ECLI:NL:PHR:2024:807

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 september 2024
Publicatiedatum
7 augustus 2024
Zaaknummer
23/00365
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 416, tweede lid, SvArt. 588 Sv (oud)Art. 6 lid 1 EVRMArt. 81 ROArt. 366 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en strafvermindering wegens overschrijding redelijke termijn bij verstekmededeling

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam bij arrest van 2 oktober 2015 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep wegens verstek. De dagvaarding en verstekmededeling werden betekend via de griffier omdat de verdachte geen bekende woon- of verblijfplaats in Nederland had. De verdediging stelde dat de betekening niet correct was en dat de redelijke termijn was overschreden.

De Hoge Raad oordeelde dat het hof terecht had geoordeeld dat de verdachte behoorlijk was gedagvaard, gelet op de stukken die voldeden aan de wettelijke betekeningsvoorschriften. Het eerste middel faalde daarom. Het tweede middel klaagde over de overschrijding van de redelijke termijn omdat het Openbaar Ministerie niet de nodige voortvarendheid had betracht bij de betekening van de verstekmededeling.

De stukken lieten zien dat de verstekmededeling pas na meer dan een jaar na het arrest van het hof geldig was betekend en dat niet was aangetoond dat de verdachte in het opsporingsregister was geplaatst of dat het OM jaarlijks had geprobeerd de mededeling alsnog te betekenen. Dit leidde tot de conclusie dat de redelijke termijn was overschreden, wat een strafvermindering van vier maanden rechtvaardigde.

Ambtshalve werden geen andere gronden voor vernietiging gevonden. De conclusie strekt tot vernietiging van het arrest voor zover het de straf betreft, tot vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn en tot verwerping van het beroep voor het overige.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd voor zover het de straf betreft en de straf wordt verminderd met vier maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00365
Zitting24 september 2024
CONCLUSIE
A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte
Het gerechtshof Amsterdam heeft de verdachte bij arrest van 2 oktober 2015 op grond van het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
Het cassatieberoep is ingesteld door de verdachte en J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld, advocaten in Amsterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel klaagt over het oordeel van het hof dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard.
3.2
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“De voorzitter doet de strafzaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte:
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
adres: [a-straat 1] , [plaats] ,
is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. E.G.S. Roethof, advocaat te Amsterdam, is evenmin ter terechtzitting aanwezig.
De tolk in Roemeense taal, [betrokkene] , is ter terechtzitting verschenen, maar wordt vergund de zittingszaal te verlaten.
De advocaat-generaal legt over een formulier waaruit blijkt dat achtereenvolgens bij het dagvaarden in hoger beroep, tien dagen voor de terechtzitting van heden en heden door middel van de geautomatiseerde strafrechtsketendatabank (SKDB) is gecontroleerd of de verdachte in een Nederlandse penitentiaire inrichting verbleef, hetgeen niet het geval blijkt te zijn.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de strafzaak zal worden voortgegaan.”
3.3
De gedingstukken houden in:
- een akte instellen hoger beroep, inhoudende dat op 2 april 2015 namens de verdachte hoger beroep is ingesteld, waarbij als adres is vermeld “Z.V.W.O.V.H.T.L.”;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015 op 24 augustus (ik begrijp: 2015) is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, omdat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is;
- een informatiestaat SKDB betreffende de verdachte van 20 augustus 2015, inhoudende onder het hoofdje “Huidig GBA-adres” dat de verdachte vanaf 2 januari 2014 is vertrokken onbekend waarheen (VOW) en dat op 16 maart 2015 als laatst opgegeven woon-of verblijfplaats is opgegeven het adres [a-straat 1] te [plaats] ;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat op 31 augustus 2015 is gepoogd de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep van 2 oktober 2015 uit te reiken op het adres [a-straat 1] , [plaats] , maar op dit adres niemand werd aangetroffen waarna een bericht van aankomst is achtergelaten en de dagvaarding op 8 augustus (ik begrijp: september [1] ) 2015 met de akte is teruggezonden aan de afzender en vervolgens op 15 september 2015 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, omdat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is en op laatstgenoemde datum tevens een afschrift is verzonden aan het adres [a-straat 1] , [plaats] ;
- een informatiestaat SKDB betreffende de verdachte van 15 september 2015, inhoudende onder het hoofdje “Huidig GBA-adres” dat de verdachte vanaf 2 januari 2014 is vertrokken onbekend waarheen (VOW) en dat op 16 maart 2015 als laatst opgegeven woon-of verblijfplaats is opgegeven het adres [a-straat 1] te [plaats] ;
- een controle formulier SKDB, inhoudende dat de verdachte bij het dagvaarden, tien dagen voor de zitting en op de dag van de zitting niet was gedetineerd.
3.4
In de toelichting op het middel wordt door de stellers van het middel aangevoerd dat op basis van genoemde stukken, meer in het bijzonder uit de omstandigheid dat de poging tot uitreiking op 31 augustus 2015 heeft plaatsgevonden, terwijl de terugzending van de brief op 8 augustus 2015 is geschied, niet met de vereiste mate van zekerheid kan worden nagegaan hoe c.q. op welke momenten de dagvaarding is geprobeerd uit te reiken aan de verdachte en hoe de betekening heeft plaatsgevonden, in het bijzonder welke data juist en welke data onjuist zijn. Volgens de stellers van het middel kan er niet vanuit worden gegaan dat de betekening volgens de daarop betrekking hebbende wettelijke voorschriften heeft plaatsgevonden, zodat de impliciete oordelen van het hof dat de betekeningsvoorschriften correct zijn nageleefd, dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard en de beslissing tot verstekverlening onbegrijpelijk zijn. Daarbij wordt nog opgemerkt dat de omstandigheid dat de dagvaarding op 24 augustus 2015 ook is betekend volgens de voorschriften die betrekking hebben op het zonder vaste woon-of verblijfplaats zijn van de verdachte door deze aan de griffier van de rechtbank Amsterdam uit te reiken aan het belang van de verdachte bij het middel niet afdoet, nu uit eerdergenoemde Informatiestaten SKDB niet blijkt dat de verdachte toen zonder vaste woon-of verblijfplaats was, nu de inschrijving op het adres [a-straat 1] , [plaats] op 10 januari 2014 heeft plaatsgevonden en dit sinds 16 maart 2015 ook het laatst opgegeven adres was.
3.5
Het hof heeft op grond van de onder 3.3 weergegeven betekeningsstukken kunnen oordelen dat de verdachte behoorlijk is gedagvaard, in aanmerking genomen dat uit die stukken volgt dat is voldaan aan het bepaalde in art. 588, eerste lid onder b sub 2 (oud) in verbinding met art. 588, derde lid, onder b en c (oud) Sv.
3.6
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 RO Pro ontleende motivering.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel klaagt dat de redelijke termijn is overschreden, omdat bij de betekening van de verstekmededeling door het Openbaar Ministerie niet de nodige voortvarendheid is betracht.
4.2
Bij de beoordeling van het middel moet worden vooropgesteld hetgeen de Hoge Raad in zijn arrest van 17 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, NJ 2008/358, m.nt. P. Mevis in rechtsoverweging 3.19 heeft vooropgesteld, te weten:
“Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn als op grond van artikel 366 Sv Pro een verstekmededeling moet worden betekend (uitgereikt) en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
Van zo’n vertraging is in elk geval geen sprake:
a. als de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak geldig is betekend
1. hetzij aan de verdachte in persoon,
2. hetzij op de wijze als is voorzien in artikel 588 lid 2 of Pro lid 3 Sv. Dan komt een vertraging die na de betekening is opgetreden, immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.
b. als de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak geldig is betekend op de wijze als is voorzien in artikel 588 lid 1 onder Pro b sub 3º Sv (uitreiking aan de griffie om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is) en bovendien blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - minimaal eenmaal per jaar heeft geprobeerd de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 588 lid 2 of Pro lid 3 Sv.” [2]
4.3
In de toelichting op het middel wordt aangevoerd dat van de onder 4.2 onder a bedoelde situaties in het onderhavige geval geen sprake is. Ook kan volgens de stellers van het middel niet blijken dat het Openbaar Ministerie de verdachte in het opsporingsregister heeft geplaatst noch dat het daarnaast minimaal eenmaal per jaar heeft geprobeerd de verstekmededeling alsnog te betekenen, hetzij aan de verdachte in persoon, hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588/36e Sv.
4.4
De gedingstukken houden in:
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de verstekmededeling op 22 december 2015 niet is kunnen worden uitgereikt op het adres [a-straat 1] te [plaats] noch een bericht van aankomst is kunnen worden achtergelaten, omdat volgens de mededeling van degene die zich op genoemd adres bevond, de geadresseerde daar niet meer woont noch verblijft;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de verstekmededeling op 25 augustus 2017 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, omdat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de verstekmededeling op 15 oktober 2018 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, omdat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de verstekmededeling op 21 februari 2019 is uitgereikt aan de griffier van de rechtbank Amsterdam, omdat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats in Nederland bekend is;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat de verstekmededeling op 8 maart 2021 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie;
- een akte van uitreiking, inhoudende dat van de geadresseerde geen woon-of verblijfplaats bekend is en de verstekmededeling op 1 februari 2022 is uitgereikt aan een medewerker van het Openbaar Ministerie.
4.5
Het middel is terecht voorgesteld. Uit het voorgaande blijkt immers dat niet binnen een jaar na de uitspraak van het arrest van het hof van 2 oktober 2015 een verstekmededeling geldig is betekend en/of dat de verdachte is opgenomen in het opsporingsregister en/of dat het Openbaar Ministerie minimaal eenmaal per jaar heeft geprobeerd alsnog een verstekmededeling te betekenen. Dit brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden, hetgeen moet leiden tot vermindering van de aan de verdachte opgelegde gevangenisstraf van vier maanden.
5. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
6. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad passend acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.In het tekst vak “In te vullen door PostNL” staat namelijk als datum genoteerd “10-9-2015”.
2.Zie bijv. HR 21 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:771, NJ 2020/382, m.nt. J.W. Ouwerkerk.