Conclusie
In deze zaak heeft de rechtbank geoordeeld dat in het midden kan blijven of [verweerder] een verwijt treft omdat hij niet in een periodiek gesprek met [eiser] heeft gevraagd of de verzekeringen van [eiser] aanpassing behoefden in die zin dat de verzekerde som moet worden verhoogd ter voorkoming van onderverzekering, nu [eiser] onvoldoende heeft gesteld dat de muntenverzameling aan de orde zou zijn gekomen en daardoor onderverzekering van de muntenverzameling zou zijn voorkomen. De rechtbank heeft [eiser] ’s schadevergoedingsvordering daarom afgewezen. [eiser] heeft hiertegen hoger beroep ingesteld, maar zonder succes. Het hof heeft in de kern geoordeeld dat (i) niet kan worden gevergd van [verweerder] dat hij uit zichzelf zou hebben gevraagd naar de omvang van en een waardestijging van de muntenverzameling, (ii) [verweerder] in de gegeven omstandigheden niet meer had kunnen doen dan een algemene vraag stellen of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen en (iii) niet voldoende is onderbouwd dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een dergelijke algemene vraag, bevestigend zou(den) hebben geantwoord, daarbij aangegeven zou(den) hebben dat het om een muntenverzameling ging en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen. In cassatie valt [eiser] deze oordelen aan.
1.Feiten
7.Audio-, video-, en computerapparatuur
A-G] in deze inboedelmeter extra optellen bij uw verzekerd bedrag
8.Antiek, kunst, verzamelingen en instrumenten
A-G] in deze inboedelmeter extra optellen bij uw verzekerd bedrag
2.Procesverloop
Eerste aanleg
A-G] bij voorraad, [verweerder] veroordeelt tot betaling van € 69.570,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 8 juli 2019 tot de dag der algehele voldoening en € 875,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf heden (1 september 2020) tot de dag der algehele voldoening, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten.
A-G] geen aanleiding naar een muntenverzameling te vragen, omdat hij daar geen weet van had. [verweerder] hoefde daar, zonder uitdrukkelijke vragen/mededelingen daarover van [eiser] , niet op bedacht te zijn, zeker niet nu hij wist dat [eiser] elders, bij AON, een kostbaarhedenverzekering had.”
[…] /Octant). De reikwijdte van de op de assurantietussenpersoon rustende zorgplicht is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, met name van de aard en inhoud van de opdracht, de belangen van de cliënt voor zover die kenbaar zijn voor de tussenpersoon en de overige omstandigheden van het geval.”
behorente zijn doordat een redelijke handelend assurantietussenpersoon actief bij zijn klant navraag zou hebben gedaan naar antiek, kunst en verzamelingen onder de inboedelverzekering.”
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
I.1” en “
I.2”). [15] Onderdeel II bevat slechts een voortbouwklacht. Voordat ik aan de bespreking van het cassatiemiddel toekom, vat ik eerst de kern van het geschil samen en zet ik uiteen wat de contractuele zorgplicht van een assurantietussenpersoon inhoudt.
A-G] is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [verweerster], die meebracht dat op duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare wijze gewaarschuwd moest worden voor de gevolgen van het niet (binnen de gestelde termijn) voldoen aan alle preventiemaatregelen, diende plaats te vinden met inachtneming van alle relevante omstandigheden.
A-G] de belangen van [verweerder] diende te behartigen. Van belang is in dat verband slechts de vraag of van PSW kon worden gevergd bij de advisering van en bemiddeling voor [verweerder] ter zake van de vraag of deze zijn bij Univé lopende verzekering zou oversluiten naar Delta Lloyd, dat zij de onderhavige kwestie [de mogelijkheid dat ook motorrijtuigen tegen zelfontbranding en ontploffing zouden (kunnen) worden meeverzekerd,
A-G] onder de aandacht van [verweerder] bracht. Mede in aanmerking genomen dat de Univé-polis in het geheel geen dekking bood tegen eigen gebreken van de verzekerde voorwerpen en de Delta Lloyd-polis wél, zij het niet ten aanzien van motorrijtuigen, en voorts dat niet is gesteld dat [verweerder] in het kader van de polisvergelijking of anderszins naar voren heeft gebracht dat hij een bijzonder belang had bij de uitbreiding van de dekking op dat punt, is 's hofs oordeel zonder nadere toelichting, die ontbreekt, onbegrijpelijk.”
up to datezijn, welke risico’s gedekt (moeten) zijn, of die dekking en verzekeringen adequaat zijn en teneinde daar vervolgens advies over uit te brengen. Het hof heeft volgens het onderdeel miskend dat dit meebrengt dat de aanwezigheid van die muntenverzameling bij [verweerder] bekend had
behorente zijn.
