ECLI:NL:PHR:2024:509

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
14 mei 2024
Publicatiedatum
7 mei 2024
Zaaknummer
22/00629
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 359 SvArt. 81 lid 1 ROArt. 6 lid 1 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling bijzondere voorwaarden ambulante behandeling en reclassering bij voorwaardelijke taakstraf

De verdachte werd door het gerechtshof ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor belaging en het opzettelijk vervaardigen van een afbeelding met een technisch hulpmiddel op een niet-publieke plaats. Het hof legde een geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur op, met bijzondere voorwaarden waaronder het volgen van ambulante behandeling en reclasseringstoezicht.

De verdediging stelde in cassatie dat het hof ten onrechte deze bijzondere voorwaarden oplegde, omdat uit een psychologisch onderzoek zou blijken dat het recidivegevaar laag was. De Hoge Raad oordeelde dat het hof voldoende gemotiveerd had waarom deze voorwaarden zijn opgelegd, mede op basis van het advies van de psycholoog die het recidiverisico matig tot hoog inschatte.

De Hoge Raad stelde vast dat de volmacht tot het instellen van cassatieberoep formeel onvolledig was, maar dat dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid omdat het beroep feitelijk door de verdachte was gewild en uitgevoerd. Het cassatiemiddel faalde en het beroep werd verworpen. Tevens werd opgemerkt dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar zonder gevolgen voor het oordeel.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de bijzondere voorwaarden bij de voorwaardelijke taakstraf blijven gehandhaafd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/00629

Zitting14 mei 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1972,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 21 februari 2022 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. "belaging" en 2. “gebruikmakende van een technisch hulpmiddel waarvan de aanwezigheid niet op duidelijke wijze kenbaar is gemaakt, opzettelijk en wederrechtelijk van een persoon, aanwezig in een woning of op een andere niet voor het publiek toegankelijke plaats, een afbeelding vervaardigen, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren, te vervangen door veertig dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest, met een proeftijd van twee jaren en met algemene en bijzondere voorwaarden als nader omschreven. Het hof heeft daarnaast een fototoestel verbeurd verklaard en de teruggave van een inbeslaggenomen goed (computer) gelast.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en P.F.M. Gulickx, advocaat te Breda, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
1.3
Voordat ik het middel bespreek, vraagt de ontvankelijkheid van het cassatieberoep de aandacht.

Ontvankelijkheid van het cassatieberoep

2.1
De akte cassatie houdt het volgende in:
“heden, 25 februari 2022, verscheen ter griffie van het gerechtshof te ’s-Hertogenbosch
[betrokkene 1] ,
administratief ambtenaar bij dit gerechtshof,
blijkens de aan de akte gehechte bijzondere volmacht ontvangen d.d. 25 februari 2022,
schriftelijk gemachtigde van:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] [geboortedatum] 1972,
wonende te [plaats] , [a-straat 1] ,
die verklaarde beroep in cassatie in te stellen tegen het arrest van 21 februari 2022, alsmede tegen alle ter terechtzitting genomen beslissingen, door dit hof gewezen in de zaak met parketnummer 20-000389-19 tegen [verdachte] voornoemd.”
2.2
Bij deze akte is een e-mail gevoegd die op 25 februari 2022 is verzonden aan de strafgriffie van het hof ’s-Hertogenbosch en die inhoudt:
“Geachte griffier,
Bijgaand ontvangt u een afschrift van mijn schrijven inzake het verzoek tot instellen van cassatieberoep namens mijn kantoorgenoot, alsmede het gewezen arrest en waar ik kortheidshalve naar verwijs.”
2.3
De bijgevoegde scan houdt het volgende in:

“VOLMACHT INSTELLEN CASSATIE BEROEP

(…)
Geachte griffier,
Recentelijk wendde zich tot mij, [verdachte]
,(…), met het verzoek om namens hem cassatieberoep in te stellen tegen het arrest van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch, gewezen op 21 februari 2022, met parketnummer 20-000389-19
(…)
Cliënt kan zich met het arrest niet verenigen. Cliënt stelt zich op het standpunt dat hij onschuldig is en dat de straf te hoog is.
Bij dezen machtig ik de griffier om per ommegaande een akte van cassatieberoep op te maken en cassatieberoep in te stellen. Vriendelijk verzoek ik u op dit per ommegaande aan mij toe te zenden.
Daarbij stel ik me in de procedure om voor cliënt als advocaat op te treden in cassatie.
In afwachting daarvan. Bij voorbaat mijn dank daarvoor.”
2.4
Een schriftelijke volmacht van een advocaat aan een griffiemedewerker om beroep in cassatie in te stellen moet inhouden de verklaring van de advocaat dat hij door de verdachte bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van dat beroep. De brief van mr. P.F.M. Gulickx houdt niet in dat hij bepaaldelijk is gevolmachtigd tot het instellen van het beroep in cassatie.
2.5
Uit de omstandigheid dat namens de verdachte een cassatieschriftuur is ingediend door dezelfde advocaat namens wie de onder 2.3 gevoegde scan aan de griffie van het hof is verzonden, moet worden afgeleid dat de wens van de verdachte ten grondslag heeft gelegen om (op rechtsgeldige wijze) beroep in cassatie te doen instellen. Daarom leidt die onvolkomen volmacht niet tot niet-ontvankelijkverklaring in dit beroep. [1]

