4.6Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een gevangenisstraf van 14 maanden. Het heeft omtrent de strafoplegging onder meer het volgende overwogen:
“Met betrekking tot de aard en de ernst van de bewezen verklaarde delicten heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
• de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd;
• de omstandigheid dat de verdachte zich gedurende een groot deel van een periode van twintig maanden samen met een ander of anderen schuldig heeft gemaakt aan grootschalige DigiD-fraude. Door als medepleger misbruik te maken van de vertrouwelijke positie van [betrokkene 6] bij de Belastingdienst heeft hij, onder grove aantasting van de integriteit van de Belastingdienst, de vertrouwelijke persoonsgegevens van grote aantallen personen misbruikt. Het gerechtshof rekent dat de verdachte zwaar aan, omdat mensen sterk afhankelijk zijn van DigiD om overheidszaken te regelen. Dit alles moet geheel veilig kunnen geschieden en mensen moeten er ook op kunnen vertrouwen dat dit veilig gebeurt. Door het opzoeken en gebruik maken van de vertrouwelijke informatie door [betrokkene 6] kan het vertrouwen in dienstverlening via het internet in brede lagen van de maatschappij in ernstige mate worden ondermijnd. Indien men dat vertrouwen in de veiligheid verliest en dus in de betrouwbaarheid van het gebruik van het internet voor privé en zakelijke doeleinden, kan dat ontwrichtend werken voor het economisch verkeer, de toegankelijkheid tot overheidsdiensten en het betalingsverkeer bemoeilijken en de kosten daarvan opdrijven. Het moet voor de desbetreffende personen, maar ook voor de samenleving, bovendien beangstigend zijn dat vertrouwelijke gegevens, enkel door criminelen in hun zoektocht naar financieel gewin, in vreemde en kwaadwillende handen komen;
• de omstandigheid dat de verdachte zich daarnaast schuldig heeft gemaakt aan het een gewoonte maken van opzetheling. Daarmee heeft hij geprofiteerd van een door een ander of anderen gestolen goed en heeft hij bijgedragen aan het in stand houden van een afzetmarkt van gestolen voorwerpen, waardoor het plegen van vermogensmisdrijven door derden lucratief kan zijn.
Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft het gerechtshof in het bijzonder acht geslagen op:
• de inhoud van het hem betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie van 7 september 2021, waaruit blijkt dat hij niet eerder door een strafrechter is veroordeeld ter zake van een soortgelijk strafbaar feit. Wél is hij veroordeeld ter zake van het plegen van vermogensdelicten, welke veroordelingen onherroepelijk zijn;
• de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken.
Het gerechtshof heeft wat betreft de op te leggen strafsoort en de hoogte van de straf aansluiting gezocht bij de binnen de zittende magistratuur ontwikkelde oriëntatiepunten van het Landelijk Overleg Vakinhoud Strafrecht, dienende als handreiking voor de rechterlijke straftoemeting ten aanzien van fraudedelicten, waaronder valsheid in geschrift en witwassen. De LOVS-oriëntatiepunten kennen als uitgangspunt bij door fraude verkregen geldbedragen van € 125.000,- en hoger langdurige, onvoorwaardelijke gevangenisstraffen.
