Conclusie
1.Vordering en motivering
BNB2024/42, een verlies
verrekeningsbeschikking als geschilobject/rechtsingang ontbreekt en de nihilaanslag niet lager en de verliesvaststelling niet hoger kan worden, en 2. Het Hof heeft een onjuiste maatstaf aangelegd door te miskennen dat als op balansdatum al aannemelijk is dat de WEV van een op kostprijs gewaardeerd bedrijfsmiddel in het volgende belastingjaar gerealiseerd zal worden én verliesverdamping dreigt, dat bedrijfsmiddel op WEV gewaardeerd mag worden om verliesverdamping te voorkomen.
carry backen negen jaren
carry forward). In verband met die dreigende verliesverdamping heeft de belastingplichtige bezwaar gemaakt tegen de nihil-aanslag Vpb 2017 en verzocht de fiscale winst hoger vast te stellen na opwaardering van de drie in 2018/2019 verkochte onroerende zaken naar hun WEV. De aanslag zou daar niet anders van worden: die zou na verliesverrekening nog steeds nihil bedragen.
Rechtbank Den Haag [3] heeft het beroep van de belanghebbende tegen die afwijzing om dezelfde reden ongegrond verklaard, maar heeft wel overwogen dat zich haars inziens daardoor een rechtstekort voordeed, gegeven het belang van belasting-plichtigen bij (zekerheid over) voorkoming van verliesverdamping. Zij zag echter in wet en rechtspraak geen ruimte om daarin te voorzien. Uw rechtspraak leert volgens de Rechtbank dat de mogelijkheid van verliesverdamping te ver verwijderd is van de bestreden besluiten (de aanslag en de verliesvaststellingsbeschikking) om aan te nemen dat stellingen gericht op voorkoming van verliesverdamping de belastingplichtige in een betere positie kunnen brengen met betrekking tot die bestreden besluiten of bijkomende (rechterlijke) beslissingen.
Gerechtshof Den Haag [4] heeft uw rechtspraak inhoudende dat bezwaar en beroep slechts kunnen strekken tot verlaging van de bestreden aanslag of verhoging van het vastgestelde verlies genuanceerd omdat voorkoming van verliesverdamping de belastingplichtige zijns inziens in een betere positie kan brengen. “Naar analogie” van HR
BNB2006/73 (over een aanslag naar een
positiefbedrag waarin u een impliciete verlies
vaststellingsbeschikking las om een rechtsingang te creëren) heeft het Hof daartoe een impliciete verlies
verrekeningsbeschikking gelezen in de aan onze belastingplichtige opgelegde
nihilaanslag, en heeft hij die veronderstelde beschikking als bestreden besluit aangemerkt. Met betrekking tot dat ingelezen besluit zou de belastingplichtige wél in een betere positie kunnen komen door haar gebruik van rechtsmiddelen, aldus het Hof. Hij heeft daarom voldoende procesbelang voor ontvankelijkheid aanwezig geacht.
i.e.winstneming op) de drie verkochte panden op de laatste balansdatum vóór het jaar van hun verkoop. Op dat punt ving de belastingplichtige bot: goed koopmansgebruik staat wel toe dat verschillende bedrijfsmiddelen volgens verschillende stelsels worden gewaardeerd, maar volgens het Hof gaat die keuzevrijheid niet zover dat
binneneen categorie bedrijfs-middelen die qua aard en ondernemingsfunctie niet van elkaar verschillen het waarderings-stelsel selectief (in casu: voor slechts drie van de vier zaken) kan worden gewijzigd.
