Conclusie
Bewijsmiddelen
het hof begrijpt telkens: bij gebruik van de telefoon een cell-id (antenne van een zendmast) heeft aangestraald die een gebied bereikt waarin de betreffende woning is gelegen). De telefoon in gebruik bij [betrokkene 2] bevond zich om 17.07 uur ook in dat gebied. Tussen 18.08 uur en 19.54 uur bevond de telefoon van [betrokkene 2] zich in een geografisch gebied waarin de woning van [verdachte] is gelegen. Ook de telefoon van [betrokkene 3] maakte om 20.08 uur (de eerste registratie sinds 16.15 uur) contact met een cell-id die het gebied kan bereiken waarin de woning van [verdachte] is gelegen.
NJ2019/103, m.nt. Wolswijk weten, “geen wezenlijk andere of grotere mate van waarschijnlijkheid tot uitdrukking is gebracht dan met de in oudere rechtspraak, zoals in HR 9 november 1954, NJ 1955/55, gebruikte formulering "de geenszins als denkbeeldig te verwaarlozen kans"”.
NJ2003/552, m.nt. Buruma waarin de Hoge Raad ook nog het volgende overweegt: “Uit de enkele omstandigheid dat de verdachte wetenschap heeft van de aanmerkelijke kans dat het gevolg zal intreden, dan wel die wetenschap bij hem moet worden verondersteld, kan niet zonder meer volgen dat hij de aanmerkelijke kans op het gevolg ook bewust heeft aanvaard, omdat in geval van die wetenschap ook sprake kan zijn van bewuste schuld. […] Of in een concreet geval moet worden aangenomen dat sprake is van bewuste schuld dan wel van voorwaardelijk opzet zal, indien de verklaringen van de verdachte en/of bijvoorbeeld eventuele getuigenverklaringen geen inzicht geven omtrent hetgeen ten tijde van de gedraging in de verdachte is omgegaan, afhangen van de feitelijke omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht, van belang. Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het betreffende gevolg bewust heeft aanvaard.” [2]
het feit(niet de persoon) opzettelijk uitlokt. Het tweede lid laat met het oog op eventueel uiteenlopend opzet tussen de uitlokker en de uitgelokte nog eens weten dat alleen handelingen in aanmerking komen die opzettelijk zijn uitgelokt en hun (geobjectiveerde) gevolgen. Ik laat in dit verband ook het zogenoemde accessoriteitsvereiste vallen – het uitgelokte delict is daadwerkelijk begaan –, omdat kenmerkend voor de indirecte deelnemingsvorm uitlokking is dat de uitlokker het uitgelokte feit niet zelf begaat, maar de uitvoeringshandeling overlaat aan een ander, te weten de feitelijk pleger.
grondfeit –wordt een belangrijke begrenzing aangebracht aan de reikwijdte van deze deelnemingsfiguur, die bovendien in lijn ligt met het tweede lid, voor zover het daar gaat om de nadere afbakening van de aansprakelijkheid van, of de toerekening aan, de
persoon, dat wil zeggen de uitlokker.
NJ1997/654. De twee uitgelokte personen hebben zich vergist en in plaats van de door de uitlokker aangewezen kleurkopieermachine een gewoon kopieerapparaat gestolen (error in objecto). Het oordeel van het hof luidt dat de verdachte de door de andere twee gepleegde diefstal van het in de bewezenverklaring bedoelde (gewone) kopieerapparaat opzettelijk heeft uitgelokt in die zin dat er bij de verdachte sprake is van voorwaardelijk opzet. In een stevig gedocumenteerde conclusie gaat de toenmalige A-G Van Dorst in op de vraag of de uitlokker van een strafbaar feit ervan profiteert dat de uitvoerders van het feit hebben gedwaald ten aanzien van het weg te nemen goed. Van Dorst wijst er terecht op dat bedacht moet worden dat art. 47 Sr Pro de uitlokker aanmerkt als dader van het feit. De memorie van toelichting [5] geeft als uitleg: “In hen is de oorzaak van het strafbare feit gelegen, zij brengen het regtstreeks teweeg, zonder hen zoude het veelal niet gepleegd zijn. Zij zijn dus daders en moeten even zwaar als de
auctores physicigestraft worden”. [6] Op grond van dit uitgangspunt acht Van Dorst het niet goed verdedigbaar dat de dieven gestraft kunnen worden ook al hebben zij zich vergist in de weg het nemen apparaat, maar dat de verdachte in die zaak wegens die vergissing niet als uitlokker zou kunnen gelden – “hij heeft immers een diefstal uitgelokt en de uitvoerders hebben een diefstal gepleegd”. Hij komt dan ook tot de conclusie dat 's hofs verwerping van het verweer dat de verdachte niet kan gelden als uitlokker van de diefstal nu de dieven een ander apparaat hebben weggenomen dan waartoe zij opdracht hadden gekregen, niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, “met name niet – aldus Van Dorst – ten aanzien van het in de tenlastelegging gehanteerde begrip opzettelijk uitlokken”. Hij neemt daarbij in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen slechts blijkt dat de verdachte heeft gezegd “welk kopieerapparaat moest worden weggenomen” en dat “een bepaald kopieerapparaat” moest worden weggenomen. Ook had de verdachte er zijns inziens rekening mee moeten houden dat het klaarblijkelijk de eerste keer was dat de dieven voor hem op pad gingen. Hij had zich derhalve kunnen en moeten realiseren dat in zo'n situatie alleen al wegens de door de spanning veroorzaakte zenuwachtigheid gemakkelijk vergissingen worden gemaakt […]”. De Hoge Raad volgt A-G Van Dorst in diens conclusie. Het bestreden oordeel dat sprake is van voorwaardelijk opzet bij de verdachte en derhalve van uitlokking, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is in het licht van de gebezigde bewijsmiddelen niet onbegrijpelijk. [7] Ook als de uitvoering van het feit anders verloopt dan gedacht, is dat niet problematisch als het resultaat is bereikt waarop het opzet van de uitlokker betrekking heeft.
Aansprakelijkheid van de uitlokkerin het boek, [11] waar te lezen valt dat men uit de jurisprudentie van de Hoge Raad overigens de indruk krijgt dat deze tamelijk liberaal staat ten aanzien van de congruentie tussen het opzet van de uitlokker en datgene wat uiteindelijk is uitgevoerd door de uitgelokte.
23. Auch für diese Angeklagten als Anstifter ist der Fehler der Täter C. und M. bei der Zuordnung des Fahrzeugs zu einem bestimmten Tatopfer rechtlich unbeachtlich. Diese Rechtsfolge für einen Anstifter hat der Bundesgerichtshof bereits entschieden (BGHSt 37, 214, 218 f. [BGH 25.10.1990 – 4 StR 371/90] (...) Daran hält der Senat auch unter Berücksichtigung der erhobenen Kritik fest.(...)