kernvraag”) zijn gezien de hiervoor in randnummer 3.10 genoemde rechtsklacht niet relevant;
invullingvan deze zorgplicht voor het onderhavige geval niet uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. Deze invulling is bovendien niet onbegrijpelijk. In het licht van de omstandigheden dat (1) niet is gesteld dat [eiser] de muntenverzameling met [verweerder] heeft besproken en daarom moet worden aangenomen dat [verweerder] niet bekend was met de muntenverzameling, (2) [eiser] onder de inboedelverzekering had gekozen voor de (minimale) standaarddekking voor bijzondere bezittingen van (in totaal) € 27.000 (zie randnummer 1.12 hiervoor en rov. 4.4. van het vonnis van de rechtbank), en (3) [eiser] buiten [verweerder] om een nieuwe kostbaarhedenverzekering had afgesloten voor juwelen, horloges, kunst en antiek, zijn de hiervoor genoemde oordelen (i) en (ii) niet onjuist of onbegrijpelijk. Dat [verweerder] een professionele partij is en [eiser] een consument althans particulier, maakt dit niet anders. Ik merk nog op dat het enkele blijken van onderverzekering niet genoeg is om een schending van de zorgplicht van een assurantietussenpersoon aan te nemen. Ik verwijs naar randnummer 3.9 en voetnoot 20 hiervoor om herhaling te voorkomen.
kunnenlaten of [verweerder] daadwerkelijk moest vragen naar verdere kostbaarheden, al dan niet in een periodiek onderhoudsgesprek. [eiser] heeft volgens het hof immers onvoldoende onderbouwd dat het stellen van een algemene vraag of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen zijn schade zou hebben voorkomen. Zie rov. 4.6. van het bestreden arrest.
een afwijkend, afzonderlijk hoog bedrag” – op gebaseerd is. Het is onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd dat het hof desalniettemin in rov. 4.4.-4.6. heeft aangenomen dat [verweerder] niet bekend zou zijn geworden met de muntenverzameling. Uit de stellingen uit de toelichting op grief 2 zou geen andere conclusie kunnen worden getrokken dan dat [verweerder] had behoren te weten dat er een muntenverzameling was en dat hij daarop had moeten acteren, indien hij zijn zorgplicht serieus had genomen.
een afwijkend, afzonderlijk hoog bedrag” is (randnummer 3.20 hiervoor), mist de klacht feitelijke grondslag in het bestreden arrest en in de gedingstukken omdat het hof € 27.000 niet een afwijkend, afzonderlijk hoog bedrag heeft genoemd (zie rov. 4.5. van het bestreden arrest) en omdat [eiser] deze kwalificatie niet in zijn toelichting op grief 2 heeft gegeven (randnummer 3.26 hierna). [eiser] heeft in zijn toelichting op grief 2 slechts gesteld dat € 27.000 “
geen gering bedrag” is en dat de “
bijzondere bezittingen(…)
meer dan 10% van de verzekerde totaalsom” vormen. Een debat over een (andere) feitelijke waardering van het bedrag van € 27.000 kan niet voor het eerst in cassatie plaatsvinden. Voor zover deze klacht bestrijdt dat niet voldoende onderbouwd is dat [eiser] (of zijn medewerkers) op een algemene vraag van [verweerder] of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen het antwoord zou hebben gegeven dat de muntenverzameling daaronder viel en dat de waarde daarvan zou (kunnen) zijn gestegen (zie rov. 4.6. van het bestreden arrest), geldt dat ik daarop in randnummers 3.25 e.v. hierna inga.
daarnawellicht aanvullende acties moeten verrichten om aan zijn zorgplicht te voldoen (bijvoorbeeld: extra vragen stellen en/of onderzoek doen naar dekking). Verwijten die betrekking hebben op deze (nagelaten) vervolgacties hoefde het hof echter niet te beoordelen als onderdeel van de aangevoerde feitelijke grondslag voor een tekortkoming van [verweerder] ; de vraag of deze verwijten terecht zijn, is als zodanig niet relevant voor de beantwoording van de vraag of [eiser] schade heeft geleden door het (gestelde) achterwege blijven van de algemene vraag of er verdere kostbaarheden zijn die (niet onder een kostbaarhedenverzekering maar) onder de inboedelverzekering vallen. Zie als gezegd verder randnummers 3.14-3.18 hiervoor.
Met de rechtbank”). [26] Ik lees rov. 4.6. van het bestreden arrest zo dat het hof deze motivering heeft overgenomen. [27] Deze motivering komt er in de kern op neer dat [eiser] , daargelaten of het stellen van een dergelijke algemene vraag van [verweerder] daadwerkelijk verlangd kon worden, onvoldoende heeft gesteld dat sprake is van het hiervoor bedoelde causaal verband, gelet op een aantal vaststaande feiten en omstandigheden in deze zaak. [28] Het gaat daarbij met name om de volgende – en door mij enigszins geparafraseerd weergegeven – feiten en omstandigheden, in samenhang bezien (zie randnummer 2.7 hiervoor):
welspontaan en tussentijds Aon Artscope heeft geïnformeerd over stijgingen van de waarde van kostbaarheden die hij bij Aon Artscope had verzekerd, terwijl hij
geenstijgingen van de waarde van de muntenverzameling doorgaf;