BNB2014/122 [5] en HR
BNB2017/203 [6] heeft u geoordeeld dat geen procesbelang bestaat als het rechtsmiddel de belastingplichtige niet in een betere positie kan brengen met betrekking tot het bestreden besluit, en dat de rechtsmiddelen bezwaar en beroep alleen kunnen strekken tot verlaging van de aanslag c.q. verhoging van het vastgestelde verlies. Uw recente arrest HR
BNB2024/42 [7] nuanceerde die leer. De belanghebbende in die zaak wilde verliesverdamping voorkomen door een pensioenverplichting te laten vrijvallen – door een overstap van kapitaaldekking naar een kasstelsel – maar daardoor zou de haar opgelegde (nihil)aanslag niet lager worden en de verliesvaststelling niet hoger. Toch achtte u in die zaak voldoende procesbelang gelegen in het belang bij voorkoming van verlies-verdamping omdat die voorkoming de belanghebbende in een betere positie zou kunnen brengen. Daarmee lijkt ook in onze zaak voldoende procesbelang aanwezig, maar uw oordeel in HR
BNB2024/42 lijkt bepaald te worden doordat in die zaak een verlies-
verrekeningsbeschikking voorhanden was als geschilobject. Die is er in onze zaak niet: er is alleen een verlies
vaststellingsbeschikking. Het Hof heeft weliswaar naar analogie van HR
BNB2006/73 een verlies
verrekeningsbeschikking ingelezen in de nihilaanslag, maar HR
BNB2006/73 betrof (i) een ander probleem (de Inspecteur had na ontvangst van de pas na ambtshalve aanslagoplegging alsnog gedane verliesaangifte van ambtswege de ambtshalve aanslag naar nihil teruggebracht, maar had geen verlies vastgesteld, waardoor het Hof geen rechtsingang zag; u zag die wel, door een verlies
vaststellingsbeschikking te lezen in de aanvankelijk positieve aanslag), (ii) een andere impliciete beschikking (vaststelling in plaats van verrekening) en bovenal: (iii) geen nihilaanslag maar een positieve aanslag. Mijns inziens kan in een nihilaanslag noch een verliesvaststelling, noch een verrekenings-beschikking gelezen worden, en kan bovendien met nihil niets verrekend worden.
BNB2024/42 ook voor ons geval moet gelden omdat het belang bij, en de mogelijke positieverbetering door, voorkoming van verliesverdamping conceptueel identiek zijn aan het belang en de mogelijke positieverbetering in de zaak HR
BNB2024/42. Het Hof heeft mijns inziens dus terecht voldoende procesbelang aanwezig geacht. Toch draag ik zijn uitspraak op dit punt voor cassatie voor om de gewenste duidelijkheid over de (verdere) implicaties van HR
BNB2024/42 te verkrijgen. Voldoende procesbelang bij voorkoming van verliesverdamping bestaat mijns inziens niet alleen als een verlies-
verrekeningsbeschikking voorhanden is als geschilobject, maar ook als die beschikking ontbreekt en geen positieve maar een nihilaanslag is opgelegd (waarin dus noch een verliesvaststellingsbeschikking, noch een verliesverrekeningsbeschikking kan worden gelezen). Anders gezegd: de regel dat procesbelang ontbreekt als de aanslag niet lager (en een eventuele verliesvaststelling niet hoger) kan worden en ook geen (impliciete) verrekeningsbeschikking voorhanden is, is te ongenuanceerd. Deze vordering strekt tot nuancering: een aanslag is voldoende rechtsingang als feitelijk een belang bij (zekerheid over) voorkoming van verliesverdamping bestaat, ook al is het een nihilaanslag. Nog anders gezegd: er kan wel degelijk voldoende procesbelang zijn ook indien de als rechtsingang dienende aanslag niet lager maar wel hoger kan worden vastgesteld, nl. het belang bij voorkoming van verliesverdamping door winstneming die tot een hogere aanslag leidt: voldoende procesbelang kan in die omstandigheden ook bestaan als het rechtsmiddelgebruik strekt tot
verhogingvan de aanslag.
hogerkunnen vaststellen (en de verliesvaststellingsbeschikking alsdan dienovereenkomstig lager) als goed koopmansgebruik de door de belastingplichtige uitdrukkelijk gewenste winstneming toestaat.
verrekeningsbeschikking heeft gelezen in een nihilaanslag en (ii) zonder zo’n beschikking onvoldoende procesbelang bestaat omdat de belastingplichtige daarzonder niet in een betere positie kan komen met betrekking tot de (wél) bestaande beschikkingen, nu de aanslag niet lager en de verlies
vaststellings-beschikking niet hoger kan worden.
