De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam veroordeeld voor woninginbraak gepleegd op 4 mei 2019, waarbij een gevangenisstraf van acht maanden werd opgelegd, waarvan twee maanden voorwaardelijk, en een schadevergoedingsmaatregel met een gijzelingstermijn van 365 dagen.
De advocaat van de verdachte stelde cassatie in tegen de duur van de gijzeling, stellende dat deze ten onrechte op 365 dagen was vastgesteld, terwijl volgens de geldende wetgeving de maximale duur 360 dagen bedraagt. Tevens werd geklaagd over de overschrijding van de inzendtermijn van stukken in cassatie, wat de redelijke termijn van berechting schond.
De Hoge Raad oordeelde dat de gijzelingstermijn inderdaad beperkt moet worden tot 360 dagen, conform de voor de verdachte gunstige uitleg van de wet. Daarnaast werd de gevangenisstraf verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn in cassatie. Het beroep werd voor het overige verworpen.