Als straf vermeerderende en/of straf verminderende factoren kunnen daarbij betrokken worden:
- de duur van de gedraging;
- de mate waarin de verdachte door de overtreding voordeel heeft verkregen;
- de vraag of verdachte de gedraging uit eigen beweging heeft beëindigd;
- de mate waarin het ontstane nadeel ongedaan is gemaakt;
- de rol van de verdachte ten opzichte van mededaders;
- of de verdachte een natuurlijke persoon of een rechtspersoon betreft;
- de mate waarin de verdachte medewerking heeft verleend aan het onderzoek;
- de mate waarin door de gedraging het vertrouwen in overheidsdiensten is geschaad;
- de financiële draagkracht van de verdachte;
- het recidivegevaar;
- de duur van de strafprocedure;
- de vraag of verdachte heeft gehandeld in de uitoefening van een beroep c.q. ambt of bedrijf;
- het type slachtoffer (professional, leek, overheidsinstantie) en de rol van het slachtoffer bij de gedraging;
Ten aanzien van de verdachte stelt het gerechtshof dan vast dat het gaat om grootschalige DigiD-fraude waaraan de verdachte niet zelf een einde heeft gemaakt. Slechts door het ingrijpen van de politie zijn de criminele activiteiten van de verdachte en de mededaders beëindigd. Dit ingrijpen heeft niet kunnen voorkomen dat de fraude een groot deel van een periode van twintig maanden heeft voortgeduurd. In die fraude heeft de verdachte - als medepleger misbruik makend van de vertrouwelijke positie van [betrokkene 6] bij de Belastingdienst - blijkens de door het gerechtshof gehanteerde bewijsmiddelen een prominent aandeel gehad en heeft hij financieel voordeel verkregen, zowel ten koste van de Belastingdienst als ten koste van de privacy van de gedupeerde personen. Hij was een voorname schakel in dit geheel en stond als zodanig mede aan de basis van de gehele fraudeconstructie. Door zijn gedragingen, die hebben geleid tot de nodige publiciteit, is het vertrouwen in het gebruik van DigiD ernstig geschaad.
Een belangrijke factor bij de strafmaat is - naast de omvang van het nadeel dat de verdachte door zijn handelen mede heeft veroorzaakt - de omstandigheid dat misbruik is gemaakt van de persoonsgegevens van met name buitenlandse studenten die in Nederland verblijven. Daarmee is kennelijk bewust een slachtoffergroep uitgekozen van wie op schrikbarend eenvoudige wijze en in grote hoeveelheden tegelijk de post kon worden ontfutseld om vervolgens toeslagen aan te vragen op hun naam. Bekendheid met het risico van deze vorm van DigiD-fraude met hun persoonsgegevens in Nederland kan daarbij niet zonder meer als vanzelfsprekend verondersteld worden bij deze slachtoffergroep. Die onbekendheid met dat potentiële risico maakt hen een relatief eenvoudig te misbruiken slachtoffergroep, te meer aangezien deze groep personen niet snel in de gaten zal hebben dat er iets bijzonders is gebeurd met hun persoonsgegevens en minder gauw onraad zal vermoeden. Deze groep personen is immers bij uitstek minder goed thuis in de procedures in Nederland. Deze uitgekiende focus van de verdachte en de medeverdachten op een relatief eenvoudig te belagen slachtoffergroep rekent het gerechtshof de verdachte in het bijzonder aan.
Bij het bepalen van de strafmaat heeft het gerechtshof voorts aansluiting gezocht bij de straffen die in gevallen vergelijkbaar met deze zaak worden opgelegd.
De verdachte heeft in belangrijke mate meegewerkt aan het onderzoek in de zaak, zij het - dat moet ook worden vastgesteld - niet volledig. (…)
Zowel de door de advocaat-generaal gevorderde straf als de door de verdediging bepleite straf doet - mede gelet op de ernst van de delicten en de door het gerechtshof gehanteerde oriëntatiepunten - (volstrekt) onvoldoende recht aan de inbreuk op de rechtsorde die de verdachte met zijn handelen heeft gemaakt.
Op grond van het bovenstaande en bezien vanuit een oogpunt van normhandhaving en vergelding wordt oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zestien maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest, in beginsel passend en geboden geacht.
Rekening dient echter te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn in de fase van de behandeling van de strafzaak in eerste aanleg en in hoger beroep, welke vertraging niet enkel en alleen aan de verdachte of de verdediging te wijten is en die inmiddels ruim vier jaren bedraagt.
Gelet hierop zal het gerechtshof in plaats van de hierboven genoemde straf opleggen een gevangenisstraf voor de duur van veertien maanden, met aftrek van de periode die is doorgebracht in voorarrest.”