ECLI:NL:PHR:2024:530

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 mei 2024
Publicatiedatum
14 mei 2024
Zaaknummer
23/03082
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 24 RvArt. 149 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid assurantietussenpersoon wegens onderverzekering muntenverzameling

In deze zaak vordert eiser schadevergoeding van zijn assurantietussenpersoon wegens onderverzekering van een muntenverzameling die bij een roofoverval werd gestolen. De inboedelverzekeraar vergoedde slechts een deel van de waarde omdat de verzekering niet de volledige waarde dekte. Eiser stelt dat de assurantietussenpersoon onvoldoende heeft gedaan om onderverzekering te voorkomen.

De rechtbank en het hof oordeelden dat de assurantietussenpersoon niet wist van het bestaan en de waarde van de muntenverzameling en dat het niet redelijk was te verlangen dat hij hier zelf actief naar zou vragen. Een algemene vraag naar verdere kostbaarheden was het maximale wat redelijkerwijs van hem kon worden verlangd. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij of zijn medewerkers op een dergelijke vraag zouden hebben geantwoord dat de muntenverzameling onder de inboedelverzekering viel en dat de waarde was gestegen.

De Hoge Raad bevestigt deze oordelen en wijst het cassatieberoep af. De zorgplicht van een assurantietussenpersoon strekt niet zover dat hij zonder aanwijzingen actief moet navragen naar onbekende bijzondere bezittingen. Ook het causaal verband tussen het niet stellen van een algemene vraag en de schade is onvoldoende onderbouwd. De vordering tot schadevergoeding wordt daarom afgewezen.

Uitkomst: De Hoge Raad wijst het cassatieberoep af en bevestigt dat de assurantietussenpersoon niet aansprakelijk is voor de onderverzekering van de muntenverzameling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03082
Zitting17 mei 2024
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
[eiser]
(hierna: ‘ [eiser] ’)
tegen
[verweerder]
(hierna: ‘ [verweerder] ’)
[eiser] is slachtoffer geworden van een overval. Bij deze overval is zijn muntenverzameling gestolen. [eiser] heeft daarvoor zijn inboedelverzekeraar aangesproken. Omdat sprake was van onderverzekering, heeft [eiser] niet de volledige waarde van zijn muntenverzameling vergoed gekregen. Er bestond voor de muntenverzameling ook geen dekking onder een kostbaarhedenverzekering die [eiser] voor andere kostbaarheden had afgesloten.
[eiser] vordert in deze zaak schadevergoeding van assurantietussenpersoon [verweerder] van wiens diensten [eiser] gebruik heeft gemaakt. In de kern gaat het in deze zaak om de vraag of [eiser] schade heeft geleden doordat [verweerder] onvoldoende heeft gedaan om te voorkomen dat de dekking onder [eiser] ’s inboedelverzekering niet de (volledige) waarde van een gestolen muntenverzameling omvatte. De inboedelverzekeraar van [eiser] heeft niet de (gestelde) volledige waarde van de muntenverzameling vergoed.
In deze zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat in het midden kan blijven of [verweerder] een verwijt treft omdat hij niet in een periodiek gesprek met [eiser] heeft gevraagd of de verzekeringen van [eiser] aanpassing behoefden in die zin dat de verzekerde som moet worden verhoogd ter voorkoming van onderverzekering, nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat de muntenverzameling aan de orde zou zijn gekomen en daardoor onderverzekering van de muntenverzameling zou zijn voorkomen. De rechtbank heeft [eiser] ’s schadevergoedingsvordering daarom afgewezen. [eiser] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, maar zonder succes. Het hof heeft in de kern geoordeeld dat (i) niet kan worden gevergd van [verweerder] dat hij uit zichzelf zou hebben gevraagd naar de omvang van en een waardestijging van de muntenverzameling, (ii) [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet meer had kunnen doen dan een algemene vraag stellen of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen en (iii) niet voldoende is onderbouwd dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een dergelijke algemene vraag, bevestigend zou(den) hebben geantwoord, daarbij aangegeven zou(den) hebben dat het om een muntenverzameling ging en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen. In cassatie valt [eiser] deze oordelen aan.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1]
1.2
[verweerder] exploiteert een verzekeringskantoor in de vorm van een eenmanszaak.
1.3
[eiser] heeft in 1983 verzekeringen afgesloten bij [assurantietussenpersoon] . In 2007 heeft [assurantietussenpersoon] zijn onderneming beëindigd en heeft [verweerder] de verzekeringsportefeuille van [assurantietussenpersoon] overgenomen. Op dat moment was [eiser] bij ASR verzekerd. Hij had onder meer een kostbaarhedenverzekering voor juwelen en horloges en een inboedelverzekering.
1.4
[eiser] heeft op eigen initiatief op 7 april 1998 een speciale kostbaarhedenverzekering voor kunst en antiek gesloten via Aon Artscope. Die verzekering liep dus niet via [verweerder] . [eiser] heeft de kostbaarhedenverzekering bij ASR beëindigd. In zijn brief van 25 april 2013 aan ASR schrijft hij: [2]
“Hierbij verzoek ik u vriendelijk de verzekering per eerstkomende vervaldatum zijnde 24 juli 2013 te willen beëindigen, aangezien de te verzekeren objecten al geruime tijd geleden zijn toegevoegd aan de bij AON Artscope lopende verzekering van onze totale kunst-, kostbaarheden en antiekcollectie.”
1.5
De inboedelverzekering bleef via [verweerder] bij ASR lopen.
1.6
Bij brief van 17 mei 2013 heeft (een medewerker van) [verweerder] aan (de vennootschap van) [eiser] geschreven: [3]
“Bijgaande stuur ik u volgens afspraak een overzicht van de lopende schadeverzekeringen via ons kantoor.
Polisnr [001] (kostbaarheden) wordt per 24-07-2013 beëindigd.
Graag ontvangen wij van u een kopie polis van de elders lopende kostbaarhedenpolis van AON, zodat we een nieuwe vergelijking van alle verzekeringen kunnen maken voor [eiser] .
Voor eventuele vragen ben ik u graag van dienst.”
1.7
Op 8 juli 2019 heeft er een roofoverval in de woning van [eiser] plaatsgevonden waarbij onder meer zijn muntenverzameling is gestolen. De expert van ASR heeft de waarde van de verzameling getaxeerd op € 96.570. ASR heeft op grond van de inboedelverzekering voor de gestolen munten een bedrag van € 27.000 aan [eiser] uitgekeerd.
1.8
[eiser] heeft [verweerder] bij brief van 1 november 2019 voor de schade wegens onderverzekering van € 69.570 (€ 96.570 minus € 27.000) aansprakelijk gesteld. [verweerder] heeft aansprakelijkheid afgewezen.
1.9
De polis van de inboedelverzekering die gold van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2019 vermeldt onder meer: [4]
“Dekking Huishoudelijke inboedel
Het verzekerd bedrag is op 01-08-2006 met behulp van de
inboedelmeter vastgesteld
Verzekerd bedrag en premie
€ 241.120,-- huisraad
Premie 3,31%, op jaarbasis € 798,11
Verzekeringsvorm en Bijzondere voorwaarden
All Risks met garantie volgens model BIF 07-1”
1.1
Artikel 1 van Pro de Bijzondere Voorwaarden Inboedelverzekering All Risks, Rubriek Wonen (BIF 07-1) luidt voor zover van belang: [5]
“Aanvullende begripsomschrijvingen
In deze Bijzondere Voorwaarden verstaan wij onder:
(...)
2. Inboedel
Alle roerende zaken die deel uitmaken ven de particuliere huishouding van de verzekerde, inclusief kostbaarheden. (...)
3. Kostbaarheden
Zaken die deel uitmaken van de inboedel, maar die zich naar aard en waarde onderscheiden:
a. antiek. Dit zijn zaken die vanwege hun ouderdom en/of zeldzaamheid een specifieke waarde hebben;
b. kunst. Dit zijn zaken die vanwege hun artistieke kwaliteiten een speciale waarde hebben;
c. verzamelingen;
(…)”
1.11
Artikel 4 van Pro deze voorwaarden luidt voor zover van belang:
“Verzekerd bedrag
(…) Inboedelwaardemeter
Als het verzekerde bedrag is vastgesteld aan de hand van de door u ingevulde inboedelwaardemeter gelden de volgende bepalingen:
a. Verzekerd bedrag
Het verzekerde bedrag is berekend:
- aan de hand van de laatste inboedelwaardemeter die wij van u hebben ontvangen (...)
b. Garantie tegen onderverzekering
Als de inboedelwaardemeter naar waarheid is ingevuld, doen wij bij schade geen beroep op onderverzekering. Voor huurdersbelang en zaken die bij kostbaarheden staan genoemd bieden wij dekking tot de in de inboedelmeter genoemde maxima.
c. Hernieuwde vaststelling op uw verzoek
U kunt tijdens de looptijd van de verzekering het bedrag aanpassen waarvoor u de inboedel verzekert. (...)
d. Hernieuwde vaststelling op ons verzoek
De inboedelwaardemeter moet u op ons verzoek opnieuw invullen:
(...) 5 jaar na een vorige opgave.
(…)”
1.12
De inboedelmeter is een door de verzekerde in te vullen formulier. Het formulier houdt – voor zover hier van belang – in: [6]
“(…)
Bijtellingen
(i.v.m. bijzondere bezittingen)
(…)

