Conclusie
1.Corbiere Trust Company Limited (hierna: Corbiere)
Rysaffe)
Saffery)
Emperor)
Moules)
October)
Taxi)
Corbiere c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
1.First Curaçao International Bank N.V. (hierna: FCIB)
CBCS)
FCIB c.s., in vrouwelijk enkelvoud)
1.Feiten
tussenvonnis, ook wel
TV).
Corbiereals trustee van Corbiere Trust;
Rysaffevan Auriga Trust, Draco Trust, Mensa Trust, Pavo Trust, Pictor Trust, Southern Cross Trust en Tucana Trust;
Safferyvan ET Trust;
Emperorvan Emperor Trust;
Moulesvan Moules Trust;
Octobervan October Trust; en
Taxivan Taxi Trust.
[betrokkene 1]). [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]) of een zakenpartner van hem is
ultimate beneficial owner(hierna:
UBO) en/of
settlor(ook wel
beneficiary) van de trusts, met uitzondering van vijf door Rysaffe beheerde trusts.
algemene voorwaarden). Daarin is onder andere bepaald:
(…)
(…)
A6. MISCELLANEOUS
6.1 All notices, demands and communications by the Bank to the Client may be sent or dispatched by the Bank to the Client by means of the Bank's Web Site, hand delivery, post, e-mail, facsimile transmission or any other means deemed appropriate by the Bank to the e-mail or other address or facsimile number of the Client last known to the Bank. (…)”
uitkeringsprocedure). Alle cliënten moeten volledig voldoen aan de eisen en rekeninghouders die tot de risicogroep behoren - waaronder de trustkantoren - dienen tevens een accountantsrapport te overleggen.
maintenance fee(zie onder 1.9 hiervoor) en van 15% van het banktegoed (zie onder 1.10 hiervoor).
categorie-ii)-trusts.
OM) huiszoekingen bij FCIB plaatsgevonden. Daarbij zijn compliancedossiers van de categorie-ii)-trusts in beslag genomen. Voor al deze trusts geldt dat [betrokkene 2] daarvan UBO of
settloris.
CSC). Zij heeft dienaangaande gerapporteerd bij brief van 6 november 2020. Haar bevindingen omvatten onder andere het volgende:
The fact that we cannot conclude that the initial funds (source of funds) were not derived from criminal activities, including tax evasion, is because the international response deals with ‘fair trial aspect’ of the court cases but no judgement is given on the substantive merits (predicate offenses) of the initial cases and conviction for fraud and tax evasion and subsequent embezzlement and money laundering.
maintenance feeover de periode november 2013 tot en met december 2020 worden uitgekeerd.
2.Procesverloop
In eerste aanleg
gerecht) een procedure tegen FCIB c.s. aanhangig gemaakt. Corbiere c.s. heeft, zoals gewijzigd in de conclusie van repliek en voor zover van belang, gevorderd (zie rov. 2.3 TV):
maintenance feeniet mocht verhogen van $ 50 naar $ 250 per maand en (ii) niet een kostenvergoeding (‘boete’) van 15% van het banksaldo bij Corbiere c.s. in rekening mocht brengen. [7] Corbiere c.s. verlangt in de kern ongedaanmaking van de debitering van de desbetreffende bedragen.
GEA-tussenvonnis) heeft het gerecht, samengevat en onder andere, als volgt overwogen en geoordeeld.
Zie rov. 4.5-4.6.
Zie rov. 4.7-4.14.
maintenance feeverhogen tot $ 250 en in rekening brengen. Het beroep van Corbiere c.s. op het vermeend onredelijk bezwarende karakter van art. 2.17 van de algemene voorwaarden met betrekking tot de
maintenance feefaalt reeds omdat afdeling 6.5.3 BW niet op de onderhavige overeenkomsten van toepassing is (art. 6:247 lid 2 BW Pro). Ook voor de door haar subsidiair bepleite reflexwerking ziet het gerecht geen grond: het gaat hier om betrokkenen die zich door professionele trustbeheerders laten bijstaan om aanzienlijke bedragen te laten beheren. Het beroep op de beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid slaagt evenmin. Ook het verweer van Corbiere c.s. dat FCIB ten onrechte haar opbrengsten buiten beschouwing heeft gelaten, wordt verworpen. Het gerecht is van oordeel dat FCIB in redelijkheid tot de verhoging van de maandelijkse
maintenance feeheeft kunnen komen en deze aan Corbiere c.s. kan tegenwerpen.
Zie rov. 4.15-4.27.
non-compliantrekeninghouders zou worden weggedacht. In zoverre is geen sprake van condicio-sine-qua-non-verband tussen het handelen van (ieder van) Corbiere c.s. en de gehele schade van FCIB. Art. 6:102 BW Pro biedt geen grondslag om de betrokken rekeninghouders hoofdelijk aansprakelijk te houden voor de gehele schade. Ieder van de tekortschietende rekeninghouders is aansprakelijk voor het deel van de schade dat hem aangaat. Voor zover daarvoor geen deugdelijke maatstaf kan worden gevonden, zal dat deel moeten worden geschat (art. 6:97 BW Pro). Het ontbreken van een dergelijke maatstaf betekent niet dat Corbiere c.s. alsnog hoofdelijk aansprakelijk is voor de gehele schade. Ook art. 6:99 BW Pro en/of art. 6:166 BW Pro bieden/biedt geen grondslag voor de door FCIB c.s. gestelde hoofdelijke aansprakelijkheid van Corbiere c.s. FCIB heeft de inhouding van 15% dus ten onrechte op hoofdelijke aansprakelijkheid gebaseerd. Hiermee is niet gezegd dat Corbiere c.s. niet schadeplichtig is. De door ieder van Corbiere c.s. verschuldigde schadevergoeding zal uiteindelijk moeten worden begroot op een wijze die het meest passend is, zo nodig door middel van een schatting (art. 6:97 BW Pro). Het beroep van FCIB c.s. op rechtsverwerking door Corbiere c.s. ten aanzien van de inhouding van 15% wordt door het gerecht verworpen. Het gerecht zal zijn beslissing over vorderingen II en III aanhouden.
Zie rov. 4.28-4.39.
Zie rov. 4.40-4.42.
Zie rov. 4.43.
Zie rov. 4.44.
GEA-eindvonnis) heeft het gerecht de vorderingen van Corbiere c.s. deels toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het heeft, samengevat en onder andere, als volgt overwogen en geoordeeld.
Zie rov. 2.7-2.10.
Zie rov. 2.11-2.15.
maintenance feenaar $ 250 per maand. De hierop betrekking hebbende vorderingen zijn niet toewijsbaar.
Zie rov. 2.16.
non-compliantrekeninghouders. Aannemelijk is dat bepaalde kosten sowieso zouden zijn doorgelopen zolang niet alle
non-compliantrekeninghouders aan hun verplichtingen hebben voldaan. Anderzijds is ook aannemelijk, zoals al in het GEA-tussenvonnis is overwogen, dat de kosten hoger zijn naarmate meer rekeninghouders niet aan hun verplichtingen voldoen. Gelet hierop bestaat aanleiding de schade te schatten. De operationele kosten bedroegen bijna $ 30 miljoen, het totale banksaldo van
non-compliantrekeninghouders beliep bijna $ 200 miljoen. De door iedere
non-compliantrekeninghouder veroorzaakte schade wordt dan geschat op 15% van diens banksaldo. Tegen deze achtergrond was FCIB gerechtigd ten aanzien van ieder van eisers de haar toekomende schadevergoeding van 15% van het banksaldo met dat banksaldo te verrekenen.
Zie rov. 2.17-2.20.
Zie rov. 2.21-2.24.
hof) als separate zaken aangemerkt: de zaak CUR2020H00294 respectievelijk de zaak CUR201701030. [12]
Zie rov. 2.12-2.14.
