ECLI:NL:PHR:2024:514

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
21 mei 2024
Publicatiedatum
8 mei 2024
Zaaknummer
22/04410
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 OpiumwetArt. 81 RO
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling medeplegen invoer 1200 kg cocaïne via drijvers vanaf schip

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld tot 48 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen van het opzettelijk binnenbrengen van circa 1200 kilogram cocaïne in Nederland. De cocaïne was verpakt in 30 sporttassen die vastzaten aan een drijfconstructie bestaande uit twee drijvers, vervaardigd van aan elkaar bevestigde jerrycans met tape en touw. De drijvers werden vanaf het achterdek van het schip [schip 1] in de Westerschelde gedropt.

Vingerafdrukken van de verdachte werden op de tape van beide drijvers aangetroffen. In de werkruimte van de verdachte aan boord werden tape en touw gevonden die optisch overeenkwamen met die op de drijvers. De verdachte verklaarde slechts één drijver te hebben gezien en te hebben geprobeerd te demonteren, maar werd weggeroepen en zag de constructie daarna niet meer. Hij ontkende betrokkenheid bij de invoer van de cocaïne.

Het hof achtte de verklaring van de verdachte onaannemelijk en concludeerde dat hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde mee te werken aan de invoer van cocaïne. Het hof vond dat medeplegen door meerdere opvarenden aannemelijk was gezien de omvang van de lading en constructie. De Hoge Raad oordeelde dat het cassatiemiddel faalt omdat de bewijsvoering en de motivering van het hof begrijpelijk zijn en de veroordeling terecht is. Het cassatieberoep werd verworpen.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; veroordeling tot 48 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen invoer 1200 kg cocaïne bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer22/04410
Zitting21 mei 2024
CONCLUSIE
E.J. Hofstee
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte
I.
Inleiding
De verdachte is bij arrest van 23 november 2022 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Zwolle, wegens “medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A en B van de Opiumwet gegeven verbod”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, met aftrek van het voorarrest.
Namens de verdachte heeft M.C. van der Want, advocaat te Middelburg, een middel van cassatie voorgesteld.
II.
Het cassatiemiddel
3. Het middel klaagt dat het bewezenverklaarde medeplegen van het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1200 kilogram cocaïne (art. 2, onder A en B, Opiumwet) onvoldoende steun vindt in de bewijsmiddelen.
III.
De bewezenverklaring, bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen van het hof
4. Ten laste van de verdachte is primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 november 2014 tot en met 9 december 2014 in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht en heeft afgeleverd en vervoerd,
circa 1200 kilogram cocaïne,
zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.”
5. De bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen, voor zover hier van belang en met weglating van de bijlagen:
“1.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenmet bijlage (foto’s) van politie Landelijke Eenheid, waterpolitie, Unit Zeeuwse Stromen, proces-verbaalnummer PL2600-2014053 160-1, d.d. 9 december 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier van politie Landelijke Eenheid en [verbalisant 2], brigadier Landelijke Eenheid, (pagina 1 t/m 11 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Op dinsdag 9 december 2014 omstreeks 00:10 uur kreeg ik [verbalisant 1] een telefonische melding via de Meldkamer Landelijke Eenheid in Driebergen door dat het Kustwachtcentrum te Den helder een melding had ontvangen van mogelijke drijvende pakketten die in de Westerschelde ronddreven nabij boei 9. Tevens volgde de melding dat er ter hoogte van boei 21 op de Westerschelde ook lichtjes waren gezien (...)
Op dinsdag 9 december 2014, omstreeks 00:55 uur, zagen wij, ter hoogte van de boei Everingen 1 (El), in de Westerschelde, plaatselijk bekend als De Everingen, binnen de gemeente Borssele gelegen, op het water meerdere lichtjes flikkeren. Wij zagen dat deze lichtjes waren bevestigd aan drie aaneengebonden/getapte groene plastic vaatjes van ongeveer 20 liter inhoud. Tevens zagen wij daarbij 4 losse vaten, 2 groene en 2 blauwe, die op een punt bij elkaar waren gebonden.
Wij zagen dat aan die vaatjes meerdere zwarte tassen waren vastgeknoopt door middel van een lijn. Deze zwarte lijn bleek later ongeveer 28 mm van diameter te zijn met een witte draad door een van de strengen. Deze lijn liep rond door de hengsels van de zwarte tassen en was met geknoopte lussen bevestigd aan twee grote metalen D-sluitingen.
De lengte van dit gehele pakket was, in het water gelegen, ongeveer vier a vijf meter lang. Met behulp van de dekkraan van de P41 hebben wij, op dinsdag 9 december 2014, omstreeks 01:20 uur, dit drijfpakket van vaten met de daarbij behorende tassen aan boord van de P41 gehesen en op het achterdek veilig gesteld. Aan boord zagen wij dat het pakket was verzwaard met twee gedeelten van een spanschroef welke worden gebruikt voor het vastzetten van containers (sjorstangen). Deze sjorstangen waren bevestigd aan het pakket met dunnere zwarte lijnen van ca 12 mm waar ook een witte draad door een van de drie strengen liep (...)
Voor de overdracht van het hele pakket (...) zijn er foto’s gemaakt welke als fotobladen bij dit proces-verbaal zijn gevoegd (Foto’s 1 t/m 18 in kleur als bijlage 1 gehecht aan de aanvulling).
2.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenmet bijlage van politie Landelijke Eenheid, Dienst Intrastructuur, Geografische afdeling Zuid-West-Nederland, proces-verbaalnummer PL2600-2014053160-101, d.d. 22 april 2015, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], brigadier van politie Landelijke Eenheid, (pagina 17 en 18 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Op dinsdag 09 december 2014 omstreeks 01:00 uur is er op de rivier Westerschelde, in het vaarwater Everingen, ter hoogte van Boei Everingen 1 ter plaatse gelegen in de gemeente Borssele een drijvend pakket aangetroffen. Dit pakket bestond uil een drietal drijvers, verzwarend materiaal en 30 zwarte tassen met daarin cocaïne. (...) Het pakket bestond uil 2 verticale drijvers, een zo ’n drijver was vervaardigd uit viertal groene plastic 20 liter vaten, deze waren door middel van een stalen band met elkaar verbonden. Tevens waren de vaten onderling stevig verbonden met grijze duct-tape en dun oranje koord. Het bovenste vat was voorzien van oranjetape (zichtbaarheid) en aan de bovenzijde was de drijver voorzien van een aantal kleine lampjes, deze lampjes worden gebruikt op een overlevingspak in de zeevaart. De onderzijde van de drijver was verbonden door middel van 12 mm touw met een zware container spanschroef en diende als contragewicht en zou de drijver verticaal in het water moeten houden. Beide drijvers waren onderling door middel van een zwart touw 28 mm dik met elkaar verbonden, aan dit zwarte touw waren de dertig zwarte tassen, 50 kg per stuk, bevestigd.
Als bijlage bij dit proces verbaal is een situatietekening gevoegd zoals het pakket er totaal zou hebben uitgezien ten tijde van de dropping (Tekening op pagina 18 van het politiedossier gehecht aan de aanvulling als bijlage II).
3.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van inbeslagnamevan Belastingdienst/Douane, Regio Roosendaal, Fysiek Toezicht, proces-verbaalnummer 20141210.1030.19788, d.d. 10 december 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 3] en [verbalisant 4], beiden ambtenaar van de Belastingdienst, bevoegd inzake douane, (pagina 24 tot en met 27 van het politiedossier) met bijlage (foto), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Dinsdag 9 december 2014 omstreeks 13.50 uur aan de buitenkom, op de glooiing van de Zeedijk nabij de Griete te Terneuzen, plaatselijk bekend als de Eendragtweg ter hoogte van boei 29. (...) Op plaats en tijd voornoemd zag ik [verbalisant 3], vier -4- aan elkaar verbonden jerrycans, groen van kleur. Alle jerrycans zijn omwikkeld met een oranje gekleurd koord met een wit gekleurde kern. Het genoemde koord is overplakt met grijze duct-tape.
