ECLI:NL:PHR:2024:716

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
2 juli 2024
Publicatiedatum
28 juni 2024
Zaaknummer
22/02803
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2 Wet tijdelijk huisverbodArt. 6 lid 1 EVRMArt. 300 SrArt. 304 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens onvoldoende bewijs levensgezelschap bij mishandeling

De verdachte werd door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor mishandeling van zijn levensgezel en het overtreden van een huisverbod. In cassatie werd alleen het onderdeel mishandeling van de levensgezel bestreden, met name de vraag of het slachtoffer daadwerkelijk als levensgezel kon worden aangemerkt.

De bewezenverklaring steunde op verklaringen van het slachtoffer en politieprocessen-verbaal waarin het mishandelen werd beschreven, maar er ontbrak bewijs omtrent de aard en hechtheid van de relatie tussen verdachte en slachtoffer. De Hoge Raad verwijst naar eerdere jurisprudentie waarin het begrip levensgezel strikte criteria kent, waaronder een nauwe persoonlijke betrekking vergelijkbaar met die van echtgenoten.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof onvoldoende heeft vastgesteld dat het slachtoffer de levensgezel was, waardoor het middel slaagt. De zaak wordt vernietigd voor zover het betreft de mishandeling van de levensgezel en de strafoplegging daarbij, en terugverwezen naar het hof voor hernieuwde beoordeling. De overige bewezen feiten blijven ongewijzigd. Tevens wordt opgemerkt dat de redelijke termijn is overschreden.

Uitkomst: Het arrest wordt gedeeltelijk vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van het onderdeel mishandeling van de levensgezel.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02803

Zitting2 juli 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 13 juli 2022 door het gerechtshof Den Haag in de zaak met parketnummer 10-178506-19 onder 1. wegens " als uithuisgeplaatste handelen in strijd met een met toepassing van artikel 2, eerste lid, van de Wet tijdelijk huisverbod, gegeven huisverbod", in de zaak met parketnummer 10-306296-19 wegens “mishandeling, begaan tegen zijn levensgezel” en in de zaak met parketnummer 10-173934-19 wegens “mishandeling” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 46 dagen, met aftrek van voorarrest.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt, advocaat in Rotterdam, heeft een middel van cassatie voorgesteld.

Het middel

2.1
Het middel heeft betrekking op het hierboven als tweede genoemde feit, de mishandeling begaan tegen zijn levensgezel (de zaak met parketnummer 10-306296-19). De klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet kan volgen dat het slachtoffer de ‘levensgezel’ was van de verdachte. Dat de verdachte het slachtoffer heeft mishandeld wordt in cassatie niet bestreden.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
2.2
Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat:
“hij op of omstreeks 11 december 2019 te [plaats] zijn levensgezel, [aangeefster] , heeft mishandeld door meermalen tegen het gezicht en het hoofd van die [aangeefster] te stompen.”
2.3
Voor een goed begrip van de zaak merk ik op dat het hierboven als derde genoemde feit (met parketnummer 10-173934-19) een mishandeling betrof van hetzelfde slachtoffer, begaan op 19 juli 2019. Het eerstgenoemde feit (met parketnummer 10-178506-19) betreft de overtreding van het huisverbod dat aan de verdachte was opgelegd naar aanleiding van de mishandeling op 19 juli 2019. Deze twee feiten zijn in cassatie niet meer aan de orde. [1]
2.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:’
“3. Een proces-verbaal van aangifted.d. 12 december 2019 van de politie eenheid Noord-Holland met nr. PL1100—2019238990-1. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 3- 4) :
als verklaring van aangeefster [aangeefster] :
Op 11 december 2019, omstreeks 22.15 kwam ik met [verdachte] aan bij het hotel [A] in [plaats] , binnen de gemeente [plaats] . Omstreeks 23.45 was ik samen met [verdachte] in de hotelkamer. Hij heeft mij vijf vuistslagen in mijn gezicht gegeven. Alle klappen die ik heb gehad deden pijn. Ik ben op een gegeven moment de gang op gerend van het hotel. Hij is achter mij aan gerend en heeft mij van achter nog een vuistklap op mijn achterhoofd gegeven.
4. Een proces-verbaal van bevindingenvan hoofdagent [verbalisant 1] en hoofdagent [verbalisant 2] d.d. 12 december 2019 van politie Eenheid Noord-Holland met nr. PL1100-2019238990-3. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 7-8, inclusief bijlage p. 10-11):
als relaas van de desbetreffende verbalisanten:
Op 12 december 2019 kwamen wij om 00.14 uur aan bij het [A] hotel te [plaats] . Aangeefster legitimeerde zich zijnde: [aangeefster] . Wij zagen dat zij een icepack tegen haar rechterwang hield. Wij hoorden haar zeggen dat zij zojuist is geslagen door [verdachte] .
Wij hoorden [aangeefster] zeggen dat zij op de hotelkamer een discussie kreeg met [verdachte] en dat zij daarna meermaals in haar gezicht is geslagen door [verdachte] . Dit zou hij hebben gedaan met zijn vuisten.
Wij zagen dat [aangeefster] zichtbaar letsel had in haar gezicht. Wij zagen dat de gehele rechter helft van haard hoofd opgezwollen was. De zwelling was voornamelijk zichtbaar op haar rechterwang. Deze wang werd ook al zichtbaar blauw.
Wij hebben foto's gemaakt van het letsel van [aangeefster] en zijn bijgevoegd binnen dit dossier.”
2.5
Het arrest bevat geen inhoudelijke nadere bewijsoverweging.
Juridisch kader
2.6
Het begrip ‘levensgezel’ is in de jurisprudentie van de Hoge Raad een aantal keer aan de orde geweest. In een arrest gewezen op - het zal toeval zijn - 14 februari 2023 (ECLI:NL:HR:2023:224, rov. 2.3.2) citeerde de Hoge Raad, net als in eerdere arresten over dit bestanddeel, eerst uit de nota van wijziging bij het relevante wetsvoorstel. Voor de helderheid citeer ik dat gedeelte hier op mijn beurt opnieuw:
“Met het begrip «levensgezel» wordt aangesloten bij de algemene aanwijzingen voor de regelgeving (AR 72a), waarin dit begrip is aangewezen voor twee meerderjarigen die, anders dan als elkaars echtgenoot, «met elkaar een nauwe persoonlijke betrekking onderhouden». Het begrip komt momenteel in ongeveer tien andere wetten voor - o.a. het Burgerlijk Wetboek, het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, de Faillissementswet en de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens -, vaak naast de begrippen echtgenoot en geregistreerde partner.
Bij de beoordeling of sprake is van een «levensgezel» zijn de volgende aspecten van belang:
- of sprake is van een gemeenschappelijke huishouding
- de duur van de gemeenschappelijke huishouding
- of er een relatie van affectieve aard is, en met name
- of betrokkenen kennelijk uitgaan van een nauwe lotsverbondenheid.
Doorslaggevend is in het begrip «levensgezel» evenwel, als gezegd, de nauwe persoonlijke betrekking van een zekere hechtheid. Het moet gaan om een relatie die qua hechtheid vergelijkbaar is met die tussen echtgenoten of geregistreerde partners. Deze is niet per se met het enkele feit van het samenwonen gegeven en vereist ook niet per se dat betrokkenen met elkaar samenwonen.” [2]
2.7
In het genoemde arrest casseerde de Hoge Raad het arrest van het hof, omdat het hof onvoldoende had vastgesteld over “de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster”. Het bewijs hield niet meer in dan dat de aangeefster had verklaard te zijn mishandeld door haar “partner”. In eerdere rechtspraak heeft de Hoge Raad het meermaals onvoldoende gevonden als het bewijs slechts inhield dat sprake was van een “relatie” of dat de verdachte en slachtoffer in een relatie tot elkaar stonden als “vriend” en “vriendin”. [3]
2.8
Wel voldoende gemotiveerd was de bewijsvoering voor het onderdeel ‘levensgezel’ in een zaak waarin het hof over de verdachte en het slachtoffer - die beiden dakloos waren - had vastgesteld dat zij gedurende een periode van zes maanden dag en nacht samen hadden opgetrokken, dat de verdachte de zorg voor het slachtoffer - die gebruik maakte van een rolstoel - op zich had genomen, dat het slachtoffer zich tegenover de verdachte moest verantwoorden over haar doen en laten en dat er sprake was van een seksuele omgang tussen het slachtoffer en de verdachte (HR 30 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:113).
2.9
Voldoende was het ook in een zaak waarin de aangeefster de verdachte aanduidde als “vriend/verloofde”, verklaarde “ongeveer 4 jaar” met hem samen te zijn en sprak van “onze woning” (HR 14 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:238 (art. 81 lid 1 RO Pro)).
De beoordeling van het middel
2.1
De steller van het middel wijst er terecht op dat de bewijsmiddelen helemaal niets inhouden over het bewezenverklaarde onderdeel ‘levensgezel’, met name niet over de aard en hechtheid van de betrekking tussen de verdachte en de aangeefster. Het middel slaagt dan ook. [4]

Afronding

3.1
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad naar verwachting uitspraak zal doen nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden.
3.2
Voor het overige heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de beslissingen over het onder 10-306296-19 tenlastegelegde en de strafoplegging en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Den Haag, opdat de zaak ten aanzien daarvan opnieuw wordt berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG

Voetnoten

1.In het cassatiemiddel wordt aan de klacht nog wel toegevoegd dat “Zulks (…) te meer [klemt] nu uit de motivering van de strafoplegging volgt dat aangeefster een half jaar voor het feit kennelijk is aangemerkt als zijn 'toenmalige vriendin'.” Ik zie niet in waarom het feit dat het hof in juli 2022 heeft vastgesteld dat het slachtoffer in juli 2019 “de vriendin” was van de verdachte, zou bijdragen aan het vermoeden dat zij op 11 december 2019 niet meer zijn ‘levensgezel’ was. Dat de verdachte en het slachtoffer inmiddels uit elkaar zijn - waarover overigens ook ter zitting in hoger beroep nog twijfels zijn uitgesproken, maar dat laat ik hier rusten - maakt een en ander niet anders. Daarom laat ik dit onderdeel van de klacht hierna buiten beschouwing.
3.Ik verwijs hier naar het overzicht gegeven in de CAG van AG Paridaens van 20 december 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1152, onder 9.
4.Ik heb enige twijfel over het belang van de verdachte bij vernietiging en terugwijzing van de zaak. Dit belang is niet nader toegelicht. Voor zover dit belang is gelegen in de hoogte van de straf, dan geldt dat in cassatie niet is opgekomen tegen de bewezenverklaring van de mishandeling zelf en deze mishandeling slechts één van drie bewezen feiten is. In de strafmotivering vind ik echter uiteindelijk onvoldoende aanknopingspunten om te kunnen stellen dat de strafverzwarende omstandigheid niet van betekenis is geweest voor de strafoplegging.