstrated the characteristics of a large-scale money-laundering scheme. The volume and timing of the transactions within minutes of each other and with no declared connection between the entity repaying the loan and the original borrower and the extensive use of Special Purpose Vehicle (SPV) companies based in off-shore jurisdictions, demonstrated indications of a concerted attempt to disguise the true nature of the economic purpose from regulatory and other stakeholders for the benefit of the former shareholders and their affiliates.
3.
Bank within the bank. Central to the coordinated manipulation of the loan book, and extraction of benefit was a shadow banking structure within PrivatBank. The secretive structure processed and facilitated the movement of the proceeds of hundreds of loans worth billions of USD to parties related to the former shareholders and their affiliates. This shadow banking structure used hundreds of employees embedded within the bank.
4.
Structure and administration of the loans. The shadow bank administered the related party corporate loan portfolio. It issued new loans, typically used to repay principal and interest on existing related party loans (Recycling Scheme), and was the architect of fund flow mechanisms to disguise the origin and destination of the loan funds, presenting a façade of an ordinary client-focused bank. The Bank attracted funds from private and commercial depositors from Ukraine and other countries, which facilitated the Loan Recycling Scheme. This long term hiding of such a large exposure to related parties required PrivatBank to make repeated false representations of its financial position. This misrepresentation could only have been achieved through multiple instances of banking fraud and false accounting by the former management of the bank.
5.
Balance sheet. Prior to nationalisation in December 2016, more than 95 percent of corporate lending was to parties related to former shareholders and their affiliates. Towards the end of 2016, 75% of the loan book was consolidated into loans to 36 borrowers related to the former shareholders and their affiliates. The majority of these loans remain overdue and unpaid, resulting in a loss to the Bank of at least USD 5.5 billion.
[…]”
2.9
Op 1 april 2015 is PrivatBank een arbitrale procedure gestart. [8] Het standpunt van PrivatBank in deze arbitrage is dat de Russische Federatie onder meer art. 5 BIT Pro 1998 inzake onteigening heeft geschonden. Op de procedure zijn de regels van de United Nations Commission on International Trade Law (hierna:
UNCITRAL) van toepassing. Drie arbiters werden benoemd, zonder bemoeienis van de Russische Federatie. Het Permanent Hof van Arbitrage (hierna:
PHA)administreert de arbitrageprocedure. Den Haag is aangewezen als plaats van arbitrage.
2.1
Op 1 juli 2015 heeft de toenmalige ambassadeur van de Russische Federatie in Nederland aan het PHA de volgende brief gestuurd: [9]
“Herewith a letter from [betrokkene 3] , Deputy Director of the Department of International Law and Cooperation, Ministry of Justice of the Russian Federation, is conveyed to the Permanent Court of Arbitration.
Nothing in the attached letter of the Ministry of Justice of the Russian Federation can be interpreted as consent of the Russian Federation to constitution of an arbitral tribunal, participation in arbitration proceedings, or as procedural actions taken in the framework of the proceedings on the claims of Aeroport Belbek LLC and [betrokkene 1] and of PJSC CB PrivatBank and Finance Company Finilon LLC against the Russian Federation, or as waiver by the Russian Federation of the jurisdictional immunities in respect of itself and its property in relation to any judicial or administrative proceedings or procedures, connected directly or indirectly with these claims, including immunity from court jurisdiction and immunity from any measures of constraint that can be connected directly or indirectly with these claims, regardless of the jurisdiction (national or supranational) under which they are initiated.”
2.11
In de aangeboden brief van 16 juni 2015 van het Russische Ministerie van Justitie wordt medegedeeld dat de Russische Federatie elk scheidsgerecht, hoe ook samengesteld, onbevoegd acht om over de tegen haar ingestelde vorderingen te beslissen:
"We return you herewith the Notices of Arbitration on the arbitration proceedings initiated under Article 9 of the Agreement between the Government of the Russian Federation and the Cabinet of Ministers of Ukraine on the Encouragement and Mutual Protection of Investments before the Permanent Court of Arbitration by the Aeroport Belbek LLC and [betrokkene 1] vs. the Russian Federation (...) and by the PJSC CB PrivatBank and the Finance Company Finilon LLC vs. the Russian Federation (...).
It is manifest that such claims cannot be considered under the Agreement mentioned above and, therefore, the Agreement cannot serve as a basis for composing an arbitral tribunal to settle these claims. In accordance with paragraph 1 Article 1 of the Agreement the term “investment” means every kind of movable and immovable and intellectual property invested by an investor of one Contracting Party in the territory of the other Contracting Party in accordance with the legislation of the latter contracting Party. The property in question which is the matter of the claims is situated in the territory of the Crimea and Sevastopol, i.e. in the territory that was a part of Ukraine but at the present time pursuant to the will of people forms an integral part of the territory of the Russian Federation and cannot be regulated by the Agreement.
On the basis of the abovementioned the Russian Federation does not recognize the jurisdiction of an international tribunal at the Permanent Court of Arbitration in settlement of the abovementioned claims.”
2.12
De Russische Federatie heeft er dus voor gekozen niet actief deel te nemen in de eerste fase van de arbitrage. Zij heeft, na de brieven van 16 juni en 1 juli 2015, in de arbitrageprocedure niet meer van zich laten horen. Zij is wel door het PHA op de hoogte gehouden van alle processtappen en zij heeft kopieën ontvangen van alle bij de procedure behorende stukken.
2.13
Oekraïne heeft in de arbitrageprocedure een zogeheten
non-disputing party submissioningediend. Daarin is haar standpunt over de toepasselijkheid van de BIT 1998 uiteengezet.
2.14
De arbitrageprocedure is door het scheidsgerecht gesplitst (
bifurcation), met als doel om kwesties betreffende bevoegdheid (
jurisdiction) en aansprakelijkheid (
liability) in een preliminaire procedure te behandelen. Op 24 februari 2017 (gecorrigeerd op 27 maart 2017) heeft het scheidsgerecht een tussenuitspraak gedaan (
Interim Awardof het
arbitrale tussenvonnis), waarvan het dictum luidt:

VIII. DECISION
For the foregoing reasons, the Tribunal finds that:
1. the Russian Federation has assumed obligations under the Treaty in respect of Ukrainian investors and their investments in the Crimean Peninsula as of 21 March 2014;
2. there is a dispute between the Parties arising in connection with what the Claimants allege to constitute “investments” under the Treaty; and
3. the Claimants have satisfied the notice and negotiation requirements under Article 9 of the Treaty.
The Tribunal joins the consideration of all other issues of jurisdiction or admissibility to the merits of the proceedings and defers any decision on the costs of arbitration to the next phase of the arbitration.”
2.15
Op 4 februari 2019 heeft het scheidsgerecht een gedeeltelijke einduitspraak gedaan (hierna:
Partial Awardof het
arbitrale deelvonnis). Het dictum van deze uitspraak luidt:

VII. DECISION
For the foregoing reasons, the Tribunal finds that:
1. the Tribunal has jurisdiction over PrivatBank’s claims under the Treaty;
2. PrivatBank’s claims are admissible; and
3. the Russian Federation has breached Article 5 of the Treaty in respect of PrivatBank’s investments.
The issue of compensation due in the light of this finding of liability and any decision on the costs of arbitration are deferred to the next phase of the arbitration.”
2.16
Bij brief van 21 mei 2019, dus nadat het arbitrale deelvonnis was gewezen, heeft de Russische Federatie te kennen gegeven alsnog deel te zullen nemen aan (de kwantumfase van) de arbitrale procedure. Zij heeft bij die brief diverse verzoeken gedaan waarop het scheidsgerecht heeft beslist in de
Procedural Order no. 7van 12 september 2019. [10] Deze beslissing van het scheidsgerecht luidt voor zover hier relevant als volgt:
“2.11 In any event, having reviewed the jurisdictional objections summarized in the Respondent's recent correspondence, as well as the Respondent's Set Aside and Revocation Writs, the Tribunal considers that its Awards address both the threshold jurisdictional issue of the application of the Treaty between the Russian Federation and Ukraine in respect of the Crimean Peninsula in the period from February 2014 onwards, and all other applicable jurisdictional and admissibility requirements under the Treaty.
2.12
That said, the Tribunal notes that, in support of its argument that "PrivatBank does ... not qualify as an investor within the meaning of Article 1(1) of the [Treaty] who has made investments within the meaning of Article 1(2) of the [Treaty] because PrivatBank obtained its investments through corruption, fraud and violence, among other things" (the "Illegality Objection"), the Respondent has put forward in its Set Aside and Revocation Writs a set of arguments and factual evidence that was neither put before the Tribunal by the Claimant, nor addressed by the Tribunal in its Awards. Although the Respondent could have raised this issue at an earlier stage of these proceedings, the Tribunal considers that, in view of the substantial new evidence now adduced by the Respondent, as well as the serious nature of its allegations, it would be appropriate to allow the Respondent to make submissions on its Illegality Objection, should it wish to do so. In order to minimize any delay resulting from such submissions and given that the Respondent's arguments and evidence in respect of the Illegality Objection will likely also be relevant to the damages issues in these proceedings, the Tribunal considers that any such submissions should be made in the Respondent's submissions on compensation (as to which, see paragraph 2.24 below).
2.13
The Tribunal accordingly denies the Respondent's request for permission to make written and oral submissions on jurisdiction, save that in its submissions on compensation (as to which, see paragraph 2.24 below) the Respondent may make submissions in respect of its Illegality Objection.”
2.17
Bij dagvaarding van 2 mei 2019 heeft de Russische Federatie bij het gerechtshof Den Haag (hierna: het
hof) herroeping gevorderd van arbitrale vonnissen (de Interim Award en de Partial Award) gewezen tussen PrivatBank en de Russische Federatie. Bij dagvaarding van 3 juni 2019 heeft de Russische Federatie de vernietiging gevorderd van deze vonnissen. De rolraadsheer heeft rolvoeging gelast en PrivatBank heeft verweer gevoerd.
2.18
Beide dagvaardingen bevatten een incidentele vordering tot inzage op grond van de artikelen 21, 22 en 843a Rv. [11] Bij arrest van 16 februari 2021 [12] (hierna: het
tussenarrest) heeft het hof deze vorderingen afgewezen en daartoe samengevat het volgende geoordeeld:
i) Alleen art. 843a Rv vormt een wettelijke grondslag voor een inzagevordering. Het hof beoordeelt de vorderingen van de Russische Federatie daarom aan de hand van de in dat artikel gestelde eisen.
ii) In de arbitrale procedure is ook een inzageverzoek gedaan dat (grotendeels) overeenkomt met de vordering in de onderhavige procedure. Deze vordering is gedeeltelijk toegewezen en PrivatBank heeft een aantal stukken overgelegd. Volgens de Russische Federatie is niet volledig aan het bevel van het scheidsgerecht tot overlegging van de stukken voldaan.
iii) Vanwege de overlap, het feit dat in de
Disclosure Phasevan de arbitrage nogmaals documenten kunnen worden opgevraagd en dat in de
Quantum Phasevan de arbitrale procedure ook de rechtmatigheid van de investeringen ter discussie staat, heeft de Russische Federatie in dit stadium niet voldoende belang bij haar inzagevordering in deze procedure. (rov. 4.8)
iv) PrivatBank heeft gesteld dat ook als de verwijten van corruptie, fraude en geweld van de Russische Federatie ten aanzien van bepaalde investeringen gegrond zouden zijn, de onteigening door de Russische Federatie in ieder geval ook rechtmatige investeringen van PrivatBank in de Krim heeft getroffen. Deze stelling is niet, althans onvoldoende betwist. De Russische Federatie heeft onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij met de stukken waarvan zij in dit incident afschriften vordert, ten aanzien van
alleinvesteringen van PrivatBank in de Krim zou kunnen aantonen dat zij door corruptie, fraude of geweld zijn verkregen. (rov. 4.9)
v) Een vaststelling dat
een deelvan de investeringen van PrivatBank in de Krim door corruptie, fraude of geweld is verkregen en/of dat PrivatBank informatie dienaangaande in de arbitrale procedure heeft achtergehouden, kan niet leiden tot herroeping of vernietiging van de Interim Award of de Partial Award. In de Interim Award is niet ingegaan op de rechtmatigheid van de investeringen. In de Partial Award is een algemeen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de investeringen dat berust op een analyse van de Russische incorporatiewetgeving. (rov. 4.10, p. 7)
vi) De vraag of het scheidsgerecht ten aanzien van specifieke investeringen van PrivatBank in de Krim onbevoegd is omdat deze investeringen onrechtmatig zijn verkregen, kan pas worden beantwoord nadat ook de
Quantum Phaseis afgerond, waarin het scheidsgerecht zal oordelen over de (on)rechtmatigheid van specifieke investeringen naar aanleiding van de stellingen van de Russische Federatie. (rov. 4.10, p. 8).
2.19
Bij arrest van 19 juli 2022 [13] (hierna: het
eindarrest) heeft het hof zowel de vordering tot vernietiging als de vordering tot herroeping afgewezen en daartoe het volgende geoordeeld:
(a) De bepalingen van de BIT 1998 moeten worden uitgelegd aan de hand van art. 31 en Pro art. 32 van Pro het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht, het Weens Verdragenverdrag (hierna:
WVV). [14] (rov. 5.1.1)
(b) De vorderingen van de Russische Federatie stuiten niet af op misbruik van procesrecht. Privatbank betoogt dat sprake is van ongeoorloofde strijd tussen standpunten van de Russische Federatie in en buiten rechte over (de status van) het grondgebied van de Krim. Deze procedure heeft niet tot onderwerp of de Krim onderdeel is van de Russische Federatie, maar of de BIT 1998 van toepassing is op de gestelde investeringen. De vorderingen zijn niet prematuur, want er ligt een gedeeltelijk eindvonnis. (rov. 5.2.1, 5.2.3 - 5.2.4)
(c) Het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt mee dat (i) de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten uiteindelijk aan de rechter is opgedragen en (ii) dat een vordering tot vernietiging van een arbitraal vonnis op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, door de rechter niet terughoudend wordt getoetst (rov. 5.4.1).