7.Audio-, video-, en computerapparatuur

U bent standaard verzekerd tot een bedrag van € 12.000. Bezit u méér dan € 12.000, wat is dan het meerdere boven € 12.000.
Dit bedrag moet [u,
A-G] in deze inboedelmeter extra optellen bij uw verzekerd bedrag
+ € ________________

8.Antiek, kunst, verzamelingen en instrumenten

U bent standaard verzekerd tot een bedrag van € 15.000. Bezit u méér dan € 15.000, wat is dan het meerdere boven € 15.000.
Dit bedrag moet [u,
A-G] in deze inboedelmeter extra optellen bij uw verzekerd bedrag
+ € ________________
(…)”
1.13
In een e-mail van 16 december 2021 schreef ASR aan de advocaat van [eiser] over de inboedelverzekering: [7]
“(...)
In 2019 is de polis omgezet naar een nieuw administratiesysteem (...)
Bij de conversie van deze polissen zijn de bedragen die in de inboedelwaardemeter onder punt 7 en 8 zijn genoemd samengevoegd. (...)”

2.Procesverloop

Eerste aanleg

2.1
[eiser] heeft [verweerder] op 1 september 2020 voor de rechtbank Limburg gedagvaard. [eiser] heeft in de kern gevorderd dat de rechtbank [verweerder] veroordeelt tot betaling van € 69.570 aan [eiser] , en [verweerder] heeft zich daartegen verweerd: [8]
“3.1. [eiser] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoer[baar,
A-G] bij voorraad, [verweerder] veroordeelt tot betaling van € 69.570,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2019 tot de dag der algehele voldoening en € 875,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden (1 september 2020) tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
3.2.
Ter onderbouwing van zijn vordering stelt [eiser] het volgende. [verweerder] dient op te komen voor de schade die hij geleden heeft wegens onderverzekering. [verweerder] had jaarlijks moeten onderzoeken of de verzekeringen van [eiser] aanpassing behoefden in die zin dat de verzekerde som moet worden verhoogd ter voorkoming van onderverzekering. Door dat na te laten heeft [verweerder] zijn zorgplicht geschonden, waarmee hij is tekortgeschoten in zijn verplichtingen uit de bemiddelingsovereenkomst. Als [verweerder] zijn verplichtingen wel zou zijn nagekomen, dan zou de dekking van de inboedelpolis zijn verhoogd ( [eiser] zou hem dan hebben verteld over de toename van de muntenverzameling) en dan zou de muntenverzameling zijn verzekerd op een aparte kostenbaarhedenverzekering, indien de inboedelpolis niet zou volstaan. Hij zou dan geen schade hebben geleden. Hij ging er vanuit dat [verweerder] over zijn polissen waakte en dat het goed geregeld was zolang hij van [verweerder] niet anders hoorde.
3.3.
[verweerder] concludeert tot afwijzing van de vordering. Hij voert als verweren dat:
a. niet vast is komen te staan dat de muntenverzameling niet verzekerd is onder de bijzondere kostbaarhedenverzekering bij AON;
b. hij zijn zorgplicht niet geschonden heeft. Er bestaat geen jaarlijkse controleverplichting. Verder was er voor hem geen aanleiding om naar andere bijzondere kostbaarheden zoals een muntenverzameling te vragen, omdat hij daar geen weet van had en [eiser] zijn bijzondere kostbaarheden in aparte verzekeringen had ondergebracht. Bij een hercontrole zou dit daarom niet aan het licht zijn gekomen.”
2.2
De rechtbank Limburg heeft deze vordering bij vonnis van 29 juni 2022 afgewezen (rov. 4.1.-4.11.). [9] De rechtbank heeft daartoe als volgt overwogen en geoordeeld.
2.3
De vraag die de rechtbank moet beantwoorden, is of [verweerder] aansprakelijk is voor de schade die [eiser] geleden heeft omdat hij onderverzekerd was voor de muntenverzameling (rov. 4.1.).
2.4
Het staat vast dat de muntenverzameling niet via Aon Artscope verzekerd was (rov. 4.2.).
2.5
Partijen verschillen van mening over de vraag of [verweerder] zijn zorgplicht als assurantietussenpersoon ten opzichte van [eiser] heeft geschonden omdat hij niet jaarlijks, middels een onderhoudsgesprek, heeft gecontroleerd of de verzekerde sommen nog juist waren (rov. 4.3.).
2.6
De vraag of een jaarlijks onderhoudsgesprek vereist is, heeft de rechtbank niet beoordeeld, omdat naar het oordeel van de rechtbank door [eiser] onvoldoende is gesteld om te kunnen concluderen dat de muntenverzameling dan aan de orde zou zijn gekomen en onderverzekering zou zijn voorkomen:
“4.4. De vraag of een jaarlijks onderhoudsgesprek vereist is, kan naar het oordeel van de rechtbank onbeoordeeld blijven. Als namelijk al vast zou komen te staan dat een jaarlijks onderhoudsgesprek tot de verplichtingen van [verweerder] behoort, dan heeft [eiser] onvoldoende gesteld om te kunnen concluderen dat de muntenverzameling dan aan de orde zou zijn gekomen en onderverzekering van de muntenverzameling zou zijn voorkomen. (…)”
2.7
De rechtbank heeft haar oordeel in rov. 4.4. als volgt toegelicht: [10]
“4.5. [eiser] wist, althans wordt geacht te weten, dat de verzekerde waarde van de inboedel op 1 augustus 2006 met behulp van de inboedelmeter is vastgesteld. Dit staat namelijk vermeld op het polisblad van de inboedelverzekering die gold van 1 oktober 2018 tot 1 oktober 2019. Daarop staat eveneens dat het verzekerd bedrag voor huisraad is vastgesteld op € 241.120,00.
4.6.
ASR heeft bij e-mail (…) van 16 december 2021 aan de toenmalige advocaat van [eiser] bericht dat in de inboedelmeter onder punt 8 wordt gevraagd of verzekerde meer dan € 15.000,00 aan antiek, kunst, verzamelingen en instrumenten bezit. Als hier geen bedrag voor is ingevuld, is dit het maximaal verzekerde bedrag. Als hier wel een extra bedrag was opgegeven kwam dit op het polisblad te staan. Dat er een hoger bedrag dan € 15.000,00 aan [eiser] is uitgekeerd, namelijk € 27.000,00, heeft ermee te maken dat zijn polis in 2019 is omgezet naar een nieuw administratiesysteem waarbij onduidelijkheid is ontstaan over het maximaal te vergoeden bedrag.
4.7.
Bij productie 15 van [eiser] is een inboedelmeterformulier gevoegd. Hieruit blijkt wat ASR daarover in haar e-mail van 16 december 2021 heeft opgemerkt. [eiser] heeft geen ondertekende versie van het inboedelmeterformulier uit die tijd in het geding gebracht, maar de rechtbank houdt het ervoor dat het overgelegde formulier (ook) in 2006 gold en dat dit destijds door hem is ingevuld. [eiser] diende er dus zelf op bedacht te zijn dat een verzameling met een hogere waarde dan € 15.000,00, voor wat betreft die hogere waarde, niet onder het verzekerd bedrag viel en dat hij daarvan alsdan melding diende te maken. Het verzekerde bedrag is na 1 augustus 2006 echter nooit meer aangepast.
4.8.
Op welk moment de muntenverzameling van [eiser] een waarde van € 15.000,00 oversteeg, weet de rechtbank niet. Was dit voor of nadat hij zijn andere kostbaarheden bij AON had ondergebracht? Daarover stelt [eiser] niets. Vaststaat wel dat hij nooit aan [verweerder] heeft gemeld dat hij over een muntenverzameling beschikte. Ook niet toen die verzameling in de loop van de tijd aanzienlijk in waarde toenam. Hij heeft deze verzameling nooit ondergebracht in een aparte kostbaarhedenverzekering. Dit terwijl hij dat wel met zijn overige kostbaarheden had gedaan, waarvan hij tussentijds de waardevermeerderingen doorgaf.
4.9.
[eiser] is niet op de mondelinge behandeling verschenen. Daardoor is niet toegelicht waarom hij wel spontaan AON tussentijds geïnformeerd heeft over de toegenomen waarde van de kostbaarheden die hij bij AON verzekerd had, terwijl hij [verweerder] niet spontaan geïnformeerd heeft over de (toegenomen waarde van de) muntenverzameling. Waarom deze muntenverzameling wel door hem gemeld zou zijn tijdens een jaarlijks onderhoudsgesprek, is door hem niet althans niet toereikend toegelicht. Overigens is het nog maar de vraag of zo’n gesprek met [eiser] zelf zou hebben plaatsgevonden. Gebleken is immers dat [eiser] de verzekeringskwesties overliet aan zijn personeel en of zijn personeel van (de toegenomen waarde van) deze muntenverzameling op de hoogte was, is niet gesteld of gebleken. Voor [verweerder] bestond er in elk [geval,
