Conclusie
1.Feiten
2.Procesverloop
Eerste aanleg
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Inleiding
centrale rechtsklacht”, zeven “
vervolgklachten” en een voorwaardelijke motiveringsklacht (genummerd als klachten 1.-9.), alsmede een ongenummerde voortbouwklacht (onder het kopje “
Slotopmerkingen”), bevat. De klachten met nummers 1.-9. zijn gericht tegen rov. 3.17. van het bestreden arrest. De ongenummerde voortbouwklacht is gericht tegen rov. 3.17. en het dictum van het bestreden arrest.
bestaande financieringsrelatie” (ik neem aan dat [eiser] voor deze zaak bedoelt: de verzekering bij Interpolis en de financiering bij Rabobank) in de advisering dient te betrekken (hierna: ‘de door [eiser] bepleite hoofdregel’).
A-G] is tekortgeschoten in haar zorgplicht jegens [verweerster], die meebracht dat op duidelijke en niet voor tweeërlei uitleg vatbare wijze gewaarschuwd moest worden voor de gevolgen van het niet (binnen de gestelde termijn) voldoen aan alle preventiemaatregelen, diende plaats te vinden met inachtneming van alle relevante omstandigheden.
in het onderhavige geval. Uitgangspunt is dat de vof niet wist van het bestaan van de ziekte van [betrokkene 1] die zij had op het moment van de beëindiging van de verzekering bij Interpolis, en uit het oordeel van het hof volgt dat de vof gelet op onder meer [eiser] voorkeur om op een andere hypotheekfinancier over te stappen ervan kon uitgaan dat een verzekering bij een andere partij zou moeten worden afgesloten, terwijl er voor de vof in de gegeven omstandigheden van het geval geen aanleiding bestond om zelf mogelijkheden van verlenging en continuering van de bestaande verzekering te onderzoeken of [eiser] daarop te attenderen. Het is niet onbegrijpelijk of onjuist dat het hof onder deze omstandigheden en gelet op de betwisting door [verweerder] heeft verlangd van [eiser] dat deze beter moest onderbouwen waarom de vof desondanks in strijd met haar (contractuele) zorgplicht heeft gehandeld door beëindiging van de verzekering bij Interpolis te adviseren. Dit oordeel van het hof sluit ook goed aan bij de hoofdregel van art. 150 Rv Pro, op grond waarvan de stelplicht en bewijslast ten aanzien van de aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis op [eiser] rusten. [17]
het recht” niet bewezen hoeft te worden.
Haviltex-)uitleg.
om te onderzoeken of de levensverzekering kon worden voortgezet. Dat laatste is niet hetzelfde als het betrekken van de bestaande financieringsrelatie in de advisering. Het hof heeft als gezegd vervolgens in rov. 3.17. geoordeeld dat (i) op [eiser] de plicht rust om voldoende feiten en omstandigheden te stellen en zo nodig te bewijzen dat de opdracht aan de vof mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden en dat de vof op dit punt een beroepsfout heeft gemaakt door te adviseren om deze verzekering te beëindigen en (ii) de vof heeft geadviseerd de verzekering bij Interpolis te beëindigen (en dus dat de vof de bestaande financieringsrelatie wél in haar advisering heeft betrokken). De hier genoemde bewijslastverdeling is juist. Ik verwijs verder naar randnummers 3.4-3.9, 3.11 en 3.13 hiervoor om herhaling te voorkomen.
wel of nietvoortvloeit. Het hof heeft terecht en begrijpelijk geoordeeld dat in de onderhavige zaak niet is komen vast te staan dat deze verplichting op de vof rustte, ook niet in het licht van de aard van de overeenkomst. Voor aanvulling op de voet van de gewoonte, als bedoeld in art. 6:248 lid 1 BW Pro, geldt
mutatis mutandishetzelfde. [23] Ik verwijs wederom in het algemeen naar randnummers 3.4-3.9, 3.11 en 3.13 hiervoor om herhaling te voorkomen.
verderop in rov. 3.17 relateert”.
op hetgeen verder in rov. 3.17 is overwogen” en ook heeft het hof geen oordelen gegeven die in strijd zijn met de door [eiser] bepleite hoofdregel. Deze klacht mist dus feitelijke grondslag. Ik verwijs verder naar randnummers 3.4-3.9, 3.11, 3.13 en 3.15-3.16 hiervoor om herhaling te voorkomen.
