Conclusie
1.Overzicht
excess foreign tax credituit het ontvangstjaar waardeloos wordt doordat de feitelijk ongewijzigde royaltystroom na en door wetswijziging niet meer aangemerkt wordt als innovatiebox-royalty?
Rechtbankheeft vraag (i) bevestigend beantwoord: de Besluitgever heeft doelbewust een apart verrekeningsregime ingevoerd voor bronbelasting op innovatiebox-royalty’s, door die in art. 36a(2)(b) Bvdb in hun ontvangstjaar alleen verrekenbaar te verklaren met de Vpb op innovatiebox-royalty’s. De Rechtbank acht het niet denkbaar dat de Besluitgever meteen ná het ontvangstjaar weer van die compartimentering zou hebben willen afzien. De tekst van art. 37 Bvdb Pro kan haars inziens zo gelezen worden dat voortgewentelde bronbelasting in volgende jaren wordt aangemerkt als buitenlandse bronbelasting
in de zin vanart. 36
respectievelijk in de zin vanart. 36a. Die tekst sluit niet uit dat de voortwentelingsbeschikking voort te wentelen bedragen ex art. 36 en Pro ex art. 36a separaat vaststelt. De Rechtbank heeft ook belanghebbendes beroep op de evenredigheids- en gelijkheidsbeginselen verworpen.
in sprongcassatievier middelen voor. De Rechtbank heeft volgens haar ten onrechte geoordeeld dat:
lex specialisis als een Vpb-plichtige buitenlandse innovatiebox-royalty’s ontvangt en de daarop ingehouden bronbelasting wil verrekenen met haar Vpb over dat ontvangstjaar. Voor dat jaar beperkt art. 36a Bvdb de verrekeningsbasis voor die buitenlandse innovatiebox-bronbelasting tot de Vpb over innovatiebox-royaty’s.
excess foreign tax credituit het ontvangstjaar wordt voortgewenteld. Art. 37 Bvdb Pro bepaalt ongespecificeerd dat ‘
hetbedrag’ van de ex art. 36
enart. 36a Bvdb in het ontvangstjaar onverrekend gebleven buitenlandse belasting wordt aangemerkt als ‘vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar’ en ook art. 44 draagt Pro de Inspecteur ongespecificeerd op om ‘het bedrag’ van de voortwenteling bij (één) beschikking vast te stellen. Dit suggereert dat ‘het bedrag’ geen compartimenten heeft. Die suggestie wordt ook gevoed door het gegeven dat de Besluitgever bij de voorkoming van dubbele
inkomstenbelasting wél expliciet heeft bepaald dat voort te wentelen buitenlandse belasting per box en binnen een box per inkomenscategorie gecompartimenteerd blijft: hij heeft bij elke separate verrekeningsbepaling ook een separate voortwentelingsbepaling opgenomen (art. 14, 14a, 17, 20 en 25a Bvdb) en hij heeft de Inspecteur in art. 28 Bvdb Pro (de evenknie voor de inkomstenbelasting van art. 44 Bvdb Pro voor de Vpb) voorgeschreven om die ex art. 14, 14a, 17, 20 en 25a Bvdb gescheiden voort te wentelen bedragen ook gescheiden, per voortwentelingsbepaling bij beschikking vast te stellen. Als het zijn bedoeling was om ook de (Vpb-verrekeningsbasis voor de) voort te wentelen innovatiebox-bronbelasting te compartimenteren, rijst de vraag waarom hij geen aparte voortwentelingsbepaling voor 36a-bronbelasting heeft opgenomen en in art. 44 Bvdb Pro niet heeft bepaald dat separate voortwentelingsbeschikkingen moeten worden genomen, zoals hij voor de verrekening van voortgewentelde buitenlandse belasting met de inkomstenbelasting wél heeft gedaan.