A-G] geen aanleiding naar een muntenverzameling te vragen, omdat hij daar geen weet van had. [verweerder] hoefde daar, zonder uitdrukkelijke vragen/mededelingen daarover van [eiser] , niet op bedacht te zijn, zeker niet nu hij wist dat [eiser] elders, bij AON, een kostbaarhedenverzekering had.”
2.8
De rechtbank heeft ten slotte geconcludeerd dat niet is komen vast te staat dat met jaarlijkse controlegesprekken de onderverzekering van de muntenverzameling zou zijn voorkomen. Er kan volgens de rechtbank dus geen causaal verband tussen het (eventueel) schenden van een zorgplicht en de gestelde schade worden vastgesteld. De rechtbank heeft de schadevergoedingsvordering daarom afgewezen (rov. 4.10. en 5.1.).
Hoger beroep
2.9
[eiser] heeft op 22 juli 2022 bij het hof ’s-Hertogenbosch hoger beroep ingesteld. [11] Het hof heeft in zijn arrest van 9 mei 2023, het bestreden arrest, het vonnis van 29 juni 2022 bekrachtigd. Daartoe heeft het hof als volgt overwogen en geoordeeld (rov. 4.1.-4.9.).
2.1
Het hof heeft eerst de kern van het geschil – en in het bijzonder de inhoud van de grieven van [eiser] – weergegeven: [12]
“4.1. [eiser] houdt [verweerder] als assurantietussenpersoon aansprakelijk voor het feit dat de inboedelverzekering geen volledige dekking voor de muntenverzameling bood. [eiser] richt grief 1 tegen het oordeel van de rechtbank dat in het midden kan blijven of een onderhoudsgesprek jaarlijks vereist is. Grieven 2, 5 en 7 tot en met 12 richten zich tegen het oordeel dat causaal verband met de schade ontbreekt omdat [eiser] onvoldoende heeft onderbouwd dat – als er een onderhoudsgesprek zou zijn geweest – de muntenverzameling dan ter sprake zou zijn gekomen. De grieven 3 en 4 zien op het verzekerde bedrag, en met grief 6 klaagt hij erover dat de rechtbank er een punt van heeft gemaakt dat [eiser] niet op de mondelinge behandeling is verschenen.
4.2.
[verweerder] voert als verweer dat hij niet tekortgeschoten is en dat er geen sprake was van onderverzekering.”
2.11
Daarna heeft het hof de inhoud van de contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon beschreven:
“4.3. De zorgplicht van een assurantietussenpersoon houdt in dat hij tegenover zijn opdrachtgever de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn (HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122,
[…] /Octant). De reikwijdte van de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht, de belangen van de cliënt voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.”
2.12
Het hof heeft vervolgens het geschil in de onderhavige zaak nader ingekaderd, met name door te overwegen dat (i) vaststaat dat het bestaan en (daarmee ook) de waarde van de muntenverzameling niet bekend waren bij [verweerder] , (ii) een vraag naar welke antiek, kunst en verzamelingen buiten de door [eiser] afgesloten kostbaarhedenverzekeringen vielen niet voor de hand ligt, gezien een aantal omstandigheden van deze zaak en (iii) [verweerder] niet veel meer kon doen dan de polisvoorwaarden van een nieuwe kostbaarhedenverzekering opvragen bij [eiser] . Volgens het hof is de kernvraag van het onderhavige geschil of het bestaan en de waarde van de muntenverzameling bij [verweerder] wel bekend hadden behoren te zijn doordat een redelijke handelend assurantietussenpersoon actief bij zijn klant navraag zou hebben gedaan naar antiek, kunst en verzamelingen onder de inboedelverzekering:
“4.4. De verplichting van [verweerder] om actief te waken over de belangen van [eiser] is beperkt tot die belangen van [eiser] die bij [verweerder] bekend waren of redelijkerwijs bekend hoorden te zijn. [eiser] stelt niet dat hij ooit met [verweerder] – of met [assurantietussenpersoon] – de muntenverzameling heeft besproken, zodat in dit geschil vast staat dat het bestaan en (daarmee ook) de waarde van de muntenverzameling niet bekend waren bij [verweerder] . Naast de inboedelverzekering heeft [eiser] ook een (nieuwe) kostbaarhedenverzekeringen gesloten, voor juwelen, horloges, kunst en antiek. Onder die omstandigheden ligt de vraag naar “antiek, kunst en verzamelingen” die daarbuiten (en daarmee dus ‘gewoon’ onder de inboedelverzekering) zouden vallen niet voor de hand. Een rol speelt daarbij ook dat de nieuwe kostbaarhedenverzekeringen gesloten werden via tussenkomst van een andere assurantieadviseur[s], waardoor [verweerder] – ook door de geringe eigen contacten met [eiser] – niet veel meer kon doen dan de polisvoorwaarden van die nieuwe kostbaarhedenverzekering op te vragen bij [eiser] . De kernvraag in dit geschil is dan of het bestaan en de waarde van de muntenverzameling bij [verweerder] wel bekend hadden
behorente zijn doordat een redelijke handelend assurantietussenpersoon actief bij zijn klant navraag zou hebben gedaan naar antiek, kunst en verzamelingen onder de inboedelverzekering.”
2.13
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat niet kan worden gevergd van [verweerder] dat hij uit zichzelf zou hebben gevraagd naar de omvang van een muntenverzameling en een waardestijging daarvan:
“4.5. Waar [verweerder] niet wist van het bestaan van de muntenverzameling, kan zeker niet van hem worden gevergd dat hij uit zichzelf zou hebben gevraagd naar de omvang en de waardestijging daarvan. Omdat onder de inboedelverzekering verzamelingen alleen tot de in de inboedelwaardemeter genoemde standaard maximale bedragen van € 12.000,00 en € 15.000,00 verzekerd waren, is – anders dan [eiser] stelt – de hoogte van die bedragen voor [verweerder] ook geen aanwijzing geweest dat er een waardevolle verzameling onder de verzekering viel en dat het op zijn weg had gelegen om als redelijk handelend en redelijk bekwaam assurantietussenpersoon te vragen naar de waardeontwikkeling daarvan. Van een zorgplichtschending is derhalve geen sprake. De grieven 2, 5 en 7 tot en met 12 slagen niet.” [13]
2.14
Hierna heeft het hof geoordeeld dat (i) van [verweerder] in algemene zin kan en mag worden gevergd dat hij actief waakt voor onderverzekering, (ii) [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet meer had kunnen doen dan een algemene vraag stellen of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen (het hof heeft in het midden gelaten of [verweerder] hiertoe daadwerkelijk verplicht was), en (iii) niet voldoende onderbouwd is dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een algemene vraag van [verweerder] of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen, zou hebben geantwoord dat de muntenverzameling daaronder viel en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen:
“4.6. Het voorgaande laat onverlet dat van [verweerder] in algemene zin kan en mag worden gevergd dat hij actief waakt voor onderverzekering. Onder de gegeven omstandigheden had hij evenwel niet meer kunnen doen dan een algemene vraag stellen of er nog verdere kostbaarheden zijn die (niet onder de kostbaarhedenverzekeringen maar) onder de inboedelverzekering vallen. Met de rechtbank acht het hof niet voldoende onderbouwd dat op zo’n algemene vraag, [eiser] (of zijn medewerkers) het antwoord zou hebben gegeven dat de muntenverzameling onder de inboedelverzekering viel en dat die waarde zou (kunnen) zijn gestegen. Grief 1 slaagt niet.” [14]
2.15
Ten slotte heeft het hof geoordeeld dat (i) bij de behandeling van grieven 3, 4 en 6 bij deze uitkomst geen belang bestaat, (ii) het hof niet toekomt aan bewijslevering, en (iii) het hof het vonnis van de rechtbank bekrachtigt (rov. 4.7-5.).
Cassatieberoep
2.16
Bij procesinleiding van 8 augustus 2023 heeft [eiser] , tijdig, cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. [verweerder] heeft zich verweerd en zijn standpunt toegelicht. [eiser] heeft gerepliceerd.