carry forwardvan verliezen. In HR
BNB 1970/68 (https://www.inview.nl/document/inodc32d31bd4faceeade0ca61fb560cf4e0)(zie 4.10 hieronder) merkte u treffend op dat moeilijk denkbaar is dat wijziging van het fiscale winstberekenings-stelsel
nietop fiscale motieven berust. Problematisch is dus niet dat er een voordeel is, noch dat het fiscaal is. De hamvraag is of de stelselwijziging gericht is op ‘incidenteel’ voordeel. De parlementaire geschiedenis van de temporele verliesverrekeningsbeperkingen wijst erop dat voorkoming van verliesverdamping niet aangemerkt kan worden als te zijn gericht op opportunistisch (incidenteel) fiscaal voordeel, maar enigszins boven de markt is blijven hangen de vraag of goed koopmansgebruik al dan niet in de weg staat aan herwaardering (winstneming) met het oog op voorkoming van verliesverdamping. Een goede koopman houdt immers ‘bestendig’ boek, onafhankelijk van de vermoedelijke uitkomst (art. 3.25 Wet IB 2001). De literatuur meent in meerderheid dat herwaardering om verliesverdamping te voorkomen toegestaan zou moeten zijn en daar zijn ook argumenten voor. Of ik er door overtuigd word, kan in het midden blijven. Een vordering tot cassatie in het belang der wet moet strekken tot vernietiging van ’s Hofs oordeel.
matching-beginsel geen bezwaar hoeft te zijn, (e) u in HR B.5107 (1931) waardering van onroerende zaken op hun voorziene verkoopprijs in overeenstemming met goed koopmansgebruik achtte omdat verkoop op balansdatum al vaststond hoewel zij pas in het volgende boekjaar zou plaatsgrijpen en (f) de parlementaire geschiedenis, met name de behandeling van temporele verliesverrekeningsbeperking in de Eerste Kamer, de opvatting steunt dat voorkoming van verliesverdamping door belaste winstneming niet gericht is op incidenteel fiscaal voordeel en dat goed koopmansgebruik daaraan niet in de weg hoeft te staan.
matchingbeginsel van) goed koopmansgebruik en te minder door de leer dat stelselwijziging niet mag dienen tot het behalen van incidenteel (opportunistisch) fiscaal voordeel.
de factode wettelijk beperkte verrekeningstermijn met een jaar verlengt voor (een deel van) het oudste onverrekende verlies en dat dat in strijd is met de geest van die beperking, maar men kan ook zeggen dat die beperking geen geest heeft omdat zij niet op enig beginsel maar uitsluitend op budgettair motief was gebaseerd (om tariefverlaging mogelijk te maken) en in strijd is met het fiscale totale-winstbeginsel, welke strijd zo beperkt mogelijk gehouden moet worden. De mogelijkheid tot verliesverrekening is – beneden € 1 mio – inmiddels ook alweer temporeel onbeperkt (art. 20(2) Wet Vpb).
BNB2024/42, een verlies
verrekenings-beschikking als geschilobject/rechtsingang ontbreekt, en 2. Het Hof heeft een onjuiste maatstaf aangelegd door te miskennen dat als op balansdatum al aannemelijk is dat de WEV van een op kostprijs gewaardeerd bedrijfsmiddel in het volgende belastingjaar gerealiseerd zal worden én verliesverdamping dreigt, dat bedrijfsmiddel op WEV gewaardeerd mag worden om verliesverdamping te voorkomen.
2.De feiten en de oordelen van de Rechtbank en het Hof
16. De rechtbank constateert dat een wijziging van het waarderingsstelsel, zoals eiseres die voorstaat, te weten een selectieve herwaardering van enkele onroerende zaken, tot een verhoging van de aanslag onderscheidenlijk verlaging van het bij de verliesbeschikking vastgestelde bedrag zou leiden. Eiseres wil immers dat het bedrag van de herwaardering (van primair € 2.461.423 en subsidiair € 1.240.060) tot de belastbare winst wordt gerekend. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep echter niet leiden tot een verhoging van de aanslag of een verlaging van de verliesbeschikking. [12] Naar het oordeel van de rechtbank betekent dit dat het beroep op grond van de geldende jurisprudentie van de Hoge Raad (genoemd onder 14) ongegrond dient te worden verklaard.”
verrekeningsbeschikking inlas:
BNB2008/213: [15] een bedrijfsmiddel verliest die functie pas als het is verkocht of wordt gebruikt voor een nieuwe ondernemingsactiviteit waarin het fungeert als voor de omzet bestemd. Handelingen van een ondernemer met het oog op verkoop van een in zijn onderneming als bedrijfsmiddel fungerende zaak zijn geen nieuwe ondernemingsactiviteit. Het Hof constateerde dat de onroerende zaken tot 2006 binnen de eenheid werden verhuurd aan een dochter die er een fabriek exploiteerde, zodat zij de functie van bedrijfsmiddel hadden. Dat gebruik eindigde toen die dochter in 2006 failliet ging en haar onderneming staakte, maar de belastingplichtige had sindsdien geen andere dingen met die percelen gedaan dan hen gereed maken voor de verkoop. Dat is geen gebruik voor een nieuwe ondernemingsactiviteit en de onroerende zaken zijn dus geen voorraad geworden, aldus het Hof.
junctoart. 3.30a(1)(3)(a) Wet IB 2001 (waardering op minimaal de WOZ-waarde). Het Hof achtte die stelling onvoldoende onderbouwd.
V-N2023/58.5 betreurde het dat tegen ’s Hofs oordeel geen cassatieberoep is ingesteld:
Documentatie ad vordering 1: het belang bij rechtsmiddelgebruik als de aanslag niet lager en het verlies niet hoger kan worden vastgesteld
vaststellingsbeschikking), zulks om de rechtszekerheid van belastingplichtigen te dienen. [16] Art. 20b Wet Vpb bepaalt:
2. Het bedrag van het verlies wordt op het aanslagbiljet afzonderlijk vermeld.
3. (…)”.
verrekeningsbeschikking). [18] Art. 21a Wet Vpb bepaalt:
3. Rechtsmiddelen tegen de beschikking bedoeld in het eerste lid kunnen uitsluitend betrekking hebben op de toepassing van de artikelen 20 en 20a, alsmede, indien geen belasting is verschuldigd, tegen de grootte van het verrekende bedrag.”
BNB2014/122 [19] overwoog u:
BNB2017/203 [20] overwoog u woordelijk hetzelfde onder verwijzing naar HR
BNB2014/122, waarna u vervolgde:
BNB2017/203 geeft de rechtspraak van de andere hoogste bestuursrechters over het belang bij gebruik van rechtsmiddelen als volgt weer:
“4.8 De CRvB [22] ziet voldoende procesbelang indien het met het rechtsmiddel nagestreefde resultaat voor de indiener feitelijk betekenis kan hebben, bijvoorbeeld voor het recht op bijstand of voor een vordering tot schadevergoeding:
met betrekking tot het bestreden besluitop zichzelf niet beter kan worden, maar de belanghebbende (wél) in een gunstiger positie kan komen door, onder meer: (i) verrekening van voorheffingen of voorlopige aanslagen (bijvoorbeeld HR
BNB1990/2) (ii) een rechterlijk oordeel over de gegrondheid van het beroep met het oog op een vordering tot schadevergoeding (bijvoorbeeld HR
BNB2011/69; HR
BNB2008/158 en HR
BNB2012/157), en (iii) een rechterlijke uitspraak over de juistheid van een aanslag opgelegd aan een derde waarvoor de belanghebbende aansprakelijk is gesteld en waarvoor het recht tot invordering weliswaar is verjaard, maar ter zake waarvan eveneens overheids-aansprakelijkheid aan de orde kan zijn (bijvoorbeeld HR
BNB2001/6).