Bijlage -1- Foto van de jerrycans (Foto op pagina 27 van het politiedossier gehecht aan de aanvulling als Bijlage III).
4.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenvan politie Landelijke Eenheid, Dienst Intrastructuur, Geografische afdeling Zuid-West-Nederland, proces-verbaalnummer PL2600-2014053160-66, d.d. 12 januari 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 5], brigadier van politie Landelijke Eenheid, afdeling Exo van de dienst Infrastructuur (pagina’s 35 tot en met 38 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Gelet op het tijdstip van de vondst, in relatie tot het bovenstaande, kan de dropping (het hof begrijpt: van het drijvende pakket bestaande uit drijvers en 30 zwarte tassen met cocaïne) hebben plaats gevonden vanaf [schip 1]. Gelet op de stroming komen andere vaartuigen die rond die tijd in het verkeersbeeld aanwezig waren niet in aanmerking hiervoor.
5.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenvan politie Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur, Geografische afdeling Zuid-West-Nederland, proces-verbaalnummer PL2600-2014053160-91, d.d. 12 maart 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6], brigadier van politie Landelijke Eenheid, (pagina’s 46 en 47 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Bijlage 6 geeft het snijpunt van de backtrack van [schip 1] en de backtrack van het pakket cocaïne weer. Dil is bij benadering de vermoedelijke locatie en het tijdstip van de vermoedelijke dumping van het pakket cocaïne. (...) Na reconstructie is het tijdstip behorend bij dit snijpunt, en dus het tijdstip en datum van de vermoedelijke dumping maandag 8 december 2014 23:13 uur.
6.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van sporenonderzoek van politie Landelijke Eenheid, Landelijke Recherche, proces-verbaalnummer PL2600-2014053160-5, d.d. 8 januari 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 7], brigadier van politie Landelijke Eenheid, [verbalisant 8], inspecteur van politie Landelijke Eenheid en [verbalisant 9], brigadier van politie Landelijke Eenheid, (pagina’s 69 tot en met 82 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
De lichtboei was gemaakt van een viertal, in de lengterichting, op elkaar gemonteerde jerrycans welke door middel van een metalen band, oranje nylon touw en duct-tape aan elkaar waren bevestigd. (...) De uiteinden van de aangetroffen duct-tape werden veilig gesteld voor dactyloscopisch onderzoek en voorzien van de SIN, AAHP8208NL (...). Op deze uiteinden werden vermoedelijk bruikbare dactyloscopische sporen aangetroffen welke voor verder onderzoek en identificatie zijn overgedragen aan de dienst Ipol, afdeling dactyloscopie te Zoetermeer. De aan de oever van de Westerschelde aangetroffen lichtboei bleek van een zelfde samenstelling te zijn als de hierboven omschreven lichtboei. Ook de uiteinden van de aangetroffen duct-tape van deze lichtboei werden veilig gesteld voor dactyloscopisch onderzoek voorzien van de SIN, AAHP8212NL t/m AAHP8214NL (...) Op 2 januari 2015 werd van de dienst Ipol, afdeling dactyloscopie, een schrijven voorzien van het nummer 1000121243/1, ontvangen. Hieruit blijkt hel volgende: Op het stuk duct-tape AAHP8213NL, afkomstig van de aangespoelde lichtboei, werd een dactyloscopisch spoor aangetroffen welke werd voorzien van het SINAAGL9225NL. Op het stuk duct-tape AAHP8208NL, afkomstig van de lichtboei waaraan de cocaïne werd aangetroffen, werd een dactyloscopisch spoor aangetroffen welke werd voorzien van het SIN4AGL9224NL. Op het stuk duct-tape AAHP82/4NL, afkomstig van de aangespoelde lichtboei, werd een dactyloscopisch spoor aangetroffen welke werd voorzien van het SIN AAGL9226NL. Alle drie de aangetroffen sporen hebben geleid tot de individualisatie op een persoon geregistreerd in HAVAN Konder biometrienummer 310001749067 te name van [verdachte], geboren op [geboortedatum]-1992 te [geboorteplaats].
7.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van bevindingenmet bijlage van politie Landelijke Eenheid, waterpolitie. Unit Zeeuwse Stromen, proces-verbaalnummer PL2600-2014053160-11, d.d. 15 december 2014, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6], brigadier van politie Landelijke Eenheid en [verbalisant 1], brigadier van politie Landelijke Eenheid, (pagina 137 t/m 147 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Op zondag 14 december 2014 omstreeks 10:30 werd ik, [verbalisant 1], gebeld door [betrokkene 1], coördinator van Douane te Rotterdam. Hij deelde mij mede dat hij onderzoeksleider was van een zoekingsteam aan boord van [schip 1]. Verder vertelde hij mij dat hij aan boord van [schip 1] materiaal gevonden had wat overeenkomsten had met materiaal wat aangetroffen is op de partij drugs op de Westerschelde (...).
Vervolgens zijn wij meegelopen met [betrokkene 1] om de locatie te bekijken van het aangetroffen materiaal. Hij toonde ons in de machinekamer de werkruimte van de elektriciens. Boven deze werkruimte bevond zich een ruimte tussen de spanten waar hij ons het aangetroffen materiaal toonde. Wij zagen dat na de eerste doorgang in het spant diverse materialen lagen. Deze materialen hebben wij veiliggesteld en inbeslaggenomen (...)
Vervolgens zagen wij dat direct naast deze genoemde werkruimte een toegang was naar een soort onderdeks aangebrachte tunnel, gelegen aan de stuurboordzijde van het schip. Deze tunnel liep onderdeks van het voorschip naar het achterschip. Wij zagen dat vanuit de eerder genoemde toegang aan de rechterzijde op ongeveer tien meter afstand een deur zag welke toegang gaf tot het achterdek. [betrokkene 1] toonde mij halverwege deze afstand een mangatdeksel welke door de visitatieploeg was geopend. Dit deksel gaf toegang tot een waterballasttank. Ons is ambtshalve bekend dat in deze tanks op de wanden en de spanten een residu achterblijft nadat deze tanks als ballast zijn gebruikt. Op de vloerspanten was duidelijk te zien dat dit residu niet aanwezig was en dat dit mogelijk sleepsporen waren. Verder zagen wij op de spanten in deze tunnel, een zware balk liggen. Deze balk lag los en liep van spant naar spant. Gezien het in beslaggenomen materiaal zoals hijsbanden en een katrol, zou het een mogelijkheid kunnen zijn om middels deze balk een hijsconstructie te maken.