ordinary credit: Nederland verrekent niet méér buitenlandse bronbelasting dan de Vpb die Nederland zelf heft over de inkomsten waarop die bronbelasting drukt. Daaruit volgt echter niet dat voortgewentelde innovatiebox-bronbelasting in latere jaren niet verrekend kan worden met
tax capacitydie in die latere jaren overblijft na verrekening van de bronbelasting op
anderebuitenlandse passieve inkomsten (dividenden, interest en royalty’s) dan innovatiebox-bronbelasting. Wordt de voortgewentelde innovatiebox-bronbelasting daarmee verrekend, dan wordt daarmee immers niet Nederlandse winstbelasting op Nederlandse winsten teruggegeven, maar wordt slechts Nederlandse
bijheffingop
andere buitenlandsepassieve inkomsten beperkt. De algemene uitlatingen van de Besluitgever over de tweede limiet bieden dus geen steun aan afsplitsing van voortgewentelde innovatiebox-bronbelasting.
excess foreign tax creditdie ontstaat door de striktere tweede limiet in art. 36a Bvdb (er kan niet meer verrekend worden dan het lage effectieve tarief dat Nederland heft over innovatiebox-royalty’s) toch in een volgend jaar verrekend met Vpb over
anderebuitenlandse passieve inkomsten: met de Vpb die overblijft na verrekening van de op die andere inkomsten drukkende buitenlandse belasting. De tweede limiet van art. 36 is Pro immers veel hoger (25%) dan die van art. 36a Bvdb (5-7%). Als de buitenlandse brutobronbelasting op andere buitenlandse passieve inkomsten lager is dan de Nederlandse netto-Vpb-heffing over die andere buitenlandse inkomsten, ontstaat ruimte om de onverrekende innovatiebox-bronbelasting uit eerdere jaren alsnog te verrekenen. In die zin wordt het onderscheid in het ontvangstjaar tussen innovatiebox-bronbelasting en andere bronbelasting inderdaad betekenisloos in latere jaren als dat onderscheid in die latere jaren niet volgehouden wordt.
excess foreign tax creditontstond omdat de buitenlandse bronbelasting hoger was - vanaf 2020 worden belast naar het gewone Vpb-tarief van 25% (vanaf 2022 25,8%) zonder dat die
excess creditnog ooit gebruikt kan worden. Op feitelijk dezelfde royaltystroom uit dezelfde bronnen uit dezelfde landen ontstaat
vanaf2020
tax capacity(door de tariefverhoging naar 25%) die de belanghebbende volgens de Staatssecretaris niet mag gebruiken om de
tot2020 op diezelfde (toen nog: innovatiebox-)royaltystroom opgebouwde
excess foreign tax credittegen af te zetten.
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-bronbelasting. Bij de internetconsultatie over de wetswijziging in 2017 waarbij de voorwaarden voor innovatieboxtoegang werden aangescherpt, heeft de NOB gevraagd naar de gevolgen van die aanscherping voor de
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-royalty’s bij belastingplichtigen die door de aanscherping uit de innovatiebox zouden vallen. De medewetgever is daar echter niet op ingegaan en ook het Bvdb biedt geen aanknopingspunten voor beantwoording ervan, anders dan dat de tekst van zowel art. 37 Bvdb Pro als art. 44 Bvdb Pro het over slechts één ongespecificeerd ‘bedrag’ aan buitenlandse bronbelasting heeft; niet over twee separate bedragen. De literatuur had al veel eerder dan 2017 opgemerkt dat deze tekst niet uitsluit, maar juist eerder impliceert, dat de compartimentering van verrekeningsruimte in het ontvangstjaar (art. 36a Bvdb)
nietwordt voortgezet in art. 37 bij Pro de voortwenteling van innovatiebox-bronheffing naar volgende jaren.
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatieboxbronbelasting en haar verrekeningsbasis weliswaar gecompartimenteerd blijven, zodat zij die
excess creditniet kan verrekenen met latere Nederlandse Vpb op
anderepassieve inkomsten dan de royalty’s ter zake waarvan dat
excessis ontstaan, maar zij die wél kan verrekenen met de latere Nederlandse Vpb over dezelfde (voorheen innovatiebox-)royaltystroom waarop dat
excessis ontstaan. Het compartiment waarbinnen zij de ten tijde van de gedwongen verlating van de innovatiebox nog onverrekende innovatiebox-bronbelasting kan verrekenen, bestaat dus niet uit (de Vpb over)
allebuitenlandse passieve inkomsten in volgende jaren, zoals zij betoogt, maar alleen uit (de Vpb over) de latere royaltystroom die voorheen in de innovatiebox viel en toen laag belast werden en sinds 2017, na verlating van de innovatiebox, naar 25% belast wordt. Ook los van de tekst van art. 36, 36a, 37 en 44 Bvdb brengt redelijke toepassing van die bepalingen mijns inziens bij gedwongen boxverlating en feitelijk ongewijzigde royaltystromen mee dat de belastingplichtige de verrekeningsruimte die de 25% Nederlandse heffing ná boxverlating biedt (aangenomen dat de buitenlandse bronheffing lager is dan 25%), kan gebruiken voor verrekening van de vóór gedwongen boxverlating opgebouwde
excess foreign tax creditop diezelfde (voorheen innovatiebox-)royaltystromen.