BNB2024/42. [25] De conclusie [26] in die zaak stelde dat niettemin (rechtszekerheid over) voorkoming van verliesverdamping een concreet, feitelijk, honorabel en significant belang is. Inderdaad achtte u in die zaak – niettegenstaande HR
BNB2017/203 – voldoende procesbelang aanwezig voor ontvankelijkheid van de door de belastingplichtige ingestelde rechtsmiddelen. Die zaak betrof een BV die een pensioen had toegezegd aan haar bestuurder en daartoe een voorziening had getroffen op basis van een kapitaaldekkingsstelsel. Om verliesverdamping te voorkomen, wilde de BV vanaf 2016 overstappen van het kapitaaldekkingsstelsel naar een omslagstelsel (kasstelsel), waardoor de pensioenvoorziening zou vrijvallen. Dat zou tot het bedrag van die vrijval belastbare winst produceren waarmee een onverrekend verlies verrekend zou kunnen worden dat anders zou verdampen. Net als in onze zaak zou ook bij aanvaarding van het standpunt van de belanghebbende de (nihil)aanslag niet lager kunnen worden en zou evenmin het verlies hoger vastgesteld kunnen worden. Toch zag u in HR
BNB2024/42 voldoende procesbelang bij het gebruik van rechtsmiddelen, maar dat belang hing u op aan de mogelijkheid van wijziging van de – in onze zaak ontbrekende –verlies
verrekeningsbeschikking, niet aan de mogelijkheid van verlaging van de aanslag of de verhoging van de verlies
vaststellingsbeschikking:
BNB2006/73, [27] in welke zaak u – in een geval van een positieve aanslag – een niet-genomen verlies
vaststellingsbeschikking toch impliciet genomen achtte om een rechtsingang zeker te stellen. U overwoog in die zaak:
vaststellingsbeschikking ontbreekt – die is er – maar dat een verlies
verrekeningsbeschikking ontbreekt. Een nog belangrijker verschil lijkt mij dat in onze zaak geen positieve aanslag is opgelegd, maar een nihilaanslag. In een nihilaanslag kan moeilijk een verliesvaststelling en te minder een verliesverrekening gelezen worden, anders dan in een positieve aanslag. Een nihil-aanslag zegt immers slechts dat er geen belasting geheven wordt; hij zegt over de omvang van de jaarwinst niet meer dan dat die te laag is om tot heffing te leiden. Er valt geen inkomensvaststelling (verliesvaststelling) van enige specifieke omvang in te lezen, laat staan enige verrekening van enig verlies met dat niet-vastgestelde (negatieve) inkomen. Vaststelling op nihil is per definitie geen vaststelling van een negatief bedrag (een verlies). Met nihil valt ook niets te verrekenen. De loffelijk door het Hof gezochte analogie met HR
BNB2006/73 bestaat daarom mijns inziens niet. Anders dan in HR
BNB2024/42 (zie 3.7 hierboven), is er in onze zaak geen verliesverrekeningsbeschikking en die valt ook niet te construeren door middel van een analogie met HR
BNB2006/73. Deze vordering tot cassatie strekt er toe vast te stellen dat zulk kunst- en vliegwerk ook niet nodig is om voldoende procesbelang voor ontvankelijkheid aan te nemen.
verrekeningsbeschikking, volgt uit HR
BNB2024/42 (zie 3.7 hierboven) dat deze zaak thans wél ontvangen zou worden.
BNB2017/203; zie 3.4 hierboven; PJW], tot het oordeel dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voorts merkt de rechtbank op dat het bestaan van de mogelijkheid dat een verlies verdampt geen rechtstekort is. De hoogte van een verlies kan immers altijd aan een rechtelijk oordeel worden onderworpen. Dat de wetgever de duur van de verrekening daarvan heeft beperkt maakt dit niet anders.”
FutD2022-2849 merkte in haar commentaar op onze rechtbankuitspraak in onze zaak op dat de rechtspraak sneller een procesbelang aanneemt, maar dat het nog sneller moet:
NTFR2023/1722 mogelijkheden om procesbelang aan te nemen op grond van HR
BNB2014/122 (zie 3.3 hierboven):
an sichof de benutting van verliezen. Van het benutten van verliezen word je fiscaal gezien niet armer of rijker in dergelijke gevallen. Het belang is het bereiken van de hogere boekwaarde van de onroerende zaken voor de belastingheffing in toekomstige jaren. Dan kun je namelijk meer afschrijven ten laste van de winst van die jaren, of je kunt een lagere boekwinst rapporteren bij uiteindelijke realisatie. Maar ja, dat is dus geen belang van het jaar van het geschil maar van latere jaren. Of dit toch voldoende belang is, komt hopelijk binnenkort aan de orde in een arrest van de Hoge Raad, zie de conclusie van A-G Wattel van 28 juli 2022, ECLI:NL:PHR:2022:726, NTFR 2022/3108 [leidende tot HR BNB 2024/42; zie 3.7 hierboven; PJW]”
Documentatie ad vordering 2: (selectieve) WEV-waardering van bedrijfsmiddelen (ter voorkoming van verliesverdamping)
carry back) en van de negen volgende jaren [34] (
carry forward). Na het verstrijken van deze termijn 'verdampt' een verlies. [35] Art. 20 Wet Pro Vpb (tekst 2007 en 2017) bepaalde:
carry back, met als consequentie een verdere beperking van de
carry forwardvan verliezen tot zes in plaats van negen jaren. De Staatssecretaris heeft bij de behandeling van dat wetsvoorstel in de Eerste Kamer toegezegd geen bezwaren op te zullen werpen tegen stelselwijzigingen gericht op voorkoming van verliesverdamping en de betrokken Kamerleden gingen er kennelijk vanuit dat dat ‘perspectief’ bood op opwaardering ter voorkoming van verliesverdamping, mits het om een eigen verlies zou gaan en de WEV correct bepaald zou worden: [41]
Ik ben ook blij met de opmerkingen van de staatssecretaris over de stelselwijziging. Ik begrijp het antwoord zo, dat als je het stelsel wijzigt en dit doet met het oog op het voorkomen van verliesverdamping, je niet tegengeworpen moet krijgen dat je dit doet vanwege het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel. Nee, het gaat hierbij om het voorkomen van een incidenteel fiscaal nadeel, waarvoor we hebben gekozen omdat we nou eenmaal de verliesverrekeningstermijnen hebben ingekort. Maar als je binnen goed koopmansgebruik mogelijkheden vindt om dat nadeel op te heffen, is goed koopmansgebruik daarvoor een heel goede mogelijkheid. Ik ben het dus helemaal eens met de constructieve benadering. Uiteindelijk moet de rechter hieraan invulling geven. Daarvoor is het een open norm.”
carry forward(althans beneden de € 1 mio) temporeel weer onbeperkt.
De hoofdregel van waardering van bedrijfsmiddelen
BNB1956/102. [46] U overwoog:
(…).”
Incidenteel fiscaal voordeel
BNB 1970/68 (https://www.inview.nl/document/inodc32d31bd4faceeade0ca61fb560cf4e0), [48] waarin u uitlegde dat moeilijk denkbaar is dat een wijziging van het fiscale winstberekeningsstelsel
nietop fiscale motieven berust, zodat aangenomen moet worden dat de wetgever met ‘niet naar willekeur en louter op fiscale gronden’ bedoelde: niet gericht op
incidenteelfiscaal voordeel:
BNB1979/181. [49] In die zaak wilde een NV haar 100%-deelneming (kennelijk haar enige activum), die onder de deelnemingsvrijstelling viel, opwaarderen van kostprijs (f 16.200) naar intrinsieke waarde ad f 336.000 om de vorming c.q. handhaving van een egalisatiereserve mogelijk te maken. U overwoog:
BNB1979/181:
BNB2015/144 [51] betrof een PR-accountant/bedrijfsjournalist die eenmalig een zeer grote bate ontving voor zijn onderzoek naar en publicaties over een procedure tot teruggaaf van kunstwerken in bezit van de Staat. Hij wenste die bate met terugwerkende geruisloze inbreng voor rekening van een nog op te richten BV te hebben ontvangen. De Inspecteur weigerde de terugwerkende kracht van de geruisloze inbreng omdat het om een incidenteel fiscaal voordeel zou gaan en ook het Hof zag een incidenteel fiscaal voordeel doordat de terugwerkende kracht zou bewerkstelligen dat de eenmalige bate van € 736.377 niet naar het inkomstenbelastingtarief van 52% zou worden belast, maar naar het Vpb-tarief ad 25,5% en een uitgesteld aanmerkelijk-belangtarief ad 25%. U volgde echter de conclusie dat niet de (terugwerkende kracht van de) regimewijziging incidenteel was, maar alleen (de omvang van) het voordeel in de ‘voorperiode’, nu structureel voor het Vpb/a.b.-regime werd gekozen:
BNB1972/63 [53] ) en bij stelselwijziging in het zicht van inbreng in een BV (HR
BNB1986/323 [54] ). Voor een overzicht van de rechtspraak over incidenteel fiscaal voordeel verwijs ik naar een publicatie van De Vries en Post. [55]
Stelselwijziging naar WEV
V-N2023/58.5 merkt bij onze Hofuitspraak het volgende op over herwaardering naar WEV:
f20.000 overtrof; dat de inspecteur deze
f20.000 heeft aangemerkt als winst, gemaakt over het boekjaar 1 April 1926—31 Maart 1927, op grond, dat de boekwaarde der huizen op 31 Maart 1927 in die boeken voor belanghebbende's aandeel is verhoogd met
f20.000, en hij belanghebbende mitsdien onder meer voor deze
f20.000 in gemelde belasting voor het belastingjaar 1927/1928 heeft aangeslagen;
f40.000 — waarin belanghebbendes aandeel
f20.000 bedroeg — overtrof, ook al had daadwerkelijk verkoop van alle perceelen toen nog niet plaats gehad; dat goed koopmansgebruik niet verbiedt, bij de afsluiting der boeken en het berekenen der winst, rekening te houden met de verkoopwaarde van ten verkoop bestemde goederen, indien deze van de verwervingskosten afwijkt en zulks evenmin indien de verkoopwaarde de verwervingskosten overtreft, als wanneer zij daaronder ligt; dat dan ook de inspecteur, nu belanghebbende zelf in zijn boeken de hier besproken wijze van winstberekening heeft toegepast, terecht die winstberekening voor de vaststelling van belanghebbendes inkomen heeft gevolgd";
BNB1989/144 [58] van belang. In die zaak had de belanghebbende op de eindbalans van zijn in 1976 gestaakte onderneming een verplichting tot schadevergoeding opgenomen die voortvloeide uit een in 1980 gewezen vonnis. In geschil was of met deze na de balansdatum liggende feiten rekening mocht worden gehouden voor het opmaken van de stakingsbalans. U overwoog:
Voorkoming van verliesverdamping
bona fidebelangenwijzigingen de mogelijkheid van herwaardering biedt om ongebruikte verliezen nog te kunnen gebruiken en dat voor
bona fidegevallen van voorkoming van verliesverdamping geen vergelijkbare mogelijkheid tot winstneming door herwaardering is geregeld. Art. 20a(12) Wet Vpb luidt:
Al dan niet verplichte stelselwijziging en incidenteel fiscaal voordeel
NTFR2022/3707 de rechtbankuitspraak in onze zaak en ging daarbij ook in op waardering naar de WEV, al is de Rechtbank daaraan niet toegekomen. Van Opzeeland acht die waardering in strijd met goed koopmansgebruik:
lageremarktwaarde in voor een waardering op hogere marktwaarde. Een dergelijke stelselwijziging mag niet gericht zijn op het behalen van een incidenteel fiscaal voordeel. Ik gaf hiervoor al aan dat de term
verliesverdampingaangeeft dat er iets van pijn is. Immers, over de gehele looptijd van de onderneming wordt per saldo meer winst belast, omdat verliezen verdampen. Het vervallen van verliezen vormt een inbreuk op totaalwinst. Daarom kan in het kader van verliesverdamping naar mijn mening worden gesproken over
het vermijden van fiscaal nadeelin plaats van
het behalen van een fiscaal voordeel.Waar het gaat om eigen verliezen zou daarom de eis van het incidentele fiscaal voordeel naar mijn mening niet in de weg moeten staan aan een stelselwijziging naar waardering op hogere marktwaarde. Ook kan nog worden opgemerkt dat het voordeel als gevolg van die stelselwijziging niet als incidenteel is aan te merken maar daarentegen als
structureel.Van een incidenteel fiscaal voordeel is in het algemeen immers slechts sprake als bij de stelselwijziging vaststaat dat de fiscale gevolgen ervan slechts voor één boekjaar gelden (HR 22 mei 2015,
BNB2015/144). Wanneer het vastgoed voor meer dan een jaar op (hogere) werkelijke waarde wordt gewaardeerd, kan de stelselwijziging niet als incidenteel worden aangemerkt. Tot slot kan de hiervoor reeds gememoreerde positieve grondhouding van de staatssecretaris in herinnering worden gebracht (Besluit van 16 juli 2014, nr. BLKB2014/362M, Stcrt, 2014, 20943, onderdeel 2.3) (…).”