3.Bespreking van het cassatiemiddel

Inleiding

3.1
Het cassatiemiddel bestaat uit een inleiding, die geen klachten bevat, een onderdeel I dat is gericht tegen rov. 4.3.-4.6., en een onderdeel II dat is gericht tegen rov. 4.7-5. Onderdeel I valt uiteen in twee subonderdelen (onderdelen “
I.1” en “
I.2”). [15] Onderdeel II bevat slechts een voortbouwklacht. Voordat ik aan de bespreking van het cassatiemiddel toekom, vat ik eerst de kern van het geschil samen en zet ik uiteen wat de contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon inhoudt.
Kern van het geschil
3.2
Centraal staat in deze zaak of het hof ten onrechte en/of onbegrijpelijk het volgende heeft geoordeeld:
- oordeel (i): niet kan worden gevergd van [verweerder] dat hij uit zichzelf zou hebben gevraagd naar de omvang van en een waardestijging van de muntenverzameling;
- oordeel (ii): [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet meer had kunnen doen dan een algemene vraag stellen of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen, waarbij het hof in het midden heeft gelaten of [verweerder] hiertoe daadwerkelijk verplicht was;
- oordeel (iii): niet voldoende onderbouwd is dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een algemene vraag van [verweerder] of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen het antwoord zou hebben gegeven dat de muntenverzameling daaronder viel en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen.
3.3
Oordelen (i) en (ii) hebben betrekking op de inhoud van de zorgplicht van [verweerder] . Oordeel (iii) heeft betrekking op het causaal verband tussen de beweerdelijke aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis – het niet stellen van de hiervoor genoemde algemene vraag – en de beweerdelijke schade van [eiser] . In cassatie bestrijdt [eiser] al deze oordelen.
3.4
Verder stel ik nog voorop dat het hof heeft geoordeeld dat van [verweerder] in algemene zin kan en mag worden gevergd dat hij actief waakt voor onderverzekering (rov. 4.6.). Dit oordeel is in cassatie niet bestreden.
Zorgplicht van een assurantietussenpersoon
3.5
Kort geleden heb ik in een conclusie het volgende uiteengezet over de zorgplicht van een assurantietussenpersoon. [16]
3.6
Uw Raad heeft over de contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon in het algemeen het volgende geoordeeld: [17]
“3.4.1 (…) Een assurantietussenpersoon dient tegenover zijn opdrachtgever de zorg te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsgenoot mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. Tot deze taak behoort in beginsel ook dat – kort gezegd – de assurantietussenpersoon de verzekeringnemer tijdig opmerkzaam maakt op de gevolgen die hem bekend geworden feiten voor de dekking van de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen kunnen hebben. Dit brengt mee dat hij erop toeziet dat door of namens de verzekeringnemer aan de verzekeraar tijdig alle mededelingen worden gedaan waarvan hij, als redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon, behoort te begrijpen dat die de verzekeraar ervan zullen (kunnen) weerhouden om, voorzover in deze zaak van belang, een beroep te doen op het vervallen van het recht op schadevergoeding wegens de niet-nakoming van de in de polisvoorwaarden opgenomen mededelingsplicht ter zake van risicoverzwarende omstandigheden. Daarbij gaat het om feiten en omstandigheden die aan de assurantietussenpersoon bekend zijn of die hem redelijkerwijs bekend behoorden te zijn. Bij dit laatste geldt dat indien de tussenpersoon met betrekking tot een hem bekende omstandigheid die mogelijk tot een beroep op risicoverzwaring aanleiding kan geven, niet over voldoende gegevens beschikt of niet ervan mag uitgaan dat de gegevens waarover hij beschikt nog volledig en juist zijn, hij daarnaar bij zijn cliënt dient te informeren.”
3.7
Uw Raad heeft daar later nog aan toegevoegd: [18]
“3.6 (…) de beantwoording van de vraag of de bank [een assurantietussenpersoon,
A-G] is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [verweerster], die meebracht dat op duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare wijze gewaarschuwd moest worden voor de gevolgen van het niet (binnen de gestelde termijn) voldoen aan alle preventiemaatregelen, diende plaats te vinden met inachtneming van alle relevante omstandigheden.
(…)
3.10 (…)
Een assurantietussenpersoon mag in het algemeen afgaan op de juistheid van een mededeling van zijn opdrachtgever dat is voldaan aan de uit de polis voortvloeiende verplichtingen tot het nemen van preventiemaatregelen. Behoudens bijzondere omstandigheden gaat zijn zorgplicht dan ook niet zo ver dat hij dient te controleren of die mededeling juist is.”
3.8
De contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon als goed opdrachtnemer is dus algemeen van aard. Als uitgangspunt geldt dat een assurantietussenpersoon als een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar moet waken over de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen, waarbij hij rekening moet houden met relevante omstandigheden van het geval die voor hem bekend zijn of voor hem bekend behoorden te zijn. De betekenis van de algemene contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon in een concreet geval hangt dus (vaak) af van de omstandigheden van het geval, en daarom is voorzichtigheid geboden bij de invulling van deze algemene zorgplicht met concretere zorgverplichtingen die altijd of voor (grote) categorieën van gevallen gelden. [19]
3.9
Ten behoeve van de beoordeling van de onderhavige zaak voeg ik aan het hiervoor uiteengezette (en herhaalde) juridisch kader nog het volgende citaat van een rechtsoverweging uit een arrest van Uw Raad toe. Uit dit citaat kan worden afgeleid dat het enkele blijken van onderverzekering nog geen aansprakelijkheid van een assurantietussenpersoon impliceert: [20]
“3.7 (…) De omstandigheid dat na contractsluiting brandschade is ontstaan aan een graafmachine van [verweerder], zodat achteraf kan worden gezegd dat de vraag of de Delta Lloyd-polis mede dekking bood voor eigen gebreken van motorrijtuigen van de verzekerde, voor [verweerder] essentieel was, doet immers niet ter zake bij de beoordeling van de zorgvuldigheid waarmee PSW [assurantietussenpersoon,
A-G] de belangen van [verweerder] diende te behartigen. Van belang is in dat verband slechts de vraag of van PSW kon worden gevergd bij de advisering van en bemiddeling voor [verweerder] ter zake van de vraag of deze zijn bij Univé lopende verzekering zou oversluiten naar Delta Lloyd, dat zij de onderhavige kwestie [de mogelijkheid dat ook motorrijtuigen tegen zelfontbranding en ontploffing zouden (kunnen) worden meeverzekerd,
A-G] onder de aandacht van [verweerder] bracht. Mede in aanmerking genomen dat de Univé-polis in het geheel geen dekking bood tegen eigen gebreken van de verzekerde voorwerpen en de Delta Lloyd-polis wél, zij het niet ten aanzien van motorrijtuigen, en voorts dat niet is gesteld dat [verweerder] in het kader van de polisvergelijking of anderszins naar voren heeft gebracht dat hij een bijzonder belang had bij de uitbreiding van de dekking op dat punt, is 's hofs oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.”
Bespreking van de klachten
3.1