8.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van sporenonderzoekvan politie Landelijke Eenheid, Landelijke Recherche, proces-verbaalnummer PL2600-2014053160-78, d.d. 9 februari 201 5 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 9], brigadier van politie Landelijke Eenheid, (pagina’s 264 tot en met 266 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Op 14 december 2014 werden door het tactisch onderzoeksteam, in samenwerking met de Douane Rotterdam, aan boord van het zeeschip [schip 1], 4 dozen met touw aangetroffen. Op een van die dozen stond de beschrijving dat dit soort touw gebruikt werd voor een lijnwerptoestel. Op 5 januari 2015 werd dit geweven oranje touw met een dikte van 6 millimeter uit die vier dozen, vergeleken met het oranje geweven touw afkomstig van de beide aangetroffen drijvers en het oranje touw afkomstig van de 30 zwarte tassen, inhoudende pakketten cocaïne. Ik verbalisant zag dat deze touwsoorten optisch hetzelfde waren. Al deze oranje gekleurde geweven touw soorten hadden dezelfde diameter en kleur. Ik zag dat de structuur van het geweven touwwerk dezelfde was. (...) Aan boord van het zeeschip [schip 1] werd op 14 december 2014, door het tactisch onderzoeksteam, 10 rollen tape aangetroffen, beslagnummer 526674, een rol oranje tape, een rol grijze tape, acht rollen bruine tape. Aan deze rollen werd nader onderzoek verricht. (...) De rollen tape, een rol tape grijs van kleur en een rol tape oranje van kleur werden vergeleken met de tape aangetroffen op de twee in de Westerschelde aangetroffen drijvers. De oranje tape en de grijze tape aangetroffen op de drijvers hadden dezelfde breedte en kleur als de tape aangetroffen aan boord van [schip 1]. Deze twee soorten tape waren optisch hetzelfde. (...) Op 14 december 2014 werden door het tactisch onderzoeksteam, in samenwerking met de Douane Rotterdam, aan boord van het zeeschip [schip 1] touwwerk, 3 stuks hijsband en (waarvan twee ongebruikt en een gebruikt) en onderdelen, waaronder een hijshaak en een hijsblok aangetroffen en in beslaggenomen beslagnummer 526675. Een van die onderdelen was een rol touw zwart van kleur, 12 millimeter dik en drie strengen, met een witte draad. Op 9 december 2014 was een stuk touw/tros veiliggesteld door de bemanning van de P41 zwart van kleur, 12 millimeter dik, drie strengen met een witte draad. Dit stuk draad was inbeslaggenomen onder nummer 526744. Beide stukken touw kwamen optisch overeen, ze hadden de zelfde diameter en waren op dezelfde manier geslagen.
De volgende sporen/stukken van overtuiging werden in het belang van de bewijsvoering en/of nader onderzoek veiliggesteld:
[…]
9.
Het
rapport van het Nederlands Forensisch Instituutte Den Haag d.d. 5 januari 2015, nummer 2014.12.17.100 (aanvraag 001), opgemaakt door de beëdigd deskundige A.B.M. van Esh - de Bruin, NFI-deskundige forensische drugsanalyse, voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van rapporteur:
In deze zaak werden 50 monsters aangeboden, hiervan zijn er 28 onderzocht. Volgens de omschrijving in het aanvraagformulier werden 30 plunjezakken met elk 40 pakketten van 1 kg aangetroffen. Het betrof in totaal 1200 verpakkingen met een totaal gewicht van circa 1200 kilogram. (...) Volgens de ENFSI richtlijn moeten er 28 monsters onderzocht worden voor een goede steekproef uit dit onderzoek is gebleken dat deze allen cocaïne bevatten.
Resultaten en conclusie
Tabel 1 Onderzoeksmateriaal en conclusie
[…]
10.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal van verhoor van [betrokkene 2]van politie Landelijke Eenheid, Dienst Infrastructuur, Afdeling Zuidwest, proces-verbaalnummer 2014053160/26INF14199-75, d.d. 7 januari 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 10], inspecteur van politie en [verbalisant 6], senior medewerker van politie, (pagina’s 272 tot en met 279 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als weergave van het verhoor van [betrokkene 2]:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte
V: Op welke schepen bent u recent gezagvoerder geweest?
A: Op [schip 2], [schip 3], [schip 4], [schip 5], [schip 1]. [schip 1] is de boot waar ik nu ben.
V: Welke havens hebt u aangedaan na uw aanmonstering?
A: Rotterdam, Bremerhaven, Le Havre, Savanna, Port Louordale (Florida), Panama, Panama kanaal, Balboa, Guayaquil (Equador), Peru, Panama kanaal, Christobal en daarna naar Antwerpen. Deze hele trip heeft ongeveer geduurd van 21 oktober 2014 tot 9 december 2014.
V: Wat waren op die reis afwijkende gebeurtenissen?
A: In Guayaquil was er een massale inspectie van de douane en de politie.
11.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal verhoor van verdachtevan politie Landelijke Eenheid Opsporing ZW1, proces-verbaalnummer 2014053160/26INF14199-58, d.d. 4 januari 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 11], senior rechercheur van politie en [verbalisant 1], senior medewerker van politie (pagina’s 453 tot en met 460 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als weergave van het verhoor van verdachte:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte/getuige/etc.
V: Hoelang ben je al aan boord van [schip 1]?
A: Ongeveer 7 maanden. Morgen zou ik naar huis gaan.
12.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte
proces-verbaal verhoor van verdachtevan politie Landelijke Eenheid Opsporing ZW1, proces-verbaalnummer 2014053160/26INF14199-77, d.d. 8 januari 2014 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 1], senior medewerker van politie en [verbalisant 6] senior medewerker van politie (pagina’s 470 tot en met 479 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als weergave van het verhoor van verdachte:
V: Vraag verbalisant
A: Antwoord verdachte/getuige/etc.
V: Wat is meest gangbare tape welke aan boord gebruikt wordt?
A: Dat weet ik niet maar als ik tape gebruik dan gebruik ik gele tape. Ik weet dat omdat ik die tape gebruik voor mijn werk net als alle andere collega’s van mij.
V: Komt de kleur grijs voor aan boord. Ken je dat?
A: Zover ik het weet gebruiken wij dat soort tape niet.
13.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van bevindingen van politie Landelijke Eenheid Waterpolitie, Flexibele Teams, proces-verbaalnummer PL2600­2014053160-64, d.d. 7 januari 2015 opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 12], hoofdagent van politie en [verbalisant 6] senior medewerker van politie (pagina 230 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
Op Zondag 4 januari omstreeks 3.03 uur doorzochten wij aan boord van het schip [schip 1] de hut van [verdachte]. Tijdens deze doorzoeken troffen wij omstreeks 03.07 in de kledingkast van bovengenoemde op de onderste plank een aantal boeken over navigeren op zee.
14.
Het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming van politie Landelijke Eenheid, proces-verbaalnummer 201501061230.1053, d.d. 6 januari 2015, opgemaakt en ondertekend door [verbalisant 6], senior, medewerker van politie (pagina’s 697 en 698 van het politiedossier), voor zover – zakelijk weergegeven – inhoudende:
als relaas van verbalisant:
De doorzoeking werd door de hulpofficier van justitie geopend op zondag 4 januari 2015, omstreeks 03:03 uur en gesloten op zondag 4 januari, omstreeks 04:00 uur. Tijdens de doorzoeking werd het volgende in beslag genomen:
-
Notitieboekje.
15.
De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van dit hof op 9 november 2022, voor zover inhoudende – zakelijk weergegeven:
U toont mij de foto’s van de drijver zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 9 februari 2017 (26INF14199-243). Zo zag de door mij aangetroffen constructie er ongeveer uit. Ik heb er één gezien. Ik heb één of twee meter van de tape daadwerkelijk losgetrokken en toen werd ik gebeld. Ik weet niet of de tape is blijven hangen of op de grond is gevallen, want ik had haast. Ik ben die dag niet meer teruggekomen. Pas een dag of twee later kwam ik terug om de verlichting te maken. Toen was de constructie er niet meer. Ik heb niemand erover verteld.
U toont mij de tekeningen (hof: in het notitieboekje) op pagina 225 van het proces-verbaal. Dat is mijn handschrift (tekeningen op pagina 225 van het politiedossier worden als bijlage IV gevoegd bij de aanvulling).
