ECLI:NL:HR:2020:771

Hoge Raad

Datum uitspraak
21 april 2020
Publicatiedatum
20 april 2020
Zaaknummer
18/03962
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 231.2 SrArt. 588 lid 2 oud SvArt. 36e lid 3 SvArt. 366 SvArt. 511b Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad over vertaalplicht dagvaarding en redelijke termijn verstekmededeling

De Hoge Raad behandelde een cassatieberoep tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch waarin verdachte werd veroordeeld voor bezit van een vermoedelijk vervalst Marokkaans paspoort. De kern van het geschil betrof de vertaalplicht van de dagvaarding en de vraag of de redelijke termijn voor de betekening van een verstekmededeling was overschreden.

De Hoge Raad stelde vast dat de verdachte geen vertaling van de bij de dagvaarding behorende mededelingen ontving, maar dat dit feitelijk niet klopt. De vertaalplicht volgens artikel 588 lid Pro 2 (oud) Sv, thans artikel 36e lid 3 Sv, vereist een integrale vertaling van de dagvaarding inclusief de mededelingen die daarin zijn opgenomen of daarbij zijn gevoegd. Dit volgt ook uit de wetsgeschiedenis en de EU-rechtshulpovereenkomst.

Ten aanzien van de redelijke termijn oordeelde de Hoge Raad dat het Openbaar Ministerie niet de nodige voortvarendheid betrachtte bij de betekening van de verstekmededeling. Er was geen bewijs dat binnen een jaar na het arrest van het hof een verstekmededeling was betekend, noch dat de verdachte in het opsporingsregister was opgenomen of dat het OM jaarlijks pogingen deed tot betekening. Hierdoor was de redelijke termijn overschreden.

De Hoge Raad vernietigde het arrest van het hof uitsluitend voor wat betreft de strafoplegging en verminderde de opgelegde gevangenisstraf met zes weken. Het beroep werd voor het overige verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad vermindert de opgelegde gevangenisstraf met zes weken wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer18/03962
Datum21 april 2020
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 29 december 2009, nummer 20/003318-08, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft E.E.W.J. Maessen, advocaat te Maastricht, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak maar uitsluitend wat betreft de opgelegde straf, tot vermindering van de straf wegens overschrijding van de redelijke termijn in de mate die de Hoge Raad passend acht en tot verwerping van het beroep voor het overige.