Onderdeel I.1is gericht tegen rov. 4.3.-4.6. en voert in de kern [21] de volgende rechtsklacht aan. Volgens dit onderdeel heeft het hof miskend dat de zorgplicht van een assurantietussenpersoon meebrengt dat een assurantietussenpersoon een actieve rol dient te spelen ten aanzien van de in zijn portefeuille lopende verzekeringen. Concreet betekent dat volgens het onderdeel dat een assurantietussenpersoon periodiek – bijvoorbeeld telkens wanneer de polis wordt verlengd of vernieuwd – bij een verzekerde dient langs te gaan, dan wel op andere wijze in gesprek moet gaan teneinde te verifiëren of de verzekeringen nog wel
up to datezijn, welke risico’s gedekt (moeten) zijn, of die dekking en verzekeringen adequaat zijn en teneinde daar vervolgens advies over uit te brengen. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat dit meebrengt dat de aanwezigheid van die muntenverzameling bij [verweerder] bekend had
behorente zijn.
3.11
In het verlengde hiervan voert onderdeel I.1 nog een aantal (meer) specifieke klachten aan:
- de overwegingen van het hof in rov. 4.4. (afgezien van de daarin aangeduide “
kernvraag”) zijn gezien de hiervoor in randnummer 3.10 genoemde rechtsklacht niet relevant;
- de overwegingen van het hof in rov. 4.4., laatste zin, en in rov. 4.5.-4.6., miskennen dat het de taak en de zorgplicht van een assurantietussenpersoon is dat een particulier of consument, althans een cliënt van een assurantietussenpersoon, zijn verzekeringspositie kent (wat tot welk bedrag verzekerd is en waarom) en een advies krijgt hoe het een en ander eventueel beter verzekerd kan zijn (kostbaarhedenverzekering, enz.). Niet alleen moet een assurantietussenpersoon daaromtrent periodiek adviseren, maar ook rusten op hem een dossierplicht en een verzwaarde stelplicht dat hij dat ook daadwerkelijk heeft gedaan. De gemiddelde consument of particulier zal doorgaans niet helder in het vizier hebben welke objecten welke waarde hebben, hoe het zit met taxaties en eventuele onderverzekering, en deze zal evenmin zicht hebben op welk soort verzekering meer geschikt is voor welk risico. Daarvoor zou deze zich juist tot de assurantietussenpersoon wenden;
- rov. 4.5. miskent de actieve zorgplicht die op [verweerder] rust, nu (i) in de toelichting op grief 2 ligt besloten dat al sprake was van een van de standaard inboedelwaardemeter afwijkend bedrag ter zake van ‘bijzondere bezittingen’, (ii) het hof is voorbijgegaan aan de actieve onderzoeksplicht om samen met de verzekerde door te nemen wat er onder de polis verzekerd is en of dat afdoende is (en daarop de advisering af te stemmen) en (iii) de hoogte van het bedrag ter zake van ‘bijzondere bezittingen’ een aanwijzing was dat de waardevolle muntenverzameling onder de verzekering viel (zie over bijzondere bezittingen randnummer 1.12 hiervoor en rov. 4.4. van het vonnis van de rechtbank). Waar het hof in deze overweging ook aan voorbijgaat, is dat een assurantietussenpersoon een professioneel adviseur is;
- de zorgplicht van een assurantietussenpersoon vertaalt zich concreet in een verplichting om bij een klant, in het bijzonder een particuliere klant of een consument, uit eigen beweging periodiek (grief 2 van [eiser] stelt: jaarlijks) in een ‘onderhoudsgesprek’ per verzekering te inventariseren of de dekking van een verzekering nog adequaat is.
3.12
Ik geef de voorkeur aan een gezamenlijke bespreking van de klachten van onderdeel I.1, nu dit onderdeel is gericht tegen een groot deel van het bestreden arrest, en de klachten een grote mate van herhaling vertonen. De klachten bestrijden in essentie de oordelen van het hof dat (i) niet kan worden gevergd van [verweerder] dat hij uit zichzelf zou hebben gevraagd naar de omvang van en een waardestijging van de muntenverzameling en dat (ii) [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet meer had kunnen doen dan een algemene vraag stellen of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen (zie randnummers 3.2-3.3 hiervoor).
3.13
De klachten van onderdeel I.1 stuiten af op het volgende.
3.14
Allereerst: bij onderdeel I.1 ontbreekt voor een groot deel, zo niet voor het geheel, belang. Hierna zal immers blijken dat in cassatie niet succesvol wordt geklaagd over oordeel (iii) dat inhoudt dat het causaal verband tussen het niet-stellen van de algemene vraag of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen en de schade onvoldoende is onderbouwd. Zie randnummers 3.25 e.v. hierna.
3.15
Daarnaast geldt dat het hof in rov. 4.3.-4.4. en 4.6. van een juiste rechtsopvatting is uitgegaan bij zijn weergave van de inhoud van de zorgplicht van een assurantietussenpersoon. Ik verwijs naar randnummers 3.5-3.9 hiervoor om herhaling te voorkomen.
3.16
Verder is het hof bij de
invullingvan deze zorgplicht voor het onderhavige geval niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Deze invulling is bovendien niet onbegrijpelijk. In het licht van de omstandigheden dat (1) niet is gesteld dat [eiser] de muntenverzameling met [verweerder] heeft besproken en daarom moet worden aangenomen dat [verweerder] niet bekend was met de muntenverzameling, (2) [eiser] onder de inboedelverzekering had gekozen voor de (minimale) standaarddekking voor bijzondere bezittingen van (in totaal) € 27.000 (zie randnummer 1.12 hiervoor en rov. 4.4. van het vonnis van de rechtbank), en (3) [eiser] buiten [verweerder] om een nieuwe kostbaarhedenverzekering had afgesloten voor juwelen, horloges, kunst en antiek, zijn de hiervoor genoemde oordelen (i) en (ii) niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat [verweerder] een professionele partij is en [eiser] een consument althans particulier, maakt dit niet anders. Ik merk nog op dat het enkele blijken van onderverzekering niet genoeg is om een schending van de zorgplicht van een assurantietussenpersoon aan te nemen. Ik verwijs naar randnummer 3.9 en voetnoot 20 hiervoor om herhaling te voorkomen.
3.17
Voor zover onderdeel I.1 ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] niet actief hoefde te waken voor onderverzekering of dat [verweerder] niet hoefde te vragen naar verdere kostbaarheden dan juwelen, horloges, kunst en antiek, al dan niet in een periodiek onderhoudsgesprek, ter voorkoming van onderverzekering, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft dit voor een deel in het midden gelaten. Het hof heeft verder wel uitdrukkelijk geoordeeld dat van [verweerder] in algemene zin kan en mag worden gevergd dat hij actief waakt voor onderverzekering. Zie rov. 4.3.-4.4. en 4.6. van het bestreden arrest. Het hof heeft ook in het midden
kunnenlaten of [verweerder] daadwerkelijk moest vragen naar verdere kostbaarheden, al dan niet in een periodiek onderhoudsgesprek. [eiser] heeft volgens het hof immers onvoldoende onderbouwd dat het stellen van een algemene vraag of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen zijn schade zou hebben voorkomen. Zie rov. 4.6. van het bestreden arrest.
3.18
Voor zover onderdeel I.1 ervan uitgaat dat [eiser] aan [verweerder] andere verwijten heeft gemaakt dan het verwijt van [eiser] dat [verweerder] jaarlijks, middels een onderhoudsgesprek, moest controleren of de verzekerde sommen nog juist waren, [22] geldt eveneens dat het onderdeel feitelijke grondslag mist. Ook voldoet het onderdeel in zoverre niet aan de eisen die gelden voor klachten. [eiser] heeft in de procesinleiding geen vindplaatsen opgenomen waaruit volgt dat hij andere verwijten heeft gemaakt in feitelijke instanties. In hoger beroep heeft [eiser] de uitleg door de rechtbank van de door hem aangevoerde feitelijke grondslag voor een tekortkoming van [verweerder] (rov. 4.3.) ook niet met een grief bestreden (zie rov. 4.1. van het bestreden arrest; onbestreden in cassatie). Ik merk in dit verband in het bijzonder nog op dat grief 2 van [eiser] geen betrekking heeft op de inhoud van de zorgplicht van [verweerder] , maar op het door [eiser] gestelde causaal verband (zie eveneens rov. 4.1. van het bestreden arrest; onbestreden in cassatie). Uit de toelichting op grief 2 kunnen daarom geen (andere) verwijten aan [verweerder] worden afgeleid die het hof als onderdeel van de feitelijke grondslag voor een tekortkoming van [verweerder] moest beoordelen.
