ECLI:NL:PHR:2024:674

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
23 juni 2024
Zaaknummer
23/03148
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 94 SvArt. 94a SvArt. 552a Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad vernietigt beschikking op klaagschrift over beslag in witwaszaak en wijst terug

In deze zaak gaat het om een cassatieberoep tegen een beschikking van de rechtbank Amsterdam van 4 juli 2023, waarin het klaagschrift van de klager tot opheffing van beslag op diverse goederen in een witwasonderzoek gegrond werd verklaard. Het beslag betrof onder meer banktegoeden, contant geld, onroerende goederen en luxeartikelen.

De rechtbank had geoordeeld dat de klager een niet op voorhand onaannemelijke verklaring had gegeven over de herkomst van het geld en dat de transacties grotendeels traceerbaar waren. Ook achtte de rechtbank het niet vreemd dat de zussen van de klager later geen verklaringen meer wilden afleggen. Op basis hiervan werd het beslag opgeheven en teruggave gelast.

Het openbaar ministerie stelde cassatieberoep in en voerde aan dat de rechtbank te ver vooruitliep op de uitkomst van de hoofdzaak en onvoldoende gemotiveerd had. De Hoge Raad oordeelde dat de rechtbank zich inderdaad had ingelaten met de aannemelijkheid van de verklaringen en het bewijs voor witwassen, terwijl het onderzoek in de raadkamer summier en voorlopig van aard is. Hierdoor was de belangenafweging onvoldoende zorgvuldig.

De Hoge Raad vernietigde de beschikking en verwees de zaak terug naar de rechtbank Amsterdam voor hernieuwde behandeling van het klaagschrift op het bestaande dossier. Tevens is er samenhang met twee andere zaken waarin soortgelijke klachten spelen. De Hoge Raad bevestigde hiermee het belang van een zorgvuldige en terughoudende toetsing bij beslag in voorlopige fase van witwasonderzoeken.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt de beschikking tot opheffing van beslag en wijst de zaak terug naar de rechtbank voor hernieuwde behandeling.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03148 B
Zitting2 juli 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[klager],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1965,
hierna: de klager

1.Het cassatieberoep

1.1
De rechtbank Amsterdam heeft bij beschikking van 4 juli 2023 het ex art. 552a Sv ingediende klaagschrift strekkende tot opheffing van het beslag gegrond verklaard en teruggave gelast van de onder klager inbeslaggenomen saldo’s op bankrekeningen, contante geldbedragen, roerende en onroerende goederen.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 24/00591 en 24/00595, waarin ik vandaag ook zal concluderen.
1.3
Tegen de beschikking is door K. van der Willigen, officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, cassatieberoep ingesteld.
1.4
Namens het openbaar ministerie heeft G.K. Schoep, plaatsvervangend officier van justitie bij het arrondissementsparket Amsterdam, een schriftuur houdende één middel van cassatie voorgesteld. Het middel richt zich tegen de gegrondverklaring van het beklag. De steller van het middel klaagt kort gezegd dat de rechtbank in haar beoordeling van het klaagschrift te ver vooruitgelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, dan wel dat de gegrondverklaring van dat klaagschrift onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd.

2.De procesgang

2.1
Op grond van de gedingstukken kan in deze zaak van het volgende worden uitgegaan.
2.2
In het kader van een strafrechtelijk onderzoek naar de klager inzake witwassen hebben in oktober 2021 doorzoekingen plaatsgevonden in woningen en ondernemingen die op naam zijn gesteld van de klager. Bij deze doorzoekingen is onder klager op grond van art. 94 Sv Pro beslag gelegd op een groot aantal roerende en onroerende goederen, saldo’s op bankrekeningen en contante geldbedragen. Blijkens de op het klaagschrift gewezen beschikking van de rechtbank van 4 juli 2023 lag er op dat moment nog beslag op de saldo’s van vier bankrekeningen, op contante geldbedragen ter waarde van €11.205,-, op acht panden, negen voertuigen en een groot aantal luxegoederen, zoals dure horloges, tassen en sjaals.
2.3
Op 6 december 2021 is namens de klager een klaagschrift ex art. 552a Sv bij de rechtbank ingediend strekkende tot opheffing van het beslag gelegd op de voornoemde goederen. In het klaagschrift is hiertoe aangevoerd dat de in art. 94 Sv Pro genoemde gronden voor inbeslagname niet, althans niet langer aanwezig zijn.
2.4
Het klaagschrift is door de rechtbank bij beschikking van 4 juli 2023 gegrond verklaard en door de rechtbank is teruggave gelast van de onder randnummer 2.2 vermelde goederen.
2.5
In de samenhangende zaken waarin ik vandaag ook concludeer, zijn ten aanzien van een deel van de onder randnummer 2.2 vermelde goederen door de klager en zijn partner eveneens klaagschriften ingediend. In de zaak met zaaknummer 24/00591 komt de klager op tegen het (later) onder hem gelegde conservatoir beslag. De partner van de klager klaagt in de zaak met nummer 24/00595 over zowel het onder haar gelegde klassieke beslag als over het onder haar gelegde conservatoir beslag. De rechtbank heeft in twee beschikkingen van 14 november 2023 de beide klaagschriften ten aanzien van bijna alle goederen gegrond verklaard en teruggave van de goederen aan de klager en zijn partner gelast. [1] Het openbaar ministerie heeft ook tegen deze beslissingen cassatieberoep ingesteld.