6. Voorts heeft het hof het volgende met betrekking tot het bewijs overwogen:

Feiten
Op 9 december 2014 rond 01:00 uur werden op de Westerschelde dertig sporttassen, gevuld met 1.200 kilo cocaïne gevonden. De sporttassen waren aan elkaar vastgebonden en voorzien van een drijfconstructie, bestaand uit een drijver (hierna: “drijver 1”) en een bundel bijeengebonden jerrycans. Langs de oever van de Westerschelde is dezelfde dag een tweede drijver (hierna: “drijver 2”) gevonden. Deze kwam optisch overeen met en was op dezelfde wijze geconstrueerd als drijver 1, waaraan de cocaïne in de Westerschelde dreef. De cocaïne is op de avond van 8 december 2014 in de Westerschelde te water gelaten vanaf het achterdek van het schip [schip 1], dat uit Zuid-Amerika kwam en tijdens de betreffende reis onder meer Ecuador had aangedaan. In Ecuador was er aan boord een controle door de douane op de aanwezigheid van verdovende middelen geweest. De drijvers 1 en 2 waren onder meer gemaakt van steeds vier jerrycans die aan elkaar waren vastgemaakt met ducttape en touw/lijnen. De ducttape is onderzocht op dactyloscopische sporen. Aan uiteinden van de ducttape en aan de plakzijde ervan die is gebruikt op zowel drijver 1 als drijver 2, zijn dactyloscopische sporen aangetroffen. Drie van deze sporen (twee op drijver 2 (de oeverdrijver) en één op drijver 1 (de waterdrijver)) matchten met vingerafdrukken van verdachte. In alle drie de gevallen is sprake van “een zeer grote mate van overeenkomst”.
In de ‘electrical workshop’ in de machinekamer van het schip – de werkplek van verdachte – zijn in een ruimte boven het bureau achter een spant een aantal vuilniszakken gevonden met daarin onder andere: (i) grijs- en oranjekleurige tape, die optisch overeenkwam met de op de drijvers gebruikte tape, en (ii) oranjekleurig touw, dat optisch overeenkwam met touwen/lijnen die zijn gebruikt op beide drijvers. In de directe nabijheid van de ‘electrical workshop’ bevonden zich een gang en een ballasttank waarin mogelijke sleepsporen zijn gevonden. De ‘electrical workshop’ is gesitueerd aan de achterzijde van het schip. Van daaruit is een achterdek met daarop aan boord bevestigde voorwerpen om te kunnen hijsen, eenvoudig te bereiken.
In de hut van verdachte zijn boeken over navigeren op zee gevonden en ook een notitieboekje met daarin onder andere een tekening van drie rechthoekige en langwerpige figuren die door middel van lijnen onderling met elkaar zijn verbonden. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij zijn eigen handschrift in dat notitieboekje herkent. De verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij slechts één drijver van de constructie op het schip heeft gezien en heeft geprobeerd te demonteren maar toen werd gebeld door zijn leidinggevende en is weggegaan en die constructie daarna niet meer heeft gezien. Hij heeft ook aan niemand op het schip verteld dat hij de constructie had aangetroffen, zo verklaarde hij ter terechtzitting van het hof.
[…]
Standpunt van de verdediging
De raadsman heeft vrijspraak bepleit. Hij heeft daartoe aangevoerd dat verdachte een logische verklaring heeft gegeven voor de aanwezigheid van zijn vingerafdrukken op de drijvers. Verder zijn geen vingerafdrukken van verdachte aangetroffen op andere voorwerpen die in verband kunnen worden gebracht met de drijvers met cocaïne. De tekening in het notitieblokje heeft betrekking op een stroomschema en heeft te maken met de werkzaamheden van verdachte op het schip. De boeken over navigatie lagen al in de hut voordat verdachte deze betrok. Het enkele feit dat verdachte de constructie heeft zien liggen en heeft geprobeerd deze uit elkaar te halen, is onvoldoende om hem in verband te brengen met de cocaïne.
Oordeel van het hof
Het hof is van oordeel dat het door verdachte gevoerde verweer strekkende tot vrijspraak van het tenlastegelegde wordt weersproken door de gebezigde bewijsmiddelen, zoals deze later in de eventueel op te maken aanvulling op dit arrest zullen worden opgenomen. Het hof heeft geen reden om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen.
Op grond van de hiervoor vermelde feiten stelt het hof het volgende vast.
- Aan boord van [schip 1] is 1.200 kilo cocaïne de Nederlandse kustwateren binnengebracht.
- De drijfconstructie is vervaardigd aan boord van het schip en bestond uit onder meer drijver 1 en 2.
- De cocaïne is aan de drijfconstructie bevestigd en vanaf het achterdek, nabij de ‘electrical workshop’, van boord gegaan en in de Westerschelde gebracht. Gelet op het hoge gewicht van de cocaïne en het grote aantal van dertig sporttassen waarin de cocaïne zat, in combinatie met de omvang van de drijfconstructie moet dat door meer dan één persoon zijn gebeurd.
- De combinatie van (i) de vingerafdrukken op de tape van twee drijvers, drijvers 1 en 2, (ii) de in het notitieboekje van verdachte aangetroffen tekening van een constructie die grote gelijkenis vertoont met de drijfconstructie en (iii) het aantreffen van de lijnen/touwen en tape achter de spanten van de door verdachte als werkruimte gebruikte ‘electrical workshop’, die optisch overeenkwamen met op de drijvers aangebrachte touwen/lijnen en tape, acht het hof voldoende redengevend voor het scenario dat verdachte heeft meegewerkt met het ontwerpen en het vervaardigen van de drijfconstructie, tenzij verdachte daar een aannemelijke verklaring tegenover zou kunnen zetten.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft verdachte onder meer verklaard dat hij één van de drijvers aantrof en deze wilde demonteren om van de gebruikte jerrycans afvalbakken te maken, maar dat hij werd weggeroepen door zijn leidinggevende net op het moment dat hij met de demontage was begonnen en toen de drijver heeft achtergelaten. Verder heeft verdachte verklaard dat hij aan boord van [schip 1] de laagste in rang was. Daarnaast heeft verdachte tegenover de politie verklaard dat hij voor zijn werkzaamheden op [schip 1] gebruikt maakte van gele tape.
Het hof acht de verklaring van verdachte onaannemelijk, omdat:
- die verklaring niet duidelijk maakt waarom er op de andere drijver ook (een) vingerafdruk(ken) van hem is/zijn aangetroffen;
- de vraag waarom verdachte – als “laagste in rang” – dan zonder enig overleg met zijn leidinggevenden of andere opvarenden of zonder nader onderzoek naar de (bedoeling van de) constructie was begonnen met de demontage ervan, niet door hem kon worden beantwoord, en;
- op de grijze tape van de drijvers vingerafdrukken zaten, maar niet op de in een ruimte in het schip, waartoe verdachte toegang had, aangetroffen oranjekleurige tape.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken dat de drijfconstructie voor enig ander doel ontworpen en gebouwd zou kunnen zijn dan voor het verpakken van en vervolgens invoeren van een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland. Het hof concludeert dan ook dat verdachte de drijfconstructie heeft ontworpen en gebouwd om de invoer van een grote hoeveelheid cocaïne in Nederland mogelijk te maken.
Het is een feit van algemene bekendheid dat er verdovende middelen vanuit Zuid-Amerika via de scheepvaart Nederland worden binnengebracht. Bovendien vond er in Ecuador gedurende twee dagen een controle op verdovende middelen op [schip 1] plaats. Verdachte moest zich daarom bewust zijn geweest van de mogelijkheid dat er aan boord verdovende middelen konden zijn.
Door mee te werken aan het ontwerp en de bouw van een drijfconstructie zoals aangetroffen, heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij aldus meewerkte aan het invoeren, vervoeren en afleveren van cocaïne.
Gelet op het gewicht van het drijvende pakket, dat circa 1.200 kilo bedroeg, en het grote aantal van 30 sporttassen waarin de cocaïne was verpakt, moeten meer opvarenden van [schip 1] betrokken zijn geweest bij de dropping daarvan, hoewel deze opvarenden onbekend zijn gebleven.
Verdachte heeft een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd aan de uitvoering van het delict, omdat de dropping van de pakketten cocaïne zonder de door hem gemaakte drijfconstructie niet mogelijk zou zijn geweest. Zijn vingerafdrukken zijn weliswaar niet op de pakken met cocaïne gevonden, maar de drijfconstructie vormde een zodanig geheel met de daaraan bevestigde tassen dat het mede vervaardigen hiervan een rol van voldoende gewicht is en niet van ondergeschikt dan wel slechts ondersteunende betekenis is geweest.