3.19
Onderdeel I.2is ook gericht tegen rov. 4.3.-4.6. – in het bijzonder: rov. 4.5.-4.6. – en voert in de kern drie klachten [23] aan.
3.2
Ten eerste klaagt [eiser] erover dat het oordeel van het hof dat [verweerder] niet behoorde te weten dat onder de inboedelverzekering een muntenverzameling viel, rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd. Uitgaande van de juiste rechtsopvatting, maar ook los daarvan, valt, zeker gelet op de toelichting van [eiser] op grief 2, niet in te zien dat en waarom [verweerder] niet had behoren te weten dat de muntenverzameling bestaat. De vraag die een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon had moeten stellen, is volgens [eiser] in de toelichting op grief 2, waar het bedrag van € 27.000 voor bijzondere bezittingen – “
een afwijkend, afzonderlijk hoog bedrag” – op gebaseerd is. Het is onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd dat het hof desalniettemin in rov. 4.4.-4.6. heeft aangenomen dat [verweerder] niet bekend zou zijn geworden met de muntenverzameling. Uit de stellingen uit de toelichting op grief 2 zou geen andere conclusie kunnen worden getrokken dan dat [verweerder] had behoren te weten dat er een muntenverzameling was en dat hij daarop had moeten acteren, indien hij zijn zorgplicht serieus had genomen.
3.21
Deze klacht stuit af op hetgeen ik in randnummers 3.14-3.18 heb besproken. Ik verwijs daar kortheidshalve naar. Waar de klacht ervan uitgaat dat € 27.000 voor bijzondere bezittingen “
een afwijkend, afzonderlijk hoog bedrag” is (randnummer 3.20 hiervoor), mist de klacht feitelijke grondslag in het bestreden arrest en in de gedingstukken omdat het hof € 27.000 niet een afwijkend, afzonderlijk hoog bedrag heeft genoemd (zie rov. 4.5. van het bestreden arrest) en omdat [eiser] deze kwalificatie niet in zijn toelichting op grief 2 heeft gegeven (randnummer 3.26 hierna). [eiser] heeft in zijn toelichting op grief 2 slechts gesteld dat € 27.000 “
geen gering bedrag” is en dat de “
bijzondere bezittingen(…)
meer dan 10% van de verzekerde totaalsom” vormen. Een debat over een (andere) feitelijke waardering van het bedrag van € 27.000 kan niet voor het eerst in cassatie plaatsvinden. Voor zover deze klacht bestrijdt dat niet voldoende onderbouwd is dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een algemene vraag van [verweerder] of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen het antwoord zou hebben gegeven dat de muntenverzameling daaronder viel en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen (zie rov. 4.6. van het bestreden arrest), geldt dat ik daarop in randnummers 3.25 e.v. hierna inga.
3.22
Ten tweede klaagt [eiser] erover dat het rechtens onjuist is en in het licht van de toelichting op grief 2 onbegrijpelijk dat het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] onder de gegeven omstandigheden niet meer had kunnen doen dan een algemene vraag stellen of er nog verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen. Het hof zou hier miskennen dat de assurantietussenpersoon de deskundige is en de cliënt, consument of particulier, de leek. De assurantietussenpersoon weet als deskundige, of behoort te weten wat van belang is en dient dus dóór te vragen: wat valt er onder de polis, wat is dat waard, en hoe verhoudt zich dat met de huidige dekking? Het hof zou hebben miskend dat [eiser] (of zijn medewerkers) op deze specifieke vragen het antwoord zou(den) hebben gegeven dat de muntenverzameling onder de inboedelverzekering viel en dat die waarde zou (kunnen) zijn gestegen. [verweerder] zou dan hebben moeten onderzoeken of de dekking voldoende is en of een meer passende verzekering zou moeten worden afgesloten.
3.23
Deze klacht stuit af op hetgeen ik in randnummers 3.14-3.18 en 3.21 hiervoor heb besproken. Ik verwijs daar kortheidshalve naar. Daar voeg ik hier nog het volgende aan toe. Als [verweerder] bekend zou zijn geworden met de muntenverzameling door het stellen van de algemene vraag of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen – hetgeen onderwerp van geschil is, zie randnummers 3.25 e.v. hierna – had [verweerder]
daarnawellicht aanvullende acties moeten verrichten om aan zijn zorgplicht te voldoen (bijvoorbeeld: extra vragen stellen en/of onderzoek doen naar dekking). Verwijten die betrekking hebben op deze (nagelaten) vervolgacties hoefde het hof echter niet te beoordelen als onderdeel van de aangevoerde feitelijke grondslag voor een tekortkoming van [verweerder] ; de vraag of deze verwijten terecht zijn, is als zodanig niet relevant voor de beantwoording van de vraag of [eiser] schade heeft geleden door het (gestelde) achterwege blijven van de algemene vraag of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen. Zie als gezegd verder randnummers 3.14-3.18 hiervoor.
3.24
Ten derde klaagt [eiser] over het oordeel van het hof dat niet voldoende onderbouwd is dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een algemene vraag van [verweerder] of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen het antwoord zou(den) hebben gegeven dat de muntenverzameling daaronder viel en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen (oordeel (iii)). Dit oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting (art. 149 Rv Pro) en is onbegrijpelijk, althans niet toereikend gemotiveerd gelet op hetgeen [eiser] in de toelichting op grief 2 heeft gesteld. [eiser] heeft immers gesteld dat voor de bijzondere bezittingen een behoorlijk bedrag is meeverzekerd, dat [verweerder] indien hij het gesprek over de dekking zou hebben gevoerd zou hebben gevraagd (of moeten hebben gevraagd) waarop dit bedrag gebaseerd is en vervolgens tijdens of na dat gesprek onvermijdelijk de vraag zou zijn (of had moeten worden) gesteld of die dekking nog wel voldoende was. Het antwoord daarop zou dan negatief zijn geweest omdat er intussen (veel) munten waren bijgekocht, waarna het advies zou zijn gegeven om de dekking te verhogen, of aannemelijker: dat deze apart zouden worden verzekerd in een kostbaarhedenverzekering. Het hof miskent aldus dat er veel meer of anders ook niet te stellen valt. Het oordeel van het hof dat die stelplicht méér omvat, is kennelijk ingegeven doordat het hof een te beperkte taakopvatting heeft van wat een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon dient te doen in het kader van zijn zorgplicht. Er viel dan ook in redelijkheid niet méér of anders te stellen dan hetgeen [eiser] op dit punt heeft gedaan, zodat het hof te hoge eisen heeft gesteld aan die stelplicht en dus blijk heeft gegeven van een onjuiste toepassing van art. 24 en Pro 149 Rv, althans een onbegrijpelijk, dan wel niet toereikend gemotiveerd, oordeel heeft gegeven. Het hof had dit oordeel in ieder geval beter moeten motiveren. Het oordeel zou gelet op de toelichting van grief 2 ook geenszins begrijpelijk zijn.