3.De beschikking

3.1
Op de raadkamerzitting van 20 juni 2023 hebben de officier van justitie en de raadsman van de klager het woord gevoerd aan de hand van hun schriftelijk standpunt en pleitnotities. De rechtbank heeft hetgeen door het openbaar ministerie en de verdediging is aangevoerd in haar beschikking van 4 juli 2023 als volgt samengevat:

De raadsman van klagerheeft, naar aanleiding van het standpunt van het Openbaar Ministerie en ter toelichting op het klaagschrift, aan de hand van een pleitnota kort samengevat het volgende aangevoerd.
Het beslag op voornoemde voorwerpen is inmiddels 20 maanden geleden gelegd. Na de tussenbeslissing van 7 maanden geleden is er niets meer vernomen van het Openbaar Ministerie. De duur van het beslag dient mee te wegen bij de beoordeling van de proportionaliteit ervan.
Klager heeft een klemmend belang bij opheffing van de beslagen, die bovendien niet gerechtvaardigd zijn op grond van de belangen van de artikelen 94 en 94a Wetboek van Strafvordering.
Alle inkomsten en uitgaven die in het dossier zijn beschreven zijn, op een enkele volstrekt ondergeschikte uitzondering na, giraal en traceerbaar. Er is nergens sprake van een contante instroom.
De personen in Indonesië die als lening geld hebben overgemaakt zijn allen familieleden van de klager en zijn echtgenote. Er is geen enkele aanwijzing dat er met deze leningen iets mis is. Indonesië staat niet toe dat grotere bedragen naar het buitenland worden overgemaakt, daarom is het via meerdere familieleden gegaan.
Uit het dossier blijkt niet dat klager onverklaarbare contante uitgaven heeft gedaan.
Standpunt van het Openbaar MinisterieDe officier van justitie heeft – onder verwijzing naar het schriftelijk standpunt van het Openbaar Ministerie – verklaard zich te verzetten tegen opheffing van het beslag en teruggave van de in beslag genomen voorwerpen aan klager en heeft daartoe het volgende aangevoerd.
Tot op heden heeft er geen verdere medewerking plaatsgevonden van klager en zijn vrouw.
Bij het laatste nadere verhoor hebben zij zich op hun zwijgrecht beroepen.
De vraag is hoe lang gewacht moet blijven op een antwoord vanuit Indonesië. Als er geen antwoord komt, is er geen mogelijkheid voor het OM om de verklaring van klager te verifiëren. Voor de vraag welke partij aan zet is, speelt een rol welke partij de meest logisch aangewezen partij is om onderzoek te doen. Zo kan een verdachte die verklaart te beschikken over familiekapitaal veel gemakkelijker bepaalde vermogensbestanddelen blootleggen dan het Openbaar Ministerie. Als dat zo is, dan valt niet in te zien waarom het op de weg van het Openbaar Ministerie zou liggen om onderzoek te doen naar vermogensbestanddelen die liggen in de persoonlijke of familiesfeer van de verdachte.
Klager moet via zijn zussen aantonen waar het geld vandaan komt en hoe zij aan het geld zijn gekomen.
Het door de artikel 94 Sv Pro beschermde belang van strafvordering verzet zich tegen teruggave, nu niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter de verbeurdverklaring zal bevelen, dan wel dat het (ingevolge artikel 94a lid 1 en 2 Sv) niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, aan klager een geldboete zal opleggen en/of een ontneming zal opleggen.
De geldstromen van de toko’s staan niet meer ter discussie. Het onderzoek concentreert zich nog op de geldstromen uit Indonesië en Singapore ter financiering van onroerend goed. De verklaringen van de zussen kloppen niet met de gegevens van de notaris. Het is raar dat de ene zus wel een groot bedrag kan overmaken en de andere zus niet.
Het klaagschrift dient ongegrond verklaard te worden.”
3.2
De rechtbank heeft het klaagschrift bij beschikking van 4 juli 2023 gegrond verklaard en daartoe het volgende overwogen:
“De beoordelingUit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken.
Op de voet van artikel 94 Sv Pro zijn voornoemde voorwerpen in beslag genomen.
Klager wordt – kort gezegd – verdacht van witwassen.
De rechtbank is van oordeel dat klager tegen de witwasverdenking een niet op voorhand onaannemelijke verklaring over de herkomst van het geld heeft afgelegd. Bijna alle transacties zijn giraal gegaan en dus traceerbaar.
Ook met betrekking tot de financiering van het pand aan de [a-straat] is duidelijk dat het geld afkomstig is van de zussen van klager in Indonesië en Singapore. Dat de zussen later niet meer wilden verklaren is niet zo vreemd indien zij meer geld naar het buitenland hebben overgemaakt dan Indonesië toestaat en zij zich daarmee wellicht schuldig (denken te) hebben gemaakt aan een strafbaar feit.
De rechtbank zal, ook gelet op het tijdsverloop, het klassieke beslag op de goederen opheffen en de teruggave daarvan aan klager gelasten.
(…)
De rechtbank verklaart het beklag
gegronden gelast de opheffing van het beslag en teruggave van de hiervoor genoemde in beslag genomen voorwerpen aan klager.”

