Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het eerste middel
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van het derde middel
5.Ambtshalve beoordeling van de bestreden uitspraak
6.Slotsom
7.Beslissing
20 maart 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een jeugdige verdachte die werd veroordeeld voor meerdere diefstallen met braak en een poging daartoe. Het hof had het bewezenverklaarde feit ten onrechte gekwalificeerd als voltooide gekwalificeerde diefstal, terwijl het feit een poging betrof. De Hoge Raad leest de kwalificatie als poging tot gekwalificeerde diefstal en oordeelt dat de verdachte hierdoor geen belang heeft bij vernietiging van het arrest.
Daarnaast heeft het hof een bevel gegeven tot dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht op grond van art. 77za Sr. De Hoge Raad stelt dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd dat aan de wettelijke voorwaarden voor dadelijke uitvoerbaarheid is voldaan, omdat niet is aangetoond dat de feiten gericht waren tegen de onaantastbaarheid van het lichaam van personen of gevaar daarvoor opleverden.
De Hoge Raad vernietigt daarom het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid en vermindert ambtshalve de opgelegde jeugddetentie wegens overschrijding van de redelijke termijn. De straf wordt verminderd van 200 dagen tot 193 dagen, waarvan 95 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Het beroep wordt voor het overige verworpen.
Uitkomst: De jeugddetentie wordt verminderd tot 193 dagen en het bevel tot dadelijke uitvoerbaarheid van bijzondere voorwaarden wordt vernietigd.