Gelet op het voorgaande komt het hof tot een bewezenverklaring van het primair ten laste gelegde medeplegen van het binnen het grondgebied van Nederland brengen, afleveren en vervoeren van cocaïne.”
IV.
Het verweer van de verdediging
7. Ter terechtzitting in hoger beroep van 9 november 2022 heeft de verdachte – voor zover hier van belang – het volgende verklaard op vragen van het hof en de advocaat-generaal:
“Ik ben onschuldig. Ik heb mij nooit beziggehouden met drugs. Toen niet en daarvoor niet.
Ik was 23 jaar oud toen ik werd aangehouden, in bewaring werd gesteld en verschillende keren werd ondervraagd. Mijn toegewezen raadsman adviseerde mij destijds te zwijgen, omdat ik te eerlijk was en de politie mijn verklaring zou misbruiken. Ze zeiden dat ik de enorme hoeveelheid cocaïne zou hebben verpakt en verhandeld. Ik werd onder druk gezet om te bekennen in ruil voor een lagere straf. Ik was in shock van de verdenking. Tijdens het verhoor werd er op tafel geslagen en gezegd dat ik geen respect voor vrouwen had. Zelfs de tolk was in tranen over de manier waarop ik werd behandeld. Ze hebben van alles opgeschreven en gezegd dat mijn gebrek aan respect voor vrouwen invloed zou hebben op een vrouwelijke rechter.
Ik herinner mij dat de politie mij foto’s van de aangetroffen constructie liet zien. Ik heb verklaard dat ik niet wist wat dat was. Ik had de constructie wel gezien op het schip. Ik herkende de jerrycans op de foto’s. Ik werkte als hulp op het schip. Ik repareerde dingen en maakte schoon. Ik moest op enig moment in een bepaalde gang de verlichting vervangen. Daar zag ik de constructie, bestaande uit een aantal jerrycans die met tape aan elkaar waren gemaakt.
Op het schip was eerst een grote ruimte en daar heb je de ruimte voor de elektriciens en een ruimte voor de metaalbewerkers en engineers. De ruimte voor de elektriciens was in een kleine hoek. Door die ruimte ging je naar de tunnel. Daar liepen pijpen voor water en stoom. In die tunnel lagen de aan elkaar bevestigde jerrycans op de grond. Ik weet niet hoeveel het er waren en waar ze precies lagen. Het zag er uit als één lang ding. Ik was daar, heb het licht vervangen en werd toen gebeld op mijn Motorolatelefoon om mijn chef te helpen. Ik heb er niets over gedeeld met anderen. Ik was de laagste in rang en had er geen belang bij. U houdt mij voor dat ik er wel voor heb gekozen om de constructie te demonteren. Ja, ik weet niet of iemand er een bedoeling mee had.
[…]
U vraagt mij waarom ik de constructie uit elkaar haalde, terwijl ik laagste in rang was. Omdat ik daar opruimde. Ik wilde de jerrycans gebruiken om afval in te doen. Het was daarom niet nodig om toestemming te vragen. Alleen die ene keer heb ik de aan elkaar gemaakte jerrycans gezien. Ik weet niet wie de constructie had gemaakt. Normaal liggen de jerrycans los in een hoek of ergens anders. Ik weet niet waarom iemand ze aan elkaar had geplakt. Normaal gesproken zaten er chemicaliën in werden ze vervolgens gebruikt om afval in te doen. Ik had ze nodig voor de oude lampen. Ze werden altijd achter gelaten op de plek waar ze waren gebruikt.
[…]
Ik heb dit verhaal niet bij de politie verteld, omdat ik meteen werd aangevallen met de mededeling dat mijn vingerafdrukken waren gevonden op de aangetroffen cocaïne en op advies van mijn eerste raadsman. U houdt mij voor dat ik niet zweeg op het moment dat mij foto’s werden getoond. Ik was in shock. Ik wist niet eens meer hoe ik heette.
U toont mij de foto op pagina 194 van het dossier. De gang waar ik de aan elkaar gemaakte jerrycans vond was groter dan die op de foto.
U toont mij de foto op pagina 190 van het dossier. Dat is de ingang naar de ruimte van de monteurs. De monteursruimte zat aan de rechter kant en die van de elektriciens aan de linkerkant.
U houdt mij voor dat mijn vingerafdrukken op de tape van de constructie zijn aangetroffen. Ik had geprobeerd de tape eraf te trekken, zodat ik de jerrycans kon gebruiken. Ik weet niet hoeveel ik heb losgetrokken. Ik heb niet geprobeerd de tape los te snijden.
U toont mij de foto’s van de drijver zoals opgenomen in het aanvullend proces-verbaal van 9 februari 2017 (26INF14199-243). Zo zag de door mij aangetroffen constructie er ongeveer uit. Ik heb er één gezien. Ik heb één of twee meter van de tape daadwerkelijk losgetrokken en toen werd ik gebeld. Ik weet niet of de tape is blijven hangen of op de grond is gevallen, want ik had haast. Ik ben die dag niet meer teruggekomen. Pas een dag of twee later kwam ik terug om de verlichting te maken. Ik heb niemand erover verteld.
U toont mij de tekening op pagina 18 van het proces-verbaal. Daarvan kan ik me niets herinneren.
U toont mij de tekeningen op pagina 225 van het proces-verbaal. Dat is mijn handschrift. Ik weet niet of ik de tekeningen heb gemaakt. Die hebben niets te maken met de aangetroffen constructie. De stervormige schets betreft een transformator en de tweede-schets laat zien hoe de stroom is verbonden en hoe het magnetische veld draait. Ik weet nu niet meer precies hoe het werkt.
U houdt mij voor dat mijn vingerafdrukken op twee verschillende drijvers zijn aangetroffen, terwijl ik maar voor één daarvan een verklaring heb. Ik heb geen constructie in elkaar gezet. Ik heb de tape misschien voor iets anders gebruikt. De ruimte van de elektriciens was altijd open en veel mensen kwamen daar om gereedschap te halen. Ik ben er niet vaak geweest. De ingenieur wilde niet dat je daar zomaar kwam, maar alleen om gereedschap te halen. Er was een andere plek waar ik kon zitten en roken.
[…]
Ik ben door de inspecteur van de politie onder druk gezet om een bekentenis af te leggen. Hij zei de hele tijd dat ik het had gedaan en dat ik moest verklaren. Hij sloeg ook met zijn vuist op tafel. Ik heb niets bekend en mij op mijn zwijgrecht beroepen. Ik weet niet wat er werd bedoeld met de opmerking dat ik geen respect voor vrouwen had. Alsof ik niets wilde zeggen tegen de vrouwelijk tolk. Ik dacht dat het werd gezegd om een slecht beeld van mij te schetsen.
U vraagt mij of ik vertrouwen heb i[n] de Nederlandse politie en justitie. Ik heb wel vertrouwen in de rechtspraak, maar ben van mening dat ik onterecht ben veroordeeld. Ik heb geen mening over de politie. U vraagt mij waarom ik mijn verhaal niet tegen de politie heb verteld. Ik was 23 jaar en kwam voor het eerst in aanraking met de politie, nota bene op verdenking van handel in cocaïne. Ik wist niet wat me overkwam.
U houdt mij voor dat ik wel over veel andere dingen heb verklaard, bijvoorbeeld over het mogelijk aanraken van een schroevendraaier en vraagt mij waarom ik mijn verhaal toen niet heb verteld. Mijn advocaat zat naast mij en zei dat ik moest zwijgen. Hij was er de tweede of derde keer bij. Ik ging pas nadenken over de jerrycans toen ik de foto’s zag.