(d) De door de Russische Federatie aangevoerde gronden voor vernietiging moeten volledig worden getoetst door een uitleg van de BIT 1998 aan de hand van de uitlegmaatstaven die volgen uit het WVV. (rov. 5.4.2)
(e) Voor een arbitrale procedure gelden geen formele eisen voor het verschijnen in de procedure. Indien een brief het karakter heeft van een (beknopt) verweerschrift kan dat als een verschijnen worden aangemerkt. De brieven die in 2015 namens de Russische Federatie zijn gestuurd, hebben dat karakter niet. Het scheidsgerecht was, los van die brieven, gehouden om uit eigen beweging te toetsen of het bevoegd was. Omdat de Russische Federatie met de brieven niet in de procedure is verschenen, heeft zij niet het recht verwerkt om bepaalde bevoegdheidsgronden in de vernietigingsprocedure naar voren te brengen. (rov. 5.4.6 - 5.4.8)
(f) Het hof moet zelfstandig beoordelen of het scheidsgerecht bevoegdheid kon aannemen. Daarbij kan het (gedeeltelijk) andere gronden betrekken dan die welke het scheidsgerecht zelf aan zijn beslissing ten grondslag heeft gelegd. (rov. 5.4.12)
(g) Het scheidsgerecht heeft met zijn oordeel over de toepasselijkheid van de BIT 1998 niet geoordeeld over de soevereine status van de Krim. Het begrip
territorymoet volgens het scheidsgerecht niet worden uitgelegd als
sovereign territoryen voor de toepassing van art. 1 lid 4 BIT Pro 1998 is voldoende dat de Russische Federatie
settled, long-term controlheeft over de Krim. (rov. 5.5.6)
(h) De Russische Federatie en Oekraïne hebben de BIT 1998 niet geschorst of opgezegd. PrivatBank heeft een arbitrage aanhangig gemaakt. Het scheidsgerecht diende vervolgens aan de hand van een uitleg van de BIT 1998 te beoordelen of de Russische Federatie uit de BIT 1998 voor haar voortvloeiende verplichtingen heeft geschonden. Welke verplichtingen voor Oekraïne uit het verdrag voortvloeien hoefde niet te worden beoordeeld. Het door de Russische Federatie gestelde gebrek aan reciprociteit (wederkerigheid) doet dus niet af aan de gelding op de Krim van de BIT 1998. (rov. 5.6.5)
(i) Partijen zijn het erover eens dat de Russische Federatie
de factocontrole heeft over de Krim. De Krim valt onder
territoryvan de Russische Federatie als bedoeld in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998, omdat (i) de tekst van dit artikel niet spreekt van
sovereign territory; (ii) er geen regel is dat met
territoryaltijd wordt bedoeld
sovereign territory; en (iii) een uitleg conform art. 31 WVV Pro tot deze conclusie leidt. Het scheidsgerecht is dus niet uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip
territory. Bij deze stand van zaken kunnen in het midden blijven de argumenten van PrivatBank gebaseerd op het beginsel dat staten geen standpunten mogen innemen die met elkaar strijden. (rov. 5.7.8 - 5.7.9 en 5.7.26)
(j) De investeringen van PrivatBank vallen onder het begrip
investmentsals bedoeld in art. 1 lid 1 BIT Pro 1998, ook al zijn die investeringen aanvankelijk in Oekraïne gedaan. Uit de letterlijke bewoordingen van de bepaling volgt niet dat de investeringen van meet af aan op het grondgebied van de andere verdragsstaat moeten zijn gelegen. Een uitleg conform art. 31 WVV Pro leidt tot de slotsom dat het voldoende is dat de investeringen zich op het moment van de gestelde inbreuk op het grondgebied van de andere verdragsstaat bevonden. (rov. 5.8.9)
(k) De investeerder moet volgens de wetten van zijn eigen land de bekwaamheid hebben om investeringen te verrichten op het grondgebied van de Krim. PrivatBank was daartoe gerechtigd. Het houden van investeringen op de Krim ná de incorporatie door de Russische Federatie is niet in strijd met Oekraïense regelgeving. Het standpunt van de Russische Federatie dat PrivatBank geen
investoris als bedoeld in de BIT 1998 gaat niet op. (rov. 5.9.7)
(l) De oorspronkelijk onder Oekraïns recht gedane investeringen kunnen ná incorporatie van de Krim gelden als investeringen in de Russische Federatie. De legaliteit van de investeringen moet worden beoordeeld met als peildatum 21 maart 2014, het moment dat de investeringen onderdeel zijn gaan uitmaken van de Russische rechtsorde. De stelling dat de PrivatBank deel uitmaakt van de zogeheten Privat Group leidt niet tot het oordeel dat de investeringen niet voldoen aan het legaliteitsvereiste. Het verband tussen de entiteiten die deze groep vormen en de (oprichting van de) PrivatBank is onvoldoende toegelicht. (rov. 5.10.11, 5.10.14)
(m) PrivatBank heeft niet, althans niet gemotiveerd betwist dat sprake is geweest van fraude binnen de PrivatBank. Het hof gaat van het bestaan van fraude uit, maar deze fraude leidt niet tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht om twee redenen: (i) de fraude heeft geen betrekking op het doen van de investering, maar op wat er met die investering is gebeurd; en (ii) het beroep op het beginsel van ‘
unity of investment’gaat niet op. Voor wat betreft het beroep op dit beginsel kan niet worden aangenomen dat elke vorm van fraude binnen een onderneming de investering als geheel aantast. Het hof is in dit geval van oordeel dat de geconstateerde fraude niet de investering als geheel besmet. (rov. 5.10.18 - 5.10.22)
(n) Van strijd met de openbare orde is geen sprake. Het oordeel van het scheidsgerecht houdt geen oordeel in over de soevereiniteit van de Krim en heeft ook geen rechtsgevolgen voor niet bij de arbitrage betrokken partijen. Het verband tussen de gestelde frauduleuze en/of gewelddadige handelwijze van de Privat Group en de in deze procedure relevante investeringen is onvoldoende toegelicht. Voor wat betreft de fraude bij de PrivatBank geldt dat PrivatBank ook over legale investeringen op de Krim beschikte. In dit stadium is er geen grond voor vernietiging op grond van de openbare orde omdat de argumenten over het frauduleuze karakter van de investeringen nog in de
Quantum Phaseaan de orde kunnen komen. Omdat de illegaliteitsbezwaren ten aanzien van de onderscheiden activa nog zullen worden besproken in die fase, zijn de argumenten over het achterhouden van stukken prematuur. (rov. 5.11.4 en 5.12.3 - 5.12.4, 5.13.6 - 5.13.7)
(o) Voor zover de herroepingsvordering is gebaseerd op het achterhouden van informatie over entiteiten behorende tot de Privat Group, slaagt deze niet omdat er onvoldoende verband is tussen deze entiteiten en de PrivatBank. Voor zover gebaseerd op de fraude binnen de PrivatBank geldt dat ervan uitgegaan moet worden dat deze fraude vóór het uitvaardigen van de Partial Award is ontdekt, zodat niet is voldaan aan de vereisten van art. 1068 lid 1 Rv Pro. Ook op inhoudelijke gronden slaagt de vordering niet, waarbij wordt verwezen naar de beoordeling van de op het achterhouden van stukken (openbare orde) gebaseerde vernietigingsgrond. (rov. 6.4 - 6.6)
2.2
De Russische Federatie heeft tijdig cassatieberoep ingesteld tegen het tussenarrest en het eindarrest. PrivatBank heeft (voorwaardelijk) incidenteel cassatieberoep ingesteld tegen het eindarrest. Partijen voeren (over en weer) verweer. Zij hebben hun zaak schriftelijk laten toelichten, waarna re- en dupliek heeft plaatsgevonden.

3.Bespreking van het principale cassatiemiddel

Inleidende opmerkingen
3.1
Het principale middel bestaat uit een inleiding met een samenvatting van klachten die in dertien onderdelen worden uitgewerkt. Die onderdelen laten zich als volgt samenvatten:
-
Onderdeel 1behelst klachten over de door het hof gegeven uitleg van het begrip
territoryen het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht geen oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
-
Onderdeel 2bevat het betoog dat het hof zich heeft laten leiden door een kennelijke voorkeur/voorrang voor het standpunt van PrivatBank.
-
Onderdeel 3klaagt over doorschuiven van de illegaliteitsbeoordeling naar de
Quantum Phasevan de arbitrage.
-
Onderdeel 4gaat over het oordeel van het hof dat de vaststelling dat een deel van de investeringen door corruptie, fraude of geweld is verkregen, niet kan leiden tot de vernietiging van de Partial Award.
-
Onderdeel 5herbergt klachten over de door het hof gehanteerde bewijslastverdeling en de aan de stelplicht gestelde eisen.
-
Onderdelen 6-11zien op de oordelen over de gestelde illegaliteit van de investeringen, waarbij het hof volgens de Russische Federatie stellingen en bewijsstukken niet kenbaar in de beoordeling heeft betrokken en diverse onbegrijpelijke oordelen heeft gegeven.
-
Onderdeel 12heeft als doelwit het oordeel over het beginsel van ‘
unity of investment’, de overwegingen van het hof over het achterhouden van stukken en de gronden voor afwijzing van de herroepingsvordering.
-
Onderdeel 13heeft een voortbouwend karakter.
3.2
De Russische Federatie bestrijdt in cassatie slechts voor een deel de oordelen die het hof heeft gegeven ten aanzien van de verschillende door de Russische Federatie aangevoerde onbevoegdheidsargumenten die door het hof zijn verworpen.
3.3
In het kader van deze inleiding maak ik ook enkele algemene opmerkingen over bilaterale investeringsverdragen.
3.4
Een bilateraal investeringsverdrag (
Bilateral Investment Treaty,hierna:
BIT) is een overeenkomst tussen twee landen die inhoudt dat – over en weer – bescherming wordt geboden aan investeerders uit het ene land die investeren in het andere land. Deze verdragen zijn gesloten ter bevordering van grensoverschrijdende investeringen.
3.5
De meeste BITs, ook de BIT 1998, voorzien in de mogelijkheid van arbitrage. De ratio daarvan was van oudsher dat investeerders voor rechtsbescherming tegen maatregelen van de gaststaat niet afhankelijk mochten zijn van gerechten van dat land maar terecht moesten kunnen bij een onafhankelijke en onpartijdige instantie.
3.6
Een dergelijk verdragsrechtelijk arbitragebeding vormt een (open) aanbod tot arbitrage van de gaststaat. De overeenkomst tot arbitrage komt tot stand door aanvaarding van dat aanbod door een investeerder uit de andere verdragsstaat.
3.7
Een scheidsgerecht is alleen bevoegd kennis te nemen van een geschil dat binnen het toepassingsgebied van de betrokken BIT valt. Daartoe is onder meer vereist dat is voldaan zowel aan het begrip investering (
investment) als aan het begrip investeerder (
investor).
3.8
Beschermd worden investeringen op het grondgebied van de andere verdragsstaat. In deze zaak is onder meer in geschil de uitleg van het begrip ‘grondgebied’ (
territory). Waar het normaal gesproken een investeerder is die zich verplaatst naar het andere land om op het grondgebied daarvan een investering te doen, is het hier de grens tussen de beide staten die is verplaatst waardoor investeringen die op het grondgebied van de eigen staat zijn gedaan, zich zijn gaan bevinden op het grondgebied van de andere staat en daarmee investeringen in die staat zijn geworden.
3.9
Voorts kan een investering alleen voor bescherming in aanmerking komen als zij is gedaan in de andere staat ‘
in accordance with its legislation’. Dit vereiste wordt aangeduid als het ‘legaliteitsvereiste’. Als een investering op het grondgebied van de ene staat is gedaan maar zich vervolgens is komen te bevinden op het grondgebied van de andere staat, ziet de term ‘
its legislation’ dan op de wetgeving van de oorspronkelijke staat? Die vraag lijkt hier door beide partijen bevestigend te worden beantwoord. Toetsdatum is het moment dat de investeringen onderdeel gingen uitmaken van de Russische rechtssfeer, hier vastgesteld op 21 maart 2014. Als is aangetoond dat bepaalde investeringen niet voldoen aan het legaliteitsvereiste is het scheidsgerecht ten aanzien van die investeringen niet bevoegd. Dit brengt mee dat het antwoord op de vraag of het scheidsgerecht bevoegd is, afhangt van de uitleg van de BIT.
3.1
De verschillende relevante begrippen, zoals
investor, investmentsen
territorymoeten worden uitgelegd aan de hand van de internationaalrechtelijke uitlegregels van het WVV. Art. 31 WVV Pro noemt in dat verband de volgende elementen: tekst, context en ‘
object and purpose’, die tezamen ‘
in good faith’ moeten worden toegepast.
3.11
Het procedurele kader van een investeringsarbitrage wordt bepaald door de betreffende BIT en het van toepassing zijnde arbitragereglement. In deze zaak zijn de arbitrageregels van de Commissie van de Verenigde Naties voor Internationaal Handelsrecht (UNCITRAL) van toepassing. Een arbitrale beslissing op basis van de UNCITRAL-regels is onderworpen aan de controle van de nationale rechter. [15] Bij die rechter kan onder meer een verzoek tot vernietiging van een arbitraal vonnis worden gedaan. Partijen kunnen de plaats van arbitrage zelf kiezen. Indien zij dat niet zelf doen, zullen de arbiters dit doen (art. 18 UNCITRAL Pro-regels). Wanneer het PHA een arbitrage administreert wordt regelmatig gekozen voor Den Haag, maar ook een andere plaats - in of buiten Nederland - kan worden gekozen. Indien een plaats in Nederland wordt gekozen, zijn art. 1020-1073 Rv van toepassing (art. 1073 lid 1 Rv Pro).
3.12
Daarmee kom ik toe aan de bespreking van de verschillende middelonderdelen.
Onderdeel 1 (uitleg van het begrip ‘territory’ in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998)
3.13
Subonderdeel 1.1 is gericht tegen rov. 5.7.9 - 5.7.26 van het eindarrest. Het hof geeft daar op grond van het WVV een uitleg van het begrip ‘territory’. Het hof concludeert als volgt (onderstreping hier en hierna in deze conclusie toegevoegd):
“5.7.25
Gezien het voorgaandeis er op basis van de gewone betekenis van artikel 1 lid 1 van Pro de BIT 1998 - dat niet verw ijst naar sovereign territory - gecombineerd met de strekking en het doel van het verdrag, geen reden om aan te nemen dat de Krim niet valt onder de territory van de Russische Federatie als bedoeld in het verdrag.
Het hof tekent daarbij nog aandat het bij een uitleg van het verdrag conform de maatstaven van artikel 3 1 WW, waar ook wordt gekeken naar het doel en de strekking,
niet erop aankomt datde verdragspartijen ten tijde van het sluiten van het verdrag deze feitelijke situatie, te weten de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie vele jaren later, hebben voorzien en onder de werking van het verdrag hebben willen brengen. In zijn algemeenheid is het onmogelijk dat bij het sluiten van een verdrag alle mogelijke toekomstige situaties onder ogen worden gezien.
Het komt erop aanna te gaan wat past bij de bedoelingen van partijen ten aanzien van de werking van het verdrag op het moment van het sluiten daarvan.
5.7.26
De conclusie is dat het scheidsgerecht niet is uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip territory en dat dit dus geen grond voor vernietiging van het arbitrale (tussen)vonnis oplevert.Bij deze stand van zaken kunnen de argumenten van PrivatBank gebaseerd op het volgens haar toepasselijke algemene beginsel van internationaal recht dat staten geen standpunten mogen innemen die met elkaar strijden, in het midden blijven. Ten overvloede merkt het hof op dat de Russische Federatie ook in deze procedure vooropstelt dat zij de Krim beschouwt als onderdeel van haar soevereine grondgebied, maar daarnaast consequenties verbindt aan het feit dat Oekraïne en de internationale gemeenschap dit standpunt niet delen, waardoor internationaalrechtelijk de rechtmatigheid van haar positie ter discussie staat. Aldus beschouwd neemt de Russische Federatie geen onverenigbare standpunten in.”
3.14
Het middel klaagt dat het oordeel in rov. 5.7.25 onjuist is en/of ontoereikend gemotiveerd, waardoor ook rov. 5.7.26 geen stand kan houden. De oordelen zijn in strijd met art. 31 lid 1 en Pro art. 62 WVV Pro en het hof heeft de door de Russische Federatie gestelde spanning van deze oordelen met art. 31, 39 en 62 WVV niet kenbaar in zijn beoordeling betrokken. Enerzijds overweegt het hof dat vaststaat dat beide verdragspartijen bij het sluiten van de BIT 1998 niet in de mogelijkheid hebben voorzien dat de ene partij een deel van het grondgebied van de andere partij eenzijdig tot zich zou nemen, zodat partijen daarvoor geen voorziening hebben getroffen of bedoelden te treffen. Anderzijds overweegt het hof dat het geoorloofd is om in geval van onvoorziene omstandigheden toepassing te geven aan de BIT 1998 overeenkomstig de door de arbiters/rechters hypothetisch aannemelijk geachte bedoeling van redelijke partijen voor het geval zij voor zo’n onvoorziene situatie wél een regeling in hun verdrag zouden hebben opgenomen.
3.15
De klacht kan niet tot cassatie leiden.
3.16
Ten eerste mist de klacht feitelijke grondslag in het bestreden arrest (art. 419 lid 2 Rv Pro). Het hof overweegt niet dat het geoorloofd is toepassing te geven aan de BIT 1998 overeenkomstig een hypothetisch aannemelijke bedoeling van redelijke partijen voor het geval zij voor een onvoorziene situatie wél een regeling zouden hebben opgenomen. Het hof oordeelt enkel dat het past bij de bedoeling van partijen op het moment van het sluiten van de BIT 1998 - namelijk: investeringen beschermen tegen onder meer onteigening - om aan te nemen dat het begrip
territorymoet worden uitgelegd in die zin dat het ziet op grondgebied waar een partij feitelijk de mogelijkheid heeft over te gaan tot onteigening.
3.17
Ten tweede is het aangevallen oordeel in rov. 5.7.25 niet (zelfstandig) dragend voor de conclusie dat de Krim sinds maart 2014 valt onder de
territoryvan de Russische Federatie als gedefinieerd in art. 1 lid 4 BIT Pro 1998. De eerste zin van rov. 5.7.25 geeft al aan dat díe conclusie is gebaseerd op ‘het voorgaande’. Daarmee doelt het hof op rov. 5.7.9 - 5.7.24 waarin uitgebreid het oordeel is onderbouwd dat de Krim valt onder de
territoryvan de Russische Federatie (na in rov. 5.7.8 overwogen te hebben dat partijen het er over eens zijn dat de Russische Federatie
de factocontrole heeft over de Krim). Al deze overwegingen worden in cassatie niet bestreden. Slechts ten overvloede heeft het hof vanaf de tweede zin van rov. 5.7.25 het oordeel gegeven dat met het middel wordt aangevallen. Een aanwijzing daartoe geven de woorden: “
Het hof tekent daarbij nog aan dat”. Gelet hierop ontbreekt belang bij het slagen van de klacht tegen rov. 5.7.25.
3.18
Voor de klacht tegen rov. 5.7.26 geldt hetzelfde. De slotsom dat het scheidsgerecht niet is uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip
territoryis immers ook gebaseerd op ‘het voorgaande’, en dus op hetgeen is overwogen in rov. 5.7.9 - 5.7.24.
3.19
Subonderdeel 1.2bevat een motiveringsklacht die is gericht tegen
rov. 5.7.11 - 5.7.12van het eindarrest, die als volgt luiden:
“5.7.11 Het hof volgt verder niet de stelling van de Russische Federatie dat onder het begrip territory alleen kan vallen het grondgebied van de Russische Federatie zoals dit was op het moment van het sluiten van het verdrag. PrivatBank heeft terecht naar voren gebracht dat voor de betekenis van het begrip territory moet worden uitgegaan van de bedoelingen van de verdragsluitende partijen op het moment van het sluiten van het verdrag, maar dat dit niet betekent dat de inhoud van het begrip (het daadwerkelijke grondgebied) niet kan wijzigen bij toepassing van een uitleg conform die bedoelingen. Dat de verdragsluitende partijen bedoeld hebben het territoriale toepassingsgebied te fixeren op het moment van het sluiten van de BIT 1998, blijkt nergens uit. PrivatBank heeft er verder terecht op gewezen dat het uitgangspunt dat grenzen gefixeerd zijn op het moment van het sluiten van een verdrag, (enkel) van toepassing is op grensverdragen, maar geen opgeld doet bij de uitleg van een verdrag als het onderhavige.