3.25
Deze klacht faalt. Voordat ik dit toelicht, geef ik eerst weer wat [eiser] in de toelichting op grief 2 – die is gericht tegen het causaliteitsoordeel van de rechtbank, zie randnummer 3.18 hiervoor – heeft gesteld, en hoe het hof het gestelde causaal verband heeft beoordeeld.
3.26
De toelichting op grief 2 houdt het volgende in: [24]
“• Bij zo’n jaarlijks onderhoudsgesprek neemt de assurantietussenpersoon de polissen met de klant/verzekeringnemer door. Via het agentschap van [verweerder] had [eiser] zijn woonhuis, inboedel, ziektekosten en aansprakelijkheid verzekerd. Alleen de kostbaarhedenpolis liep op de beurs.
• De premievervaldatum op de inboedelpolis is elk jaar 1 oktober.
• Met ingang van 1 februari 2019 is er dus wegens bijzondere bezittingen € 27.000,- op de polis meeverzekerd.
• Dat is geen gering bedrag.
• De bijzondere bezittingen vormen meer dan 10% van de verzekerde totaalsom.
• Bij een bespreking van zo'n polis zou de assurantietussenpersoon ongetwijfeld aan de verzekeringnemer hebben gevraagd welke die bijzondere bezittingen zijn (als hij dat niet al wist) en of de waarde nog juist is.
• Het is ondenkbaar, dat dat aspect in zo'n jaargesprek niet aan de orde zou zijn geweest. Anders zou zo'n jaargesprek geen enkele zin hebben gehad. Zo'n jaargesprek gaat er nu juist om, dat de assurantietussenpersoon verifieert of de polissen nog in orde zijn (pro actief waken).
• [eiser] zou hem dan ongetwijfeld hebben verteld over de toename van het aantal munten sinds de aanvangsdatum van de polis en dus de waardestijging van de verzameling en dan had [verweerder] meteen maatregelen kunnen nemen en [eiser] kunnen adviseren om de muntenverzameling integraal mee te verzekeren op de kostbaarhedenpolis bij AON. Daar zijn muntenverzamelingen van die orde van grootte mede te dekken op de beurspolis.
• Nu redeneert de Rechtbank hypothetisch zonder enige feitelijke grondslag.”
3.27
Het hof heeft geoordeeld dat niet voldoende is onderbouwd dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een algemene vraag van [verweerder] of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen het antwoord zou(den) hebben gegeven dat de muntenverzameling daaronder viel en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen. [25] Het hof heeft hierbij verwezen – zo begrijp ik het bestreden arrest – naar de motivering die de rechtbank hiervoor in rov. 4.4.-4.9. van haar vonnis heeft gegeven (“
Met de rechtbank”). [26] Ik lees rov. 4.6. van het bestreden arrest zo dat het hof deze motivering heeft overgenomen. [27] Deze motivering komt er in de kern op neer dat [eiser] , daargelaten of het stellen van een dergelijke algemene vraag van [verweerder] daadwerkelijk verlangd kon worden, onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van het hiervoor bedoelde causaal verband, gelet op een aantal vaststaande feiten en omstandigheden in deze zaak. [28] Het gaat daarbij met name om de volgende – en door mij enigszins geparafraseerd weergegeven – feiten en omstandigheden, in samenhang bezien (zie randnummer 2.7 hiervoor):
- [eiser] heeft nooit aan [verweerder] gemeld dat hij over een muntenverzameling beschikte, ook niet na een aanzienlijke stijging van de waarde van de muntenverzameling;
- [eiser] heeft de muntenverzameling nooit ondergebracht in een aparte kostbaarhedenverzekering, terwijl hij dat wel met andere kostbaarheden deed. Voor die andere kostbaarheden gaf hij uit zichzelf tussentijds waardestijgingen door;
- [eiser] heeft niet toegelicht waarom hij
welspontaan en tussentijds Aon Artscope heeft geïnformeerd over stijgingen van de waarde van kostbaarheden die hij bij Aon Artscope had verzekerd, terwijl hij
geenstijgingen van de waarde van de muntenverzameling doorgaf;
- [eiser] heeft niets gesteld over de vraag wanneer de muntenverzameling een hogere waarde kreeg dan € 15.000. [eiser] heeft bijvoorbeeld niet toegelicht of de waarde van de muntenverzameling hoger dan € 15.000 was geworden vóór of ná het afsluiten van een kostbaarhedenverzekering bij Aon Artscope;
- [eiser] wist, althans wordt geacht te weten, dat de verzekerde waarde van de inboedel op 1 augustus 2006 met behulp van de inboedelmeter is vastgesteld, en aangenomen wordt dat [eiser] in 2006 de inboedelmeter heeft ingevuld;
- op de vraag in de inboedelmeter of [eiser] meer dan € 15.000 aan antiek, kunst, verzamelingen en instrumenten bezit, is geen antwoord gegeven. [eiser] heeft op 1 augustus 2006 en daarna dit bedrag en (dus) deze dekking niet verhoogd;
- het is de vraag of [eiser] bij een onderhoudsgesprek met [verweerder] zelf aanwezig zou zijn geweest. Gebleken is dat [eiser] de verzekeringskwesties overliet aan zijn personeel en de vraag of zijn personeel van (de toegenomen waarde van) deze muntenverzameling op de hoogte was, heeft [eiser] niet beantwoord.
3.28
Ik kom nu toe aan de bespreking van de klacht. Ik meen dat oordeel (iii) uit het bestreden arrest in het licht van de motivering door de rechtbank niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting en ook niet onbegrijpelijk is. Het hof heeft in mijn opvatting kunnen oordelen dat gelet op deze motivering een (betere) onderbouwing van het causaal verband mocht worden verwacht van [eiser] . [29] [eiser] had gelet op deze motivering (precieze) stellingen kunnen en moeten innemen over de vraag hoe de waarde van de muntenverzameling zich heeft ontwikkeld (met name: wanneer oversteeg deze waarde het bedrag van € 15.000?), waarom [eiser] geen stijgingen van de waarde van de muntenverzameling doorgaf (terwijl hij dat wel deed voor andere kostbaarheden), en of zijn personeel – dat verzekeringskwesties voor hem afhandelde – wist van het bestaan van de muntenverzameling. Het hof heeft daarom terecht en begrijpelijk geoordeeld dat niet voldoende is onderbouwd dat [eiser] (of zijn personeel) op de algemene vraag van [verweerder] of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen het antwoord zou hebben gegeven dat de muntenverzameling daaronder viel en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen. [30] Verder valt niet in te zien dat – zoals de klacht zonder adequate toelichting aanvoert – het hof een oordeel zou hebben gegeven dat in strijd is met art. 24 of Pro 149 Rv.
3.29
Ik voeg aan het voorgaande nog toe dat [eiser] wat mij betreft – de rechtbank overweegt dit niet uitdrukkelijk, maar dit valt wel uit haar motivering af te leiden – ook had moeten onderbouwen waarom [eiser] niet uit eigen beweging [verweerder] heeft geïnformeerd over het bestaan van de muntenverzameling (ook niet na een waardestijging daarvan), waarom [eiser] geen aparte kostbaarhedenverzekering heeft afgesloten voor de muntenverzameling althans waarom hij deze niet op een bestaande kostbaarhedenverzekering heeft ondergebracht, welke kennis [eiser] op welk moment had over de waarde van de muntenverzameling, en waarom [eiser] op het inboedelformulier uit 2006 of op enig moment daarna niet zelf heeft gekozen voor een hogere dekking voor wat betreft antiek, kunst, verzamelingen en instrumenten onder de inboedelverzekering. [31] Ik kan mij ten slotte voorstellen dat het hof ook al direct had kunnen oordelen dat het causaal verband, gezien de vaststaande omstandigheden van het geval, onvoldoende aannemelijk is. [32]
3.3
Onderdeel IIfaalt in het spoor van onderdeel I.
Slotsom
3.31
Nu alle klachten falen, is de slotsom dat het cassatieberoep tevergeefs is ingesteld.

