Voetnoten
1.Vgl. voor de vaststaande feiten rov. 3.1-3.11 van het arrest van het hof.
5.Het advies van het openbaar ministerie is overgelegd als productie 17 bij de deze procedure inleidende dagvaarding.
6.Het advies van het hof is overgelegd als productie 18 bij de deze procedure inleidende dagvaarding.
7.De brief van de Minister is overgelegd als productie 6 bij de deze procedure inleidende dagvaarding.
8.De zaak is aanhangig onder application no. 27231/19.
9.Zie de schriftelijke toelichting van de Staat onder 1.4.
12.Vgl. voor e.e.a. de vaststellingen van het hof in rov. 4.1-4.2.
15.De procesinleiding is op 25 juli 2023 bij de Hoge Raad ingediend.
16.Zie voor dat limitatieve karakter Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 20.
17.Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 14.
18.Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 20, en Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 1-2.
19.L.E.M. Hendriks,
20.Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 20-21.
21.Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 14-15.
22.Handelingen II 1986/87, nr. 85, p. 4303.
23.Vgl. W.F. van Hattum, Handboek Strafzaken 64.9.6.2.
24.Zie Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 8. Zie ook Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.
25.Zie Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.
26.Zie Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 8. Zie ook het hiervoor in 3.4 opgenomen citaat uit Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 21 (‘Inmiddels hoeft dat oordeel niet steeds volstrekt doorslaggevend te zijn’).
27.Zie Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 3, p. 14-15 en Kamerstukken II 1984/85, 19 075, nr. 6, p. 8.
29.Kamerstukken II 2016/17, 29 279, nr. 366, p. 16.
30.HR 6 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1747, NJ 2021/43, m.nt. N. Jörg. Zie ook HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185, NJ 2019/326, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen (strafkamer), rov. 3.5.4, dat de civiele kamer in zijn uitspraak van 6 november 2020 aanhaalt. 31.Zie in deze zin op grond van het arrest van 6 november 2020 ook Handboek Strafzaken 64.11.3.1 (W.F. van Hattum, actueel t/m 06-11-2023), Jörg in zijn noot onder het arrest in de NJ onder 10 en H.E. Bröring en W.F. van Hattum, ‘Gratie: een bestuursbevoegdheid getoetst. Een beschouwing naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 6 november 2020’, NTS 2021/3.
32.A.J.A. van Dorst, ‘De tijd heelt alle wonden … maar de littekens blijven’, Boom Strafblad 2021/3.
33.Zie het besluit tot Instelling Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad, besluit van 11 september 1995, Stcrt. 1995, 192.
34.De toegang tot de cassatierechter in strafzaken, Rapport van de Commissie werkbelasting strafkamer Hoge Raad december 1996.
35.Wet van 28 oktober 1999 tot uitsluiting beroep in lichte overtredingszaken en invoering verplichte schriftuur van een advocaat, Stb. 1999/467. Zie voor de inwerkingtreding het Besluit van 21 juni 2000, Stb. 2000, 271.
36.Zie Kamerstukken II 1997/98, 26 027, nr. 3, p. 10-11.
37.Vgl. A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Kluwer 2022, p. 126, en A.J.A. van Dorst en M.J. Borgers, in:
38.Zie Kamerstukken II 1998/99, 26 027, nr. 5, p. 6. Vgl. ook M.S. Groenhuijsen en G. Knigge,
39.Hoge Raad der Nederlanden, Jaarverslag 2003/2004, p. 34.
41.Wet van 15 maart 2012, ter versterking van de cassatierechtspraak, Stb. 2012/116.
42.Kamerstukken II 2010/11, 32 576, nr. 3, p. 2 en 7.
44.HR 7 juni 2016, ECLI:NL:HR:2016:1005, NJ 2016/430, m.nt. P.H.P.H.M.C. van Kempen, rov. 2.2, onder f. 45.Zie bijvoorbeeld HR 6 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:2, en HR 1 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:344, NJ 2017/127, m.nt. P.A.M. Mevis. Vgl. ook HR 1 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2457, NJ 2016/52, m.nt. P.A.M. Mevis, en HR 6 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:1029, waarin de Hoge Raad ambtshalve een onderzoek naar deze verjaring instelt. 46.Zie voor het eerste (de verjaring is in het strafrecht van openbare orde) A.J.A. van Dorst,
47.In zijn noot onder het arrest in de NJ (NJ 2018/475), onder 12.
48.EHRM 18 juni 2020, zaakno. 7523/10 (