(…)
5.7.12
Het hof volgt ook niet het standpunt van de Russische Federatie dat territory in het internationale verdragenrecht altijd de betekenis heeft van sovereign territory, ongeacht voorwerp en doel van het verdrag. Noch uit de juridische literatuur waarnaar de Russische Federatie verwijst, noch uit internationaalrechtelijke rechtspraak valt zo'n categorische conclusie te trekken. Uit het feit dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van een staat, volgt immers niet de conclusie dat verdragen niet ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zoals in het onderhavige geval.”
3.2
Het middel klaagt dat deze overwegingen innerlijk tegenstrijdig zijn. Het hof overweegt enerzijds dat algemeen wordt aanvaard dat verdragen gelding hebben op het gehele soevereine grondgebied van een staat, waarmee wordt onderkend dat het begrip
territory(in beginsel) verwijst naar het soevereine grondgebied van een staat. Anderzijds sluit dit volgens het hof niet uit dat verdragen ook werking (kunnen) hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent, zodat het begrip
territoryhier tevens verwijst naar de Krim. Deze benadering is praktisch onhanteerbaar omdat zij leidt tot ‘twee kapiteins op één schip’.
3.21
Naar mijn mening is de aangevallen redenering niet innerlijk tegenstrijdig. Het hof oordeelt dat het begrip
territoryniet altijd de betekenis heeft van
sovereign territory. Dit licht het hof toe door te overwegen dat een verdrag over het algemeen gelding heeft op het gehele soevereine grondgebied van een staat, maar
daarnaast(‘
ook’) gelding kan hebben op grondgebied waarover een staat langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent. Anders dan het middel betoogt, is deze benadering wel degelijk praktisch hanteerbaar (en zeker niet onbegrijpelijk). Omdat de Russische Federatie langdurig rechtsmacht en effectieve controle uitoefent op de Krim, kan alleen de Russische Federatie verplichtingen uit hoofde van de BIT 1998 hebben op de Krim, zoals in geval van onteigening door middel van overheidsbevoegdheden die sinds maart 2014 alleen de Russische Federatie op de Krim kan uitoefenen (zie rov. 5.7.23).
3.22
Subonderdeel 1.2.1is gericht tegen rov. 5.5.5 - 5.5.8 van het eindarrest, waarvan de eerste twee overwegingen als volgt luiden:
5.5.5 Het hof volgt niet de stelling van de Russische Federatie dat het scheidsgerecht, niettegenstaande zijn hierboven geciteerde overwegingen, met zijn oordeel over de toepasselijkheid van de BIT 1998 een (impliciet of expliciet) oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict tussen de Russische Federatie en Oekraïne.
5.5.6
Het standpunt van de Russische Federatie hangt samen met haar uitleg van het begrip territory in artikel 1 lid 4 BIT Pro 1998. Volgens de Russische Federatie moet dit begrip worden uitgelegd als sovereign territory, terwijl één van de (noodzakelijke) elementen van het begrip sovereign territory is. dat de soevereiniteit van een staat over een bepaald grondgebied internationaal wordt erkend. Als deze uitleg juist is. zou het scheidsgerecht met zijn oordeel dat de Krim kan worden gezien als territory van de Russische Federatie in de zin van artikel 1 lid 4 van Pro de BIT 1998. inderdaad (impliciet) een oordeel hebben gegeven over de soevereiniteitskwestie.
Het scheidsgerecht heeft in de arbitrale tussenuitspraak echter geoordeeld, dat het begrip territory nu juist niet moet worden uitgelegd als sovereign territory in deze zin. Het scheidsgerecht oordeelde (heel kort samengevat) dat voor de toepassing van artikel 1 lid 4 BIT Pro 1998 voldoende is dat de Russische Federatie “settled, long-term control” heeft over de Krim hetgeen er - mede - toe heeft geleid dat de Russische Federatie de verantwoordelijkheid voor de internationale betrekkingen van de Krim op zich heeft genomen.
Het scheidsgerecht hoefde, gegeven deze uitleg, geen oordeel te geven over het soevereiniteitsgeschil tussen de Russische Federatie en Oekraïne en heeft dat ook niet gedaan. Het heeft zich enkel gebaseerd op de feitelijke stand van zaken op de Krim. Of deze uitleg van het begrip territory juist is, komt hierna aan de orde. Waar het hier om gaat is dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de soevereine status van de Krim.
3.23
Volgens de Russische Federatie heeft het hof hiermee onjuist en/of onbegrijpelijk de stelling verworpen dat een beoordeling van het soevereiniteitsconflict met Oekraïne in de weg staat aan de bevoegdheid van arbiters om op claims van investeerders ten aanzien van hun investeringen op de Krim te beslissen. Het antwoord op de vraag of de litigieuze investeringen van PrivatBank onder de BIT 1998 zijn beschermd, vergt immers een antwoord op de voorvraag welke van beide staten soeverein is ten aanzien van de Krim. Die vraag heeft het hof niet beantwoord. Het hof heeft deze voorvraag ontweken door een feitelijke invulling te geven aan het BIT-begrip
territory. Een dergelijk exclusief 'feitelijke invulling' staat haaks op de alternatieve 'soevereine invulling' die het hof - zelfs als algemene basis van het begrip
territory, buiten en binnen de BIT - in zijn eigen overwegingen heeft erkend.
3.24
Ik stel vast dat het hof in rov. 5.5.6 respondeert op de in rov. 5.5.5 weergegeven stelling van de Russische Federatie dat het scheidsgerecht een oordeel heeft gegeven over het soevereiniteitsconflict ten aanzien van de Krim. Het hof concludeert dat het scheidsgerecht dit
nietheeft gedaan. Anders dan de Russische Federatie betoogt, hoefde het hof in deze context niet zelf de voorvraag te beantwoorden die in dit onderdeel wordt geformuleerd.
3.25
De klacht faalt.
3.26
Subonderdeel 1.3bevat nog de voortbouwklacht dat bij het slagen van (een van de) klachten in subonderdeel 1.1 en/of 1.2 ook andere overwegingen moeten sneuvelen. Gelet op het voorgaande faalt deze klacht evenzeer.
Onderdeel 2 (objectiviteit van toetsing)
3.27
De klacht in
onderdeel 2is gericht tegen rov. 5.10.12 - 5.10.19 en 5.10.22 - 5.10.25 van het eindarrest. [16] In deze overwegingen bespreekt het hof de door de Russische Federatie gestelde schending van het legaliteitsvereiste in de definitie van
‘investments’in art 1 lid 1 BIT Pro 1998 (“
in accordance with its legislation”). Daarbij maakt het hof een tweedeling tussen (i) stellingen die zien op onwettigheden of onregelmatigheden bij ondernemingen gelieerd aan grootaandeelhouders [betrokkene 1] en [betrokkene 2] en/of de Privat Group, en (ii) stellingen over fraude binnen de PrivatBank zelf. De eerste categorie argumenten wordt verworpen met de motivering dat het verband tussen de Privat Group en de PrivatBank onvoldoende is toegelicht. De tweede groep argumenten wordt, ondanks het aannemen van het bestaan van fraude, verworpen omdat de fraude geen betrekking heeft op het doen van de investering door PrivatBank en omdat de fraude niet de investering als geheel besmet.
3.28
Het betoog van de Russische Federatie is dat het hof een kennelijke voorkeur heeft gehad voor het standpunt van Privatbank. Alle nadruk is gelegd op argumenten die afbreuk kunnen doen aan het betoog van de Russische Federatie, zonder het tegendeel aan te tonen. Het oordeel van het hof levert geen positief bewijs op voor de door PrivatBank aangevoerde bevoegdheid van het scheidsgerecht. Dit terwijl (i) een objectieve en integrale toetsing van het bevoegdheidsoordeel van het scheidsgerecht het uitgangspunt had moeten zijn, en (ii) de bewijslast op PrivatBank rust. Het oordeel van het hof is daarom onjuist, althans onbegrijpelijk en/of zonder toereikende motivering gegeven.
3.29
Voor zover de klacht al voldoet aan de daaraan in cassatie te stellen eisen (zie ook schriftelijke toelichting van PrivatBank, nr. 59), zie ik in de aangevallen overwegingen niet terug dat het hof zich heeft laten leiden door een kennelijke voorkeur/voorrang voor het standpunt van PrivatBank. Verder kan ik uit die overwegingen niet opmaken dat het hof zich niet of onvoldoende heeft gehouden aan zijn vooropstelling (rov. 5.4.1 en 5.4.2) dat op het punt van bevoegdheid van het scheidsgerecht niet terughoudend moet worden getoetst. [17] De overwegingen zijn in dit opzicht niet onjuist en evenmin onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd.
3.3
De klacht faalt derhalve.
Onderdeel 3 (weigering, delegatie, gesloten stelsel rechtsmiddelen)
3.31
De klachten in onderdeel 3 keren zich primair [18] tegen rov. 4.8 - 4.10 van het tussenarrest en rov. 5.10.22 - 5.10.25 van het eindarrest.
De overwegingen in het tussenarrest luiden:
“4.8 Uit het voorgaande volgt dat de inzagevorderingen van de Russische Federatie in de onderhavige procedure overlappen met de inzagevordering van de Russische Federatie in de arbitrale procedure. De Russische Federatie heeft haar inzagevorderingen in de onderhavige procedure aangepast zodat deze vordering (volgens de Russische Federatie) ziet op stukken die in de arbitrale procedure niet of niet volledig zijn overgelegd. Dat neemt echter niet weg dat de Russische Federatie in de arbitrale procedure staande houdt dat PrivatBank niet volledig aan het bevel tot inzage van het scheidsgerecht heeft voldaan, en ook in die procedure aanspraak blijft maken op inzage in deze stukken. Bovendien zal de Russische Federatie in de disclosure phase van de arbitrale procedure opnieuw stukken bij PrivatBank kunnen opvragen. Vanwege deze overlap en het feit dat in de Quantum Phase van de arbitrale procedure ook de rechtmatigheid van de investeringen ter discussie staat, heeft de Russische Federatie in dit stadium niet voldoende belang bij haar inzagevordering in deze procedure. Aan dat oordeel ligt mede het volgende ten grondslag.
4.9
Met de opgevraagde stukken wil de Russische Federatie in de herroepingszaak haar standpunt onderbouwen dat PrivatBank stukken heeft achtergehouden die wijzen op corruptie, fraude en geweld bij de verkrijging van de investeringen, en die van invloed zouden zijn geweest op de beslissing van het scheidsgerecht als het deze stukken zou hebben gekend. In de vernietigingszaak wil de Russische Federatie met de opgevraagde stukken haar standpunt onderbouwen dat het scheidsgerecht niet bevoegd is, omdat de investeringen van PrivatBank als gevolg van het feit dat zij door corruptie, fraude en geweld zijn verkregen, niet kunnen worden gekwalificeerd als ‘investeringen’ in de zin van het Verdrag. In beide zaken steunen de vorderingen van de Russische Federatie dus op gestelde corruptie, fraude en geweld bij de verkrijging van de investeringen van PrivatBank in de Krim. PrivatBank heeft gesteld dat zelfs als de verwijten van corruptie, fraude en geweld van de Russische Federatie ten aanzien van bepaalde investeringen gegrond zouden zijn, de onteigening door de Russische Federatie in ieder geval ook rechtmatige investeringen van PrivatBank in de Krim heeft getroffen. Als voorbeelden heeft zij genoemd haar belangen in onroerend goed (met name bankfilialen), pin- en betaalautomaten en autoleningen en hypotheken verstrekt aan particuliere klanten in de Krim. De Russische Federatie heeft deze stelling niet of althans niet voldoende gemotiveerd betwist. De Russische Federatie heeft weliswaar gesteld dat eenvoudig kan worden aangetoond dat ook de thans in arbitrage voorliggende vordering ziet op illegale investeringen, maar heeft niet beargumenteerd waarom zaken als bankfilialen, geldautomaten en leningen aan particulieren onder illegale investeringen zouden kunnen vallen. Evenmin valt in te zien dat de stukken waarvan de Russische Federatie in dit incident inzage vordert daar enige indicatie voor zouden kunnen bevatten. De Russische Federatie heeft dus onvoldoende duidelijk gemaakt dat zij met de stukken waarvan zij in dit incident afschriften vordert, ten aanzien van alle investeringen van PrivatBank in de Krim zou kunnen aantonen dat zij door corruptie, fraude of geweld zijn verkregen.
4.1
In deze omstandigheden heeft de Russische Federatie in dit stadium onvoldoende belang bij haar inzagevorderingen. Een vaststelling dat een deel van de investeringen van PrivatBank in de Krim door corruptie, fraude of geweld is verkregen en/of dat PrivatBank informatie dienaangaande in de arbitrale procedure heeft achtergehouden, kan immers niet leiden tot herroeping of vernietiging van het Tussenvonnis of het Gedeeltelijk Eindvonnis. Zoals hiervoor overwogen (in 4.4), steunt het Tussenvonnis niet op een oordeel ten aanzien van de rechtmatigheid van de investeringen, zodat het Tussenvonnis niet zou kunnen worden aangetast als zou worden vastgesteld dat een deel van die investeringen onrechtmatig is, en/of PrivatBank in de arbitrale procedure informatie heeft achtergehouden waaruit de onrechtmatigheid van een deel van die investeringen blijkt. In het Gedeeltelijk Eindvonnis heeft het scheidsgerecht wel een algemeen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de investeringen, maar dat oordeel berust op een analyse van de wetgeving van de Russische Federatie waarbij de Russische Federatie de Krim heeft geïncorporeerd. Het Gedeeltelijk Eindvonnis gaat niet in op (de rechtmatigheid van) specifieke investeringen, kennelijk omdat de Russische Federatie die rechtmatigheid in dat stadium van de arbitrale procedure niet heeft aangevochten. Een vaststelling dat specifieke investeringen van PrivatBank in de Krim niet gekwalificeerd kunnen worden als ‘investeringen’ in de zin van het Verdrag omdat zij onrechtmatig zijn verkregen, zou dus evenmin kunnen leiden tot vernietiging van het Gedeeltelijk Eindvonnis wegens algehele onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Er kan immers van uit gegaan worden dat er ook investeringen van PrivatBank in de Krim zijn die wel rechtmatig zijn verkregen, en ten aanzien van die investeringen kan niet worden gezegd dat het scheidsgerecht onbevoegd is omdat het geen ‘investeringen’ zijn in de zin van het Verdrag. Evenmin kan worden gezegd dat ten aanzien van deze rechtmatige investeringen een grond voor herroeping bestaat. Dat betekent dat het Gedeeltelijk Eindvonnis niet vanwege de - mogelijke - onrechtmatigheid van bepaalde investeringen vernietigd of herroepen kan worden. De vraag of het scheidsgerecht ten aanzien van specifieke investeringen van PrivatBank in de Krim onbevoegd is omdat deze investeringen onrechtmatig zijn verkregen, kan pas worden beantwoord nadat ook de Quantum Phase is afgerond, waarin het scheidsgerecht zal oordelen over de (on)rechtmatigheid van specifieke investeringen naar aanleiding van de stellingen van de Russische Federatie. Pas met het oog op een vordering tot herroeping of vernietiging van dat eindoordeel van het scheidsgerecht zou de Russische Federatie een belang kunnen hebben bij inzage in stukken waarmee zij de onrechtmatigheid van specifieke investeringen zou kunnen aantonen.”
en de overwegingen in het eindarrest:
“5.10.22 In dit geval is het hof van oordeel dat de geconstateerde fraude niet de investering als geheel besmet. Een bankbedrijf bestaat per definitie uit veel verschillende aspecten. De Russische Federatie heeft in dit kader niet betwist dat de PrivatBank een grote systeembank was (en is) met vele consumenten als rekeninghouders: dit gold in ieder geval tot de gebeurtenissen in maart 2014 ook op de Krim. Er zijn ook volgens het persbericht van de NBU waarop de Russische Federatie zich beroept normale bankactiviteiten; in dit persbericht wordt immers gesproken van een "bank within a bank", waaruit volgt dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden. Bij een onderneming van een omvang als die van de PrivatBank kan niet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder de BIT 1998 onttrekken.
5.10.23
Daarvoor is te minder aanleiding nu tussen partijen vaststaat dat het frauderende bestuur inmiddels is vervangen en de Procedural Order no. 7 duidelijk maakt dat het scheidsgerecht in de quantum phase de illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie op het niveau van de schadevergoeding uitputtend zal behandelen.
5.10.24
De Russische Federatie heeft er nog op gewezen dat PrivatBank in de quantum phase haar vordering aanzienlijk heeft beperkt. Volgens de Russische Federatie valt daaruit af te leiden dat de fraude zo omvangrijk was dat deze geacht moet worden de hele bedrijfsvoering van PrivatBank te raken, zodat niet van een legale investering kan worden gesproken. PrivatBank heeft daar tegenover gesteld dat haar eiswijziging voor het grootste deel samenhangt met een andere wijze van berekening van de schade (op liquidatiebasis in plaats van going concern). Wat ook de achtergrond is van de vermindering, in ieder geval geldt dat de vordering van PrivatBank ook thans nog aanzienlijk is. Reeds daarom niet gezegd worden dat deze vordering ziet op een verwaarloosbaar onderdeel van de onderneming.
