Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Bewezenverklaringen en bewijsvoering
3.Beoordeling van het tweede middel
4.Beoordeling van de overige middelen
5.Beslissing
30 januari 2018.
Hoge Raad
De zaak betreft een dakloze verdachte die zijn eveneens dakloze vriendin gedurende zes maanden mishandelde. De mishandelingen bestonden uit slaan, schoppen en trappen, waarbij het slachtoffer letsel opliep. Het hof stelde vast dat verdachte en slachtoffer dag en nacht samen optrokken, verdachte zorg droeg voor het rolstoelgebruikende slachtoffer, er sprake was van seksuele omgang en dat het slachtoffer zich moest verantwoorden over haar doen en laten.
De verdachte stelde in cassatie dat het hof ten onrechte had geoordeeld dat het slachtoffer als 'levensgezel' kon worden aangemerkt in de zin van art. 304 Sr Pro, wat een strafverzwarende omstandigheid is. De Hoge Raad overwoog dat het begrip 'levensgezel' in de wet is opgenomen om nauwe persoonlijke betrekkingen te omvatten die vergelijkbaar zijn met die van echtgenoten of geregistreerde partners, ook als er geen sprake is van samenwonen.
Gezien de feiten en de wetsgeschiedenis oordeelde de Hoge Raad dat het hof de juiste uitleg had gegeven en dat het oordeel niet onbegrijpelijk was. Het cassatieberoep werd verworpen. Hiermee blijft de strafverzwarende kwalificatie van mishandeling tegen een levensgezel gehandhaafd.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het hof oordeelt terecht dat mishandeling is gepleegd tegen de levensgezel van verdachte.