Zie rov. 2.15-2.18.
maintenance feerespectievelijk van 15% van haar banktegoed. Naar het oordeel van het hof dienen art. A2.2.17 en A2.2.19 van de algemene voorwaarden (hierna ook: de
kostenbedingen) aldus te worden uitgelegd dat FCIB bevoegd was redelijke kosten die zij in redelijkheid heeft gemaakt op een redelijke wijze door te belasten aan haar rekeninghouders, althans voor zover het kosten betreft die zijn gemaakt voor het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden. Daarbij wordt ervan uitgegaan dat FCIB in het kader van de afwikkeling van haar bankbedrijf mogelijk ook andere kosten heeft gemaakt, zoals kosten ter beëindiging van haar relatie met werknemers, opdrachtnemers, correspondentbanken en kosten in verband met haar eigen strafzaken. Daar zullen de bedingen in de algemene voorwaarden niet voor zijn bedoeld, althans dat hoefde Corbiere c.s. redelijkerwijs niet te begrijpen. Bij deze uitleg zijn de kostenbedingen - anders dan Corbiere c.s. betoogt - niet als kennelijk onredelijk bezwarend aan te merken, en is het beroep van FCIB op die bedingen in de gegeven omstandigheden niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. FCIB heeft de rekeninghouders bovendien op voorhand op haar website bericht over de inhoudingen en nog een termijn gegund daaraan te ontkomen door alsnog aan de voorwaarden voor uitkering van de banktegoeden te voldoen. Dat Corbiere c.s. van die berichten geen kennis heeft genomen - wat daar ook van zij - komt voor haar eigen risico, nu FCIB op grond van haar algemene voorwaarden (art. A2.2.17 en A6.6.1) bevoegd was haar website voor berichtgeving aan de rekeninghouders te gebruiken en Corbiere c.s. daarom geacht mag worden daarmee te hebben ingestemd. De beantwoording van de vraag of de door FCIB c.s. opgegeven kosten redelijk zijn en in redelijkheid zijn gemaakt in het licht van de hiervoor gegeven uitleg van de kostenbedingen verlangt eerst nog een aktewisseling. Ook de beantwoording van de vraag naar de redelijkheid van de wijze waarop FCIB de kosten aan haar rekeninghouders heeft doorbelast, wordt uitgesteld tot na de aktewisseling.
Zie rov. 2.19-2.25.
Zie rov. 2.26-2.28.
Zie rov. 2.29.
eindvonnis, ook wel
EV). In het dictum daarvan heeft het hof “het vonnis waarvan beroep” vernietigd, de vorderingen van Corbiere c.s. deels toegewezen en het meer of anders gevorderde afgewezen. Het heeft, samengevat en onder andere, als volgt overwogen en geoordeeld. [18]
Zie rov. 3.1-3.4.
forensic feesmoeten betalen aan externe compliancekantoren, die ingeschakeld werden bij de uitvoering van de uitkeringsprocedure. Deloitte is ingeschakeld om de jaarstukken van FCIB te beoordelen en vragen van de Belastingdienst te beantwoorden. Personeelskosten waren hoog in 2013, omdat er toen veel personeel afvloeide. FCIB heeft (op basis van
service level agreements) diensten afgenomen van haar groeps- en zustervennootschappen, omdat daar de historische kennis zat en het duurder zou zijn de diensten elders te gaan afnemen. Bij dit oordeel slaat het hof ook acht erop: dat aan CBCS een zekere discretionaire bevoegdheid toekomt keuzes te maken bij de afwikkeling van een noodregeling; dat het (minst genomen) redelijk is dat FCIB c.s. probeerde te voorkomen dat tegoeden zouden worden uitgekeerd die afkomstig waren van misdrijf; dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat FCIB c.s. daarbij advocaten en externe compliancekantoren inschakelde; en dat er een redelijke rechtvaardiging is gegeven voor de keuze van FCIB c.s. diensten af te nemen van de groeps- en zustervennootschappen van FCIB. [19] Zie rov. 3.5.
enerzijdskosten die zijn gemaakt voor de doeleinden (a) het open-/aanhouden van de rekeningen en (b) de afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden (de doeleinden sub a-b hierna: de
doeleinden), en
anderzijdsandere kosten, zoals kosten ter beëindiging van de relatie met bankmedewerkers, opdrachtnemers, correspondentbanken en kosten in verband met de eigen strafzaken. Dit moet zo worden begrepen dat het hof geen scherp onderscheid verlangt tussen kosten gemaakt voor de doeleinden en andere kosten. Om de doeleinden te kunnen verwezenlijken, moet FCIB blijven bestaan en als zij blijft bestaan, moet zij diverse soorten kosten blijven maken of gaan maken, zoals personeelskosten die anders niet gemaakt hadden behoeven te worden. Van diverse soorten kosten kan men redelijkerwijs van mening verschillen over de vraag of, en zo ja hoe, deze moeten worden toegerekend aan de doeleinden. Het gaat er bij de beoordeling van de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden slechts om dat de wijze waarop FCIB c.s. de totale kosten (die zij daadwerkelijk heeft gemaakt) aan de doeleinden toerekent, redelijk moet zijn. Iets anders heeft het hof niet bedoeld, aldus nog steeds het hof.
Zie rov. 3.6.
projected wind down expensesover 2017-2019 (productie 20) en de
wind down expensesover 2014-2016 (productie 22) laat een
revenue gapzien. De kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden dekt dus slechts een deel van de daadwerkelijk door FCIB gemaakte kosten. De kosten die uit de kostenvergoeding van 15% gedekt worden, worden gedragen door de rekeninghouders die volgens FCIB per 1 maart 2014 niet voldoende hadden meegewerkt aan de uitkeringsprocedure (de
non-compliantrekeninghouders). Het is redelijk een deel van de kosten die FCIB maakt, toe te rekenen aan
non-compliantrekeninghouders, omdat zij die kosten hebben veroorzaakt. Daarom kon worden uitgegaan van het eerder genoemde bedrag van $ 29.310.766,80. De gekozen datum 1 maart 2014 is ook redelijk. Ook het percentage waarop de kostenvergoeding uitkomt (15%), acht het hof redelijk.
Zie rov. 3.7.
non-compliantrekeninghouders. Deze werkwijze is enigszins vergelijkbaar met de wijze waarop in een faillissement boedelkosten in evenredigheid aan de schuldeisers worden toegerekend. Een andere aanpak ‘op maat’ lijkt niet goed uitvoerbaar. Dat bij rekeninghouders met een hoog banktegoed een hoger bedrag in rekening wordt gebracht dan bij rekeninghouders met een laag banktegoed kan worden gerechtvaardigd met de gedachte dat de sterkste schouders de zwaarste lasten moeten dragen. Dit geldt ook voor rekeninghouders met zeer sterke schouders, zoals ET Trust, op wier tegoed circa $ 2,8 miljoen is ingehouden. Het is niet onredelijk de 15%-inhouding niet te limiteren.
Zie rov. 3.8.
Zie rov. 3.9.
Zie rov. 3.10-3.12.
Zie rov. 3.13.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ten eersteverlangt het hof in rov. 2.22 en 2.24 TV wel een primair onderscheid tussen (i) te vergoeden kosten voor de doeleinden en (ii) niet te vergoeden andere kosten ter afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf. Enkel op categorie (i) moest de drievoudige redelijkheidstoets toegepast worden. [21] Dit onderscheid verlaat het hof in rov. 3.6 EV met de overweging dat een scherp onderscheid tussen kosten voor de doeleinden en andere kosten niet valt te maken. Die twee benaderingen zijn reeds onverenigbaar met elkaar en daarom onbegrijpelijk.