2.Beoordeling van het eerste cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof het onderzoek ter terechtzitting van 16 december 2009 niet heeft geschorst “teneinde de bij de tenlastelegging in eerste aanleg behorende mededelingen, alsmede een vertaling van deze mededelingen” aan de verdachte te doen toekomen.
Ter toelichting op het middel is aangevoerd dat uit de omstandigheden dat de verdachte geen vertaling van de inleidende dagvaarding en de daarbij behorende mededelingen heeft ontvangen en de raadsman in hoger beroep te kennen heeft gegeven niet te zijn gemachtigd, “kan voortvloeien” dat de verdachte er niet mee bekend was dat hij een advocaat kon machtigen om namens hem het woord te voeren ter terechtzitting in hoger beroep.
2.2.1
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 16 december 2009 houdt onder meer het volgende in:
“De verdachte (...) is, hoewel behoorlijk gedagvaard, niet verschenen.
(...) De raadsman van verdachte mr. L.S.T.H. Ruijters, advocaat te Eindhoven, is evenmin ter terechtzitting verschenen.
Het onderzoek ter terechtzitting wordt voor korte tijd onderbroken.
Na hervatting van het onderzoek ter terechtzitting deelt de voorzitter mede dat er telefonisch contact is geweest met de raadsman en dat deze heeft medegedeeld dat hij niet gemachtigd is om de verdediging te voeren en daarom niet aanwezig is.
Op vordering van de advocaat-generaal verleent het hof verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt, dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.2.2
Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevinden zich onder meer:
(i) een kopie van de inleidende dagvaarding ten name van de verdachte en de daarbij behorende mededelingen. De mededelingen houden onder meer het volgende in:
“Toelichting op de procedure
Vertegenwoordiging door een advocaat
1. Als u voor een overtreding of een misdrijf terecht moet staan, kunt u zich op de zitting laten vertegenwoordigen door een advocaat die u daartoe wel uitdrukkelijk moet machtigen. Voor de procedure bij de kantonrechter kunt u zich ook laten vertegenwoordigen door iemand die geen advocaat is. Deze persoon moet dan wel van u een schriftelijke volmacht krijgen om aan de rechter te laten zien.”
(ii) een bij het dubbel van voormelde dagvaarding gevoegde akte van uitreiking inhoudende dat de dagvaarding en de daarbij behorende mededeling aan de verdachte in persoon zijn uitgereikt op 6 juni 2008 door [betrokkene 3] ;
(iii) een op ambtseed opgemaakt proces-verbaal van [betrokkene 4] , wachtmeester 1e klasse der Koninklijke Marechaussee, van 24 juni 2008, inhoudende dat [betrokkene 3] op 6 juni 2008 de dagvaarding aan de verdachte heeft uitgereikt en verder dat “ [betrokkene 3] aan [verdachte] in de Marokkaanse taal een ‘toelichting op de procedure’ [heeft] uitgereikt.”
2.3
De klacht dat geen vertaling van de bij de inleidende dagvaarding behorende mededelingen is ontvangen, mist dus feitelijke grondslag zodat het middel faalt.
2.4
De Hoge Raad vindt in hetgeen in de conclusie van de advocaat-generaal naar voren is gebracht met betrekking tot de vraag wat de verplichting van artikel 588 lid Pro 2 (oud) Sv tot vertaling van de dagvaarding omvat, aanleiding tot het maken van de volgende opmerkingen.
2.5.1
Artikel 588 lid 2 van Pro het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is met de inwerkingtreding op 1 januari 2020 van enkele nader omschreven onderdelen van de Wet van 22 februari 2017, houdende wijziging van het Wetboek van Strafrecht, het Wetboek van Strafvordering en enige andere wetten in verband met een herziening van de wettelijke regeling van de tenuitvoerlegging van strafrechtelijke beslissingen (Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen), Stb. 2017, 82, vervangen door het - in de kern gelijkluidende - artikel 36e lid 3 Sv. De tekst van deze bepalingen luidt als volgt.
- Artikel 588 lid Pro 2 (oud) Sv:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling door het openbaar ministerie, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan volstaan worden met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat hiervan nog uit een afzonderlijke akte behoeft te blijken.”
- Artikel 36e lid 3 Sv:
“De uitreiking aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, geschiedt door toezending van de mededeling, hetzij rechtstreeks, hetzij door tussenkomst van de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie en, voor zover een verdrag van toepassing is, met inachtneming van dat verdrag. Dagvaardingen worden vertaald in de taal of een van de talen van het land waar de geadresseerde verblijft dan wel, voor zover aannemelijk is dat hij slechts een andere taal machtig is, in die taal. Met betrekking tot andere gerechtelijke mededelingen kan worden volstaan met een vertaling van de essentiële onderdelen daarvan. Indien de bevoegde buitenlandse autoriteit of instantie bericht dat de mededeling aan de geadresseerde is uitgereikt, geldt deze uitreiking als betekening in persoon, zonder dat dit nog uit een afzonderlijke akte hoeft te blijken.”
2.5.2
Artikel 5 van Pro de Overeenkomst betreffende de wederzijdse rechtshulp in strafzaken tussen de lidstaten van de Europese Unie, PbEG 2000, C 197/3 (hierna: EU-Rechtshulpovereenkomst), luidt:
“Toezending en uitreiking van gerechtelijke stukken
1. Elke lidstaat zendt aan de personen die zich op het grondgebied van een andere lidstaat bevinden, voor hen bestemde gerechtelijke stukken rechtstreeks over de post toe.
(...)
3. Wanneer aannemelijk is dat de geadresseerde de taal waarin het gerechtelijk stuk is gesteld niet beheerst, dient dit - althans de essentie ervan - te worden vertaald in de taal of één der talen van de lidstaat op het grondgebied waarvan de geadresseerde verblijft. Indien de autoriteit waarvan het gerechtelijk stuk uitgaat, weet dat de geadresseerde slechts een andere taal machtig is, dient het stuk - althans de essentie ervan - te worden vertaald in die andere taal.
4. Bij alle gerechtelijke stukken wordt de mededeling gevoegd dat de geadresseerde bij de autoriteit waarvan het stuk uitgaat of bij andere autoriteiten in die lidstaat inlichtingen kan inwinnen over zijn rechten en plichten met betrekking tot het stuk. Lid 3 is van toepassing op die mededeling.”
2.5.3
De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 18 maart 2004 (Stb. 2004, 107), waarbij artikel 588 lid 2 Sv Pro is gewijzigd met het oog op de uitvoering van de onder 2.5.2 vermelde Overeenkomst, houdt onder meer het volgende in:
“De wijziging van het tweede lid is het rechtstreeks gevolg van het sterk verplichtende karakter van artikel 5 van Pro het EU-rechtshulpverdrag om gerechtelijke stukken per post toe te zenden.
(...)
(...) besloten [is] om bij deze gelegenheid ook de verplichting tot vertaling van gerechtelijke stukken die bestemd zijn voor een geadresseerde in het buitenland in zijn algemeenheid in de wet vast teleggen. Wat betreft de dagvaarding is, wegens het bijzondere belang van deze mededeling, voorgeschreven dat deze integraal worden vertaald, ten aanzien van de overige mededelingen kan worden volstaan met vertaling van de essentiële onderdelen.” (Kamerstukken II 2001/02, 28351, nr. 3, p. 14)
2.6.1
Op grond van artikel 588 lid Pro 2 (oud) Sv, thans artikel 36e lid 3 Sv, worden dagvaardingen, gericht aan de geadresseerde van wie de woon- of verblijfplaats in het buitenland bekend is, vertaald.
2.6.2
Mede gelet op de onder 2.5.3 weergegeven wetsgeschiedenis gaat het daarbij om een “integrale” vertaling. Daaronder moet worden verstaan een vertaling van de door het openbaar ministerie opgestelde dagvaarding met inbegrip van de mededelingen die - al dan niet op grond van een wettelijke verplichting - daarin zijn opgenomen dan wel daarbij zijn gevoegd.
2.7
Voor de vordering en oproeping als bedoeld in artikel 511b Sv in een ontnemingszaak die op de voet van artikel 36e lid 3 Sv wordt betekend door toezending aan het van de geadresseerde bekende woon- of verblijfadres in het buitenland, geldt hetzelfde.