Dat [eiser] toen niet heeft uitgesloten dat hij voor de hypotheekfinanciering bij Rabobank zou blijven en evenmin heeft uitgesloten dat de bestaande levensverzekering bij Interpolis zou worden gecontinueerd, maakt dat niet anders.”, uitgaande van de juiste rechtsregel in strijd met de logica en onbegrijpelijk is, omdat zich geen uitzondering voordoet op de door [eiser] bepleite hoofdregel nu [eiser] niet heeft uitgesloten dat hij voor de hypotheekfinanciering bij Rabobank zou blijven en evenmin heeft uitgesloten dat de bestaande levensverzekering bij Interpolis zou worden gecontinueerd. De vof had volgens deze klacht sowieso ook het instandhouden van de oude financiering in de advisering moeten betrekken. [24]
Waar het immers op aankomt, is of [de vof] destijds heeft begrepen of heeft moeten begrijpen dat [eiser] de mogelijkheid van voortgezette financiering door de Rabobank met bijbehorende levensverzekering via Interpolis, wilde openhouden.” en “
[eiser] stelt echter geen concrete feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat [de vof] dit destijds begreep of heeft moeten begrijpen.” onjuist zijn. Nu niet is gebleken van omstandigheden die aanleiding geven om af te wijken van de door [eiser] bepleite hoofdregel, moest de onafhankelijke hypotheekadviseur de bestaande financiering in zijn advisering betrekken, ongeacht de vraag of hij dat begreep. Dat hij het had moeten begrijpen ligt in de door [eiser] bepleite hoofdregel besloten en is dus ook niet een feitenkwestie, waarop de regels van art. 149 en Pro 150 Rv van toepassing zijn.
op dit punt” (als bedoeld in de eerste zin van rov. 3.17.) niet gehouden was te adviseren. De klacht houdt het volgende in. Mocht het hof uit de omstandigheid dat het continueren van de levensverzekering niet mogelijk was, hebben afgeleid dat niet is bewezen dat de vof een beroepsfout maakte door te adviseren de verzekering te beëindigen, dan is dat oordeel onbegrijpelijk, aangezien de verzekering ook in die situatie gecontinueerd had kunnen worden, door (zoals [eiser] ten overvloede ook heeft gesteld) [25] die financiering in stand te laten. Als de vof de bestaande financiering in de advisering diende te betrekken (de door [eiser] bepleite hoofdregel) dan is, nu de vof niet heeft geadviseerd over het aldus in stand laten van die financiering, onbegrijpelijk hoe het hof tot het oordeel heeft kunnen komen dat de beroepsfout niet is komen vast te staan, nu [eiser] ook onderbouwd gesteld heeft dat dat verreweg het goedkoopst en het veiligst zou zijn geweest. [26]
op dit punt” (als bedoeld in de eerste zin van rov. 3.17.) niet gehouden was te adviseren. Het hof heeft geen van beide geoordeeld. Het hof heeft geoordeeld dat [eiser]
onvoldoende heeft aangevoerdom een beroepsfout te kunnen aannemen en het hof heeft daarbij wél voortgebouwd op zijn oordeel in de tweede zin van rov. 3.17. dat [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [verweerder] te weinig concreet heeft gemaakt dat en waarom de opdracht aan de vof mede inhield te onderzoeken of de levensverzekering bij Interpolis kon worden behouden (“
op dit punt”, als bedoeld in de eerste zin van rov. 3.17.). Ten overvloede merk ik op dat deze klacht hoe dan ook feitelijke grondslag mist waar de klacht ervan uitgaat dat het hof (mogelijk) op basis van de omstandigheid dat het continueren van de verzekering niet mogelijk was heeft geoordeeld dat niet is bewezen dat de vof een beroepsfout heeft gemaakt. Dat is niet de redenering van het hof. Reeds daaruit vloeit voort dat deze klacht niet tot cassatie kan leiden. Ik verwijs voor die redenering, die in mijn opvatting een toets in cassatie kan doorstaan, naar randnummers 3.4-3.9, 3.11, 3.13, 3.15-3.16 en 3.22 hiervoor.
Slotopmerkingen” geldt dat deze faalt in het spoor van de hiervoor besproken klachten.