Ten tweedeintroduceert het hof in rov. 3.6 EV een (nieuwe) toets waarin alleen hoeft te worden bepaald of de wijze waarop de totale kosten (ter afwikkeling van het bankbedrijf) aan de doeleinden kunnen worden toegerekend, redelijk is. Ook dit verhoudt zich niet begrijpelijk tot de eerdere uitleg door het hof, die zich juist niet richt op de totale kosten en bovendien geen toerekeningstoets inhoudt.
subonderdeel 1.4bevat, zo begrijp ik, een uitwerking van subonderdeel 1.2. Het is onbegrijpelijk dat het hof tot uitgangspunt neemt dat moet worden nagegaan of het redelijk was dat FCIB c.s. bij het doorbelasten is uitgegaan van het bedrag van $ 29.310.766,80. Het gaat er immers om welk deel van die kosten (voor zover gemaakt) heeft gezien op de doeleinden en welk deel op andere kosten ter afwikkeling van het bankbedrijf.
subonderdeel 1.6geklaagd dat het hof in ieder geval een verrassingsbeslissing heeft gegeven, omdat partijen in het licht van ’s hofs uitleg in rov. 2.22 en 2.24 TV en het partijdebat niet erop bedacht hoefden te zijn dat beslissend zou zijn of de totale kosten aan de doeleinden kunnen worden toegerekend. Het partijdebat heeft zich vanwege ’s hofs uitleg in rov. 2.22 en 2.24 TV niet op die toerekeningsmaatstaf toegespitst of kunnen toespitsen, terwijl die toerekeningsmaatstaf in (rov. 3.6 van) het eindvonnis beslissende betekenis krijgt. Het partijdebat heeft zich ook niet gericht op die toerekeningsmaatstaf. Integendeel, zoals blijkt uit het “hierna in middelonderdeel 2.3-2.32” weergegeven partijdebat namen partijen juist tot uitgangspunt dat eerst een onderscheid moest worden gemaakt tussen (i) kosten voor de doeleinden en (ii) andere kosten ter afwikkeling van het bankbedrijf, en hebben zij ten aanzien van categorie (i) gedebatteerd over de vraag of die kosten voldoen aan de drievoudige redelijkheidstoets. Partijen hebben geen enkele stelling gewijd aan de vraag of de in totaliteit gemaakte kosten toerekenbaar zouden zijn aan de doeleinden.
non-compliantrekeninghouders te blijven aanhouden. [22]
non-compliantrekeninghouders is uitgegaan van het in rov. 3.2 genoemde bedrag van $ 29.310.766,80. [26] , [27] Onder c gaat het hof ook (en voor het eerst in het eindvonnis) in op het onderscheid tussen enerzijds kosten gemaakt door FCIB c.s. voor de doeleinden en anderzijds andere kosten gemaakt door FCIB c.s. voor de afwikkeling van het bankbedrijf, waarover nader onder 3.6.5-3.6.10 hierna. Bezien tegen deze achtergrond begrijp ik dat ’s hofs oordeel onder b betrekking heeft op twee aspecten. Ten eerste: de grondslag van de (volgens het oordeel onder a) daadwerkelijk gemaakte kosten [28] (kon FCIB c.s. die kosten in redelijkheid maken voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf?). Ten tweede: de omvang van die kosten (waren die kosten op zichzelf ook in omvang redelijk?). Daarbij is nog niet aan de orde in hoeverre die kosten zijn gemaakt
voor de doeleinden. Die laatste kwestie snijdt het hof, zoals gezegd, voor het eerst aan in rov. 3.6(-3.7) EV. Daarna oordeelt het hof (d) in rov. 3.8 EV dat FCIB c.s. de vergoeding op een redelijke wijze heeft verdeeld over de diverse
non-compliantrekeninghouders, door bij al die rekeninghouders een vast percentage van het banktegoed in rekening te brengen (15%) ongeacht de hoogte van hun banktegoed en ongeacht andere bijzonderheden, zoals de mate waarin zij aan de uitkeringsprocedure hadden meegewerkt of de redenen waarom zij dat niet hadden gedaan. Dat wordt gevolgd (e) in rov. 3.9 EV door de slotsom dat de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden voldoet aan de in het tussenvonnis geformuleerde drievoudige redelijkheidstoets, alsook dat, anders dan Corbiere c.s. heeft aangevoerd, daarvoor niet nodig is dat FCIB c.s. per kostensoort stelt en bewijst dat de kosten daadwerkelijk door FCIB zijn gemaakt voor de doeleinden.
kostenposten(zoals personeelskosten in periode
t) altijd ofwel integraal tot de ene categorie kosten ofwel integraal tot de andere categorie kosten behoren. Het kan immers heel wel zo zijn dat een bepaalde kostenpost (zoals dus personeelskosten in periode
t) slechts ten dele behoort tot de ene categorie kosten, die voor vergoeding aanmerking komt, en ten dele tot de andere categorie kosten, die niet voor vergoeding in aanmerking komt. In zoverre ontbreekt dan dus een ‘scherp onderscheid’: niet tussen de twee kostencategorieën (die het hof wel degelijk scherp heeft onderscheiden in het tussenvonnis), wél tussen de eventuele componenten van afzonderlijke kostenposten. Dit is te verenigen met het tussenvonnis. Zie onder 3.6.2-3.6.3 hiervoor.
afzonderlijkedoor FCIB c.s. opgegeven
kostenpostzou worden beoordeeld of, en zo ja: in hoeverre, die post door FCIB aan de desbetreffende rekeninghouders kan worden doorbelast. Waarbij FCIB tot doorbelasting bevoegd is indien en voor zover het gaat om redelijke kosten die zij in redelijkheid heeft gemaakt “voor het open-/aanhouden van de rekeningen en ter afwikkeling en vereffening van de daarop aangehouden tegoeden”, [31] en die op redelijke wijze worden doorbelast aan de desbetreffende rekeninghouders. Daarbij draait het dus mede om de
aardvan de kosten: waarop hebben die betrekking, op de doeleinden of op andere kosten voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf? Dit in het tussenvonnis bij wege van bindende eindbeslissing geformuleerde beoordelingskader [32] behelst toch echt een andere exercitie, en is beduidend minder toeschietelijk voor FCIB c.s., dan genoemde benadering waartoe het hof zich beperkt in rov. 3.6(-3.7) EV. Want daarin redeneert het hof, als sluitstuk van die gewraakte passage, opeens vanuit de holistisch ingestoken toets of “de wijze waarop FCIB c.s. de totale kosten (die zij daadwerkelijk heeft gemaakt) aan de doeleinden toerekent, redelijk” is. [33] Wat het daarmee bedoelt, wordt nader duidelijk uit rov. 3.7 EV. Daarin bespreekt het hof mede FCIB’s
projected wind down expensesover 2017-2019 (productie 20) en
wind down expensesover 2014-2016 (productie 22). [34] En komt het vervolgens tot bevestigende beantwoording van die in rov. 3.6 EV bereikte (vervolg)vraag, nu het hof, gezien de in rov. 3.7 EV geschetste achtergrond, [35] het redelijk acht via een percentage een deel van de kosten die FCIB c.s. daadwerkelijk maakt (kennelijk dus: voor genoemd bedrag van $ 29.310.766,80) toe te rekenen aan de
non-compliantrekeninghouders; en wel omdat deze rekeninghouders die kosten hebben veroorzaakt, oftewel vanwege de handelwijze van deze rekeninghouders. Dit staat derhalve los van (een beoordeling van) de afzonderlijke posten waaruit de door FCIB c.s. opgegeven kosten zijn opgebouwd en de aard van de desbetreffende kosten; daarnaar kijkt het hof verder niet. In wezen bedoelt het hof met die holistisch ingestoken toets dus of het redelijk is dat FCIB c.s. genoemd bedrag van $ 29.310.966,80 aan de
non-compliantrekeninghouders heeft toegerekend. Illustratief is ook rov. 3.9, laatste zin EV:
subonderdelen 1.1-1.4: daarmee wordt rov. 3.6 EV succesvol bestreden, waardoor ook rov. 3.7 EV - dat voortbouwt op althans onverbrekelijk samenhangt met rov. 3.6 EV - onderuit gaat. Het hof meent in rov. 3.6(-3.7) EV dat het niet meer behoefde toe te komen aan het partijdebat - derhalve ook aan de stellingen van Corbiere c.s. - over die (mate van) ‘doorbelastbaarheid’ van afzonderlijke kostenposten, met inachtneming ook van de aard van de desbetreffende kosten, omdat het hof in het tussenvonnis niet iets anders zou hebben bedoeld dan het ervan maakt in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.5 en 3.6.8 hiervoor. Dit presenteert het hof [36] als een uitleg van rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV, in het bijzonder de daarin vervatte bindende eindbeslissing. Die uitleg is gezien 3.6.1-3.6.9 hiervoor echter onbegrijpelijk, want niet te rijmen met wat het hof in rov. 2.22 en 2.24(-2.25) TV heeft overwogen en geoordeeld. Ik lees in het bestreden oordeel dus niet dat het hof daarmee beoogt terug te komen van die eindbeslissing. Blijkens rov. 3.6, laatste zin EV gooit het hof het in rov. 3.6(-3.7) EV juist over de boeg van wat het ter zake al zou hebben bedoeld in het tussenvonnis en bouwt het dáárop voort in het eindvonnis: een continuüm dus, geen breuklijn, in ’s hofs ogen. Daarop wijst ook dat het hof partijen niet de gelegenheid heeft gegeven zich uit te laten over een voornemen van het hof die eindbeslissing te heroverwegen, omdat die eindbeslissing berust op een onjuiste feitelijke of juridische grondslag. [37] Daarom faalt
subonderdeel 1.5, bij gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis. Tot slot
subonderdeel 1.6: dit treft doel. Gezien 3.6.1-3.6.9 hiervoor geeft het hof met die (onbegrijpelijke) uitleg in het bestreden oordeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing, nu Corbiere c.s. - gelijk FCIB c.s. - daarmee na het tussenvonnis gelet ook op het verloop van het partijdebat in redelijkheid geen rekening diende te houden en, zoals gezegd, ook geen rekening heeft gehouden. [38] Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 1.8. Dit klaagt dat, voor zover het hof in rov. 2.22 TV met zijn oordeel dat de kostenbedingen zien “op de vereffeningskosten van de daarop aangehouden tegoeden” zou hebben geoordeeld dat alle vereffeningskosten op grond daarvan in rekening mogen worden gebracht bij haar rekeninghouders, dit oordeel onbegrijpelijk/onvoldoende gemotiveerd is. En wel omdat (a) dit oordeel zich niet op begrijpelijke wijze verhoudt met het daaropvolgende oordeel van het hof dat “andere kosten” die te maken hebben met de afwikkeling van het bankbedrijf niet onder die bedingen vallen, en zich evenmin op begrijpelijke wijze verhoudt met de voorbeelden die het hof zelf geeft van deze “andere kosten”, waaruit juist volgt dat niet alle vereffeningskosten onder die bedingen vallen. En verder omdat (b) Corbiere c.s. heeft gesteld dat zij de kostenbedingen redelijkerwijs niet zo hoefde te begrijpen dat daaronder ook de kosten zouden vallen voor de afwikkeling van het bankbedrijf van FCIB, aan welke alsdan essentiële stelling het hof dan niet voorbij had mogen gaan.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
bijdragenaan het oordeel in rov. 3.4 EV dat FCIB c.s. haar stelling dat zij in de periode 2007-2013 daadwerkelijk kosten heeft gemaakt in de orde van grootte van $ 27 miljoen voldoende heeft “onderbouwd”, en dat de betwisting van die stelling door Corbiere c.s. onvoldoende is “onderbouwd”. [49]
TWOCC) ad $ 1.916.806 niet meer heeft gesteld dan dat het ging om “diverse diensten”, “manuren” van het personeel ten behoeve van FCIB en “onkosten” die verband houden met het leveren van diensten aan FCIB; (b) FCIB c.s. in dit verband nog heeft gesteld dat tussen FCIB en TWOCC een
service level agreementbestond op grond waarvan TWOCC IT-ondersteuning verleende; (c) FCIB c.s. de kosten van T.W. Securities B.V. (hierna:
T.W. Securities) ad $ 5.796.633,75 niet met meer heeft onderbouwd dan de stelling dat het “werkzaamheden” betrof van [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]) via T.W. Securities voor Transworld-groep; en (d) Transworld Oil Limited (hierna:
TWO) “een aantal onkosten die voor FCIB zijn gemaakt (reis- en accomodatiekosten van proxy holders en adviseurs)” ad $ 21.444,71 heeft voorgeschoten. Uit die stellingen laat zich niet op begrijpelijke wijze afleiden dat die kostenposten allemaal zijn gemaakt voor de doeleinden en redelijk zijn, omdat zich niet op begrijpelijke wijze eruit laat afleiden waarvoor die kosten precies zijn gemaakt.
back office-werkzaamheden zouden behelzen; (c) de stelling dat de werkzaamheden met instemming van CBCS zouden zijn voortgezet niet blijkt uit de daartoe overgelegde productie 62a van FCIB c.s.; (d) de kosten van T.W. Securities enkel zijn onderbouwd met een specificatie die erop neerkomt dat voor werkelijk iedere werkdag in de periode 2007-2013 geldt dat [betrokkene 4] acht uur voor FCIB zou hebben gewerkt, zonder op enige wijze te specificeren waaruit dat werk bestond; [51] en (e) de door TWO voorgeschoten onkosten blijkens de overgelegde facturen bestaan uit talloze hotelovernachtingen in luxe hotels in Bermuda en volstrekt onduidelijk is op grond waarvan deze kosten voor rekening van FCIB zijn gebracht. In het licht van deze gemotiveerde betwisting valt niet in te zien waarom het hof desondanks meent dat FCIB c.s. voldoende heeft onderbouwd dat de gestelde kosten van de groeps- en zustervennootschappen daadwerkelijk zijn gemaakt (voor de doeleinden) en dat Corbiere c.s. haar betwisting onvoldoende heeft onderbouwd. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast.
TWOCC(opgegeven kosten: $ 1.916.806). Over de desbetreffende kosten heeft FCIB c.s. in nrs. 2.18.9.2-2.18.9.3 van de akte na tussenvonnis onder verwijzing naar producties 62d-62e gesteld dat tussen FCIB en TWOCC sinds 2002 een
service level agreementbestaat op grond waarvan TWOCC IT-ondersteuning verleent aan FCIB. Vermeld wordt dat “twee typen diensten” werden geleverd en in rekening werden gebracht, te weten “manuren” en “onkosten”. Dit is rijkelijk vaag, terwijl het tegelijkertijd gaat om een aanzienlijke kostenpost. Producties 62d-62e bieden op het eerste gezicht, zonder toelichting, geen nader inzicht. Productie 62d bevat enerzijds een lijst van facturen en factuurbedragen (optellend tot slechts circa $ 1,7 miljoen), zonder specificatie van de aard van de kosten, en anderzijds een “Service Agreement”, waaruit weliswaar een en ander volgt met betrekking tot de aard van de overeengekomen diensten, maar aan de hand waarvan de gemaakte kosten niet kunnen worden gecontroleerd. Productie 62e bevat vervolgens facturen en bijlagen daarbij. Daaruit blijkt onder andere het aantal in rekening gebrachte uren en/of van gemaakte reiskosten, maar kan niet zonder meer worden opgemaakt of de kosten reëel zijn gemaakt ten behoeve van FCIB.