3.Beoordeling van het tweede cassatiemiddel

3.1
Het cassatiemiddel klaagt dat na de uitspraak van het arrest dat het hof bij verstek heeft gewezen, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden.
3.2
Van overschrijding van de redelijke termijn kan sprake zijn als op grond van artikel 366 Sv Pro een verstekmededeling moet worden betekend (uitgereikt) en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht.
Van zo’n vertraging is in elk geval geen sprake:
a. als de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak geldig is betekend
1. hetzij aan de verdachte in persoon,
2. hetzij op de wijze als is voorzien in artikel 588 lid 2 of Pro lid 3 Sv. Dan komt een vertraging die na de betekening is opgetreden, immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak.
b. als de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak geldig is betekend op de wijze als is voorzien in artikel 588 lid 1 onder Pro b sub 3º Sv (uitreiking aan de griffie om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is) en bovendien blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - minimaal eenmaal per jaar heeft geprobeerd de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in artikel 588 lid 2 of Pro lid 3 Sv (vgl. HR 17 juli 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578, rechtsoverweging 3.19).
3.3
Het cassatiemiddel klaagt terecht dat niet blijkt dat binnen een jaar na de uitspraak van het arrest van het hof een verstekmededeling is betekend en/of dat de verdachte is opgenomen in het opsporingsregister en/of dat het openbaar ministerie minimaal eenmaal per jaar heeft geprobeerd alsnog een verstekmededeling te betekenen. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van twee maanden.

4.Beslissing

De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf;
- vermindert deze in die zin dat deze een maand en twee weken beloopt;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president J. de Hullu als voorzitter, en de raadsheren E.S.G.N.A.I. van de Griend, A.L.J. van Strien, M.J. Borgers en A.E.M. Röttgering, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
21 april 2020.