Het middel

3.1
Het middel komt op tegen een tweetal door het hof gestelde bijzondere voorwaarden die kort gezegd inhouden (i) dat de verdachte zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft en (ii) dat de verdachte zich laat behandelen door een forensische zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De steller van het middel wijst erop dat de verdachte aan een zeer uitgebreid psychisch onderzoek onderworpen is geweest en dat uit dit onderzoek volgt dat het recidivegevaar laag is. Om die reden zou het onbegrijpelijk en onnavolgbaar zijn waarom het hof deze bijzondere voorwaarden heeft gesteld. In het middel wordt niet geklaagd over de formulering of reikwijdte van de voorwaarden, maar slechts over de reden tot oplegging daarvan.
3.2
De uitspraak van het hof bevat ten aanzien van de strafoplegging onder meer de volgende beslissingen:
“Het hof:
(…)
Veroordeelt de verdachte tot een taakstraf voor de duur van
80 (tachtig) uren, indien niet naar behoren verricht te vervangen door
40 (veertig) dagen hechtenis.
Bepaalt dat de taakstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt (…).
Stelt als bijzondere voorwaarden:
- dat de veroordeelde zich moet houden aan de aanwijzingen die de reclassering hem geeft, voor zover deze niet reeds zijn opgenomen in een andere bijzondere voorwaarden. Daartoe moet de veroordeelde zich binnen drie dagen melden na onherroepelijk worden van het arrest melden bij Reclassering Nederland (RN) op het adres: [b-straat 1] te [plaats] .
- dat de veroordeelde zich laat behandelen door Impegno of een soortgelijke (forensische) zorgverlener, te bepalen door de reclassering. De behandeling duurt de gehele proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorgverlener geeft voor de behandeling. Het innemen van medicijnen kan onderdeel zijn van de behandeling,
- dat de veroordeelde gedurende de proeftijd op geen enkele wijze - direct of indirect - contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene 2] en [betrokkene 3] (dochters van de buurvrouw van de veroordeelde) en [betrokkene 4] (verkoopmedewerkster [A] ).
Geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde bijzondere voorwaarde(n) en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden.”
3.3
De uitspraak van het hof houdt onder het kopje “Op te leggen sanctie” verder onder meer het volgende in:
“Het hof heeft verder acht geslagen op het naar aanleiding van een psychologisch onderzoek van de verdachte opgemaakte rapport van psycholoog drs. Legra d.d. 23 november 2018. De psycholoog heeft geconcludeerd dat bij de verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens en dat het bewezenverklaarde onder 1 in verminderde mate aan de verdachte kan worden toegerekend (ten aanzien van feit 2 kon geen reconstructie worden gemaakt). Het hof schaart zich achter deze conclusies en zal beide bewezenverklaarde feiten in verminderde mate aan de verdachte toerekenen. De psycholoog heeft nog geadviseerd dat aan de verdachte een ambulante behandeling in combinatie met een reclasseringstoezicht wordt opgelegd om de kans op recidive te verkleinen. Ook dat advies wordt door het hof overgenomen. Ten slotte houdt het hof bij de straf nog rekening met het reclasseringsrapport d.d. 4 oktober 2018.
Alles overziende acht het hof, evenals de advocaat-generaal, oplegging van een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren, subsidiair 40 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren en met oplegging van bijzondere voorwaarden als hierna te melden, passend en geboden.”
3.4
Bij de beoordeling van het middel stel ik voorop dat de feitenrechter over een ruime straftoemetingsvrijheid beschikt. Dat wil zeggen dat de feitenrechter binnen de grenzen die de wet stelt, vrij is in de keuze van de op te leggen straf – waaronder ook is te verstaan de strafsoort – en in de keuze en de weging van de factoren die hij daarvoor in de concrete zaak van belang acht. [2] In artikel 359 leden Pro 5 en 6 Sv zijn enkele motiveringsvoorschriften neergelegd die de rechter ambtshalve bij de oplegging van een straf in acht moet nemen. De toepassing van de voorwaardelijke veroordeling vereist doorgaans geen bijzondere motivering. [3] Bij het stellen van bijzondere voorwaarden gelden in het algemeen evenmin bijzondere motiveringsverplichtingen. [4] Een door de officier van justitie of de verdediging naar voren gebracht uitdrukkelijk onderbouwd standpunt ex art. 359 lid Pro 2, tweede volzin, kan een nadere responsieplicht voor de rechter met betrekking tot dit standpunt in het leven roepen. Daarvan is alleen dan sprake indien het standpunt duidelijk, door argumenten geschraagd en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [5]
3.5
Hetgeen door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting in hoger beroep naar voren is gebracht ten aanzien van de bijzondere voorwaarden haalt, zo meen ik, niet de lat van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt. Dat wordt door de steller van het middel evenwel ook niet aangevoerd.
3.6
Het hof heeft in de strafmotivering onder meer overwogen dat het acht heeft geslagen op een - naar aanleiding van een psychologisch onderzoek van de verdachte - opgemaakt rapport van psycholoog drs. Legra van 23 november 2018. Het hof heeft het advies van de psycholoog, inhoudende dat aan de verdachte een ambulante behandeling in combinatie met reclasseringstoezicht wordt opgelegd om de kans op recidive te verkleinen, overgenomen. Daarmee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat en waarom het de bijzondere voorwaarden heeft opgelegd. Het hof heeft de omvang van het recidiverisico niet nader omschreven, maar dit in navolging van de psycholoog kennelijk wel in die mate aanwezig geacht dat een interventie is aangewezen. De in het cassatiemiddel geponeerde stelling dat het recidiverisico volgens het psychologisch onderzoek laag is, heeft de verdediging bij het hof niet naar voren gebracht en is in het middel niet nader onderbouwd. Een blik over de papieren muur leert dat de volgens de psycholoog “alles overziend (…) het risico op een recidief matig tot hoog [wordt] ingeschat”. Het middel lijkt dan ook feitelijke grondslag te missen.
3.7
Het oordeel van het hof acht ik daarom, ook in het licht van hetgeen door de verdediging daarover ter terechtzitting in hoger beroep is aangevoerd, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat de reclassering blijkens het (vóór het psychologisch rapport tot stand gekomen) rapport van 4 oktober 2018 het risico op recidive laag heeft inschat. Ik neem daarbij in aanmerking dat de reclassering de oplegging van dezelfde bijzondere voorwaarden heeft geadviseerd als die door het hof zijn gesteld. [6]
3.8
Het middel faalt.

Afronding

4.
4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaar sinds het instellen van het cassatieberoep is verstreken. In zoverre is de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro overschreden. In het licht van de opgelegde voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur, en de mate waarin de redelijke termijn is overschreden, kan worden volstaan met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om daaraan enig ander rechtsgevolg te verbinden. [7]
4.3
Deze conclusie strekt verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 19 maart 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ3924, HR 26 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1212, HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1463 en HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:92.
2.Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:975.
3.F.W. Bleichrodt, Onder voorwaarde: een onderzoek naar de voorwaardelijke veroordeling en andere voorwaardelijke modaliteiten (diss. Nijmegen), Deventer: Gouda Quint 1996, p. 58.
4.Vgl. HR 22 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:973.
5.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130.
6.Daarbij merk ik op dat de reclassering heeft geadviseerd om de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Dat advies heeft het hof (kennelijk) niet overgenomen.
7.Vgl. HR 24 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492.