T.W. Securities(opgegeven kosten: $ 5.796.633,75). Dit betreft een nog hogere post: grofweg een vijfde van het oorspronkelijk door FCIB c.s. berekende bedrag van circa $ 29 miljoen, waarvan FCIB c.s. volgens rov. 3.7, voor-voorlaatste zin EV mocht uitgaan. Over de desbetreffende kosten heeft FCIB c.s. in nrs. 2.18.9.4-2.18.9.5 van de akte na tussenvonnis onder verwijzing naar producties 62b-62c in essentie gesteld dat [betrokkene 4] na het uitspreken van de noodregeling als
proxy holderwerkzaamheden heeft verricht (naar ik begrijp via T.W. Securities). Producties 62b-62c bieden geen nader inzicht althans roepen vragen op. Productie 62b bevat alleen een kort staatje met facturen, optellend tot $ 5,796.633,75. Productie 62c bevat vervolgens facturen en (voor de periode vanaf 2007) bijlagen daarbij. Volgens die bijlagen heeft [betrokkene 4] álle werkdagen in de periode 2007-2013 acht uur voor FCIB gewerkt. De aannemelijkheid van deze (bijkans bovenmenselijke) mate van toewijding oogt tamelijk kwestieus.
TWO(opgegeven kosten: $ 21.444,71). Wat in nr. 2.18.9.5, tweede alinea van de akte na tussenvonnis te lezen valt, is op zichzelf niet onduidelijk. Blijkens de met productie 62g overgelegde facturen bestaan de door TWO voorgeschoten onkosten van FCIB c.s. evenwel uit talloze hotelovernachtingen in (luxe) hotels in Bermuda. Het blijft duister op grond waarvan deze kosten voor rekening van FCIB zouden zijn gebracht. Ook dit roept vragen op.
service level agreementvallende diensten met betrekking tot geautomatiseerde banksystemen te gaan afnemen van een nieuwe dienstverlener. Dit betreft immers geen notoir feit dat ieder normaal ontwikkeld mens kent of uit voor ieder toegankelijke bronnen kan kennen. Integendeel, het betreft een feit dat enkel in gespecialiseerde kringen bekend zou kunnen zijn. Bovendien kan niet als algemeen feit worden aangenomen dat dergelijke diensten duurder kunnen zijn. Dit zal mede afhangen van de omvang en aard van de dienstverlening in kwestie, alsmede de tariefstelling van de nieuwe dienstverlener.
mogelijkheidvan hogere kosten voor zulke diensten bij zo’n wisseling. Zie onder 2.21 sub b hiervoor. [62] M.i. geeft deze - weinig spectaculaire - overweging geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting over algemene ervaringsregels en behoefde zij evenmin nadere motivering. [63] Daaraan doet niet af wat het subonderdeel ter zake aanvoert, zo het daarbij het bestreden oordeel al juist leest en aldus feitelijke grondslag heeft.
klacht a.
klacht b.
subonderdeel 2.8is ’s hofs oordeel dat de personeelskosten zijn gemaakt en in redelijkheid zijn gemaakt bovendien onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd, omdat FCIB c.s. daaromtrent enkel heeft gesteld dat die kosten zijn samengesteld uit “salarissen, ziektekostenverzekeringen, pensioenen en eventuele andere secundaire voorwaarden van het personeel van FCIB”, terwijl Corbiere c.s. ter betwisting daarvan - alsmede ter betwisting dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt - op het volgende heeft gewezen.
subonderdeel 2.8- zie in het bijzonder
onder (i)- iets anders tot uitgangspunt neemt, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het eindvonnis.
klacht a. In rov. 2.22 TV geeft het hof voorbeelden van “andere kosten”, die FCIB niet mag doorbelasten aan rekeninghouders. Zie onder 3.6.2 hiervoor. Waar het hof in rov. 3.5 EV overweegt dat “[p]ersoneelskosten [hoog] waren in 2013, omdat er toen veel personeel afvloeide”, is dit onderdeel van iets anders: de vraag of de totale kosten (voor de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf), zoals door FCIB c.s. opgegeven, redelijk zijn/in redelijkheid zijn gemaakt. [65] De tegenstrijdigheid tussen rov. 2.22 TV en rov. 3.5 EV die de klacht veronderstelt, is er bijgevolg niet.
klacht ben
subonderdeel 2.8 voor het overige. Deze lopen ook vast.
high society clubwaar men volgens de website discussieert over “sports, politics and of course boating”. [85] (b) Een maandelijkse vergoeding van vliegtuigkosten aan TWO (een bedrijf van de [familie] ) van $ 166.500, terwijl een onderbouwing daarvan ontbreekt, maar die waarschijnlijk zal hebben gezien op de huur van privévliegtuigen. [86] (c) De vergoeding in de periode 2007-2013 van overnachtingen in dure
resortsop Curaçao ter hoogte van ruim $ 330.000, terwijl FCIB c.s. niet toelicht wie daarvan gebruik heeft gemaakt/waartoe deze kosten hebben gediend. [87] En (d) een reeks afschrijvingen op meubels, apparaten, auto’s en andere goederen, zodat het hier in werkelijkheid geen gemaakte kosten betreft.
subonderdeel 2.18, dat het hof in rov. 3.4 EV geen nadere overweging wijdt aan de juridische kosten. Het oordeel dat deze kosten zijn gemaakt, rust slechts op de overweging dat de kosten voldoende zijn onderbouwd en onvoldoende onderbouwd zijn betwist. Het hof heeft aan de juridische kosten in het kader van de vraag of zij zijn gemaakt dus geen inhoudelijke overweging gewijd. Dit had in het licht van “voornoemd partijdebat” wel van het hof verwacht mogen worden. In ieder geval heeft het hof in het licht van dit partijdebat te hoge eisen gesteld aan de op Corbiere c.s. rustende betwistingslast.
SPIGT) betaalde bedragen, optellend tot $ 3.446.864,14. Productie 57b van FCIB c.s. bevat facturen/declaraties van SPIGT. FCIB c.s. heeft in nrs. 2.18.4.1-2.18.4.3 van haar akte na tussenvonnis toegelicht dat het hier gaat om kosten voor de afwikkeling van de rekeningen, specifieker advisering over en gerechtelijke procedures tegen rekeninghouders die uitkering van banktegoeden vorderden, het bijstaan van FCIB als derde-beslagene in procedures waarin beslag op banktegoeden was gelegd en overige ad hoc-advisering over de afwikkeling van de bankrekeningen en vereffening van de banksaldi. [96]
door SPIGTten behoeve van FCIB gemaakte kosten inzake zulk onderzoek, wat niet onbegrijpelijk is, want aansluit op de onder 3.45.2 hiervoor bedoelde stellingname van FCIB c.s. [97] inzake “advisering” door SPIGT (mede “over de compliance documenten die de rekeninghouders aanleverden en de uitkering van de banksaldi”). [98] Aan dit een en ander gaan de subonderdelen voorbij.
SBV) en [A] . De opgegeven juridische kosten kunnen dus niet hebben gezien op compliancekosten en het oordeel dat die juridische kosten daadwerkelijk zijn gemaakt (en redelijk waren) kan dus ook niet op begrijpelijke wijze (mede) worden gedragen door de overweging dat er gedurende zeven jaar compliancekosten zijn gemaakt.
klacht a.
klacht b.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
voor de doeleindenzijn gemaakt. [109] In die sleutel staat, naar ’s hofs evenmin onbegrijpelijke oordeel, ook de opmerking onder (iii) dat SBV als specialistisch kantoor in financieel strafrecht niet enkel werkzaamheden verrichtte ter afwikkeling van de bankrekeningen. [110] En rov. 3.4 EV gaat dus niet over de vraag in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor.
forensic fees) of compliancekosten. [114] Daarop doelt FCIB c.s. ook waar zij verwijst naar compliancewerkzaamheden voor de afwikkeling van bankrekeningen en vereffening van banksaldi. [115] Corbiere c.s. klaagt in cassatie ook niet dat zij gericht heeft betoogd dat er redenen zijn te twijfelen aan het daadwerkelijk gemaakt zijn van die kosten als toegelicht door FCIB c.s., op welk betoog het hof dan had moeten responderen.