tax planning.
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-bronbelasting én haar verrekeningsbasis gecompartimenteerd blijven, zodat zij die
excess creditniet kan verrekenen met Nederlandse Vpb over andere passieve inkomsten dan de royalty’s ter zake waarvan dat
excessis ontstaan, maar zij dat
excesswél kan verrekenen met de na – gedwongen – boxverlating verschuldigde Nederlandse Vpb over dezelfde (voorheen innovatiebox-)royaltystroom waarop dat
excessis ontstaan. Daarbij ware op te merken dat – als de partijen daar niet zelf uit komen – de feitenrechter desgeadieerd moet onderzoeken of de belanghebbende buiten de box is gevallen door de wetswijziging of door eigen toedoen; daarover verschillen de partijen kennelijk van mening, en de Rechtbank heeft dat pleit niet beslecht.
2.De feiten en het geding voor de Rechtbank
De feiten
binnenhet jaar, acht de Rechtbank het niet denkbaar dat de Besluitgever zou hebben bedoeld om meteen ná dat jaar – in het beoogde verrekeningsjaar – weer van compartimentering af te zien. De Rechtbank heeft belanghebbendes stelling verworpen dat de verrekeningscompartimentering in het ontvangstjaar slechts voortvloeit uit de heffingstechniek (grondslagvermindering in plaats van een lager tarief) voor innovatiebox-royalty’s (r.o. 4.12). Zij acht het onderscheid in de voortwentelingsbeschikkingen tussen innovatiebox-royalty’s en reguliere royalty’s niet in strijd met de tekst van de art. 37 en Pro 44 Bvdb. Art. 37 kan Pro zo gelezen worden dat niet-verrekende bronbelasting uit eerdere jaren wordt aangemerkt als buitenlandse bronbelasting
in de zin vanart. 36
respectievelijkart. 36a (r.o. 4.13).
3.Het geding in sprongcassatie
a contrarioop dat art. 28(1) Bvdb voor de voorkoming van dubbele inkomstenbelasting expliciet voortwenteling per box voorschrijft: volgens art. 28(1) Bvdb stelt de inspecteur de volgens de art. 14, 14a, 17, 20 en 25a voort te wentelen bedragen aan buitenlandse bronbelasting per artikel vast. Aangezien de tekst van art. 37 Bvdb Pro geen dergelijk onderscheid tussen soorten inkomen maakt en geen aanwijzingen bevat dat buitenlandse bronheffing gecompartimenteerd zou moeten worden, moet ervan worden uitgegaan dat de Besluitgever voor de vennootschapsbelasting, anders dan voor de inkomstenbelasting, niet bedoelde voortgewentelde buitenlandse bronheffing te compartimenteren. Anders gezegd: de lagere Vpb-heffing over de innovatiebox-royalty’s leidt alleen tot een lagere tweede limiet in het jaar waarin deze royalty’s worden ontvangen, maar beïnvloedt niet de hoogte van de verrekening in een later jaar waarin de ontvangen royalty’s niet langer in de innovatiebox vallen maar regulier worden belast. Als de uitleg die de Staatssecretaris voorstaat wél juist is, dan is de Besluitgever volgens de belanghebbende de hem gegeven delegatiebevoegdheid te buiten gegaan, aangezien het compartimenteren van voortgewentelde buitenlandse bronheffing niet op art. 12bf Wet Vpb gebaseerd kan worden gelet op diens parlementaire geschiedenis. Ad middel (iv) herhaalt de belanghebbende dat de benadering van de Staatssecretaris onevenredig is, omdat zij uitsluitend als gevolg van de wijziging van het innovatiebox-regime in 2017 niet langer kwalificerende innovatiebox-royalty’s ontvangt. Volgens haar moet de voort te wentelen innovatiebox-bronbelasting verrekend kunnen worden met de Vpb die zij verschuldigd is over “de toekomstig te ontvangen passieve buitenlandse inkomsten, waaronder de inkomsten uit de immateriële activa die sinds 2017 niet meer kwalificeren voor de innovatiebox”.