5.10.25
Het hof onderschrijft ook niet de stelling van de Russische Federatie dat het scheidsgerecht al heeft aangenomen dat de investering als één geheel heeft te gelden: het scheidsgerecht heeft de Russische Federatie immers uitdrukkelijk toegestaan om in haar submission on quantum uitgebreid in te gaan op de gestelde illegaliteiten per (categorie van) investering(en). De door de Russische Federatie aangehaalde passage in het gedeeltelijk eindvonnis van het scheidsgerecht van 4 februari 2019 (§ 251 e.v.) heeft betrekking op een andere vraag, namelijk de vraag of sprake was van onteigening van de gehele onderneming op de Krim, ook als strikt genomen niet alle onderdelen van de onderneming in beslag waren genomen. Het scheidsgerecht overwoog dat naar het geheel gekeken moest worden, omdat het om een onteigening going concern ging. Volgens het scheidsgerecht was PrivatBanks access to the benefit and economic use van haar gehele investering op de Krim onteigend door de inbeslagname van de hoofdkantoren in Sevastopol en Simferopol op 18 en 19 april 2014, en doordat haar het recht werd ontzegd om haar activiteiten op de Krim te vervolgen. Op deze gronden behoefde dus niet per onderdeel van het bedrijf onderzocht te worden of dit was onteigend. Deze beoordeling van het scheidsgerecht brengt echter niet mee dat frauduleuze handelingen binnen bepaalde onderdelen van de bank steeds moeten leiden tot het oordeel dat de gehele onderneming niet aan de legaliteitseis voldoet. Het ging hier om een heel ander aspect van de zaak.”
3.32
Volgens de Russische Federatie heeft het hof de beoordeling van de gestelde illegaliteit doorgeschoven naar de kwantumfase van de arbitrage.
Subonderdeel 3.1bestempelt dit als onjuist, althans onbegrijpelijk. Hiermee heeft het hof namelijk (i) niet alle stellingen van de Russische Federatie beoordeeld, (ii) zijn rechtsprekende taak gedelegeerd aan het scheidsgerecht en (iii) het gesloten stelsel van rechtsmiddelen miskend.
3.33
De klacht onder (i) voldoet niet aan de daaraan in cassatie te stellen eisen. De Russische Federatie betoogt dat stellingen niet zijn behandeld en dat het hof daarom niet heeft beslist over alles dat is gevorderd (art. 23 Rv Pro), maar heeft verzuimd vindplaatsen van deze stellingen te vermelden. Voor zover die vindplaatsen in de in de schriftelijke toelichting nr. 3.2 - 3.6 wel zijn gegeven, is dat te laat (vgl. ook dupliek nr. 7-8). Dat levert
de factoeen nieuwe klacht op. Uit de korte reactie in de dupliek nr. 8 blijkt niet dat de rechtsstrijd op dit punt is aanvaard. Voor zover overigens wordt gedoeld op de stellingen die in onderdeel 6 aan bod komen, verwijs ik naar mijn bespreking van dat onderdeel hierna.
3.34
De klachten onder (ii) en (iii) falen omdat het gestelde doorschuiven van de beoordeling van de illegaliteitsargumenten zich niet voordoet. Het hof heeft in rov. 5.10.14 en 5.10.17 - 5.10.22 van het eindarrest op de illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie gerespondeerd. Het oordeelt dat die argumenten niet kunnen leiden tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Van ongeoorloofde delegatie of miskenning van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen is dus geen sprake.
3.35
Dat het hof in het
tussenarrestde illegaliteitsargumenten niet heeft besproken kan niet leiden tot cassatie van dat arrest. Het hof oordeelt daar alleen over de incidentele inzagevordering en hoefde in dat kader niet de illegaliteitsargumenten te beoordelen. Het hof overwoog dat de Russische Federatie - in dat stadium - geen belang bij die inzagevordering had. In de arbitrageprocedure kunnen de stukken nog worden bemachtigd door de Russische Federatie (rov. 4.8). Verder stond als onvoldoende betwist vast dat bepaalde
rechtmatigeinvesteringen van PrivatBank waren onteigend (rov. 4.9). Een mogelijke vaststelling dat andere investeringen wel onrechtmatig zijn, kan volgens het hof niet leiden tot vernietiging van de Interim Award of de Partial Award (rov. 4.10).
3.36
Verder klaagt de Russische Federatie in
subonderdeel 3.2over de overweging (rov. 5.10.22) dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden. Dit zou niet afdoen aan de vernietigbaarheid van de Partial Award op grond van strijd met de openbare orde (art. 1065 lid Pro 1, onder e, Rv).
3.37
Deze klacht slaagt niet omdat rov. 5.10.22 gaat over de vraag of een geldige overeenkomst tot arbitrage bestaat (art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv); dus over de bevoegdheid. Voor zover wordt betoogd dat het hof zich in rov. 5.12.3 - 5.12.5 baseert op het aangevallen oordeel (‘normaal bankbedrijf, maar met frauduleuze activiteiten’), is dat onjuist. De illegaliteitsargumenten in het kader van de openbare orde worden op andere (zelfstandige) gronden verworpen (zie ook schriftelijke toelichting PrivatBank nr. 74).
3.38
Ook wordt aangevallen de overweging (rov. 5.10.23) dat het scheidsgerecht in de
Quantum Phasede illegaliteitsargumenten op het niveau van de schadevergoeding uitputtend zal behandelen. Dit stuit af op het deelvonniskarakter van de Partial Award, aldus de Russische Federatie, en komt neer op delegatie aan het scheidsgerecht.
3.39
Deze klacht lijdt schipbreuk omdat het hof in rov. 5.10.23 een vervolg geeft aan de laatste zin van rov. 5.10.22 waarin het ‘unity of investment’-argument wordt geadresseerd. De bedoelde zin luidt: “
Bij een onderneming van een omvang als die van de PrivatBank kan niet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder de BIT 1998 onttrekken.” In die context wijst het hof erop dat het scheidsgerecht de illegaliteitsargumenten nog uitputtend zal behandelen. Dit doet het hof ter verdere ondersteuning van het oordeel dat niet te snel kan worden aangenomen dat het ‘
unity of investment’-argument in dit geval opgaat (zie de inleidende zinsnede van rov. 5.10.23: “
Daartoe is te minder aanleiding nu […]”). Er is daarmee geen sprake van miskenning van het deelvonniskarakter van de Partial Award en evenmin van delegatie aan het scheidsgerecht.
3.4
In de toelichting bij de subonderdelen (
procesinleiding p. 10 onderaan, overlopend in p. 11) bespeur ik nog een klacht. Het hof zou met zijn oordeel onvoldoende zijn ingegaan op de volgende door de Russische Federatie ingenomen stellingen:
(a) het scheidsgerecht heeft in de Partial Award uitdrukkelijk geoordeeld dat alle afzonderlijke activa in overeenstemming met de wet waren verkregen; en
(b) het scheidsgerecht heeft zijn beoordeling over de rechtmatigheid van de investeringen (met inbegrip van de eigen bevoegdheid ter zake) in de Partial Award niet doorgeschoven.
3.41
Deze klacht faalt. De stelling onder (a) is geadresseerd in het oordeel van het hof dat het scheidsgerecht een algemene toets heeft uitgevoerd met betrekking tot de vraag of PrivatBank haar investeringen rechtsgeldig heeft verkregen en dat het de specifieke investeringen niet heeft besproken (rov. 5.10.25 en 5.13.6 eindarrest, zie ook al rov. 4.10 tussenarrest). Het hof gaat dus ervan uit dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld dat alle afzonderlijke activa in overeenstemming met de wet zijn verkregen. Op de stelling onder (b) is gerespondeerd door een beoordeling over de rechtmatigheid van de investeringen te geven in rov. 5.10.14 en 5.10.17 - 5.10.22 van het eindarrest.
3.42
Hoewel ik hierin geen klacht lees, eindigt de Russische Federatie met de mededeling dat het scheidsgerecht zijn oordeel gaf vóór de ‘giga-vermindering’ van de vordering door PrivatBank. Voor zover hiermee (toch) wordt geklaagd dat het hof daarmee geen rekening heeft gehouden, verwijs ik naar hetgeen het hof daarover overweegt in rov. 5.10.24 (geciteerd in 3.31).
Onderdeel 4 (partiële vernietiging)
3.43
Dit onderdeel richt zich tegen rov. 4.10 van het tussenarrest en rov. 5.10.22 en 5.10.24 van het eindarrest (zie opnieuw het citaat in 3.31). [19] Daarin oordeelt het hof, volgens de Russische Federatie, dat een vaststelling dat
een deelvan de investeringen van PrivatBank onrechtmatig zijn verkregen, niet kan leiden tot vernietiging van de Interim Award en de Partial Award. Het oordeel zoals de Russische Federatie dat leest, staat alleen in rov. 4.10 van het tussenarrest en niet in rov. 5.10.22 en 5.10.24 van het eindarrest. De klachten missen dan ook feitelijke grondslag voor wat betreft deze laatste twee overwegingen.
3.44
De eerste klacht is dat het oordeel van het hof onjuist is, omdat in een situatie als deze gedeeltelijke vernietiging geëigend is. Als een deelvordering niet valt onder de reikwijdte van een arbitragebeding, dan moet deze voor dat gedeelte worden vernietigd. De Russische Federatie wijst daarbij op art. 1065 lid 5 Rv Pro dat, sinds 1 januari 2015, [20] als volgt luidt:
“Betreft een grond voor vernietiging slechts een deel van het arbitraal vonnis, dan wordt het niet vernietigd voor het resterende deel, voorzover dit, gelet op de inhoud en strekking van het vonnis, niet in onverbrekelijk verband met het te vernietigen deel staat.”
3.45
De tweede klacht luidt dat het oordeel onvoldoende is gemotiveerd. Zonder nadere motivering van het hof valt niet in te zien waarom het doen van één legale investering zou moeten meebrengen dat het arbitrale deelvonnis (waarin een inhoudelijk oordeel wordt geveld over alle vorderingen) in zijn geheel in stand zou moeten blijven. Het hof had de stellingen waaruit blijkt dat een deel van de activa in strijd met de wet zijn verkregen, moeten onderzoeken en gemotiveerd moeten oordelen over de vraag of die stellingen een partiële vernietiging rechtvaardigen.
3.46
De klachten missen feitelijke grondslag, omdat het hof niet toekomt aan de vraag van vernietiging. Het punt dat het hof maakt is dat - wat er ook zij van illegaliteitsargumenten over
specifiekeinvesteringen - het scheidsgerecht nog niet naar die argumenten heeft gekeken. In rov. 4.10 van het tussenarrest oordeelt het hof dat het scheidsgerecht zich in de Interim Award niet heeft uitgelaten over de rechtmatigheid van de investeringen van PrivatBank. Verder overweegt het hof ten aanzien van de Partial Award dat het scheidsgerecht niet heeft geoordeeld over de rechtmatigheid van
specifiekeinvesteringen. Vervolgens sluit het hof af met het oordeel dat de vraag of het scheidsgerecht ten aanzien van specifieke investeringen onbevoegd is pas kan worden beantwoord na de
Quantum Phase. In dat stadium zal worden geoordeeld over de (on)rechtmatigheid van specifieke investeringen. Volgens het hof ligt er daarom nu geen oordeel voor over specifieke investeringen dat vatbaar is voor vernietiging. Er is alleen een algemeen oordeel gegeven over de rechtmatigheid van de investeringen en dát (wel gegeven) oordeel kan niet onderuit gaan op basis van hetgeen door de Russische Federatie thans is aangevoerd.
Onderdeel 5 (stelplicht en bewijslast)
3.47
De klachten in dit onderdeel zijn gericht tegen rov. 5.10.18 en 5.10.22 van het eindarrest. [21] Deze overwegingen luiden als volgt (cursivering hof, onderstreping A-G):

Fraude heeft geen betrekking op het doen van de investering, maar op wat er met die
investering is gebeurd
5.10.18
Ten eerste geldt dat de hierboven omschreven fraude niet kan worden gekwalificeerd als een onwettigheid die
het doenvan de investering zelf aantast; het gaat om illegaal handelen nadat de investering is gedaan.
Het hof gaat er, bij gebreke van concrete stellingen waaruit het tegendeel blijkt, van uit dat PrivatBank zowel op het moment van de aanvang van de bankactiviteiten als op het (latere) moment van het verkrijgen van de banklicentie voldeed aan de vereisten die door de Oekraïense overheid en/of de NBU voor het verrichten van bancaire activiteiten en het verkrijgen van een zodanige licentie gesteld werden.Er is niet gesteld dat de oprichting van de bank en het verkrijgen van de banklicentie van de NBU met onregelmatigheden (zoals omkoping of vervalsing van licenties) gepaard is gegaan. De Russische Federatie stelt wel dat PrivatBank gebruik maakte van corrupte rechters (hoofdstuk 4.8.2.b van de vernietigingsdagvaarding), maar onderbouwt deze stelling enkel met verwijzing naar een vertaling van twee bladzijden uit een in Oekraïne verschenen boek over PrivatBank. Uit wat daar is opgenomen blijkt bovendien niet van fraude bij het doen van de investering, maar op fraude bij de aanwending ervan.
[…]
Beroep op beginsel van "unity of investment" gaat niet op
[…]
5.10.22
In dit geval is het hof van oordeel dat de geconstateerde fraude niet de investering als geheel besmet. Een bankbedrijf bestaat per definitie uit veel verschillende aspecten. De Russische Federatie heeft in dit kader niet betwist dat de PrivatBank een grote systeembank was (en is) met vele consumenten als rekeninghouders: dit gold in ieder geval tot de gebeurtenissen in maart 2014 ook op de Krim. Er zijn ook volgens het persbericht van de NBU waarop de Russische Federatie zich beroept normale bankactiviteiten; in dit persbericht wordt immers gesproken van een "
bank within a bank", waaruit volgt dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden. Bij een onderneming van een omvang als die van de PrivatBank kan niet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder de BIT 1998 onttrekken.”
3.48
Ten eerste klaagt de Russische Federatie klaagt dat het hof hiermee miskent dat de stelplicht ten aanzien van het bestaan van een geldige arbitrageovereenkomst rust op PrivatBank, zijnde de eiser in de arbitrage. Zij zal moeten stellen en bewijzen dat ten aanzien van haar vorderingen is voldaan aan de vereisten uit de BIT 1998. Daarom kon en mocht het hof niet veronderstellen dat sprake was van legale investeringen.
3.49
Ten tweede is het oordeel onvoldoende gemotiveerd, aldus de Russische Federatie. Het hof is niet ingegaan op de stelling dat de stelplicht op PrivatBank rustte. De relevante informatie bevond zich bovendien in haar domein. PrivatBank had de legaliteit van de afzonderlijke investeringen moeten aantonen, maar heeft dat niet gedaan.
3.5
Ik stel het volgende voorop. Zoals het hof in rov. 5.10.11 overweegt, is tussen partijen niet in geschil dat art. 1 lid 1 BIT Pro 1998 een legaliteitsvereiste bevat. Als een investering illegaal is, is geen sprake van een investering, zodat het scheidsgerecht niet bevoegd is om van de vordering kennis te nemen. In het kader van de BIT 1998 betekent de illegaliteit dat geen overeenkomst tot arbitrage tot stand komt. Het (open) aanbod tot arbitrage van de gaststaat ziet immers alleen op legale investeringen (zie hiervóór, 3.9).
3.51
De stelplicht en (bij voldoende betwisting) de bewijslast ten aanzien van de stelling dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt (art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv), rust in de vernietigingsprocedure op PrivatBank als gedaagde. Dit volgt reeds uit een arrest van de Hoge Raad uit 1913 waarin het volgende werd overwogen: [22]
“[…] dat waar aan den burgerlijken rechter de beslissing van twistgedingen is opgedragen en waar scheidsmannen alleen bevoegd zijn eene beslissing te geven, als partijen deswege zijn overeengekomen op de partij, die beweert dat eene dergelijke overeenkomst bestaat, bij de betwisting daarvan door de wederpartij, de bewijslast rust.”