[…]
Ik weet het niet precies meer, maar volgens mij zat mijn toenmalige advocaat bij één verhoor en bij een ander verhoor zijn vrouwelijke collega. De tolk heeft sommige dreigementen van de verhoorders wel vertaald en sommige niet. De tolk heeft vertaald dat ik zou worden veroordeeld, dat ik moest bekennen en daarvoor strafvermindering zou krijgen en dat voor mijn gezin zou worden gezorgd. Als zij zich dat kan herinneren, zou zij als getuige kunnen verklaren. Ze hebben gezegd wat ze hebben gezegd. Ik ervoer het als bedreigend.
[…]
Ik heb destijds tegen mijn advocaat gezegd dat men mij vertelde dat ik strafvermindering zou krijgen als ik zou bekennen. Ik weet niet waarom ik dat niet bij de rechtbank heb verteld. Misschien ging ik ervan uit dat mijn advocaat dat zou vertellen. De communicatie tussen mij en de tolk was lastig. Ik was jong en onervaren. Ik kan nu alleen maar aan de hand van foto’s vertellen hoe de constructie aan elkaar zat. Ik weet niet of er nog iets anders dan tape was gebruikt. Ik heb op de foto’s gezien dat er touw omheen zat, maar dat herinner ik me niet. Het was ook donker in de gang omdat de verlichting het niet deed. Ik had op de boot nauwelijks gereedschap bij mij, misschien hooguit een schroevendraaier. Ik had alleen m’n handen nodig om de verlichting los te draaien. Ik weet niet hoe lang ik bezig ben geweest met het loshalen van de tape.
[…]”
8. De raadsman van de verdachte heeft hierna het woord gevoerd overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde en aan het proces-verbaal van de zitting gehechte pleitnota die, voor zover hier relevant, het volgende inhoudt:
“De verdediging kan zich niet vinden in de overwegingen van de rechtbank en de conclusie van het openbaar ministerie in eerste aanleg.
Wat staat vast in dit dossier?
1. De in het water aangetroffen pakketten cocaïne zijn afkomstig van [schip 1].
2. Aan de tassen cocaïne zijn drijvers vastgemaakt.
3. Op een aantal stukken tape op die drijvers zijn vingerafdrukken aangetroffen van cliënt.
4. Vingerafdruk zit aan de plakzijde (binnenkant) van de tape.
5. Aan boord zijn spullen aangetroffen die overeenkomsten vertonen met zaken betreffende de drijvers (touw e.d.).
6. De ruimte waar al deze zaken zijn aangetroffen is min of meer een openbare ruimte op het schip waartoe iedereen vrije toegang had.
7. Er zijn geen belastende verklaringen over betrokkenheid van cliënt.
8. Buiten vingerafdrukken tape verder geen enkel dacty spoor dat wijst in richting van betrokkenheid cliënt.
9. Meerdere personen hadden toegang tot de werkplaats van waaruit cliënt werkzaam was met zijn andere collega’s.
10. Het in het water leggen/gooien van de totale constructie drijvers en pakketten cocaïne is door meerdere personen is gebeurd.
Wat weten we niet?
 Wanneer zijn de drijvers gemaakt?
 Door wie zijn de drijver gemaakt?
 Wanneer zijn de tassen met cocaïne aan de drijvers bevestigd?
 Op welke locatie op het schip zijn de betreffende werkzaamheden uitgevoerd?
 Wanneer zijn alle zaken (drijvers, tassen cocaïne etc.) aan boord gebracht?
Verklaring client:
Naar aanleiding van het vonnis in eerste aanleg heb ik nogmaals het dossier met cliënt besproken.
Op de zitting van 22 januari 2020 heb ik namens client aangegeven, ik citeer letterlijk:
Na het doornemen van het vonnis door cliënt heeft hij mij verteld openheid van zaken te willen geven over de aangetroffen vingerafdrukken op de tape van de drijvers.
Cliënt heeft tegen mij gezegd dat hij de drijver gemaakt van een aantal aan elkaar bevestigde jerrycans, op enig moment beneden in het schip zag liggen ten tijde van het uitvoeren van zijn werkzaamheden. Omdat deze drijver in de weg lag, heeft hij geprobeerd deze te demonteren. Nadat cliënt werd weggeroepen heeft hij daarna de drijver niet meer gezien.
Naar aanleiding van deze verklaring namens client alsmede mijn opmerking dat cliënt graag op de zitting wenst te verschijnen heeft de advocaat generaal het verzoek gedaan de zaak aan te houden.
Verklaring van cliënt bij de politie:
Cliënt heeft verklaard dat hij voor zijn werk geel tape gebruikt, maar hij heeft tevens verklaard (pagina 477 van het dossier) dat hij niet weet welke kleuren tape er aan boord aanwezig zijn.
Verklaring van cliënt heden op de zitting
 Client heeft uitleg gegeven hoe hij de verhoren bij de politie heeft ervaren;
 Ik heb de constructie wel eerder op het schip gezien;
 Was medewerker op het schip;
 Moest ergens op het schip licht vervangen in een gang;
 Is in de buurt van de werkruimte van destijds op het schip;
 Daar heb ik constructie gezien;
 Weet niet hoeveel jerrycans het waren die aan elkaar waren verbonden;
 Werd toen weggeroepen, toen ik terug kwam daar om werk af te maken was alles weg, weet niet of dat nog dezelfde dag was;
 Ik wilde de jerrycans gebruiken voor afval, want daar gebruikte we zo voor op het schip. Heb toen getracht de tape los te maken;
 Ik zag het als rommel en vond het niet nodig dit met iemand te bespreken;
 Dat is de reden dat ik ze uit elkaar heb gehaald;
 Mijn taak is het om vuil van mijn werk in de jerrycans op te bergen;
 Vingerafdrukken op de tape moeten er opgekomen zijn bij het lostrekken van de tape;
 Getoonde foto aanvullende pv herken is de constructie;
 Heb de tape los getrokken maar kan me niet herinneren of ik de tape er heb afgehaald, nadat ik gebeld ben heb ik het zo achter gelaten;
 Later, dag of twee ben ik daar pas terug gekomen;
 Ik weet niets van de dumping van cocaïne.
 Foto notitieblokje herken ik, betreft een stroomschema en heeft mijn werk te maken;
 Ik heb geen constructie in elkaar gezet. [1] Ik maar 1 drijver gezien.
Verhoren getuigen bij rechter-commissaris:
1. [getuige 1], geboren op [geboortedatum] 1980:
Nee. Ik herinner me wel dat ik plakband heb gebruikt om een boks-zak te plakken. Dat was dik, grijs plakband.
Ik herken die foto als de werkplaats van de mecaniciens. Er zijn daar twee werkplaatsen naast elkaar. In mijn herinnering zit daar geen deur tussen.
2. [getuige 2], geboren op [geboortedatum] 1955, wonende te [plaats]:
Ik had geen toegang tot de ballasttanks. Die zijn afgesloten en verzegeld en worden alleen geopend bij onderhoudsservice of controle door bevoegde personen. Die bevoegde personen zijn de eerste dek officier en de bemanningsleider. Mijn werkplek was daar waar het onderhoud plaatsvindt. Dat is een gezamenlijke ruimte. Ook de hoofdmonteur werkt daar. In principe had iedereen toegang tot die ruimte.
Verdere “aanwijzingen” in het dossier:
 In de cable trunk werd een antenne aangetroffen voor een satelliettelefoon.
 Bij [betrokkene 3] werd een simkaart aangetroffen voor een satelliettelefoon.
 In een openbare werkruimte achter een spant werden zaken aangetroffen die overeenkomsten vertonen met spullen die bij dropping cocaïne zijn gebruikt.
 In waterballasttank 7 was geen deksel aanwezig.
Opmerkelijk genoeg heeft het openbaar ministerie er niet voor gekozen om bijvoorbeeld [betrokkene 3] te horen of de collega van cliënt dan wel navraag te doen wie er toegang had tot deze ruimtes.
Van enigszins concrete wetenschap dan wel betrokkenheid van cliënt is niet gebleken en wordt door de rechtbank alles toe geredeneerd dan de vingerafdruk die is aangetroffen op de tape.