4.Het middel

4.1
Het middel klaagt dat de rechtbank bij de beoordeling van de vraag of het belang van strafvordering zich tegen teruggave van de inbeslaggenomen voorwerpen verzet, te ver vooruit gelopen is op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak, dan wel dat deze beoordeling onbegrijpelijk is, althans ontoereikend is gemotiveerd, omdat de beoordeling onvoldoende blijk geeft van een zorgvuldige, op de klager toegespitste belangenafweging.
4.2
Aan de gegrondverklaring van het klaagschrift heeft de rechtbank onder meer ten grondslag gelegd dat de klager tegen de witwasverdenking een niet op voorhand onaannemelijke verklaring over de herkomst van het geld heeft afgelegd en dat bijna alle transacties giraal gegaan zijn en dus traceerbaar zijn. Verder heeft de rechtbank overwogen dat duidelijk is dat het pand aan de [a-straat] gefinancierd is door de zussen van de klager en dat het niet zo vreemd is dat de zussen later geen verklaring meer wilden afleggen, omdat zij mogelijk vreesden zich met de overboekingen van het geld naar het buitenland schuldig te hebben gemaakt aan een strafbaar feit.
4.3
Hiermee heeft de rechtbank zich ingelaten met de aannemelijkheid van de verklaringen van de klager en zijn zussen en in feite ook met de vraag of er voldoende bewijs is voor witwassen. [2] Het oordeel van de rechtbank miskent het summiere en voorlopige karakter van het onderzoek in de raadkamer. [3] Daarom is de rechtbank in haar beoordeling van het klaagschrift te ver vooruitgelopen op de mogelijke uitkomst van een nog te voeren procedure in de hoofdzaak.

5.Slotsom

5.1
Het middel slaagt.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden beschikking aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot terugwijzing naar de rechtbank Amsterdam teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden behandeld en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.De rechtbank verklaart in beide zaken enkel het beklag ten aanzien van het conservatoir beslag op het pand Noorddammerlaan 61 te Amstelveen ongegrond. Zie hierover de conclusies in de zaken 24/00591 en 24/00595.
2.Vgl. HR 11 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:657.
3.Zie onder meer: HR 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654 m. nt. P. Mevis, HR 18 november 2014, ECLI:NL:HR:2014:3310, HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:579, HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:81, NJ 2023/150 m. nt. P. Mevis en HR 31 januari 2023, ECLI:NL:2023:128, NJ 2023/149 m. nt. P. Mevis.