De ratio is dat de partij op wie in de arbitrage de stelplicht en bewijslast rust (de eiser) ook de bewijslast zal moeten dragen in de vernietigingsprocedure. [23]
3.52
Uit art. 149 lid Pro 1, tweede zin, Rv volgt dat de rechter als vaststaand moet beschouwen die feiten of rechten die door de ene partij zijn gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende zijn betwist. In zo’n geval wordt niet aan bewijslevering toegekomen. [24] Wat ‘voldoende’ is, hangt af van de concrete zaak. In zijn algemeenheid is het zo dat hoe concreter en gedetailleerder de stellingen van de wederpartij zijn, hoe meer eisen kunnen worden gesteld aan de weerlegging. [25] Betwisten betekent
nietbewijzen. Asser merkt hierover het volgende op: [26]
“[…] Verder geldt in het algemeen dat stellen niet is bewijzen. Een betwisting hoeft niet al op het eerste gezicht een voldoende weerlegging van het gestelde feit mee te brengen. Men kan niet steeds eisen dat de betwister feiten stelt die, indien juist, het betwiste feit uitsluiten. Vaak kan worden volstaan met een ontkenning die doet twijfelen aan de juistheid van het gestelde feit. […]”
3.53
Uit de vooropstellingen over stelplicht en bewijslast en de eisen die aan een betwisting kunnen worden gesteld, volgt - op het eerste gezicht - dat de eerste klacht (de rechtsklacht) slaagt voor zover deze gericht tegen rov. 5.10.18 van het eindarrest. Uit die overweging blijkt dat het hof van de Russische Federatie eist dat uit haar betwisting het
tegendeelblijkt van de stelling dat PrivatBank aan de vereisten voldeed voor het verkrijgen van een banklicentie. Daarmee stelt het hof
te hoge eisenaan de betwisting van de stelling van PrivatBank dat een overeenkomst tot arbitrage bestaat. De klacht kan echter niet tot cassatie leiden, omdat uit het vervolg van de overweging blijkt dat de Russische Federatie
nietsheeft gesteld over onregelmatigheden bij het oprichten van de bank en het verkrijgen van een banklicentie. Dat is in cassatie niet (kenbaar) bestreden. Hoe dan ook vormt dat een onvoldoende betwisting, hoe laag of hoog de lat voor de onderbouwing daarvan ook wordt gelegd. Daarom kon het hof op grond van art. 149 lid 1 Rv Pro als vaststaand aannemen dat PrivatBank voldeed aan de eisen voor het verkrijgen van een banklicentie.
3.54
Ook de tweede klacht (gepresenteerd als motiveringsklacht) gericht tegen rov. 5.10.18 slaagt niet. Ook deze klacht komt erop neer dat het hof de stelplicht en de bewijslastverdeling heeft miskend - in feite een herhaling van zetten dus.
3.55
Voor zover de klachten zijn gericht tegen rov. 5.10.22, falen ze bij gebrek aan feitelijke grondslag. Volgens de Russische Federatie zou uit die overweging volgen dat het hof meent dat ook als sprake is van een zeer omvangrijke fraude bij een bank niet snel kan worden aangenomen dat niet is voldaan aan het legaliteitsvereiste. In die algemene zin staat het er niet. Het hof oordeelt dat bij een grote bank als PrivatBank (dus: met veel activiteiten) niet snel mag worden aangenomen dat onregelmatigheden bij een bepaalde categorie leningen (dus: bij een deel van die vele activiteiten) ervoor zorgt dat andere investeringen ook moeten worden geacht niet aan het legaliteitsvereiste te voldoen.
3.56
Voor zover de Russische Federatie in haar schriftelijke toelichting nr. 4.19 een nieuwe klacht tegen rov. 5.10.23 richt, is dat te laat. Dat geldt ook voor de nieuwe klacht in de schriftelijke toelichting nr. 4.20, waarin wordt gesteld dat het hof heeft miskend dat de Russische Federatie slechts tegenbewijs hoefde te leveren.
Onderdeel 6 (rechtmatigheid op moment van doen van investeringen)
3.57
De klachten in dit zesde onderdeel zijn gericht tegen het oordeel van het hof over de stelling van de Russische Federatie dat PrivatBank illegaal heeft gehandeld bij het doen van haar investeringen (rov. 5.10.11 - 5.10.25).
3.58
De Russische Federatie stelt voorop dat het hof geweigerd heeft te oordelen over de rechtmatigheid van de deelinvesteringen. De oordelen van het hof zijn daarom onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd. De klacht faalt. Het hof heeft in rov. 5.10.14 en 5.10.17 - 5.10.22 van het eindarrest op de illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie gerespondeerd. Ik verwijs ook naar de bespreking van onderdeel 3 hiervoor.
3.59
Het middel vervolgt met de mededeling dat zekerheidshalve wordt ingegaan op ‘minder waarschijnlijke alternatieve lezingen’ van de bestreden overwegingen. De klacht in
subonderdeel 6.1(i)luidt dat
voor zoverin deze overwegingen enig inhoudelijk oordeel zou liggen besloten over het moment van het doen en/of de toenmalige rechtmatigheid van de door PrivatBank gestelde investeringen, dit oordeel onvoldoende gemotiveerd is. Er is in dat geval niet ingegaan op tal van stellingen en bewijsstukken. De klacht in
subonderdeel 6.1(ii)houdt in dat
voor zoverde oordelen van het hof zo moeten worden gelezen dat het moment van doen van alle deelinvesteringen zou samenvallen met het begin van bancaire activiteiten of het veel eerder verlenen van een licentie (buiten de Krim-regio), dit onvoldoende gemotiveerd is. Dit oordeel zou althans innerlijk tegenstrijdig zijn omdat het hof oordeelt dat voor toepassing van het ‘
unity of investment’-leerstuk bij de beoordeling van het legaliteitsvereiste in beginsel geen plaats is (rov. 5.10.21). Dat oordeel brengt juist mee dat alle specifieke investeringen afzonderlijk moeten worden beoordeeld, aldus het middel.
3.6
De klachten in beide subonderdelen missen feitelijke grondslag. In de bestreden overwegingen bespeur ik niet een oordeel over het moment van het
doenvan de deelinvesteringen. In navolging van het scheidsgerecht, oordeelt het hof in rov. 5.10.12 wel dat de toetsing van het legaliteitsvereiste moet plaatsvinden per 21 maart 2014. Dit is de datum dat de investering onderdeel is gaan uitmaken
van de Russische rechtsorde. Dat is dus niet de datum van het doen van de investering. Het hof overweegt dat ondanks deze toetsingsdatum moet worden bezien of de investeringen naar Oekraïens recht legaal zijn verkregen. Het enige dat daaruit zou kunnen worden afgeleid is dat de investeringen volgens het hof zijn gedaan vóór 21 maart 2014. Dat lijkt mij een vanzelfsprekendheid in de context van de incorporatie van de Krim door de Russische Federatie. Het betreft geen inhoudelijk oordeel over het moment en/of de toenmalige rechtmatigheid van de (deel)investeringen, zoals in de klachten lijkt te zijn bedoeld.
3.61
Subonderdeel 6.2bevat een voortbouwklacht die het lot deelt van de hiervoor besproken subonderdelen. Bovendien bouwen de door de Russische Federatie vermelde overwegingen (rov. 5.12.3 - 5.12.5) niet voort op de in de vorige subonderdelen aangevallen overwegingen, aldus ook de schriftelijke toelichting van PrivatBank nr. 99.
Onderdelen 7 en 9 (relevantie oprichting, banklicentie en aard van activiteiten)
3.62
Met deze onderdelen richt de Russische Federatie haar pijlen op rov. 5.10.18 en 5.10.19 van het eindarrest. Deze, en de daarmee samenhangende rov. 3.4, luiden als volgt:
“3.4
PrivatBank is in 1992 in Oekraïne opgericht naar Oekraïens recht.Vanaf de oprichting tot aan de nationalisatie in 2016 (waarover hieronder meer) waren de meerderheid van de aandelen en de zeggenschap in handen van twee personen met (onder meer) de Oekraïense nationaliteit, [betrokkene 1] en [betrokkene 2] . PrivatBank werd op 19 maart 1992 door de Nationale Bank van Oekraïne (hierna: NBU) in de State Register of Banks geregistreerd. Het was PrivatBank daarmee toegestaan om bankactiviteiten te ontplooien in Oekraïne.
In 1994 breidde PrivatBank haar activiteiten naar de Krim, waaronder Sevastopol. Vanaf 1996 begon de NBU licenties aan banken uit te geven. Aan PrivatBank is toen door de NBU een volledige banklicentie uitgegeven.PrivatBank had filialen op de Krim en beheerde aldaar investeringen als geldautomaten en zelfbedieningsloketten. PrivatBank heeft leningen uitgegeven aan bedrijven en particulieren op de Krim.
[…]
Fraude heeft geen betrekking op het doen van de investering, maar op wat er met die investering is gebeurd
5.10.18
Ten eerste geldt dat de hierboven omschreven fraude niet kan worden gekwalificeerd als een onwettigheid die
het doenvan de investering zelf aantast; het gaat om illegaal handelen nadat de investering is gedaan.
Het hof gaat er, bij gebreke van concrete stellingen waaruit het tegendeel blijkt, van uit dat PrivatBank zowel op het moment van de aanvang van de bankactiviteiten als op het (latere) moment van het verkrijgen van de banklicentie voldeed aan de vereisten die door de Oekraïense overheid en/of de NBU voor het verrichten van bancaire activiteiten en het verkrijgen van een zodanige licentie gesteld werden. Er is niet gesteld dat de oprichting van de bank en het verkrijgen van de banklicentie van de NBU met onregelmatigheden (zoals omkoping of vervalsing van licenties) gepaard is gegaan.De Russische Federatie stelt wel dat PrivatBank gebruik maakte van corrupte rechters (hoofdstuk 4.8.2.b van de vernietigingsdagvaarding), maar onderbouwt deze stelling enkel met verwijzing naar een vertaling van twee bladzijden uit een in Oekraïne verschenen boek over PrivatBank. Uit wat daar is opgenomen blijkt bovendien niet van fraude bij het doen van de investering, maar op fraude bij de aanwending ervan.
5.10.19
In de periode tussen de incorporatie van de Krim en de gestelde onteigening heeft de door de NBU afgegeven licentie haar gelding behouden op grond van bepalingen uit de
Crimean Incorporation Lawals weergegeven bij de samenvatting van het oordeel van het scheidsgerecht hierboven (zie rov. 5.10.1).
De activiteiten van PrivatBank (het aantrekken van gelden en het verstrekken van leningen) zijn verder naar hun aard niet illegaal.Dit alles leidt dus tot de slotsom dat geen sprake is van onwettigheden bij het doen van de investering.”
3.63
Met de klachten in
onderdeel 7neemt de Russische Federatie
rov. 5.10.18op de korrel. Het aldaar gegeven oordeel wordt zo gelezen dat de oprichting van de bank en de verkrijging van een banklicentie met zich brengen dat alle verwijten van fraude zien op handelen van na het doen van de investering. Zonder nadere motivering valt niet in te zien waarom de oprichting of de verkrijging van een banklicentie iets zeggen over het moment van het doen van andere investeringen op de Krim. Voorts is het hof niet ingegaan op specifieke stellingen met betrekking tot bepaalde deelinvesteringen. Het is verder onduidelijk waarom het hof meent dat een bank die op rechtmatige wijze een banklicentie verkrijgt, niet op een later moment een onrechtmatige investering zou kunnen doen, aldus de klacht.
3.64
Met de klacht in
onderdeel 9ageert de Russische Federatie tegen het oordeel van het hof dat het aantrekken van gelden en het verstrekken van leningen naar hun aard niet illegaal zijn (zie mijn onderstreping in
rov. 5.10.19in het citaat van zojuist). Dit oordeel is onbegrijpelijk, alleen al omdat niet valt in te zien waarom betekenis toekomt aan de vraag of transacties ‘naar hun aard’ legaal (kunnen) zijn.
3.65
Ik lees het oordeel van het hof als volgt. Het uitgangspunt van het hof is (blijkens rov. 5.10.15 en 5.10.16) dat binnen PrivatBank fraude is gepleegd door het verstrekken van zakelijke leningen aan voormalige bestuurders van PrivatBank. Geld van consumententegoeden werd hiervoor gebruikt. Voor deze leningen werden geen zekerheden bedongen en de leningen werden niet afgelost. Vervolgens (rov. 5.10.18 en 5.10.19) oordeelt het hof dat deze fraude het doen van ‘de investering’ zelf niet aantast, en dat het gaat om illegaal handelen nadat ‘de investering’ is gedaan. Kennelijk doelt het hof met ‘de investering’ op het verstrekken van een zakelijke lening uit consumententegoeden. Het hof overweegt dat PrivatBank die activiteit, en het daarmee samenhangende aantrekken van gelden van consumenten, van de Oekraïense autoriteiten mocht verrichten. Deze toestemming gold ook ná incorporatie van de Krim door de Russische Federatie. Bovendien zijn het aantrekken van gelden en het verstrekken van leningen naar hun aard niet illegaal.
3.66
De klachten
slagen. Het oordeel is zonder nadere motivering niet te volgen en dus onbegrijpelijk. De Russische Federatie merkt - in de kern - terecht op dat het van de autoriteiten
mogenuitoefenen van de naar haar aard niet illegale activiteit van het verstrekken van zakelijke leningen uit binnengehaalde tegoeden, niet betekent dat het daadwerkelijk verstrekken van leningen op legale wijze is gebeurd. Als die verstrekking en het aantrekken van gelden is geschied met een frauduleus oogmerk of als deel van een frauduleus plot, zoals kennelijk in dit geval is aangenomen (zie rov. 5.10.15 en 5.10.16), lijkt mij dit op het eerste gezicht ook de legaliteit van het doen van deze investering (het verstrekken van een lening) aan te tasten. Waarom het hof dat toch anders ziet, en daarmee de investering toch door de legaliteitstoets van de BIT 1998 laat glippen, is niet duidelijk.
3.67
Het enkele slagen van deze klachten betekent evenwel
nietdat vernietiging van het eindarrest moet volgen. Het hof geeft twee redenen waarom de vaststaande fraude binnen PrivatBank niet tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht leidt (rov. 5.10.17). Dat de fraude geen betrekking zou hebben op het doen van de investering (rov. 5.10.18 en 5.10.19) is de eerste reden. De andere reden is dat, zelfs als de eerste reden niet opgaat, het beroep op het beginsel van ‘unity of investment’ niet opgaat (rov. 5.10.20 - 5.10.25). Als de tweede reden overeind blijft, komt het arrest niet voor cassatie in aanmerking. Daar is dan geen belang bij. [27] De slagende klachten kunnen daarom
niet tot cassatie leiden.
Onderdeel 8 (zakelijke leningen aan offshore entiteiten)
3.68
In woord is de klacht in dit onderdeel gericht tegen rov. 5.10.15 - 5.10.19, maar het onderdeel bevat wel beschouwd alleen een klacht tegen rov. 5.10.15. Die overweging en voor zover relevant die daarop volgend, luiden als volgt:
“5.10.15 Daarmee komt het hof toe aan de gestelde fraude binnen de PrivatBank zelf. Volgens de Russische Federatie
houdt deze fraude, kort samengevat, in dat structureel zakelijke leningen werden verstrekt aan offshore entiteitenverbonden aan de voormalige bestuurders ( [betrokkene 1] en [betrokkene 2] ), welke leningen niet waren gesecuriseerd met zekerheden. Die leningen werden vervolgens niet afgelost. Op deze manier werden de door consumenten op hun bankrekeningen gehouden tegoeden aangewend ter verrijking van de voormalige bestuurders: de PrivatBank fungeerde als "stofzuiger” van consumententegoeden ten behoeve van deze bestuurders.
5.10.16
PrivatBank heeft niet, althans niet gemotiveerd, betwist dat sprake is geweest van
een dergelijke vorm van fraudebinnen PrivatBank. […] Dit betekent dat het hof in deze vernietigingsprocedure - in ieder geval veronderstellenderwijs - van het bestaan van fraude moet uitgaan.”
3.69
De Russische Federatie klaagt over de door mij onderstreepte passage in rov. 5.10.15 dat weliswaar ook werd gefraudeerd met zakelijke leningen aan
offshorevennootschappen, maar dat het merendeel van de leningen waren verstrekt aan entiteiten in de Oekraïne. De inhoudelijke beoordeling van die zakelijke leningen is ten onrechte achterwege gebleven. Bovendien heeft het hof stellingen die wel relevant zijn niet afdoende kenbaar in zijn beoordeling betrokken, aldus het middel.
3.7
De klachten falen omdat de Russische Federatie uitgaat van een verkeerde lezing van het arrest. Het hof overweegt namelijk niet dat de fraude alleen bestaat uit zakelijke leningen aan
offshoreentiteiten. In rov. 5.10.15 geeft het hof uitdrukkelijk een samenvatting van de stellingen van de Russische Federatie en in rov. 5.10.16 wordt duidelijk dat het hof alleen kijkt naar de beschreven
vormvan de fraude. Het enkele feit dat de zakelijke leningen ook werden verstrekt aan entiteiten binnen de Oekraïne heeft daarom geen invloed op deze beoordeling. Dat verandert niets aan de vorm van de fraude die centraal staat (kort gezegd: het verstrekken van leningen aan partijen gelieerd aan bestuurders van de PrivatBank die vervolgens niet werden afgelost). Zelfs als de klacht zou moeten slagen, lijkt mij gelet op vorenstaande (het gaat het hof om de vorm van de fraude, niet om het
offshoreelement) het belang daarbij ook te ontbreken.
Onderdeel 10: oordeel peilmoment en latere omstandigheden
3.71
In dit onderdeel betoogt de Russische Federatie dat sprake is van tegenstrijdigheid tussen rov. 5.10.12 en rov. 5.10.23. Deze en omliggende overwegingen luiden, voor zover hier relevant, als volgt:
“5.10.12 Het hof is hierboven al tot het oordeel gekomen dat oorspronkelijk onder Oekraïens recht gedane investeringen na de incorporatie van de Krim kunnen gelden als investeringen in de Russische Federatie. De toetsing van het legaliteitsvereiste vindt dan – zoals het scheidsgerecht ook heeft aangenomen – plaats per 21 maart 2014, de datum dat de investering onderdeel is gaan uitmaken van de Russische rechtsorde. Daarbij geldt als beperking dat investeringen die onder Oekraïens recht niet legaal zijn verkregen, ook niet – als legale investering – onderdeel zijn gaan uitmaken van de Russische rechtsorde. Dit betekent dat (ook) getoetst moet worden of de investeringen legaal zijn verkregen naar Oekraïens recht.