forensic feesheeft moeten betalen in het kader van de uitkeringsprocedures; (c) dat het redelijk is dat FCIB c.s. probeerde te voorkomen dat tegoeden zouden worden uitgekeerd die afkomstig waren van misdrijf; en (d) dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat FCIB c.s. daarbij compliancekantoren inschakelde. Voor zover al door FCIB c.s. gedragen, is een deel van die kosten niet controleerbaar en zag een deel niet op (compliance in het kader van) de afhandeling van de tegoeden op de rekeningen, zodat voornoemde overwegingen ook niet de redelijkheid van alle SBV-kosten kunnen dragen.
klacht a.
forensic feesheeft moeten betalen in het kader van de uitkeringsprocedures, (c) dat het redelijk is dat FCIB c.s. probeerde te voorkomen dat tegoeden zouden worden uitgekeerd die afkomstig waren van misdrijf en (d) dat het redelijkerwijs noodzakelijk is dat FCIB c.s. daarbij compliancekantoren inschakelde, evenmin tot de conclusie leiden dat alle kosten van [A] redelijk waren. Dit is
klacht b.
klacht a.
voor de doeleindenzijn gemaakt. [123] En rov. 3.4 EV gaat dus niet over de vraag in hoeverre die kosten specifiek verband houden met de doeleinden. Dit punt adresseert het hof eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor.
forensic fees) of compliancekosten. [130] Daarop doelt FCIB c.s. ook waar zij verwijst naar compliancewerkzaamheden voor de afwikkeling van bankrekeningen en vereffening van banksaldi. [131] Corbiere c.s. klaagt in cassatie ook niet dat zij gericht heeft betoogd dat er redenen zijn te twijfelen aan het daadwerkelijk gemaakt zijn van die kosten als toegelicht door FCIB c.s., op welk betoog het hof dan had moeten responderen.
klacht b.
[betrokkene 8]) aan [betrokkene 4] (productie 59a). Corbiere c.s. heeft betwist dat deze kosten gemaakt zijn althans redelijkerwijs gemaakt zijn, alsmede betwist dat de kosten in het kader van de doeleinden zijn gemaakt, omdat:
onder (iii)heeft FCIB c.s. toegelicht dat in het financieel administratiesysteem van CBCS de administratie van CBCS, en meer specifiek de administratie van de kosten ten laste van de noodregeling inzake FCIB, tot aan 2009 te achterhalen is. Aan de hand van deze administratie zijn de kosten van CBCS ten laste van de noodregeling inzake FCIB voor de periode augustus 2009-december 2013 door het gerecht vastgesteld bij beschikking van 22 oktober 2019 (zaaknr. F17/2006). FCIB c.s. heeft de processtukken en daarbij behorende overzichten (waarmee de kosten over die periode in genoemde procedure zijn onderbouwd en door het gerecht zijn vastgesteld) overgelegd als productie 59c. [137] Zij heeft ook toegelicht waarmee de kosten in die periode onder meer verband houden. [138] Ik kom hierop terug bij subonderdeel 2.31.
onder (ii)heeft FCIB c.s. toegelicht dat CBCS in een archief ook een overzicht van de kosten van CBCS voor de periode januari 2008-juli 2009 heeft kunnen achterhalen. FCIB c.s. heeft dit overzicht en de getraceerde onderliggende facturen in het geding gebracht als productie 59b. [139] Met daarbij als kanttekening dat het gaat om door CBCS gemaakte kosten die meer dan 14 jaar geleden zijn geadministreerd, waardoor niet alle onderliggende facturen nog te achterhalen zijn. En dat er evenwel geen reden is te twijfelen aan de kosten, nu dit kosten zijn van crediteuren die aantoonbaar werkzaamheden hebben verricht ter afwikkeling van het bankbedrijf van FCIB en waarvan een enkeling deze werkzaamheden zelfs tot aan 2018 heeft verricht. Daarnaast zijn er ook onkosten geadministreerd, zoals dienstreiskosten van CBCS-personeel en reiskosten van opdrachtnemers. FCIB c.s. heeft nog een toelichting gegeven op de werkzaamheden die opdrachtnemers - voor wie CBCS de kosten heeft betaald/voorgeschoten - in genoemde periode hebben verricht ter afwikkeling van het bankbedrijf. [140] Ik kom hierop terug bij subonderdeel 2.30.
onder (i). Daartoe heeft FCIB c.s. gewezen op de e-mail van [betrokkene 8] (van CBCS) aan [betrokkene 4] (van FCIB) met het onderwerp “Emergency measure” van 18 januari 2008, waarop het subonderdeel doelt: productie 59a. [141] Daarin valt mede te lezen dat onder anderen [betrokkene 4] door [betrokkene 8] werd verzocht (onder verwijzing naar eerder overleg tussen [betrokkene 4] en [betrokkene 8] ) een bericht te sturen aan [betrokkene 9] van CBCS ( [e-mail] , ook in cc in genoemde e-mail), waarin CBCS kort gezegd werd toegestaan “to debit your account for NA
ƒ500.000,--” ter bestrijding van kosten van CBCS inzake de noodregeling. Dit “is in line with the normal procedure we follow when a bank is placed under the emergency measures.” Ook staat er dat “you will be separately billed for the costs the Bank incurred to date.” Hierop heeft het onderhavige subonderdeel dus betrekking.
[betrokkene 10]) zou hebben verricht.
onder (i)komt neer op enkele algemeenheden zonder concretisering, die in ieder geval voorbijgaan aan genoemde toelichting van FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis. Die stelling (i) rechtvaardigt derhalve niet de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.
onder (ii)bouwt voort op die stelling onder (i) en komt erop neer, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat FCIB c.s. het Corbiere c.s. aldus onmogelijk maakt te controleren of de opgegeven kosten van CBCS wel specifiek verband houden met de doeleinden. [145] Welke kwestie het hof als gezegd eerst adresseert in rov. 3.6(-3.7) EV. Zie onder 3.6.4 hiervoor. Bij deze stand van zaken rechtvaardigt die stelling (ii) evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.
onder (iii) [146] leidt niet tot een andere uitkomst. Onder a wordt verwezen naar “bonnetjes” van een restaurantbezoek op Curaçao, maar in werkelijkheid gaat het om slechts één rekening. [147] Waarom deze ene rekening een “ontluisterend beeld” oplevert, wordt daar door Corbiere c.s. niet toegelicht en valt zonder meer ook niet in te zien. Dit laatste geldt tevens voor de onder b bedoelde declaraties, [148] waarbij Corbiere c.s. bovendien geen acht heeft geslagen op de door FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis gegeven toelichting inzake verkoop door FCIB (in samenspraak met CBCS) van haar aandelenbelang in een bank op Bermuda ter verkrijging van liquiditeiten voor uitbetaling van banktegoeden. [149] Voor de onder c bedoelde facturen geldt eveneens dat door Corbiere c.s. niet is toegelicht waarom dit een “ontluisterend beeld” oplevert, en dat dit zonder meer ook niet valt in te zien. [150] M.i. vaart ook het hof deze koers in het eindvonnis.
onder (iv)komt erop neer, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat het bij de desbetreffende kosten zou gaan om andere kosten (“algemene afwikkelingskosten”) inzake de afwikkeling van FCIB’s bankbedrijf dan kosten die specifiek verband houden met de doeleinden. [151] Het onderscheid tussen deze typen kosten adresseert het hof dus eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Bij deze stand van zaken rechtvaardigt die stelling (iv) evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.
onder (v)inzake Stibbe lees ik niet zo terug in de daarbij genoemde vindplaats. [152] Daar merkt Corbiere c.s. slechts op dat uit de twee facturen van gezamenlijk € 10.000 niet volgt dat Stibbe specifiek heeft geadviseerd “over de wijze waarop aan de rekeninghouders uitgekeerd moest worden”, waarop FCIB c.s. wees in haar toelichting in de akte na tussenvonnis. [153] M.i. rechtvaardigt die enkele opmerking naar de aard hoe dan ook niet de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel. De in het subonderdeel bedoelde stelling van Corbiere c.s.