4.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Deze feiten zijn, met een aantal redactionele aanpassingen, ontleend aan het bestreden arrest: hof ’s- Hertogenbosch 9 mei 2023, ECLI:NL:GHSHE:2023:1482, rov. 2.2.-2.12.
2.Deze brief is als productie 4 bij de inleidende dagvaarding overgelegd.
3.Deze brief is als productie 5 bij de inleidende dagvaarding overgelegd.
4.Deze polis is als productie 2 bij de conclusie van antwoord overgelegd.
5.De Bijzondere Voorwaarden Inboedelverzekering All Risks zijn als productie 4 bij de conclusie van antwoord overgelegd.
6.Deze inboedelmeter is als productie 15 bij de akte van [eiser] d.d. 9 februari 2022 overgelegd.
7.Deze e-mail is als productie 15 bij de akte van [eiser] d.d. 9 februari 2022 overgelegd.
8.Rb. Limburg 29 juni 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:5055.
9.Rb. Limburg 29 juni 2022, ECLI:NL:RBLIM:2022:5055.
10.Ik heb deze overwegingen van de rechtbank geciteerd, omdat het hof deze motivering in het bestreden arrest heeft overgenomen (rov. 4.6.).
11.[eiser] heeft in hoger beroep zijn vordering tot betaling van € 69.570 niet gewijzigd. Zie rov. 3.2. van het bestreden arrest.
12.Onbestreden in cassatie.
13.Bij grieven 2, 5 en 7 tot en met 12 bestaat in ieder geval geen belang voor zover geen zorgplichtschending wordt aangenomen. Zie rov. 4.1. van het bestreden arrest voor een duiding van de inhoud van de grieven.
14.Bij grief 1 bestaat in ieder geval geen belang als het causaal verband niet wordt aangenomen. Zie rov. 4.1. van het bestreden arrest voor een duiding van de inhoud van de grieven.
15.De procesinleiding bevat in randnummer I.2.3. een conclusie die slechts een herhaling van eerder aangevoerde klachten bevat. Op deze conclusie ga ik hierna niet afzonderlijk in.
16.Zie mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:258) van 8 maart 2024 voor HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:626 (art. 81 RO Pro), randnummers 3.6-3.8.
17.HR 10 januari 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF0122,
18.HR 13 april 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV6693,
19.Zie ter illustratie van dit punt HR 10 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:209,
20.HR 1 oktober 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9900,
21.De procesinleiding duidt onderdeel I.1 aan als “
22.Ik lees het bestreden arrest, rov. 4.6., zo dat het hof daarin in essentie dit verwijt centraal heeft gesteld, weliswaar met andere bewoordingen dan de bewoordingen die de rechtbank in haar vonnis, rov. 4.3.-4.4., heeft gekozen. Uiteindelijk is doorslaggevend voor de vraag of [verweerder] onzorgvuldig heeft gehandeld of [verweerder] de genoemde algemene vraag had moeten stellen,
23.De procesinleiding duidt onderdeel I.2 aan als “
24.Zie memorie van grieven, randnummer 4.2. Zie voorts de procesinleiding, p. 5.
25.Het hof heeft in het midden gelaten of [verweerder] daadwerkelijk
26.De rechtbank heeft deze motivering kennelijk (mede) gebaseerd op de betwistingen van [verweerder] . Zie voor deze betwistingen de memorie van antwoord, randnummers 4.1.2-4.5.1, die (onder meer) deze betwistingen bevatten.
27.De rechtbank en het hof zijn in mijn lezing dus bij hun beoordeling van het causaal verband van in de kern hetzelfde verwijt uitgegaan. Zie voetnoot 22 hiervoor.
28.De motivering door de rechtbank is niet heel
29.Zie over eisen aan de stelplicht Asser Procesrecht/A.C. van Schaick,
30.Dat – zoals de klacht nog aanvoert – het oordeel van het hof dat de stelplicht van [eiser] meer omvat dan dat hij heeft gesteld, ingegeven zou zijn door een te beperkte taakopvatting van wat een redelijk bekwaam en redelijk handelend assurantietussenpersoon dient te doen in het kader van zijn zorgplicht, mist feitelijke grondslag.
31.Ik trof deze onderbouwing niet aan in de inleidende dagvaarding, de spreekaantekeningen van [eiser] d.d. 1 december 2021, het proces-verbaal d.d. 1 december 2021 of in de memorie van grieven. Dat [eiser] ervan zou zijn uitgegaan dat [verweerder] over zijn polissen waakte en dat het goed geregeld was zolang hij van [verweerder] niets anders hoorde (inleidende dagvaarding, randnummer 4.5), is niet een voldoende gemotiveerde stelling.
32.Zie over het causaal verband verder schriftelijke toelichting, randnummers 4.7.-4.8., met verwijzing naar vindplaatsen van stellingen in feitelijke instanties, en repliek, randnummer 8. Zie voor het partijdebat in feitelijke instanties over het (beweerdelijke) causaal verband: inleidende dagvaarding, randnummers 3.4, 4.4, 5.14, spreekaantekeningen van [eiser] d.d. 1 december 2021, randnummers 5.-6., 33.-34. en 37., memorie van grieven, randnummers 4.2, 4.5 en 4.7-4.12 en memorie van antwoord, randnummers 4.1.2.-4.5.1.