ECLI:NL:PHR:2024:636
Parket bij de Hoge Raad
- Rechtspraak.nl
Vermindering gevangenisstraf wegens schending redelijke termijn en afwijzing aanhoudingsverzoek ondanks medisch letsel
De verdachte werd door het hof Den Haag veroordeeld tot tien maanden gevangenisstraf wegens deelname aan een criminele organisatie. In cassatie werden twee middelen aangevoerd: het eerste betrof de overschrijding van de redelijke termijn voor berechting, het tweede de afwijzing van een verzoek tot aanhouding van de behandeling wegens medische verhindering van de verdachte die zich in het buitenland bevond.
De Hoge Raad oordeelde dat de overschrijding van de termijn voor het indienen van stukken in cassatie (langer dan acht maanden) een schending van het recht op een redelijke termijn oplevert, wat strafvermindering rechtvaardigt. Het tweede middel mislukte omdat het hof de medische verklaring en omstandigheden voldoende had gewogen en het belang van een voortvarende rechtspleging zwaarder woog dan het belang van de verdachte bij aanhouding.
Het hof had geoordeeld dat het letsel (een kneuzing van de borst) en de medische verklaring dat vliegen 'lastig' maar niet afgeraden was, onvoldoende waren om de afwezigheid te rechtvaardigen. De raadsman kon geen concrete onderbouwing leveren voor een vertaalfout in de medische verklaring. De Hoge Raad bevestigde dat het hof de belangenafweging toereikend had gemotiveerd en dat het verzoek tot aanhouding terecht was afgewezen.
De uitspraak van het hof wordt vernietigd voor zover het de duur van de gevangenisstraf betreft en verminderd naar de gebruikelijke maatstaf. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd wegens schending redelijke termijn; het aanhoudingsverzoek wordt terecht afgewezen.