onder (v)inzake [betrokkene 10] baat Corbiere c.s. evenmin. Zij schreef daar dat [betrokkene 10] voor zijn werkzaamheden door CBCS zou zijn betaald, maar FCIB c.s. “in het geheel niet toe[licht]” welke werkzaamheden hij heeft verricht. [154] Het probleem hier is dat FCIB c.s. dit wel degelijk heeft toegelicht, [155] wat Corbiere c.s. (ook in het subonderdeel) heeft genegeerd.
onder (vi). Die lees ik evenmin zo terug in de daarbij genoemde vindplaats. [156] Daar sloot zij af met “Lang verhaal kort”, etc. Dit behelst, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, slechts de slotsom dat Corbiere c.s. betwist dat FCIB de onderhavige kosten van CBCS daadwerkelijk heeft gemaakt althans dat deze kosten specifiek verband houden met de doeleinden. Dit laatste punt adresseert het hof dus pas in rov. 3.6(-3.7) EV. Op dit eerste punt gaat het hof in rov. 3.4 EV in; ’s hofs daarin vervatte oordeel dat FCIB c.s. die kosten daadwerkelijk heeft gemaakt, is in rov. 3.5 EV een gegeven. Kortom, die enkele slotsom rechtvaardigt naar de aard evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.
onder (i)komt neer op enkele algemeenheden zonder concretisering, die in ieder geval voorbijgaan aan genoemde toelichting van FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis. Daarbij zij bedacht dat Corbiere c.s. (ook blijkens het subonderdeel) niet heeft weersproken dát de onderhavige kosten van CBCS door het gerecht zijn vastgesteld bij beschikking van 22 oktober 2019 (zaaknr. F17/2006) op NAƒ 722.460,97 (omgerekend $ 405.896,95), zoals toegelicht door FCIB c.s. in haar akte na tussenvonnis. Bij deze stand van zaken rechtvaardigt die stelling (i) niet de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.
onder (ii)geldt dan hetzelfde, gezien 3.69.3 hiervoor. Dit behoeft geen verdere toelichting.
onder (iii)leidt niet tot een andere uitkomst. Die stelling (iii) komt erop neer, naar ’s hofs niet onbegrijpelijke oordeel, dat de desbetreffende kosten voor vervreemding van aandelen (advies) en werkzaamheden van Deloitte (audit) niet specifiek verband houden met de doeleinden. [157] Dit laatste punt adresseert het hof dus eerst in rov. 3.6(-3.7) EV. Die stelling (iii) rechtvaardigt derhalve evenmin de conclusie dat het hof in rov. 3.4-3.5 EV blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting of ontoereikende motivering als bedoeld in het subonderdeel.
subonderdeel 2.33. Dit wordt voorafgegaan door het kopje “Kosten van vóór april 2007 vallen buiten scope van te vergoeden kosten”. Geklaagd wordt dat rov. 3.4-3.5 EV bovendien onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd, omdat (i) FCIB c.s. (naar het hof vaststelt in rov. 2.20 TV) zelf tot uitgangspunt heeft genomen dat de kosten tot en met maart 2007 niet via de kostenvergoeding van 15% van de banktegoeden in rekening mogen worden gebracht, omdat de rekeninghouders tot aan maart 2007 in de gelegenheid waren gesteld hun banktegoeden op te halen. En (ii) Corbiere c.s. erop heeft gewezen dat verschillende kostenposten desondanks zien op de periode vóór april 2007, onder meer: (a) de kosten van bijna $ 500.000 van T.W. Securities; en (b) een boekhoudkundige afschrijving over een auto die is aangeschaft in 2006 (en dus niet in de periode april 2007-2013), welke afschrijving in de grootboekrekeningpost uit 2011 als kantoorkosten in rekening wordt gebracht.
subonderdelen 3.3-3.11klagen vanuit diverse invalshoeken over rov. 3.7 EV, waarbij deels ook rov. 3.4-3.5 EV worden betrokken.
tailor made-aanpak en het ‘sterkste schouders’-beginsel.
klacht a.
klacht b.
maintenance feevia enkel voornoemde website onredelijk bezwarend respectievelijk naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar. In ieder geval moeten die omstandigheden kenbaar meegewogen worden.
klacht a.
klacht ben
subonderdeel 6.3.
maintenance feeniet “onredelijk bezwarend” is. Dergelijke oordelen zijn niet te lezen in rov. 2.23 TV.
maintenance fee, niet naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Dit oordeel valt wel te lezen in rov. 2.23 TV, gezien ook ’s hofs weergave in rov. 2.21 TV van het verweer van Corbiere c.s. En daar richten de klachten zich met succes tegen.
in de periode 2006-2007heeft kennisgenomen van de
toendoor FCIB op de website gedane mededelingen en zodoende wist wat in het kader van de uitkeringsprocedure van haar werd verwacht. [191] Dit heeft derhalve geen betrekking op (FCIB’s beroep op) de kostenbedingen in verbinding met de 15%-maatregel en de verhoging van de
maintenance feedie FCIB
eerst in 2013op haar website heeft bekendgemaakt (zie rov. 2.2.11-2.2.12 TV), door het hof in rov. 2.23 TV geduid als FCIB’s berichten op haar website over de inhoudingen. Was het anders geweest, dan had het hof in rov. 2.23 TV ook niet in het midden gelaten of Corbiere c.s. van die berichten over de inhoudingen geen kennis heeft genomen (“wat daar ook van zij”).
maintenance feein 2013 is ontgaan. Iets anders is dat het gerecht dit laatste voor risico laat komen van Corbiere c.s., vanwege de daar bedoelde stand van zaken. Ik lees in het bestreden oordeel niet dat het hof in rov. 2.23 TV voortbouwt op rov. 4.24 van het GEA-tussenvonnis, althans ten hoogste voor zover het gerecht daarin overweegt dat FCIB “[o]p grond van de algemene voorwaarden (artikel 2.17) gerechtigd [was] haar website te gebruiken voor het bekend maken van (nieuwe) tarieven.” Dit maakt de uitkomst niet anders, gezien 3.91.2-3.91.6 hiervoor.
maintenance feevan $ 50 naar $ 250 per maand respectievelijk dat Corbiere c.s. niet hoefde te begrijpen dat art. A2.2.17 of A2.2.19 (en C2.2.1) van de algemene voorwaarden daartoe een grondslag boden;
maintenance feevan 500% in de omstandigheden van dit geval naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.
S ubonderdeel 8.3klaagt als volgt.
klacht a.
klacht b.