4.De innovatiebox in de Wet Vpb
carry forwardgaat – volgt niet dat buitenlandse bronbelasting uitsluitend binnen de innovatiebox doorgeschoven wordt.
Base Erosion and ProfitShifting (BEPS)-actiepunten van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). [20] Actiepunt 5 bevatte onder meer de eis van substantiële activiteiten in preferentiële belastingregimes voor intellectuele eigendom, zoals innovatie- en octrooiboxen. Om de Nederlandse innovatiebox BEPS-
proofte maken, werden per 2017 de
nexus-eis – een aanvullend
substance-criterium – en gewijzigde toegangscriteria opgenomen in art. 12bb Wet Vpb respectievelijk art. 12b, 12ba en 12be Wet Vpb. [21] Op die wijzigingen ga ik niet inhoudelijk in, maar van belang is dat de belanghebbende stelt dat zij, hoewel er feitelijk kennelijk niets veranderde aan de royaltystromen, door die wijzigingen geen gebruik meer kon maken van de innovatiebox voor de door haar ontvangen buitenlandse royalty’s die daarvóór als innovatiebox-royalty’s aangemerkt werden. De Inspecteur heeft dat echter bestreden en de Rechtbank heeft dat pleit niet beslecht.
5.Verrekening en voortwenteling van buitenlandse bronbelasting in het Bvdb
Verrekening van buitenlandse bronbelasting voor Vpb-plichtigen (Bvdb-tekst 2017/2018)
De totstandkomingsgeschiedenis van de verrekeningsregels voor Vpb-plichtigen
datjaar ontvangen buitenlandse inkomsten omvatte. Tijdens de behandeling van het concept-Bvdb 1989 stelde de vaste Commissie voor Financiën de volgende vraag aan de staatssecretaris van Financiën over de verhouding tussen voortgewentelde bronbelasting en de tweede limiet in art. 5(1)(b) BvdB 1989: [31]
BNB2009/310; zie onderdeel 8 hieronder): [33]
als gevolg van de nettomethodegeen buitenlandse inkomsten naar het latere jaar mogen worden overgebracht. Op de vraag naar het waarom van de beperking wanneer de tweede limiet tekortschiet als gevolg van overig verlies, is hiermee nog geen bevredigend antwoord gekregen.”
Verrekening van buitenlandse bronbelasting voor IB-plichtigen (Bvdb-tekst 2017/2018)
6.Beleidsregels over voortwenteling van (innovatiebox-)bronbelasting
overallgeschiedt (dus niet
per country) (§ 3.2.3) en dat de voortwentelingsregels van het Bvdb ook in verdragssituaties worden toegepast (§ 3.2.1):
3.2. Tegemoetkomingen
14.1 Voorkoming van dubbele belasting bij royalty’s
3.4.3. Voortwenteling niet verrekende belasting onder de innovatiebox
7.Literatuur
overallmethode van verrekening in het Bvdb die wel geldt voor reguliere bronbelasting (art. 36). Zij vermoeden dat de compartimentering in het ontvangstjaar slechts een gevolg van wetstechniek is:
inkomstenbelastingwél steeds separate voortwenteling per box / inkomenscategorie regelt: [63]
8.Jurisprudentie
BNB2009/310 [70] betrof een belanghebbende die in 1997 interest ontving uit Brazilië, waarop ex art. 23(3) van het belastingverdrag met Brazilië 1990 geacht werd 20% Braziliaanse bronbelasting te zijn ingehouden (
tax sparing credit). De belanghebbende kon die 20% niet verrekenen in het jaar van ontvangst omdat zij geen positief belastbaar resultaat had en dus geen Vpb was verschuldigd. In 2001 behaalde zij wel winst, maar ontving zij geen buitenlands inkomen. In geschil was of zij de uit 1997 voortgewentelde (al dan niet veronderstelde) Braziliaanse bronbelasting kon verrekenen met de in 2001 verschuldigde Vpb, gelet op de tweede limiet die toen gold (de evenredigheidsbreuk; zie 5.10 hierboven). Toepassing van die breuk zou leiden tot een tweede limiet ad nihil omdat de teller (het buitenlands inkomen) in 2001 nihil was. Grondslag werd immers niet voortgewenteld. De vraag was of desondanks buitenlandse grondslag geacht kon worden voorhanden te zijn in 2001. De conclusie [71] in die zaak merkte op dat het Bvdb daarvoor geen basis biedt:
vrijstellingsregeling tot voorkoming van belasting (waaronder de stallingsregeling die buitenlandse grondslag doorschuift) van overeenkomstige toepassing te hebben willen verklaren op inkomsten waarvoor het verdrag de
verrekeningsmethode voorschrijft. Het Bvdb bevat specifieke bepalingen over de verrekening van belasting en daarin ontbreekt een met de stallingsregeling vergelijkbare regeling (r.o. 3.4.2).
BNB2009/310 ontvangt onze belanghebbende in latere jaren wél buitenlandse passieve inkomsten die grondslag en daarmee
tax capacityzouden kunnen leveren voor verrekening van voortgewentelde bronbelasting. Zij wordt echter geconfronteerd met een kwalificatiewijziging van haar royaltystroom: de door haar ontvangen royalty’s worden sinds 2017 deels en sinds 2020 helemaal niet meer aangemerkt als innovatiebox-royalty’s, waardoor dezelfde royaltystroom die voorheen bij ontvangst onder art. 36a viel, nu regulier passief inkomen is dat bij ontvangst onder art. 36 valt Pro. In de benadering van de Staatssecretaris heeft zij daardoor sinds 2017 c.q. 2020 geen verrekeningsbasis meer in latere jaren. De tweede limiet ex art. 36a(2)(b) Bvdb blijft in die benadering immers steeds nihil omdat de in latere jaren ontvangen royalty’s die voorheen als innovatiebox-royalty’s werden aangemerkt, niet meer als zodanig, maar als regulier passief inkomen worden gekwalificeerd. De vraag is of die benadering juist is. Die vraag gaat vooraf aan de vraag die HR
BNB2009/310 beantwoordt.
9.Beoordeling van belanghebbendes cassatiemiddelen en van ambtswege
Van ambtswege: procesbelang; art. 44(3) Bvdb
in art. 36 Bvdb Proverhoogt, zodat die oude innovatiebox-bronbelasting verrekend kan worden met de Vpb over nieuwe reguliere buitenlandse passieve inkomsten in latere jaren. Op zichzelf kan de bestrijding van de voortwentelingsbeschikkingen 2017 en 2018 nog niet tot dat resultaat leiden, nu dat pas bereikt kan worden in een procedure over de aanslag Vpb over het beoogde latere verrekeningsjaar, maar ik meen dat de belanghebbende voldoende procesbelang heeft bij zekerheid over de vraag of haar – aanzienlijke –
excess foreign tax creditter zake van de (oude) innovatiebox-bronbelasting verdampt is of nog tot verrekening kan leiden. [73]
Kan innovatiebox-bronbelastingin het ontvangstjaaruitsluitend verrekend worden met Vpb over innovatiebox-royalty’s?
ordinary creditwilde geven en de tweede limiet voor de verrekening van innovatiebox-bronbelasting daarom legde bij de (lage) Nederlandse Vpb over die royalty’s. Die verrekeningsbeperking is expliciet beoogd met art. 36a(2)(b) Bvdb (zie 4.4 en 5.13 hierboven). Bovendien gaat art. 36a Bvdb specifiek over vermindering van Vpb ter zake van royalty’s waarop art. 12b Wet Vpb van toepassing is, terwijl art. 36 Bvdb Pro specifiek gaat over vermindering van Vpb ter zake van reguliere dividenden, interest en royalty’s. Duidelijk lijkt mij daarmee dat art. 36a Bvdb de
lex specialisis voor het geval waarin een Vpb-plichtige in een jaar buitenlandse innovatiebox-royalty’s ontvangt en de daarop ingehouden bronbelasting wil verrekenen met de Vpb over dat jaar. Voor dat jaar van ontvangst beperkt art. 36a Bvdb de verrekeningsbasis voor die buitenlandse innovatiebox-bronbelasting tot de Vpb over innovatiebox-royalty’s. De Rechtbank heeft mijns inziens terecht geoordeeld dat art. 36a Bvdb een afzonderlijk verrekeningsregime voor innovatiebox-bronbelasting inhoudt en niet slechts verklaard wordt door aanpassing aan het niet stellen van de grondslag-eis bij verrekening van innovatiebox-bronbelasting.
Kan ookvoortgewenteldeinnovatiebox-bronbelasting uitsluitend verrekend worden met Vpb over innovatiebox-royalty’s?
excess foreign tax creditsvan eerdere jaren worden voortgewenteld. Art. 37 Bvdb Pro bepaalt ongespecificeerd dat ‘
hetbedrag’ van de ex art. 36
enart. 36a Bvdb onverrekend gebleven buitenlandse belasting ongespecificeerd wordt aangemerkt als ‘vanwege andere Mogendheden geheven belasting van het daaropvolgende jaar’. Dit lijkt te impliceren dat ‘het’ voortgewentelde ‘bedrag’ geen compartimenten heeft. Ook art. 44(1) Bvdb, dat de formeelrechtelijke kant van de voortwenteling regelt, bepaalt dat de Inspecteur “
hetbedrag” aan buitenlandse belasting dat volgens art. 37 wordt Pro voortgewenteld, bij beschikking vaststelt en art. 44(2), tweede volzin, Bvdb bepaalt dat dit enkelvoudige ‘bedrag’ op het aanslagbiljet wordt vermeld. De Rechtbank heeft daar in gelezen dat de voortgewentelde bronbelasting wordt aangemerkt als vanwege andere Mogendheden geheven belasting
in de zin van art. 36 respectievelijk Pro art. 36a, maar dat staat er niet, terwijl de Besluitgever bij de voorkoming van dubbele inkomstenbelasting wél expliciet geregeld heeft dat voort te wentelen buitenlandse belasting gecompartimenteerd blijft per box en per inkomenscategorie (zie 5.21 hierboven). Hij heeft bij elke verrekeningsbepaling in het Bvdb voor de inkomstenbelasting een separate voortwentelingsbepaling opgenomen (zie 5.19 hierboven), in de art. 14, 14a, 17, 20 en 25a Bvdb, en hij heeft in art. 28 Bvdb Pro (de evenknie voor de inkomstenbelasting van art. 44 Bvdb Pro voor de Vpb) de inspecteur voorgeschreven om de ex art. 14, 14a, 17, 20 en 25a Bvdb voort te wentelen bedragen per Bvdb-bepaling bij evenveel separate beschikkingen vast te stellen (zie 5.20 hierboven). Als het zijn bedoeling was om ook de (Vpb-verrekeningsbasis voor de) voort te wentelen innovatiebox-bronbelasting te compartimenteren, rijst de vraag waarom hij geen aparte voortwentelingsbepaling voor niet-verrekende 36a-bronbelasting heeft opgenomen en in art. 44 Bvdb Pro niet heeft bepaald dat het voort te wentelen bedrag per Bvdb-bepaling wordt vastgesteld, zoals hij voor de verrekening van voortgewentelde buitenlandse belasting met de Nederlandse inkomstenbelasting wél heeft gedaan.
ordinary credit: Nederland verrekent niet méér buitenlandse bronbelasting dan de Vpb die Nederland zelf heft over de inkomsten waarop die bronbelasting drukt: verrekening gaat niet ten koste van Nederlandse heffing over Nederlandse activiteit ter zake waarvan Nederland het volledige heffingsrecht heeft (zie 4.4 hierboven). Dit uitgangspunt van
ordinary creditlag ook ten grondslag aan het oude art. 5 Bvdb Pro 1989 (zie 5.9) en wordt wereldwijd algemeen toegepast bij voorkoming van internationale dubbele belasting door verrekening van buitenlandse (bron)belasting. [75]
ordinary creditvolgt echter niet dat voortgewentelde innovatiebox-bronbelasting in latere jaren niet verrekend kan worden met
tax capacitydie in die latere jaren overblijft na verrekening van de bronbelasting op
anderebuitenlandse passieve inkomsten (dividenden, interest en royalty’s) dan innovatiebox-bronbelasting. Wordt de voortgewentelde innovatiebox-bronbelasting daarmee verrekend, dan wordt daarmee immers niet Nederlandse winstbelasting op Nederlandse winsten teruggegeven, maar wordt slechts Nederlandse
bijheffingop
andere buitenlandsepassieve inkomsten beperkt. De algemene uitlatingen in de totstandkomingsgeschiedenis over
ordinary credit– over de tweede limiet – bieden op zichzelf dus geen steun aan de door de Staatssecretaris gewenste compartimentering van voortgewentelde innovatiebox-bronbelasting. Nederland voorkomt dubbele belasting immers ook niet
per country, maar
overall: de voorkoming van internationale dubbele belasting wordt niet per land gecompartimenteerd, maar wordt wereldwijd gesaldeerd verleend: hoogbelaste en laagbelaste buitenlandse inkomsten worden gemixt.
ordinary credit. De tweede limiet houdt slechts in dat in een bepaald jaar niet meer buitenlandse bronbelasting verrekend wordt dan de Nederlandse Vpb die in dat jaar over de
in dat jaarontvangen buitenlandse inkomsten wordt geheven. Na voortwenteling speelt echter geen rol meer in hoeverre die inkomsten in het ontvangstjaar belast waren in Nederland. Dat over de jaar 1-royalty’s in jaar 1 maar € 5 Vpb werd geheven, verhindert geenszins dat de daardoor ontstane
excess foreign tax creditad € 10 uit jaar 1 alsnog volledig in jaar 2 wordt verrekend als de tweede limiet van jaar 2 die ruimte biedt. In jaar 2 wordt de tweede limiet immers bepaald door de Vpb over de in jaar 2 ontvangen royalty’s en die is € 15. In een voortwentelingsstelsel wordt
altijd(in een later jaar) meer buitenlandse belasting verrekend dan Nederland heeft geheven over de inkomsten
in hun ontvangstjaar.
ordinary credit) dwingt dus geenszins tot compartimentering óók van voortgewentelde innovatiebox-bronbelasting, dus ná het ontvangstjaar. Ik geef nog een tweede cijfervoorbeeld, waarin het innovatiebox-regime niet meer van toepassing is in jaar 2, hoewel de royaltystroom feitelijk dezelfde blijft, zoals in belanghebbendes geval:
excess foreign tax) hoewel de conceptueel identieke verhoging van de eerste limiet in jaar 2 mijn eerste voorbeeld wél kan. Evenmin als bij voorbeeld 1 kan bij voorbeeld 2 gezegd worden dat de hogere verrekening in jaar 2 in strijd zou zijn met het uitgangspunt van
ordinary credit. De verwijzing door de Besluitgever naar dat uitgangspunt is dus geen grond voor voortwentelings-compartimentering van reguliere bronbelasting en innovatiebox-bronbelasting, maar wellicht bestaat een andere grond voor die compartimentering.
excess foreign tax creditdie ontstaat door de striktere tweede limiet in art. 36a Bvdb (er kan niet meer verrekend worden dan het lage effectieve tarief dat Nederland heft over innovatiebox-royalty’s) in een volgend jaar toch verrekend kunnen worden met de resterende Vpb over andere buitenlandse passieve inkomsten (met de Vpb die overblijft na verrekening van de op die andere inkomsten drukkende buitenlandse belasting). De tweede limiet van art. 36 is Pro immers veel minder beperkend dan die van art. 36a Bvdb. Als de buitenlandse brutobronbelasting op de andere buitenlandse passieve inkomsten lager is dan de Nederlandse netto-Vpb-heffing over die andere buitenlandse inkomsten, ontstaat
tax capacity(verrekeningsruimte) om de onverrekende innovatiebox-bronbelasting uit eerdere jaren tegen af te zetten. In die zin wordt het onderscheid in het ontvangstjaar tussen innovatiebox-bronbelasting en andere bronbelasting inderdaad betekenisloos in latere jaren als dat onderscheid in die latere jaren niet volgehouden wordt.
excess foreign tax creditontstond omdat de buitenlandse bronbelasting hoger was. Dezelfde soorten royalty’s uit dezelfde bronnen worden vanaf 2020 volledig naar het reguliere Vpb-tarief van 25% (vanaf 2022 25,8%) belast, waardoor op feitelijk dezelfde royaltystroom uit dezelfde bronnen uit dezelfde buitenlanden
vanaf2020
tax capacityontstaat die zij volgens de Staatssecretaris niet mag gebruiken om de
tot2020 op diezelfde (toen nog: innovatiebox-)royaltystroom opgebouwde
excess foreign tax credittegen af te zetten.
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-bronbelasting. Bij de internetconsultatie ter zake van de wetswijziging in 2017 waarbij de voorwaarden voor innovatieboxtoegang werden aangescherpt, heeft de NOB expliciet gevraagd naar de gevolgen van die aanscherping voor de
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-royalty’s die nog op de lat zou staan bij belastingplichtigen die door de aanscherping uit de innovatiebox zouden vallen. De wetgever is op die vraag echter niet ingegaan en ook het Bvdb biedt geen aanknopingspunten voor beantwoording, anders dan het gegeven dat de teksten van de art. 37 en Pro 44 Bvdb slechts één ongecompartimenteerd ‘bedrag’ aan buitenlandse bronbelasting voortwentelen en niet twee separate bedragen. De literatuur had al veel eerder gesignaleerd (zie 7.1 hierboven) dat de tekst van het Bvdb niet uitsluit maar juist eerder impliceert dat de compartimentering van verrekeningsruimte in het ontvangstjaar in art. 36a Bvdb niet wordt voortgezet bij de voortwenteling ex art. 37 van Pro onverrekende (innovatiebox-)bronheffing naar volgende jaren.
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-bronbelasting én haar latere verrekeningsbasis weliswaar gecompartimenteerd blijven, zodat zij die
excess creditniet kan verrekenen met Nederlandse Vpb op
anderepassieve inkomsten dan de royalty’s ter zake waarvan dat
excessis ontstaan, zij dat
excesswél kan verrekenen met de Nederlandse Vpb over dezelfde (voorheen innovatiebox-)royaltystroom waarop dat
excessis ontstaan. Het compartiment waarbinnen zij de bij verlating van de innovatiebox nog onverrekende innovatiebox-bronbelasting kan verrekenen, bestaat dus niet uit
allebuitenlandse passieve inkomsten in volgende jaren, zoals zij betoogt, maar alleen uit de royalty’s uit dezelfde bronnen die voorheen in de innovatiebox vielen en toen laag belast werden en sinds 2017-2020, na verlating van de innovatiebox, naar 25% belast worden. Ook los van de tekst van art. 36, 36a, 37 en 44 Bvdb brengt redelijke toepassing van die bepalingen mijns inziens bij gedwongen boxverlating en feitelijk ongewijzigde royaltystromen mee dat de belastingplichtige de verrekeningsruimte die de 25% Nederlandse heffing ná boxverlating biedt (aangenomen dat de buitenlandse bronheffing lager is dan 25%), kan gebruiken voor verrekening van de vóór gedwongen boxverlating opgebouwde
excess foreign tax creditop diezelfde (voorheen innovatiebox-)royaltystromen.
tax planning.
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-bronbelasting én haar verrekeningsbasis weliswaar gecompartimenteerd blijven, zodat zij die
excess creditniet kan verrekenen met Nederlandse Vpb op andere passieve inkomsten dan de royalty’s ter zake waarvan dat
excessis ontstaan, maar zij die
creditwél kan verrekenen met de na gedwongen boxverlating in latere jaren verschuldigde Nederlandse Vpb over dezelfde (voorheen innovatiebox-)royaltystroom waarop het
excessis ontstaan.
excess foreign tax creditter zake van de in 2017 nog onverrekende innovatiebox-bronbelasting verdampt of nog bruikbaar is.
10.Conclusie
excess foreign tax creditter zake van (voorheen) innovatiebox-bronbelasting afgesplitst blijft van overige voort te wentelen verrekenbare buitenlandse belasting en de voortwentelingsbeschikkingen dus niet wijzigen, die
excess creditwel verrekend kan worden met de na – gedwongen – boxverlating verschuldigde Nederlandse Vpb over dezelfde (voorheen innovatiebox-)royaltystroom waarop dat
excessis ontstaan.