NTFR2023/1722 af waarom goed koopmansgebruik rigide zou moeten zijn als de belastingplichtige met relatief eenvoudige handelingen wél het gewenste resultaat had kunnen bereiken, bijvoorbeeld met overdracht binnen de fiscale eenheid gevolgd door ontvoeging:
sale and lease back-constructie. [87]
Waardering op waarde in het economische verkeer in het algemeen
fair valuestrookt met goed koopmansgebruik heeft hij echter weinig kunnen vinden in de jurisprudentie en de literatuur. Hij geeft het volgende overzicht: [88]
BNB 2015/180 (https://www.inview.nl/document/idfb0c80c8208748eeb74e703c588bf61b)opgemerkt dat wanneer balanswaardering op basis van de werkelijke waarde wordt toegepast in een geval van een oplopend prijspeil, niet-gerealiseerde resultaten tot de winst worden gerekend. [92] Een dergelijk stelsel is volgens hem in het algemeen in strijd met goed koopmansgebruik. [93] De ‘goede koopman’ rekent volgens Niessen geen voordelen tot de winst waarvan het onzeker is of hij ze werkelijk zal behalen. Maar Niessen nuanceert dit wel. Tegenover het bezwaar van de onzekerheid, staat volgens hem dat de bate wordt toegerekend aan de periode waarin deze (latent) is opgekomen. Niet voor niets wordt in de commerciële jaarrekening volgens Niessen vaak op actuele waarde gewaardeerd. Volgens Niessen is verdedigbaar dat de ondernemer zelf moet uitmaken of hij de onzekerheid en complexiteit wel of niet prohibitief acht.
BNB 2015/180 (https://www.inview.nl/document/idfb0c80c8208748eeb74e703c588bf61b)opgemerkt dat niet al te verkrampt moet worden gedaan over het vrijwillig waarderen van activa op werkelijke waarde in gevallen waarin deze waarde hoger is dan de kostprijs. Als het stelsel maar bestendig wordt toegepast, ziet hij weinig principiële bezwaren. Hij wijst erop dat met deze waarderingsmethode de waardestijgingen en -dalingen van de activa in aanmerking worden genomen in de jaren waarin zij zich voordoen (accrualbeginsel). Ook Bruins Slot ziet mogelijkheden voor waardering op werkelijke waarde, waarbij hij de executiewaarde als bovengrens aanhoudt. [94]
Verschillende waarderingsstelsels voor verschillende activa
binneneen categorie activa (bijvoorbeeld bedrijfsmiddelen) verschillende stelsels mogen worden toegepast. [100]
BNB1979/181 (zie 4.11 hierboven) het volgende over verschillende waardering van ‘verschillende’ bedrijfsmiddelen: [101]
BNB 1979/181 (https://www.inview.nl/document/inod09b2994847047245a4e7bc300218c635)dat ook binnen een categorie activa en passiva diverse waarderingsstelsels kunnen worden toegepast. Hij noemt als voorbeeld dat binnen de categorie vlottende activa meerdere waarderingsstelsels kunnen worden toegepast. Hij leest er echter ook in dat ten aanzien van dezelfde activa en passiva hetzelfde waarderingsstelsel moet worden toegepast. Maar Lubbers merkt ook op dat uit
BNB 1958/22 (https://www.inview.nl/document/inod56ce807a76cd14ecaf3243da2c9fa69d)(inzake vorderingen) blijkt dat ten aanzien van hetzelfde activum meerdere waarderingsstelsel kunnen worden toegepast. [102]
BNB 1979/181 (https://www.inview.nl/document/inod09b2994847047245a4e7bc300218c635)komt Fase tot min of meer dezelfde conclusie als Lubbers, Brüll, Zwemmer en Cornelisse. [105] Fase geeft als voorbeeld dat een houthandel die tevens gereedschappen verkoopt, zijn houtvoorraad kan waarderen volgens het ijzerenvoorraadstelsel en de gereedschappen op de inkoopprijs. Ten aanzien van dezelfde activa en passiva moet volgens Fase hetzelfde waarderingsstelsel worden toegepast. Uit
BNB 1958/22 (https://www.inview.nl/document/inod56ce807a76cd14ecaf3243da2c9fa69d)lijkt volgens hem echter te volgen dat bij vorderingen meerdere waarderingsstelsels naast elkaar kunnen worden toegepast.
BNB 1979/181 (https://www.inview.nl/document/inod09b2994847047245a4e7bc300218c635)mogelijk die dit toestaat (bij een interpretatie van de term “verschillende” als onbepaald hoofdtelwoord).
5.Voordracht en vordering tot cassatie in het belang der wet
matchingbeginsel staat daaraan in de weg en het leidt niet tot een incidenteel (opportunistisch) fiscaal voordeel.