[…]
5.10.22 […]
Bij een onderneming van een omvang als die van de PrivatBank kan niet snel worden aangenomen dat onregelmatigheden ten aanzien van een bepaalde categorie van leningen (gepleegd bij de uitoefening van activiteiten van de onderneming) die gehele onderneming op grond van het legaliteitsvereiste aan bescherming onder de BIT 1998 onttrekken.
5.10.23
Daarvoor is te minder aanleiding nu tussen partijen vaststaat dat het frauderende bestuur inmiddels is vervangen en de Procedural Order no. 7 duidelijk maakt dat het scheidsgerecht in de quantum phase de illegaliteitsargumenten van de Russische Federatie op het niveau van de schadevergoeding uitputtend zal behandelen.”
3.72
De strekking van de klacht is dat onjuist en ontoereikend gemotiveerd is het oordeel dat het relevante peilmoment 21 maart 2014 is (rov. 5.10.12), omdat omstandigheden van ná dit peilmoment worden meegewogen (rov. 5.10.23). De klacht slaagt niet. In rov. 5.10.12 oordeelt het hof dat
legaalnaar Oekraïens recht gedane investeringen per 21 maart 2014 gelden als investeringen in de Russische Federatie. In het vervolg (rov. 5.10.13 e.v.) beziet het hof of sprake is van dergelijke legale investeringen. Hoewel wordt overwogen dat fraude met zakelijke leningen binnen PrivatBank heeft plaatsgevonden (rov. 5.10.16), betekent dit volgens het hof niet zonder meer dat binnen een grote onderneming als PrivatBank geen bescherming meer toekomt voor andere investeringen (rov. 5.10.22). Of er meer is dat ontneming van elke bescherming aan PrivatBank rechtvaardigt, komt nog aan bod in de arbitrage waarbij wordt teruggekeken op de specifieke investeringen gedaan vóór de peildatum (rov. 5.10.23). Kennelijk acht het hof de kans dat in dat kader (procedurele) waarheidsvinding kan plaatsvinden groter nu het oude bestuur van PrivatBank, dat volgens het hof een rol speelde bij de vastgestelde fraude (rov. 5.10.15), is vervangen. Van tegenstrijdigheid tussen de aangevallen overwegingen is dus geen sprake.
3.73
De klacht faalt.
Onderdeel 11 (het persbericht van de NBU)
3.74
Mikpunt van dit onderdeel is een deel van rov. 5.10.22 dat als volgt luidt:
“5.10.22 In dit geval is het hof van oordeel dat
de geconstateerde fraudeniet de investering als geheel besmet. Een bankbedrijf bestaat per definitie uit veel verschillende aspecten. De Russische Federatie heeft in dit kader niet betwist dat de PrivatBank een grote systeembank was (en is) met vele consumenten als rekeninghouders: dit gold in ieder geval tot de gebeurtenissen in maart 2014 ook op de Krim.
Er zijn ook volgens het persbericht van de NBU waarop de Russische Federatie zich beroept normale bankactiviteiten; in dit persbericht wordt immers gesproken van een "bank within a bank", waaruit volgt dat sprake is van een normaal bankbedrijf waarbinnen (ook) frauduleuze activiteiten plaatsvinden.[…].”
3.75
Volgens de Russische Federatie zou het hof op zich terecht hebben geoordeeld dat PrivatBank een grote (systeem)bank is met veel rekeninghouders, maar het hof meent ten onrechte dat
daaromsprake was van normale bankactiviteiten en dat dit ook zou volgen uit het persbericht. Het oordeel van het hof is onbegrijpelijk in het licht van de inhoud van het persbericht. Daarin wordt niet uitgegaan van normale bankactiviteiten. Privatbank was slechts een ogenschijnlijk normale (consumenten)bank, aldus de Russische Federatie.
3.76
De klacht slaagt niet. Ook het hof vindt dat uit het persbericht van de NBU blijkt dat sprake was van fraude binnen PrivatBank (rov. 5.10.16, tweede zin). Het gaat dan om fraude met zakelijke leningen. Deze fraude (zie eerste zin rov. 5.10.22, ‘de geconstateerde fraude’) ziet op één bepaalde activiteit van PrivatBank, maar PrivatBank heeft meer activiteiten. Het hof wijst als voorbeeld op relaties met consumenten. Dat PrivatBank inderdaad meer activiteiten had dan het frauduleus verstrekken van zakelijke leningen (door het hof als tegenhanger van frauduleuze activiteiten samengevat als ‘normale bankactiviteiten’) wordt volgens het hof in het persbericht bevestigd door het gebruik van de frase ‘
bank within a bank’. Die lezing is niet onbegrijpelijk te noemen, gezien de tekst van het persbericht waarin ‘bank within a bank’ het kopje vormt van de volgende passage waaruit duidelijk volgt dat ook andere activiteiten dan de fraude met zakelijke leningen werden uitgevoerd binnen PrivatBank (zie ook het langere citaat van het persbericht in 2.8):
“ […] Key findings of the investigation include:
1. […]
2. […]
3.
Bank within the bank.Central to the coordinated manipulation of the loan book, and extraction of benefit was a shadow banking structure within PrivatBank. The secretive structure processed and facilitated the movement of the proceeds of hundreds of loans worth billions of USD to parties related to the former shareholders and their affiliates. This shadow banking structure used hundreds of employees embedded within the bank.
4.
Structure and administration of the loans.The shadow bank administered the related party corporate loan portfolio. […]
5. […].”
3.77
De Russische Federatie heeft de schriftelijke toelichting (nr. 5.1 - 5.10) aangegrepen voor een aantal nieuwe klachten. Dat is te laat (zie ook dupliek nr. 14-15). De korte reactie in dupliek nr. 15 is ook onvoldoende voor het aanvaarden van de rechtsstrijd op dit punt.
Onderdeel 12.1 (unity of investment)
3.78
Dit subonderdeel is gekant tegen het oordeel van het hof over het beroep op het beginsel van ‘
unity of investment’(rov. 5.10.20 - 5.10.25). Er is sprake van een onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd oordeel om de volgende redenen:
i) In punt 259 van de Partial Award staat: “
The Claimants argue that, for purposes of evaluating their expropriation claim, the Tribunal “should consider their investment in its entirety” rather than parsing it into its constituent parts.The Tribunal agreesthat this approach, which is supported by investment treaty jurisprudence, is appropriate in the present case, as all of the components of the business go to its value as a going concern and PrivatBank’s loss as a result of breaches of the Treaty.
ii) Het hof zou ten onrechte hebben geoordeeld dat naar internationaal recht geen beginsel van ‘
unity of investment’ bestaat, althans dat dit niet van toepassing zou zijn op legaliteitsvereisten.
iii) Het hof heeft nagelaten gemotiveerd in te gaan op de stellingen van de Russische Federatie dat de fraude ziet op de kernactiviteit van de bank (in- en uitlenen) en dat het scheidsgerecht zich tegen die achtergrond naar internationaal recht geheel onbevoegd had moeten verklaren.
3.79
De klachten falen om de volgende redenen.
ad i) In rov. 5.10.25 heeft het hof de Partial Award uitgelegd (in cassatie een feitelijk oordeel) en uitgebreid gemotiveerd dat punt 251 e.v. van de Partial Award (dus ook punt 259) ziet op de vraag of sprake is van onteigening van de gehele onderneming op de Krim. Dat heeft met een toets aan het legaliteitsvereiste van de BIT 1998 niets te maken, zoals het hof niet onbegrijpelijk overweegt.
ad ii) Het hof heeft niet geoordeeld dat naar internationaal recht geen beginsel van ‘
unity of investment’ bestaat of dat dit niet van toepassing zou zijn op legaliteitsvereisten. De feitelijke grondslag ontbreekt dus. In rov. 5.10.20 oordeelt het hof dat het geen
vasteinvesteringsjurisprudentie is dat bepaalde vormen van fraude de legaliteit van de gehele investering kunnen aantasten. Vervolgens oordeelt het hof in rov. 5.10.21 dat in de (in de conclusie van repliek) vermelde jurisprudentie niet op grond van dit beginsel de onbevoegdheid van het scheidsgerecht is aangenomen op grond van een geconstateerde illegaliteit bij een investering. Toepassing van het beginsel is in het onderhavige geval dus geen automatisme, zo volgt uit het oordeel van het hof. Daarom vervolgt het hof met een concrete toets of in dit geval kan worden geoordeeld dat de geconstateerde fraude de investering als geheel besmet (rov. 5.10.22).
ad iii) Het hof heeft getuige rov. 5.10.9.9 het argument van de ‘kernactiviteiten’ onder ogen gezien. Er staat immers dat de Russische Federatie heeft aangevoerd dat een kernactiviteit onder andere is het uitlenen van gelden en dat: “
Als sprake is van met de wet strijdige kernactiviteiten, dan leidt dat tot de algehele onbevoegdheid van het scheidsgerecht”. Deze stelling heeft het hof gemotiveerd verworpen in rov. 5.10.22. Het hof oordeelt daar dat de geconstateerde fraude (die ziet op de kernactiviteit uitlenen van geld, zie rov. 5.10.15) niet de investering als geheel besmet, omdat er naast - kort gezegd - het frauduleus uitlenen van geld nog meer activiteiten binnen PrivatBank bestaan. Daarom leidt de geconstateerde fraude niet tot onbevoegdheid van het scheidsgerecht (in rov. 5.10.17 stelt het hof dit voorop).
3.8
De schriftelijke toelichting (nr. 6.16 - 6.17) bevat een klacht die niet in de procesinleiding voorkomt. Dit is te laat (zie ook dupliek 16-17). De korte inhoudelijke reactie in dupliek nr. 17 is onvoldoende voor aanvaarding van de rechtsstrijd op dit punt.
Onderdeel 12.2 (herroeping, bedrog en achterhouden van stukken)
3.81
In dit subonderdeel richt de Russische Federatie klachten tegen het oordeel van het hof over de herroepingsvordering. Dit oordeel is vervat in rov. 6.4 - 6.6 en luidt als volgt:

Het oordeel van het hof
6.4
Voor zover het beroep op herroeping is gebaseerd op de volgens de Russische Federatie achtergehouden informatie over entiteiten behorende tot de zogenoemde Privat Group, faalt het omdat er onvoldoende verband is tussen deze entiteiten en PrivatBank.
6.5
Voor zover het beroep op herroeping gebaseerd is op de fraude binnen de PrivatBank geldt dat er van uitgegaan moet worden dat deze fraude vóór de uitspraak (de
Partial Award) is ontdekt, zodat niet is voldaan aan de vereisten van artikel 1068 lid 1 Rv Pro. Niet ter discussie staat dat gedurende de arbitrageprocedure alle stukken de Russische Federatie hebben bereikt. De Russische Federatie was er dus mee bekend welke standpunten door PrivatBank werden ingenomen en welke informatie wel en niet door PrivatBank aan het scheidsgerecht werd verstrekt. Het persbericht van de NBU, waarop de Russische Federatie zich beroept en waaruit blijkt van de fraude binnen PrivatBank, dateert van 16 januari 2018, terwijl het scheidsgerecht op 4 februari 2019 de
Partial Awardheeft gewezen. Het laatste verzoek om informatie van het scheidsgerecht dateerde van 6 december 2018. Er is dus (ruim) voldoende gelegenheid geweest om dit persbericht onder de aandacht van het scheidsgerecht te brengen zodat PrivatBank om een reactie kon worden gevraagd. De stelling van de Russische Federatie dat nader onderzoek naar de aard en omvang van de fraude nodig was en dat dit onderzoek nog niet was afgerond toen het scheidsgerecht uitspraak deed, wordt verworpen. Het persbericht van de NBU (een onverdachte bron) was voldoende om de discussie binnen de nog lopende arbitrale procedure te openen. Het middel van herziening is niet bedoeld om een partij in staat te stellen aanvankelijk – door stil te zitten – het kruit droog te houden om vervolgens, bij een ongunstige uitspraak, vernietiging te verzoeken.
6.6
Het herzieningsverzoek faalt ook op inhoudelijke gronden. Het hof heeft hiervoor de argumenten van de Russische Federatie gebaseerd op het achterhouden van stukken beoordeeld langs de band van de openbare orde. Een inhoudelijke beoordeling van de herroepingsvordering leidt tot dezelfde uitkomst.”
3.82
Dit oordeel is onjuist en/of ontoereikend gemotiveerd, aldus de Russische Federatie. Ik distilleer uit het uitgebreide subonderdeel de volgende klachten:
a) Het oordeel in rov. 6.4 dat onvoldoende verband bestaat tussen de entiteiten van de Privat Group en de PrivatBank, is onvoldoende gemotiveerd en onbegrijpelijk. In een andere (verwante) zaak is overwogen dat voldoende vaststaat dat nauwe banden bestaan tussen Everest c.s. (de Privat Group) en [betrokkene 1] en (al dan niet via [betrokkene 1] ) de PrivatBank. [28] De Russische Federatie heeft haar stelling dat verband bestaat tussen de Privat Group en PrivatBank uitvoerig onderbouwd en het hof gaat daar niet (kenbaar) op in.
b) Het aanvangsmoment van de rechtsmiddelentermijn van een herroepingsvordering moet worden beoordeeld per afzonderlijke herroepingsgrond en vangt bij het achterhouden van stukken aan vanaf het moment dat de Russische Federatie deze stukken in handen heeft gekregen. Deze termijn vangt niet aan met louter vermoedens of zelfs bekendheid met het achterhouden van stukken. Een vermoeden leidt hooguit tot een beperkte onderzoeksplicht.
c) De Russische Federatie heeft in dit kader essentiële stellingen ingenomen die het hof niet kenbaar in zijn beoordeling heeft betrokken en het hof geeft onvoldoende inzicht in de onderliggende gedachtegang.
d) Indien het hof heeft geoordeeld dat het NBU persbericht voldoende was voor een vermoeden van bedrog en op basis daarvan direct actie had moeten worden ondernomen, is dat oordeel rechtens onjuist althans onvoldoende gemotiveerd. Het miskent daarmee de rechtsnorm van art. 1068 lid 2 Rv Pro betreffende de termijn voor het instellen van een herroepingsvordering. Ook is het hof niet ingegaan op de stelling dat uitvoerig onderzoek is verricht.
e) Het hof heeft niet, althans onvoldoende begrijpelijk, toegelicht waarom betekenis zou moeten toekomen aan de bekendheid met het NBU persbericht. Op basis van enkel dat persbericht kon het bedrog in deze arbitrage nog niet worden vastgesteld. Daarvoor was meer informatie nodig en op dat moment bestond hooguit een onderzoeksplicht voor de Russische Federatie.
f) Het hof gaat - onbegrijpelijk - slechts in op de datum van het NBU persbericht.
g) Met het oordeel in rov. 6.6 verwijst het hof naar de beoordeling over strijd met de openbare orde als ingeroepen vernietigingsgrond. Daarmee verwijst het ook naar rov. 5.13.6, waarin het hof tot uitgangspunt neemt dat de fraude bij PrivatBank niet alle aspecten van PrivatBank raakt. Het hof had niet mogen uitgaan van de assumptie dat PrivatBank ook deels investeringen heeft die niet besmet zijn door illegaal handelen. Verder maakt het hof zich ook in deze overweging schuldig aan verboden delegatie aan het scheidsgerecht, omdat het opnieuw verwijst naar de
Quantum Phasevan de arbitrageprocedure.
h) In rov. 6.5 wordt onjuist en/of onbegrijpelijk overwogen dat het middel van herziening niet is bedoeld om een partij in staat te stellen aanvankelijk - door stil te zitten - het kruit droog te houden om vervolgens, bij een ongunstige arbitrale beslissing, daarvan vernietiging te verzoeken. Er is immers om vernietiging verzocht.
i) Delen van de beoordeling, met name rov. 6.6, bouwen voort op rov. 5.10.11 - 5.10.25 en rov. 5.13.6. Het slagen van daartegen gerichte klachten zal betekenen dat ook rov. 6.4 - 6.6 niet in stand kunnen blijven.
j) In feite bouwt rov. 5.13.6 voort op het oordeel in rov. 5.10.11 - 5.10.25, zodat het slagen van de klachten tegen dat oordeel ook rov. 5.13.6 onderuit haalt.
3.83
Deze klachten falen op grond van het volgende.
- De
klacht onder a)faalt omdat het hof eerder in het arrest de stellingen van de Russische Federatie over de Privat Group uitgebreider heeft geadresseerd (zie rov. 5.10.13 - 5.10.14 en 5.12.3). Het kon op deze plaats daarom volstaan met een korte(re) overweging. Verder maakt het enkele feit dat het hof Den Haag (in dezelfde samenstelling) in een andere zaak een ander oordeel zou hebben gegeven over banden tussen de Privat Group en de PrivatBank, het oordeel van het hof nog niet onbegrijpelijk.