Subonderdeel 8.4klaagt als volgt.
klacht a.
klacht b.
klacht c.
subonderdeel 8.3.
klacht a. Het hof overweegt in rov. 3.10 EV onder meer dat de “rekeninghouders, onder wie Corbiere c.s., [geacht] moeten worden” uit FCIB’s oproepen aan de rekeninghouders hun banktegoeden ‘op te halen’ “redelijkerwijs te hebben kunnen begrijpen” dat FCIB vanaf de datum van de eerste oproep [207] geen contractuele rente meer verschuldigd is en dat de rekeninghouders hun banktegoeden dus (met inachtneming van de uitkeringsprocedure) moeten ‘ophalen’ om die elders onder te brengen, indien zij de tegoeden wensen te laten renderen. Daarbij betrekt het hof blijkens rov. 3.10, eerste zin EV, in het verlengde van rov. 2.26 TV, dat het vanzelfsprekend is (“voor de hand ligt”) die oproepen uit te leggen als een opzegging c.q. beëindiging van de bestaande bankrelaties in het kader van de vereffening van FCIB’s bankbedrijf als gevolg van de noodregeling. Immers, na de intrekking van FCIB’s bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling waren de banktegoeden bevroren. FCIB kon en mocht daarna het bankbedrijf niet meer uitoefenen en kon en mocht dus zelf ook geen inkomsten meer genereren om daaruit de met Corbiere c.s. bedongen rente te voldoen. Aldus bezien was van een bankrelatie tussen FCIB en de rekeninghouders enkel nog sprake voor zover voor de afwikkeling en uitkering van de banktegoeden was vereist en strandt reeds daarop de vordering van Corbiere c.s. inzake de bedongen rente (dus de contractuele rente). Zie rov. 2.26 TV. Gelet op dit een en ander ontwaar ik in rov. 2.26 TV en/of rov. 3.10 EV niet de onjuiste rechtsopvatting die de klacht het hof aanwrijft.
klacht b.Uit 3.103.1 hiervoor volgt dat het hof in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV wel kenbaar uiteenzet waarom de rekeninghouders, onder wie Corbiere c.s., FCIB’s oproep op de website in ieder geval redelijkerwijs hebben moeten begrijpen als een opzegging/beëindiging van de bestaande bankrelaties, naar die oproep voldoende eenduidig inhoudt. Hierop loopt het eerste deel van de klacht reeds stuk. Ook het vervolg van de klacht (“Bovendien”, etc.) mist doel. ’s Hofs oordeel in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV moet immers worden bezien in het licht van rov. 2.12-2.13 TV (in cassatie onbestreden), waarover onder 3.91.6 hiervoor. Daaruit volgt mede dat volgens het hof het doel van de desbetreffende berichtgeving op FCIB’s website eind 2006 was om Corbiere c.s. met de inhoud daarvan bekend te maken. [208] Daaraan gaat de klacht hier voorbij. Daarmee ontvalt in zoverre reeds de bodem aan de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
subonderdeel 8.4.
klacht a. Het ligt voor de hand dat het hof in rov. 2.26 TV en rov. 3.10 EV onder meer ervan uitgaat, op basis van rov. 2.12-2.13 TV (in cassatie onbestreden), dat het doel van de desbetreffende berichtgeving op FCIB’s website eind 2006 was om Corbiere c.s. met de inhoud daarvan bekend te maken en dat Corbiere c.s. van die berichtgeving heeft kennisgenomen (heeft vernomen, dus wist) in de periode 2006-2007. Zie onder 3.103.2 hiervoor. Deze oordelen zijn feitelijk en, zonder meer, niet onbegrijpelijk. Verder onderkent het hof al in rov. 2.2.6 TV het bepaalde in art. A6.6.1 van de algemene voorwaarden, op grond waarvan “[a]ll notices, demands and communications by the Bank to the Client may be sent or dispatched by the Bank to the Client” onder meer “by means of the Bank's Web Site”. M.i. ligt in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV besloten dat, gezien dit art. A6.6.1, de onderhavige berichtgeving door FCIB op 14 december 2006 via de website in ieder geval Corbiere c.s. heeft bereikt (als bedoeld in art. 3:37 lid 3 BW Pro) op die dag bij de publicatie ervan. Daarop wijst ook ’s hofs gerichte vaststelling in rov. 2.23 TV dat FCIB op grond van de algemene voorwaarden (waaronder dit art. A6.6.1) bevoegd was haar website voor berichtgeving aan de rekeninghouders te gebruiken en Corbiere c.s. daarom geacht mogen worden daarmee te hebben ingestemd. Daarmee stroken ook rov. 3.10, laatste zin EV (“vanaf de datum van de eerste oproep”) en rov. 3.12, eerste zin EV (“tot 14 december 2006 (de datum van de eerste oproep)”). Dit oordeel in rov. 3.10 EV in verbinding met rov. 2.26 TV is onbegrijpelijk noch rechtens onjuist. [209] Daarmee valt het doek voor de klacht.
klacht b. Die vindt in zijn algemeenheid geen steun in het recht. Niet valt in te zien waarom per definitie een mededeling via een website geen aan een persoon gerichte verklaring betreft, althans een verklaring via een website niet geacht kan worden de wederpartij bij een overeenkomst te hebben bereikt. Corbiere c.s. maakt ook niet duidelijk waaraan zij deze opvatting ontleent. De klacht is evenmin op enigerlei wijze toegespitst op het onderhavige geval. Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
klacht c. Die strandt op een gebrek aan feitelijke grondslag door een onjuiste lezing van het tussenvonnis en het eindvonnis, voor zover de klacht veronderstelt dat volgens het hof op 14 december 2006 “de bankrelatie”
integraalis opgezegd/beëindigd. Het hof gaat immers - ook in rov. 2.26 TV en rov. 3.10 EV - uit van opzegging c.q. beëindiging van “de bestaande bankrelaties”, aldus dat daarna nog wel (zij het enkel) sprake was van een bankrelatie tussen FCIB en de rekeninghouders voor zover vereist voor de afwikkeling en uitkering van de banktegoeden. De klacht strandt ook voor het overige en wel in het voetspoor van 3.103.1-3.103.2 en 3.104.1-3.104.2 hiervoor. Daaruit volgt dat hetgeen de klacht aanvoert onder (i)-(iv) niet de conclusie rechtvaardigt dat het bestreden oordeel onvoldoende begrijpelijk is gemotiveerd als bedoeld in de klacht. Dit behoeft geen verdere toelichting.
Subonderdeel 8.5klaagt als volgt. ’s Hofs oordeel dat na de intrekking van de bankvergunning en het uitspreken van de noodregeling de banktegoeden bevroren waren, en FCIB daarna het bankbedrijf niet meer kon en mocht uitoefenen en dus zelf ook geen inkomsten meer kon en mocht genereren om daaruit de met Corbiere c.s. bedongen rente te voldoen, is onvoldoende gemotiveerd in het licht van de volgende stellingen van Corbiere c.s.
Subonderdeel 8.6klaagt dat in het licht van “voornoemde stellingen” ook onvoldoende is gemotiveerd ’s hofs oordeel in rov. 3.4 EV dat de operationele kosten doorliepen, terwijl daar geen inkomsten meer tegenover stonden. Dit oordeel lijdt aan hetzelfde motiveringsgebrek als bedoeld in subonderdeel 8.5.
subonderdeel 8.5.
maintenancefee te verhogen en de 15%-maatregel in te voeren. Ook die stelling (ii) is blijkens de genoemde vindplaats [212] door Corbiere c.s. aangevoerd in een andere context dan die discussie, te weten het causaal verband tussen (vermeende) wanprestatie van Corbiere c.s. en (pretense) schade van FCIB. Hetzelfde geldt voor die stelling (iii): die is blijkens de genoemde vindplaatsen [213] door Corbiere c.s. aangevoerd in de context van dat causaal verband, van die 15%-maatregel en van de door FCIB c.s. opgegeven kostenpost “IT en overige kosten”. Hetzelfde geldt ook voor die stelling (iv): die is blijkens de genoemde vindplaats [214] door Corbiere c.s. aangevoerd in de context van die 15%-maatregel. Met die discussie over contractuele rente hebben die stellingen (i)-(iv) niet van doen. In de genoemde vindplaatsen wordt ook niet verwezen naar die discussie. Daarmee is het lot van het subonderdeel reeds bezegeld.
subonderdeel 8.6.
moethebben gemaakt in de periode na de vereffening”. [224] Waarbij Corbiere c.s. opeens repte van “winst” die “met zoveel woorden” staat in het door FCIB c.s. overgelegde kostenoverzicht, [225] terwijl het volgens Corbiere c.s. eerder nog ging om “
profit tax” die FCIB “op bepaalde kosten in aftrek lijkt te brengen”. [226]
Subonderdeel 9.2klaagt dat ’s hofs oordeel in rov. 2.18 TV inzake de beklagprocedure onbegrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd is. Corbiere c.s. heeft erop gewezen: