Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten en procesverloop
a. op grond van enige omstandigheid, waarmee de rechter op het tijdstip van zijn beslissing geen of onvoldoende rekening heeft gehouden of kunnen houden en die, ware zij op dat tijdstip wel of voldoende bekend geweest, hem aanleiding zou hebben gegeven tot het opleggen van een andere straf of maatregel, of tot het afzien daarvan (hierna ook: de a-grond);
b. indien aannemelijk is geworden dat met de tenuitvoerlegging van de rechterlijke beslissing of de voortzetting daarvan geen met de strafrechtstoepassing na te streven doel in redelijkheid wordt gediend (hierna ook: de b-grond).
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdelen 2.2 en 2.4bestrijden het oordeel van het hof in rov. 6.6 en 6.8 dat, nu de verjaringskwestie in de conclusie van de advocaat-generaal en door de Hoge Raad onder ogen is gezien, het verlenen van gratie zou neerkomen op een doorkruising van een bewuste keuze (rov. 6.6) of het inzicht van de rechter (rov. 6.8). Dit oordeel is, zo betogen de onderdelen, zonder nadere motivering onbegrijpelijk. Onder 2.2.2 wordt in onderdeel 2.2 aangevoerd dat de keuze van de Hoge Raad betrekking heeft op de werkwijze en taakopvatting van de Hoge Raad en dat een verdergaande strekking daaraan niet kan worden toegedicht. Onder 2.2.3. en 2.2.4 wordt dit betoog in iets andere woorden in het onderdeel herhaald. Onder 2.4.1 wordt in onderdeel 2.4 aangevoerd dat de keuze van de Hoge Raad is gegrond op een procedurele koerswijziging en geen betrekking heeft op de materiële toetsing van de zaak van [eiser] op verjaring.