- De
klachten onder b) t/m f)falen op grond van een verkeerde lezing van het arrest. Het middel gaat kennelijk ervan uit dat het hof een oordeel heeft gegeven over de vraag of de Russische Federatie tijdig een herroepingsvordering heeft ingesteld. Dat doet het hof niet. Voorwaarden voor een geslaagd beroep op de herroepingsgronden van art. 1068 lid Pro 1, onder a en c, Rv (openbare orde en achterhouden van bescheiden) zijn onder meer dat het bedrog
ná de uitspraakis ontdekt respectievelijk dat de achtergehouden bescheiden
ná de uitspraakin handen zijn verkregen. Het hof oordeelt in rov. 6.5 dat aan deze voorwaarden niet is voldaan voor zover het beroep op herroeping is gebaseerd op de fraude binnen PrivatBank. Dat is geen oordeel over de tijdigheid van de herroepingsvordering, maar een oordeel over de vraag of het rechtsmiddel herroeping überhaupt ter beschikking stond aan de Russische Federatie.
- De
klacht onder g)voldoet deels niet aan de eisen die daaraan in cassatie worden gesteld. Er wordt alleen gesteld dat het hof niet mocht uitgaan van een bepaalde assumptie, maar niet
waaromdat zo is. Met het deel van de klacht over ‘verboden delegatie’ ziet de Russische Federatie over het hoofd dat het hof met ‘Zoals hiervoor overwogen’ in rov. 5.13.6 doelt op rov. 5.10.22 en 5.10.23. Zo bezien, vormt deze klacht een herhaling van de klachten in subonderdelen 3.1 en 3.2 waar wordt geklaagd over verboden delegatie door het hof aan het scheidsgerecht in rov. 5.10.22 en 5.10.23. Ik verwijs naar mijn bespreking van die klachten (3.32 e.v.).
- Met de
klacht onder h)miskent de Russische Federatie dat indien de rechter een herroepingsvordering honoreert, vernietiging van het arbitrale vonnis volgt (art. 1068 lid 3 Rv Pro). Het hof doelt dus in rov. 6.5 - naar mij dunkt - op het verzoeken van vernietiging op grond van herroeping. Zelfs als dat anders zou zijn, bestaat bij het corrigeren van dit deel van de overweging geen belang. De afwijzing van het standpunt van de Russische Federatie wordt gedragen door de overige delen van de beoordeling. De klacht faalt.
- De voortbouwklachten onder i) en j) falen omdat het hof in rov. 6.6 en 5.13.6 niet voortbouwt op rov. 5.10.18 en 5.10.19 die het onderwerp zijn van de (enige) in mijn ogen slagende klachten van het middel in de onderdelen 7 en 9 (zie hiervóór, 3.65 - 3.67).
Onderdeel 13 (veegklacht)
3.84
Volgens de Russische Federatie vitieert ‘het voorgaande’ ook wat het hof heeft overwogen en beslist in rov. 7.1, 8.1 en het daaraan ontleende dictum. Deze voortbouwende klacht slaagt niet, omdat de gronden voor afwijzing van zowel de vernietigings- als de herroepingsvordering overeind blijven (zie direct hierna de tussenconclusie). Bovendien geldt voor rov. 7.1 (bewijsaanbod onvoldoende specifiek) dat deze niet voortbouwt op de aangevallen overwegingen.
Tussenconclusie
3.85
De klachten in onderdelen 7 en 9 slagen. Ondanks het slagen van deze klachten die zijn gericht tegen rov. 5.10.18 en 5.10.19 moet het cassatieberoep in mijn ogen worden verworpen. De reden daarvoor is de volgende. De wegvallende overwegingen vormen één (zelfstandige) reden voor het hof om te concluderen dat de vastgestelde fraude niet tot onbevoegdheid leidt (zie rov. 5.10.17). De andere (zelfstandige) reden blijft overeind, omdat de klachten tegen rov. 5.10.20 t/m 5.10.25 falen. Het arrest houdt daarom stand.

4.Bespreking van het incidentele cassatiemiddel

4.1
Het incidenteel cassatiemiddel is ingesteld onder de volgende voorwaarden (zie verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep, p. 2 onder 2):
-
Onderdeel 1wordt ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale cassatieberoep tegen rov. 5.5-5.10 slagen.
-
Onderdeel 2wordt ingesteld onder de voorwaarde dat een of meer klachten van het middel in het principale beroep tegen rov. 5.7 (inzake de uitleg van het begrip
territory) slagen.
4.2
Gelet op mijn bespreking van het principale cassatiemiddel (slagende klachten in onderdelen 7 en 9 gericht tegen rov. 5.10.18 en 5.10.19) is aan de voorwaarde ten aanzien van onderdeel 1 voldaan. Aan de voorwaarde voor onderdeel 2 is niet voldaan (falende klachten onderdeel 1 gericht tegen rov. 5.7.9 t/m 5.7.26).
4.3
Desalniettemin zal ik hieronder de klachten van beide onderdelen bespreken. Ik doe dit wel ten overvloede. Indien uw Raad met mij van oordeel is dat het principale cassatieberoep (ondanks de slagende klachten) moet worden verworpen, heeft PrivatBank geen belang bij hun incidentele beroep.
Eerste onderdeel (verschijnen in een arbitrageprocedure)
4.4
Het eerste onderdeel bestaat uit twee subonderdelen die elk worden ingeleid met een samenvatting van de standpunten van PrivatBank en het oordeel van het hof in de met klachten bestreden rov. 5.4.6 - 5.4.8. Het betoog van PrivatBank komt erop neer dat het hof is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting over verschijnen in een arbitraal geding in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro.
4.5
Rov. 5.4.7 en 5.4.8 luiden:
“5.4.7 De hierboven onder 3.14 geciteerde brieven zijn - tot het wijzen van de Partial Award - het enige teken van leven van de Russische Federatie geweest in de arbitrale procedure.
Partijen gaan er terecht beide van uit dat in een arbitrale procedure geen formele eisen gelden voor het verschijnen in de procedure. Op zich is het dus mogelijk dat dergelijke brieven, ook als er verder geen participatie is, als een verschijnen moeten worden aangemerkt. Dat kan het geval zijn als (één van) de desbetreffende brieven het karakter hebben (heeft) van een (beknopt) verweerschrift. Dat is met deze brieven niet het geval.Op zichzelf is niet doorslaggevend dat de Russische Federatie in de begeleidende brief van 1 juli 2015 te kennen heeft gegeven dat de bijgevoegde briefvan [betrokkene 3] niet moet worden opgevat als een deelname aan de arbitrage. Het gaat om uitleg van de brief aan de hand van objectieve maatstaven, en niet om de uitleg die een partij daar zelf - in een begeleidende brief- aan geeft. Evenmin is doorslaggevend dat de brief aan het PHA is gestuurd, en niet aan het scheidsgerecht. PrivatBank moest er immers van uit gaan dat deze brief aan partijen zou worden doorgestuurd.
Doorslaggevend is dat de hoofdboodschap van de brief van 16 juni 2015 is dat de Russische Federatie de Notice of Arbitration retourneert met de kennelijke bedoeling dat zij niet aan de arbitrale procedure zal deelnemen. Die boodschap is toegelicht met slechts twee volzinnen waarin is uiteengezet waarom het tribunaal onbevoegd wordt geacht. De brief heeft daarmee niet het karakter van een (beknopt) verweerschrift. Dat het scheidsgerecht het in de brief genoemde bevoegdheidsverweer wel heeft behandeld, maakt dit niet anders. Het scheidsgerecht was immers gehouden ook eigener beweging te toetsen of het bevoegd was en heeft dat ook - los van de desbetreffende brief- gedaan. In alinea 157 van de Interim Award van 24 februari 2017 overwoog het scheidsgerecht immers: "
As it informed the Parties by letter from the PCA dated 19 March 2016, the Tribunal considers that it is required to determine its jurisdiction and the admissibility of the claims whether or not objections have been raised by the respondent". De Russische Federatie heeft verder terecht naar voren gebracht dat zowel het scheidsgerecht (in hoofdstuk 3 van het arbitrale tussenvonnis van 24 februari 2017 onder
"The Respondent 's non-participation") als PrivatBank tijdens de arbitrale procedure er blijk van hebben gegeven dat zij de Russische Federatie beschouwden als "niet verschenen".
5.4.8
Het voorgaande brengt mee dat de Russische Federatie niet het recht heeft verwerkt om bepaalde onbevoegdheidsgronden in deze procedure naar voren te brengen. Ook het feit dat de Russische Federatie in
Procedural Order no. 7in de gelegenheid is gesteld om haar
illegality objectionin het kader van de
quantum phaseuit te werken staat er niet aan in de weg dat volledig getoetst moet worden of het scheidsgerecht bevoegd was.”
4.6
Ik schets eerst het juridisch kader.
Juridisch kader
4.7
Ik stel voorop dat het sinds 1 januari 2015 geldende arbitragerecht in deze zaak temporeel van toepassing is. [29]
4.8
Een arbitrage moet zijn gegrond op een op arbitrage gerichte overeenkomst tussen partijen (art. 1020 lid 1 Rv Pro). Indien een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, is het scheidsgerecht onbevoegd. Art. 1052 lid 2 Rv Pro gaat over beroep op een ontbrekende arbitrageovereenkomst ten overstaan van het scheidsgerecht. [30] Deze bepaling luidt (onderstreping hier en hierna toegevoegd):

Een partij die in het arbitraal geding is verschenen, dient een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht op de grond dat een geldige overeenkomst tot arbitrage ontbreekt, voor alle weren te doen, op straffe van verval van haar recht op dat ontbreken later, in het arbitraal geding of bij de gewone rechter, alsnog een beroep te doen, (…).”
4.9
Deze bepaling, die ook al in de Arbitragewet 1986 stond, is beperkt tot een partij die in het arbitraal geding
is verschenen. De tekst van de wet biedt geen handvat voor de lezing dat het voorschrift van art. 1052 lid 2 Rv Pro tevens geldt voor de partij die niet is verschenen maar wel deugdelijk is opgeroepen. [31] In de parlementaire geschiedenis van de Arbitragewet 1986 is over ‘verschijnen in het arbitraal geding’ in de zin van deze bepaling namens de regering het volgende opgemerkt: [32]
“Ten aanzien van het tweede lid vroegen de leden van de V.V.D.-fractie, wanneer men spreekt van een partij die in het arbitraal geding is verschenen en in welk stadium. Is dit eerst het geval wanneer de desbetreffende partij bijvoorbeeld de conclusie van antwoord aan het scheidsgerecht toezendt? Is zij reeds verschenen wanneer zij bijvoorbeeld kennis neemt van de arbitrale benoeming en/of bijvoorbeeld meewerkt aan de arbitrale procedure? Is zij dan te laat om nog een beroep op de onbevoegdheid te doen, zo vroegen deze leden.
Ten antwoord op deze vragen merkt de ondergetekende op dat in een rechtbankprocedure een partij verschijnt, wanneer zij zich in de procedure middels een procureur stelt (zie artikel 135 en Pro 137 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering). In een arbitrale procedure verloopt dit alles niet zo formeel, doch kan aangenomen worden dat een partij in de arbitrale procedure verschijnt wanneer zij op enigerlei wijze aan de arbitrage deelneemt (bijvoorbeeld medewerking verleent aan de benoeming van de arbiter of arbiters).
Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende – een verweer ten principale voert zonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. Voert zij verweer (waaronder begrepen: referte) zonder beroep op onbevoegdheid te doen, dan heeft zij het recht verwerkt daar in een later stadium op terug te komen.
Voert een partij geen verweer ten principale, dan kan zij in een later stadium nog wel op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht een beroep doen.”
4.1
De term ‘verschijnen in een arbitrale procedure’ dient
in algemene zinruim opgevat te worden. [33] Daarvan is vrij snel sprake, ook gezien de woorden ‘op enigerlei wijze deelneemt’. Van ‘verschenen’
in de context van art. 1052 lid 2 Rv Prois minder snel sprake. Dat wordt nader uitgelegd in het weergegeven citaat (na het woordje ‘echter’).
4.11
Volgens H.J. Snijders betekent ‘verschijnen’ in deze context: deelgenomen hebbende aan de arbitrage. [34] Meijer merkt in zijn proefschrift op: niet verschijnen ingevolge art. 1052 lid 2 Rv Pro houdt in dat de verweerder op het daartoe aangewezen tijdstip geen verweer voert. [35] Dit strookt volgens hem met de verstekregeling van art. 1043a lid 2 Rv (art. 1040 lid Pro 2 (oud) Rv). [36] Verstekverlening, dat wil zeggen een door de rechter bevestigde niet-verschijning, kent het arbitragerecht niet.
4.12
Het scheidsgerecht is bevoegd om over de eigen bevoegdheid oordelen, zo volgt uit art. 1052 lid 1 Rv Pro. Dit pleegt te worden aangeduid als
Kompetenz-Kompetenz). Hoewel deze bepaling anders kan doen vermoeden, zal het scheidsgerecht niet in alle gevallen ambtshalve mogen beslissen of het al dan niet tot kennisneming van het geschil bevoegd is. Alleen indien de verweerder in het arbitraal geding
nietis verschenen, zal aanleiding bestaan om naar de bevoegdheid ambtshalve onderzoek te doen. [37]
4.13
De beslissing van een scheidsgerecht waarbij het zich bevoegd verklaart, is niet een definitief oordeel. [38] Het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter brengt namelijk mee dat de beantwoording van de vraag of een geldige arbitrageovereenkomst is gesloten, aan de rechter is voorbehouden. [39] Op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv kan vernietiging van een arbitraal vonnis plaatsvinden op de grond dat een geldige overeenkomst ontbreekt. Op grond van tweede lid van art. 1065 Rv Pro kan de a-grond niet tot vernietiging leiden in het geval genoemd in art. 1052 lid 2 Rv Pro. [40]
4.14
De Hoge Raad heeft in het arrest
[…] /Ruwaover het samenstel van de hiervoor aangehaalde bepalingen van art. 1052 lid 1 en Pro 2 en art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv het volgende overwogen: [41]
“3.4.1 […] Dit samenstel van bepalingen strekt ertoe te bewerkstelligen dat, indien een partij de bevoegdheid van het scheidsgerecht wil betwisten vanwege het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, daarover door het scheidsgerecht in een vroeg stadium van de procedure een beslissing kan worden genomen, waardoor zoveel mogelijk voorkomen wordt dat onnodige proceshandelingen verricht zouden worden indien een later (in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) gedaan beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage, alsnog zou moeten leiden tot het oordeel dat het scheidsgerecht onbevoegd is.
3.4.2.
In het licht van deze strekking moet beoordeeld worden of en in hoeverre toelaatbaar is dat een partij die in het arbitraal geding voor alle weren een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage heeft gedaan, het beroep daarop in het verdere verloop van het arbitraal geding dan wel in de vernietigingsprocedure met nieuwe feitelijke of juridische stellingen onderbouwt. Gelet op de over en weer in het geding zijnde belangen kan niet als algemene regel aanvaard worden dat daartoe nimmer ruimte zou bestaan. Zo is denkbaar dat een partij die voor alle weren een beroep op het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage heeft gedaan, pas naar aanleiding van een daartegen door de wederpartij gevoerd verweer reden heeft om haar beroep op deze grond (later in het arbitraal geding of bij de gewone rechter) met nieuwe feitelijke of juridische stellingen te onderbouwen. Anderzijds kan ook niet als algemene regel aanvaard worden dat onbeperkt ruimte bestaat voor het naderhand aanvoeren van geheel nieuwe feitelijke of juridische stellingen ter onderbouwing van een tijdig aangevoerde grond, omdat zulks de wettelijke regeling te zeer kan ondergraven. Daarom zal telkens in een concreet geval beoordeeld moeten worden of een nieuwe feitelijke of juridische stelling, mede gelet op de eisen van een goede procesorde, in strijd komt met de hiervoor weergegeven strekking van de wettelijke regeling. Daarvoor zal onder meer van belang kunnen zijn in welke mate de nieuwe stellingen aansluiten bij de eerdere (in het arbitraal geding ingenomen) stellingen, wat de reden is voor het niet eerder aanvoeren van de nieuwe stellingen, en of de desbetreffende partij in het arbitraal geding al dan niet werd bijgestaan door een advocaat.”
4.15
Tegen deze achtergrond zal ik nu (als gezegd: ten overvloede) het incidentele middel bespreken. De door het middel aangevoerde klachten vertonen enige overlap, zoals uit de navolgende bespreking van die klachten blijkt.
Subonderdeel 1.1 (verschijning in arbitrage)
4.16
Het subonderdeel klaagt dat het hof in rov. 5.4.7 blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het oordeel berust op een te beperkte uitleg van het begrip “
een partij die in het arbitraal beding is verschenen” in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro. Daarvan is reeds sprake als een partij, zoals in dit geval, zich tot het scheidsgerecht richt en een inhoudelijk verweer aandraagt, ongeacht of (één van) de desbetreffende brieven het karakter hebben (heeft) van een beknopt verweerschrift. Er is in ieder geval sprake van verschijnen als een bevoegdheidsverweer wordt aangedragen, aldus de klacht.
4.17
De aangevallen overweging behelst een gemengd oordeel. PrivatBank valt het rechtsoordeel aan, namelijk de uitleg die het hof geeft aan het zinsdeel ‘Een partij die in het arbitraal geding is verschenen’ uit art. 1052 lid 2 Rv Pro. Volgens de in het middel verdedigde rechtsopvatting moet inhoudelijk verweer zijn gevoerd om te kunnen spreken van ‘in het arbitraal geding verschenen’. Een stelling over de bevoegdheid is daarvoor genoeg. Die rechtsopvatting is onjuist, zoals blijkt uit de parlementaire geschiedenis die ik in 4.9 heb geciteerd. Namens de regering werd opgemerkt dat:
“[…] een partij in de arbitrale procedure verschijnt wanneer zij op enigerlei wijze aan de arbitrage deelneemt (bijvoorbeeld medewerking verleent aan de benoeming van de arbiter of arbiters).”
4.18
De geciteerde zin gaat over het verschijnen in een arbitraal geding in het algemeen en niet over verschijnen als bedoeld in art. 1052 lid 2 Rv Pro. Het voorbeeld dat wordt genoemd (benoeming arbiters) is van belang, omdat in art. 1027 lid 4 Rv Pro het volgende is bepaald:
“De voorzieningenrechter of derde benoemt de arbiter of arbiters ongeacht de vraag of de overeenkomst tot arbitrage geldig is. Door mede te werken aan de benoeming van de arbiter of arbiters verliezen partijen niet het recht om een beroep te doen op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht wegens het ontbreken van een geldige overeenkomst tot arbitrage.”
4.19
Met andere woorden, het enkele verschijnen in het arbitraal geding betekent nog niet dat het recht wordt verwerkt een beroep te doen op onbevoegdheid van het scheidsgerecht. Het moment van verschijning en het opwerpen van een bevoegdheidsverweer vallen niet noodzakelijkerwijs samen. [42]
4.2
Het vervolg van de toelichting van de regering moet met dit onderscheid in het achterhoofd worden gelezen:
“Echter, voor artikel 1052, tweede lid, is het niet zozeer van belang, op welk moment een partij in het arbitraal geding verschijnt, doch dat zij – in het geding verschijnende –
een verweer ten principale voertzonder een beroep op de onbevoegdheid van het scheidsgerecht te doen. Het cruciale moment is derhalve het moment waarop een partij verweer gaat voeren. […].”
4.21
Eerst met het voeren van een
verweer ten principalekan dus sprake zijn van een verval van recht in de zin van art. 1052 lid 2 Rv Pro en daarmee van het prijs geven van de mogelijkheid van vernietiging op grond van art. 1065 lid Pro 1, onder a, Rv. Een verweer ten principale is een materieelrechtelijk verweer tegen de vordering van de eiser. [43] Het is, anders gezegd, een verweer betreffende de door eiser gestelde rechtsverhouding. Een beroep op onbevoegdheid vormt niet een verweer ten principale maar een
exceptie [44] , oftewel een verweer ten aanzien van de toepassing van procesrechtelijke regels. [45] Een dergelijk processueel verweer ziet niet op de rechtsbetrekking tussen partijen en beoogt een debat - althans een beslissing - daarover in beginsel juist te voorkomen. [46]
4.22
Voor de vraag of een partij is verschenen in het geding is dus niet voldoende dat een bevoegdheidsverweer is gevoerd. De klacht kan daarom niet slagen.
Subonderdeel 1.2 (eisen van goede procesorde)
4.23
Het hof is volgens PrivatBank in rov. 5.4.6 - 5.4.8 ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, voorbijgegaan aan het betoog van PrivatBank dat de eisen van de goede procesorde eraan in de weg staan dat de Russische Federatie nieuwe bevoegdheidsverweren opwerpt. Indien het hof heeft geoordeeld dat, als de Russische Federatie niet is verschenen in de arbitrale procedure, er geen beperkingen gelden voor het opwerpen van (aanvullende) bevoegdheidsverweren in de vernietigingsprocedure, is dat oordeel rechtens onjuist. Dergelijke beperkingen kunnen ook voortvloeien uit de eisen van de goede procesorde. Indien het hof dit niet heeft miskend, kon het hof niet, althans niet zonder nadere motivering, voorbijgaan aan het betoog van PrivatBank.
4.24
De klacht slaagt niet. Genoemd verweer is onder ogen gezien door het hof (rov. 5.4.4.5). De stelling over strijd met de goede procesorde is door het hof vervolgens impliciet verworpen door de categorische verwerping in rov. 5.4.8. [47] Daarmee verwerpt het hof alle door PrivatBank aangevoerde gronden voor beperking van bevoegdheidsverweren in de vernietigingsprocedure, inclusief de goede procesorde. In dit kader herinner ik er verder aan dat de rechter niet verplicht is steeds alle door een partij aangedragen stellingen uitdrukkelijk in zijn motivering te betrekken. [48]
Tweede onderdeel (venire contra factum proprium)
4.25
De klachten in dit onderdeel zijn gericht tegen rov. 5.7.26 van het eindarrest. Deze overweging luidt:
“5.7.26 De conclusie is dat het scheidsgerecht niet is uitgegaan van een onjuiste definitie van het begrip
territoryen dat dit dus geen grond voor vernietiging van het arbitrale (tussen)vonnis oplevert. Bij deze stand van zaken kunnen de argumenten van PrivatBank gebaseerd op het volgens haar toepasselijke algemene beginsel van internationaal recht dat staten geen standpunten mogen innemen die met elkaar strijden, in het midden blijven.
Ten overvloede merkt het hof op datde Russische Federatie ook in deze procedure vooropstelt dat zij de Krim beschouwt als onderdeel van haar soevereine grondgebied, maar daarnaast consequenties verbindt aan het feit dat Oekraïne en de internationale gemeenschap dit standpunt niet delen, waardoor internationaalrechtelijk de rechtmatigheid van haar positie ter discussie staat. Aldus beschouwd neemt de Russische Federatie geen onverenigbare standpunten in.”
4.26
Hoewel dit oordeel ten overvloede is gegeven, stelt PrivatBank belang bij haar klachten tegen deze overweging te hebben indien de klachten in het principale cassatiemiddel tegen de uitleg van het hof van het begrip
territoryslagen. Na cassatie en verwijzing zou de hier bestreden verwerping van het verweer van PrivatBank relevant kunnen worden.
4.27
PrivatBank klaagt (in nr. 11 van het middel) dat door zich te beperken tot een beoordeling of de Russische Federatie
standpunteninneemt die met elkaar strijden (binnen en buiten de vernietigingsprocedure), het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, dan wel zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd. Het hof heeft miskend dat van strijd met het beginsel
venire contra factum propriumook sprake is als het standpunt van de Russische Federatie in deze procedure onverenigbaar is met de
gedragingen en houdingvan de Russische Federatie buiten deze procedure. PrivatBank heeft bij het hof gesteld dat de Russische Federatie buiten deze procedure de Krim beschouwt en behandelt als onderdeel van haar soevereine grondgebied. Dit ongeacht het feit dat de Oekraïne en de internationale gemeenschap de soevereiniteit van de Russische Federatie op de Krim niet hebben erkend. Dit is in strijd met voormeld beginsel.
4.28
De klacht faalt om verschillende redenen.
4.29
Ten eerste heeft PrivatBank, anders dan zij betoogt, geen belang bij de klacht. Dit is een zuivere beslissing ten overvloede en de verwijzingsrechter is niet aan een dergelijke beslissing gebonden. [49]
4.3
Ten tweede heeft PrivatBank de volgende overweging(en) van het hof niet bestreden:

Het standpunt van Privatbank
5.7.6
PrivatBank heeft samengevat het volgende naar voren gebracht.
5.7.6.1 De wetgevende, uitvoerende en rechtsprekende macht van de Russische Federatie hebben publiek verklaard dat de Krim deel uitmaakt van haar grondgebied. De uitleg van de BIT 1998 door de Russische Federatie, inhoudende dat de Krim niet tot haar
territoryals bedoeld in dat verdrag behoort, is in het licht daarvan niet te goeder trouw.
Het is een algemeen beginsel van internationaal recht dat staten geen standpunten mogen innemen die met elkaar strijden. Een verdragspartij kan niet stellen dat aan één van de vereisten van artikel 9 BIT Pro 1998 niet is voldaan als het eerder publiekelijk vele tegengestelde beweringen heeft gedaan.Een betoog inhoudende dat de Krim niet tot de
territoryvan de Russische Federatie behoort levert naar Nederlands procesrecht misbruik van bevoegdheid op om vernietiging op die grond te vorderen. PrivatBank verwijst op dit punt onder meer naar de brief aan het PHA van [betrokkene 3] , geciteerd in nr. 3.14 hierboven, waarin is opgenomen dat de Krim onderdeel uitmaakt van de Russische Federatie.
Verder verwijst PrivatBank naar de gebeurtenissen op de Krim in maart 2014, waaruit blijkt dat de Russische Federatie de Krim als haar grondgebied beschouwt. Het desbetreffende beginsel ("venire contra factum proprium")maakt deel uit van het positieve internationale recht. Dit beginsel vindt in investeringsarbitrages toepassing door artikel 3 1 lid WW. Het beginsel van goede trouw is uitdrukkelijk ook van toepassing op kwesties betreffende de bevoegdheid van een scheidsgerecht.”
4.31
Het hof heeft het betoog van PrivatBank dus zo uitgelegd dat het beginsel
venire contra factum propriuminhoudt dat staten in respectievelijk buiten rechte geen
standpuntenmogen innemen die met elkaar strijden. De stelling van PrivatBank dat sprake is van strijd met dit beginsel (dus: strijdige standpunten) is volgens het hof onder meer onderbouwd door te wijzen op de gebeurtenissen op de Krim in maart 2014. Dit is, ook volgens PrivatBank in cassatie (onder 8), een
gedragingvan de Russische Federatie. Hieruit volgt dat het hof met het oordeel dat de Russische Federatie geen onverenigbare standpunten heeft ingenomen, ook gedragingen van de Russische Federatie heeft meegenomen. Het hof heeft dus niet miskend dat van strijd met het beginsel
venire contra factum propriumook sprake kan zijn als het standpunt van de Russische Federatie in deze procedure onverenigbaar is met de gedragingen en de houding van de Russische Federatie buiten deze procedure.
4.32
Verder klaagt Privatbank (onder 12 van het middel) dat het hof van het beroep op rechtsverwerking en misbruik van recht niet, althans niet zonder nadere motivering, kon passeren. De omstandigheden dat de Russische Federatie de Krim als haar soevereine grondgebied beschouwt en behandelt (en PrivatBank heeft onteigend), staan eraan in de weg dat de Russische Federatie vervolgens in deze procedure het verweer voert dat de Krim geen onderdeel is van haar soevereine grondgebied (om onder de nadelige gevolgen van de onteigening uit te komen).
4.33
Ook deze klacht gaat niet op, wat er verder ook van zij. De klacht komt neer op een herhaling van de eerste klacht. Het beginsel
venire contra factum propriumis een uitdrukking van de redelijkheid en billijkheid in haar corrigerende functie. [50] Rechtsverwerking is een Nederlandse verschijningsvorm van dit beginsel [51] en misbruik van recht is een rechtsfiguur in het Nederlandse recht die nauw verwant is aan de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid. [52] Zowel rechtsverwerking als misbruik van recht kunnen worden gebruikt om consequenties te verbinden aan een schending van het beginsel. Het hof heeft het standpunt van PrivatBank ook in die zin begrepen, getuige de hiervoor geciteerde rov. 5.7.6.1. Met de verwerping van het beroep op het beginsel
venire contra factum proprium, heeft het hof ook het beroep op rechtsverwerking en misbruik van recht (voldoende gemotiveerd) verworpen.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van zowel het principaal als het incidenteel cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Vergelijk het tussenarrest van 16 februari 2021 (ECLI:NL:GHDHA:2021:184) en het eindarrest van 19 juli 2022 (ECLI:NL:GHDHA:2022:1294). Het eindarrest is door J.K. van Hezewijk geannoteerd in
2.De officiële naam van het verdrag is de
3.De geciteerde tekst is overgelegd als productie RF-001 bij de vernietigingsdagvaarding van de Russische Federatie. Bij de herroepingsdagvaarding is een
4.Een gedetailleerder chronologisch overzicht van de gebeurtenissen op de Krim wordt gegeven door het Scheidsgerecht in de
5.Op 27 maart 2014 nam de Algemene Vergadering van de Verenigde Naties een resolutie aan (nr. 68/262) over de territoriale integriteit van Oekraïne en verzocht “
6.De Russische Centrale Bank gaf daarvoor als reden het falen van PrivatBank "
7.Het persbericht is overgelegd als productie RF-057 bij de herroepingsdagvaarding en productie RF-094 bij de vernietigingsdagvaarding.
8.Ook Finance Company Finilon LLC (hierna:
9.Deze brieven, aangeduid als ‚Respondent’s Letters’, worden door het scheidsgerecht geciteerd in de Interim Award, punt 11-12 en Partial Award, punt 12-13.
10.Overgelegd als productie PB-073.
11.Herroepingsdagvaarding paragraaf 7 en vernietigingsdagvaarding paragraaf 4.8.6.
12.Hof Den Haag 16 februari 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:184.
13.Hof Den Haag 19 juli 2022, ECLI:NL:GHDHA:2022:1294,
14.Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht van 23 mei 1969,
15.Dat is bijvoorbeeld niet het geval als is gekozen voor een arbitrageprocedure bij het International Centre for Settlement of Investment Disputes (ICSID) te Washington, dat een eigen vernietigingsprocedure kent.
16.Overigens wordt in het procesinleiding (p. 8, direct onder vet kopje) gesuggereerd dat de klacht samenhangt met middelonderdelen 6 t/m 12 (in voetnoot 25 wordt verwezen naar middelonderdelen 7 t/m 12). Deze samenhang wordt niet toegelicht. Voor zover ter toelichting van onderdeel 2 wordt verwezen naar middelonderdelen 6 t/m 12 verwijs ik naar mijn bespreking daarvan.
17.Deze vooropstelling komt erop neer dat het fundamentele karakter van het recht op toegang tot de rechter (art. 17 Grondwet Pro, art. 6 Verdrag Pro tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna:
18.Verder worden vermeld rov. 5.12.3 - 5.12.5 (eindarrest) die volgens de Russische Federatie voortbouwen op de primair aangevallen overwegingen. Zelfstandige klachten tegen rov. 5.12.3 - 5.12.5 heb ik niet ontdekt. In de schriftelijke toelichting van PrivatBank onder 68 wordt overigens opgemerkt dat deze overwegingen niet voortbouwen op de primair bestreden overwegingen.
19.Het onderdeel begint weliswaar met de mededeling “Deze klacht richt zich tegen rov. 4.7-4.11 TA en rov. 5.10.11-5.10.25 EA.”, maar de klachten zien niet op al die overwegingen.
21.In de procesinleiding heeft de Russische Federatie in de hoofdtekst rov. 5.10.14 en rov. 5.10.18 vermeld, maar in de klacht wordt een deel van rov. 5.10.18 en een deel van rov. 5.10.22 geciteerd. Hoewel PrivatBank dit niet lijken te hebben onderkend (zie haar schriftelijke toelichting nr. 83-84), is dit wel voldoende kenbaar. Daarbij maak ik wel de kanttekening dat in voetnoot 35 van de procesinleiding vier overwegingen worden genoemd (rov. 5.10.14, rov. 5.10.18, rov. 5.10.19 en rov. 5.10.22) en in de schriftelijke toelichting van de Russische Federatie nr. 4.2 worden 5.10.14 en 5.10.18 vermeld. Het geheel is daarom niet helemaal eenduidig.
22.HR 21 februari 1913, ECLI:NL:HR:1913:36,
23.H.J. Snijders,
24.G. de Groot, in:
25.M.J.A.M. Ahsmann,
26.Asser Procesrecht/Asser 3 2023/101.
27.Zie ook B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.),
28.Hof Den Haag 28 januari 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:544, rov. 6.8. Dit arrest is aangevuld door Hof Den Haag 7 juli 2020, ECLI:NL:GHDHA:2020:1341. Deze arresten gaan over het incident ex art. 21, 22 en 843a Rv.
29.Op grond van art. IV van de Wet modernisering arbitragerecht (
30.Uit
31.Aldus ook: Rb. Rotterdam 18 mei 2011, ECLI:NL:RBROT:2011:BQ5670 (
33.H.J. Snijders,
34.H.J. Snijders,
35.G.J. Meijer,
36.Zie ook P. Sanders,
37.G.J. Meijer, in:
38.HR 5 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1645,
39.HR 26 september 2014, ECLI:NL:HR:2014:2837,
40.Art. 1065 lid 2 Rv Pro luidt:
41.HR 27 maart 2009, ECLI:NL:HR:2009:BG6443,
42.De toelichting bij art. 1027 lid 4 Rv Pro luidt dan ook (
43.Asser Procesrecht/Van Schaick 2 2022/68.
44.Zie bijv. HR 25 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZC2710,
45.HR 9 juli 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM3979,
46.Hugenholtz/Heemskerk,
47.B.T.M. van der Wiel, in: Van der Wiel (red.), Cassatie, 2019/115 (in fine): “
48.HR 1 mei 2015, ECLI:NL:HR:2015:1200,
49.HR 10 februari 1984, ECLI:NL:HR:1984:AG4755,
50.M.W. Hesselink,
51.V. Mak, ‘Estoppel vanuit civil law perspective’ (bespreking proefschrift J.H. Ermers),
52.F.S. Bakker,