Geen dacty spoor, geen verklaring, helemaal niets.
Ik stel vast dat op alle genoemde goederen die volgens het openbaar miniserie in verband kunnen worden gebracht met de dropping van de cocaïne geen enkel (dacty)spoor is aangetroffen van client.
 niet op de goederen boven het spant bij de werkplek,
 niet op de satelliettelefoon,
 niet op de tassen die gebruikt zijn voor de cocaïne,
 niet op de blokken cocaïne en
 niet op enig ander stuk gebruikte tape op de aangetroffen drijvers
En dat is toch op zijn minst opmerkelijk.
Conclusie:
De enige concrete aanwijzing dat cliënt betrokken zou kunnen zijn bij het tenlastegelegde zijn de vingerafdrukken op de tape die bevestigd was aan de drijvers.
Client heeft hierover een duidelijk logische verklaring afgelegd hoe deze vingerafdrukken daar op terecht zijn gekomen. Op grond van het dossier is het mogelijk dat de drijvers gemaakt zijn in de of nabij de werkplek van cliënt op het schip.
Ik baseer dit op grond van het aantreffen van de goederen, achter het spant in de werkplek van cliënt. Maar ook dit is slechts een aanname.
En dus kan het zo zijn dat cliënt die op enig most heeft zien liggen en getracht heeft e.a. uit elkaar te halen.
Dat ze er later niet meer lagen is evenzo mogelijk omdat wel vaststaat dat er meerder personen betrokken moeten zijn geweest bij de dropping van een dergelijke grote hoeveelheid cocaïne.
Of de constructie in takt is gebleven nadat cliënt getracht heeft deze uit elkaar te halen weten we niet. Mogelijk niet nu er op twee drijvers een vingerafdruk is aangetroffen en cliënt stellig is dat hij slechts 1 constructie heeft aangeraakt.
Een werkplek zoals blijkt uit het dossier die voor een ieder toegankelijk was.
In de hut van cliënt worden nog een boek over navigeren en een tekening aangetroffen. Als we kijken naar de tekening op pagina 225 vergt het wel heel veel creativiteit om daarin een constructie te zien die overeenkomt met de aangetroffen constructie.
Cliënt heeft inmiddels daarover een daarover tegenover mij verklaard dat een stroomschema is van een trafo, en dus ziet op zijn werk aan boord als elektricien.
Volgens verklaring van cliënt lagen de boeken al in de hut, hetgeen niet opmerkelijk is omdat uit het dossier is gebleken dat de bemanning regelmatig gewisseld wordt en het geen persoonlijke hut is van cliënt. Als hij van boord is, maakt iemand anders gebruik van de hut.
Daarnaast heeft het openbaar ministerie hiernaar verder geen onderzoek gedaan.
Dan is er nog een satelliettelefoon, althans antenne aangetroffen in de nabijheid van de ruimte waar cliënt en zijn collega’s maar ook die van andere diensten werkzaamheden verrichten.
Enig direct verband naar cliënt is er niet.
[…]
Conclusie
Buiten de vingerafdrukken van cliënt op de uiteinden van de tape, die was bevestigd op de drijver die gebruikt is bij de dropping van de cocaïne, is er geen enkel direct aanknopingspunt van enige betrokkenheid van cliënt bij de invoer van de aangetroffen cocaïne.
Ondanks dat het vaststaat dat er meer personen betrokken moeten zijn geweest bij de dropping (gelet op de hoeveelheid en omvang van de partij cocaïne) is daarvan niet gebleken uit het dossier wie dat geweest zouden moeten zijn.
Uit het dossier is gebleken dat de ruimte waar vermoedelijk de cocaïne was opgeslagen een ruimte was die in beginsel voor een ieder toegankelijk was net als de werkruimte van cliënt en zijn collega’s (
verklaringen [getuige 2] en [getuige 1], verklaring bij rechter-commissaris).
Uit het dossier is niet gebleken of de drijfconstructie aan boord is gemaakt danwel wanneer deze is gemaakt. De zaken die aangetroffen zijn achter een spant kunnen evenzo door de uitvoerder(s) van de drijvers mee aan boord zijn genomen als reserveonderdelen.
Uit het dossier is niet gebleken wanneer de cocaïne aan boord is gebracht.
Uit het dossier is niet gebleken wanneer de cocaïne aan de drijfconstructie is bevestigd.
Uit het dossier is überhaupt niet gebleken of cliënt bij één van voornoemde activiteiten actief betrokken is geweest danwel enig aandeel heeft gehad.
Cliënt heeft inmiddels een verklaring afgelegd aangaande de aangetroffen vingerafdrukken van hem op de uiteinden van de tape.
Cliënt heeft eerder geen duidelijke verklaring gegeven. De reden daarvan is dat hij tijdens de ondervraging door de politie de indruk kreeg dat hij verantwoordelijk werd gehouden voor de invoer van een grote partij cocaïne terwijl hij tot op de dag van vandaag daar geen enkele wetenschap van draagt.
Dat past ook in de vrijwillige afgifte van zijn DNA. Cliënt had eenvoudigweg na de eerste controle in Antwerpen van boord kunnen gaan om zo uit handen van justitie te blijven.
Als u nader kijkt naar de verhoren van cliënt dan valt op dat de verbalisanten onjuiste informatie verschaffen kennelijk teneinde cliënt te bewegen tot een bekentenis.
Pag 460 van het dossier
V: Op een gegeven moment is er van de bemanning van [schip 1] dacty afgenomen. Ook die van jou. Dat was op 30 december 2014. Jouw dacty is aangetroffen op de verdovende middelen zaten. Wat heb je hierop te zeggen?
Pag 468 van het dossier
V: Nog een keer dan, vingerafdrukken vliegen niet door de lucht. Begrijp goed wat dit voor jou betekent. Jouw vingerafdrukken staan op het pakket!
Pag 483 van het dossier
V: Herken je dit? (we tonen foto van het pakket) Het zijn zwarte tassen met cocaïne. Ook op een pakket in één van de tassen is op de tape een vingerafdruk van jou gevonden.
Cliënt had om deze reden geen vertrouwen in justitie. Ik kan dat begrijpen als er gesteld wordt dat jouw vingerafdrukken op een pakket cocaïne zaten terwijl dit niet het geval is.
Toen de voorlopige hechtenis werd opgeven bij gebrek aan ernstige bezwaren was cliënt overtuigd van een goede afloop. Groot was de teleurstelling na het bekend worden met het vonnis in eerste aanleg.
Vanwege deze reden heeft cliënt er voor gekozen om thans openheid te geven.
De verklaring van cliënt kan niet op basis van enig ander bewijsmiddel uit het dossier weerlegd worden en past in de feiten die in het dossier worden beschreven.
Dit is ook logisch want cliënt spreekt de waarheid.
Ik verzoek u derhalve het vonnis van de rechtbank Zwolle te vernietigen en opnieuw rechtdoende cliënt vrij te spreken.”
V.
De bespreking van het cassatiemiddel
9. Het middel is gericht tegen de bewezenverklaring dat de verdachte heeft medegepleegd het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 1200 kilogram cocaïne.
10. Aan die bewezenverklaring liggen de volgende vaststellingen ten grondslag. Op 9 december 2014 werden op de Westerschelde dertig sporttassen met 1.200 kilo cocaïne gevonden, vastgebonden op een drijfconstructie. Langs de oever werd een vergelijkbare tweede drijver gevonden. De cocaïne is eerder te water gelaten vanaf het achterdek van het schip [schip 1], dat uit Zuid-Amerika kwam en onder meer Ecuador had aangedaan. De drijvers bestonden uit jerrycans die aan elkaar waren vastgemaakt met ducttape en touw. Op beide drijvers zijn aan de uiteinden van de ducttape en aan de plakzijde ervan dactyloscopische sporen aangetroffen van de verdachte. De verdachte werkte op het schip. In de ‘electrical workshop’ in de machinekamer – de werkplek van de verdachte – zijn achter een spant vuilniszakken gevonden met grijs- en oranjekleurige tape en ook oranjekleurig touw. Beide kwamen optisch overeen met de op de drijvers gebruikte tape en touw. In een gang en ballasttank nabij de electrical workshop zijn mogelijke sleepsporen aangetroffen. De electrical workshop is gesitueerd aan de achterzijde van het schip. Van daaruit is het achterdek met hijsvoorwerpen eenvoudig te bereiken. In de hut van de verdachte zijn boeken over navigeren op zee gevonden en een notitieboekje met onder meer een tekening van drie rechthoekige en langwerpige figuren die door middel van lijnen onderling met elkaar zijn verbonden. De verdachte heeft verklaard dat het zijn handschrift betreft.
11. De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat hij één drijver op het schip heeft gezien en heeft geprobeerd deze te demonteren, maar toen werd gebeld door zijn leidinggevende en is weggegaan. De constructie heeft hij daarna niet meer gezien. Dit zou zijn vingerafdrukken op de drijver verklaren. Voorts heeft hij verklaard dat hij niemand aan boord van het schip heeft verteld dat hij de constructie had aangetroffen, dat hij aan boord de laagste in rang was en dat hij voor zijn werkzaamheden op het schip gebruikt maakte van gele tape.
12. Het hof heeft de verklaring van de verdachte als onaannemelijk ter zijde geschoven, omdat:
- zijn verklaring de vingerafdrukken op de tweede drijver niet verklaart;
- de vraag waarom de verdachte – als “laagste in rang” – zonder enig overleg met leidinggevenden of andere opvarenden of zonder nader onderzoek naar de drijfconstructie was begonnen met de demontage ervan, niet door hem kon worden beantwoord; en
- zijn vingerafdrukken op de grijze tape van de drijvers zaten, maar niet op de oranjekleurige tape die is aangetroffen in een ruimte in het schip, waartoe de verdachte toegang had.
13. Het hof acht de combinatie van (a) de vingerafdrukken op de tape van de twee drijvers, (b) de tekening in het notitieboekje van de verdachte die grote gelijkenis vertoont met de drijfconstructie en (c) de achter de spanten in de werkruimte van de verdachte aangetroffen touwen en tape, voldoende redengevend voor het scenario dat de verdachte heeft meegewerkt aan het ontwerpen en vervaardigen van de drijfconstructie. Daarmee heeft de verdachte, naar het oordeel van het hof, ook bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij meewerkte aan het invoeren, vervoeren en afleveren van cocaïne.
14. Ten aanzien van het medeplegen heeft het hof tot slot nog overwogen dat, gelet op het gewicht van het drijvende pakket, dat circa 1.200 kilo bedroeg, en het grote aantal van 30 sporttassen waarin de cocaïne was verpakt, meer opvarenden van [schip 1] betrokken moeten zijn geweest bij de dropping daarvan, hoewel deze opvarenden onbekend zijn gebleven. Aan de uitvoering van het delict heeft de verdachte, volgens het hof, een voldoende significante en wezenlijke bijdrage geleverd. Dat de vingerafdrukken van de verdachte niet ook op de pakken met cocaïne zelf zijn gevonden, maakt volgens het hof een en ander niet anders, nu de dropping van die cocaïne zonder deze drijfconstructie – waaraan de verdachte heeft meegewerkt – niet mogelijk zou zijn geweest en deze drijfconstructie een zodanig geheel met de daaraan bevestigde tassen vormde, dat het mede vervaardigen van die constructie een rol van voldoende gewicht is, aldus het hof.
15. Het middel komt met een reeks aan deelklachten op tegen voormelde gevolgtrekkingen van het hof, alsook tegen de verschillende vaststellingen die daaraan ten grondslag liggen. Deze klachten luiden in de kern dat 1. er – buiten de vingerafdrukken op de tape – geen enkel ‘direct’ bewijs voorhanden is dat in de richting van de verdachte wijst en 2. onder meer onbekend is gebleven wanneer de drijvers zijn gemaakt, of er daadwerkelijk meerdere betrokkenen waren en wie dat dan zouden zijn geweest. De steller van het middel meent hierom dat de betrokkenheid van de verdachte, het vereiste voorwaardelijk opzet, alsook het bewezenverklaarde medeplegen met (onbekend gebleven) anderen niet volgt uit de gebezigde bewijsmiddelen. Volgens de steller van het middel heeft het hof deze ‘bewijsleemtes’ ten onrechte opgevuld met aannames, veronderstellingen en waarschijnlijkheidsscenario’s.
16. Deze klachten – die van een nogal hoog gehalte aan ‘feitelijk napleiten’ getuigen – behoeven mijns inziens niet alle een afzonderlijke bespreking. In cassatie kan slechts worden onderzocht of de conclusies van feitelijke aard, die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vastgesteld, begrijpelijk zijn. ’s Hofs vaststellingen omtrent (i) de vingerafdrukken van de verdachte op beide drijvers, (ii) de in het notitieboekje van de verdachte aangetroffen tekeningen en (iii) de aangetroffen touwen en tape komen mij, in het licht van de daartoe gebezigde bewijsmiddelen, niet onbegrijpelijk voor. Dat het hof uit deze vaststellingen de betrokkenheid van de verdachte bij het vervaardigen van de drijfconstructie en zijn (voorwaardelijk) opzet tot het meewerken aan de invoer van cocaïne heeft afgeleid, is evenmin onbegrijpelijk, mede in aanmerking genomen dat het hof deze vaststellingen in onderling verband en samenhang heeft beschouwd, [2] en daarbij ook heeft meegewogen (iv) dat de verdachte geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor onder meer de aanwezigheid van zijn vingerafdrukken op
beidedrijvers.
17. Wat betreft de klacht ten aanzien van het bewezenverklaarde medeplegen nog het volgende. De steller van het middel snijdt in de toelichting het punt aan dat dit medeplegen niet uit de bewijsvoering kan volgen, omdat onbekend is gebleven of meer personen betrokken zijn geweest bij de dropping van cocaïne, laat staan wat hun rol daarbij is geweest. Uit de vaststellingen van het hof volgt onder meer dat de drijver, waaraan de cocaïne dreef, bestond uit 30 tassen met cocaïne en een gewicht had van 1200 kilo. De betrokkenheid van derden heeft het hof gebaseerd op het gewicht en de omvang van de aangetroffen drijvers en vindt in zoverre aldus wel degelijk steun in de bewijsvoering. ’s Hofs overwegingen dat deze drijver niet door slechts één persoon te water gelaten kan zijn en dus meer opvarenden van [schip 1] betrokken moeten zijn geweest bij de dropping, acht ik tegen deze achtergrond ook niet onbegrijpelijk. Dat de precieze bijdrage van die onbekend gebleven derden aan het bewezenverklaarde niet kon worden vastgesteld, doet daaraan niet af. [3] Overigens meen ik dat het belang bij de klacht over het bewezenverklaarde medeplegen ontbreekt, nu de verdachte blijkens de bewijsvoering en blijkens mijn conclusie in het vorige randnummer hoe dan ook wél als pleger kan worden beschouwd. [4]
18. Het middel treft geen doel.
VI.
Slotsom
19. Het middel faalt in alle onderdelen en kan worden afgedaan met een aan art. 81, eerste lid, RO ontleende motivering.
20. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De griffier heeft op de aangehechte pleitnota de volgende zinsnede doorgehaald: “Ik heb mogelijk de tape gebruikt die later is gebruikt”.
2.De feitenrechter kan bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. Zie o.a. HR 14 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:399 (rov. 3.2) en HR 27 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:982,
3.Zie HR 20 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1250,
4.Vgl. het overzichtsarrest van de Hoge Raad over de toepassing van art. 80a RO van 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005,