Conclusie
1.Feiten en procesverloop
2.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel 1) en over het oordeel in rov. 3.23 over schade en causaal verband (
onderdeel 2). Voorts bevat het middel een voortbouwende klacht in
onderdeel 3.
nrs. 12 en 13.
nr. 12heeft het hof miskend dat het bij de beoordeling of Rabobank de op haar rustende zorgplicht jegens Decos heeft geschonden niet erop aankwam of
opzeggingvan de bankrelatie in strijd met de zorgplicht en/of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest. Het hof had moeten beoordelen of het
opleggen van het aangepaste beleid– waarbij Rabobank Decos verzocht om al haar bitcoins binnen drie maanden te verkopen – in dit geval onzorgvuldig was c.q. naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar was. Het hof had daarom ook niet de maatstaf voor beoordeling van de aanvaardbaarheid van de opzegging van de bankrelatie moeten toepassen/betrekken in zijn oordeel. Laatstgenoemde maatstaf is irrelevant bij de beantwoording van de vraag of Rabobank haar beleid mocht opleggen. De beëindiging van de bankrelatie is ook niet aan de orde in deze zaak, aldus de klacht.
Het hof heeft geconcludeerd dat de verplichting van de bank aan Decos het houden van en handelen in bitcoins binnen drie maanden te staken, niet (rechtstreeks) kan worden gegrond op de Wet op het financieel toezicht (Wft) of de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme (Wwft) (rov. 3.16, vanaf de vierde volzin, en rov. 3.17).
De bancaire zorgplicht brengt met zich mee dat Rabobank bij haar besluitvorming een zorgvuldige afweging had moeten maken tussen haar eigen belang bij risicobeperking enerzijds, en het belang van Decos bij de instandhouding van de bancaire relatie anderzijds. Het is, zoals gezegd, niet onrechtmatig om een mogelijke beëindiging van de relatie aan te kondigen. Ook Rabobank heeft dat recht, onder meer op grond van artikel 35 ABV Pro. Maar ook bij opzegging dient de bank zorgvuldig te werk te gaan en een individuele afweging te maken. Het stond Rabobank niet zonder meer vrij om de bancaire relatie op te zeggen of daarmee te dreigen.
Uit de stukken volgt niet dat Rabobank rekening heeft gehouden met de genoemde belangen van Decos en in dat kader een belangenafweging heeft gemaakt. Rabobank heeft in feite slechts aangegeven de bancaire relatie te zullen beëindigen als Decos zich niet aan het door Rabobank gevoerde beleid ten aanzien van de handel in virtuele valuta zou houden. Decos voelde zich onder druk gezet en heeft gehandeld op basis van de overtuiging dat de bankrelatie zou worden opgezegd als zij zich niet zou conformeren aan het beleid van Rabobank. Rabobank heeft daarom onzorgvuldig gehandeld door Decos te dwingen binnen drie maanden haar bitcoinportefeuille van de hand te doen onder dreiging van opzegging van de bankrelatie, terwijl die opzegging naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn geweest nu een zwaarwegende grond daarvoor ontbrak. De belangen van Decos wegen zwaar en Rabobank had met meer moeten komen dan algemene stellingen over de risico’s van de handel in virtuele valuta om die terzijde te kunnen schuiven. Zij is daarmee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van de op haar rustende zorgplicht jegens Decos.’’ [onderstreping toegevoegd; plv.]
nr. 13. Ik bespreek hierna de argumenten die in deze klacht worden aangevoerd.
nr. 13voert
in de eerste plaatsaan dat de overweging in rov. 3.22 dat sprake is geweest van dreigen met beëindiging van de bankrelatie, het oordeel dat de bank onzorgvuldig heeft gehandeld niet kan dragen. Het hof heeft geoordeeld dat Rabobank het beleid in beginsel mocht opleggen en ook dat zij het einde van de bankrelatie mocht aankondigen. Het enkele feit dat Rabobank dit ook heeft gedaan, brengt dan ook niet mee dat Rabobank onzorgvuldig heeft gehandeld.
nr. 13voert
in de tweede plaatsaan dat geen sprake is van beëindiging van de bankrelatie, zodat de omstandigheid dat de beëindiging van de bankrelatie in de gegeven omstandigheden onaanvaardbaar zou zijn geweest, niet redengevend kan zijn voor het oordeel dat Rabobank onzorgvuldig zou hebben gehandeld.
nr. 13voert
in de derde plaatsaan dat de termijn van drie maanden evenmin bijdraagt aan een toereikende motivering voor het oordeel van het hof dat Rabobank onzorgvuldig heeft gehandeld. Tussen partijen staat vast dat Decos haar bitcoinportefeuille binnen drie maanden kon verkopen, die termijn was dus niet te kort of anderszins onredelijk.
nr. 13voert
in de vierde plaatsaan dat de overweging in rov. 3.19 tot en met 3.22 dat niet is gebleken dat Rabobank een individuele en zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt, evenmin het oordeel in rov. 3.22 dat Rabobank onzorgvuldig heeft gehandeld kan dragen, omdat deze overweging onjuist, onbegrijpelijk althans ontoereikend is gemotiveerd. Hiertoe worden de volgende argumenten aangevoerd.
nr. 12van het middel.
niethandhaven van het beleid betrokken in zijn oordeel dat Rabobank geen individuele en zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt. Dat het hof in rov. 3.21 heeft overwogen dat Decos belang had bij het aanhouden van haar bankrekening(en) en voortzetting van haar onderneming en in rov. 3.22 dat Decos een belang had bij de voortzetting van de bancaire relatie, maakt het voorgaande niet anders, omdat het hof ten onrechte althans onbegrijpelijk een afweging heeft gemaakt die ziet op de opzegging van de bankrelatie, althans geen afweging heeft gemaakt die ziet op het opleggen/handhaven van het genoemde beleid inzake bitcoins, aldus de klacht.
Het hof heeft voorts aandacht besteed aan het belang van Decos bij het behoud van de bancaire relatie, mede in het licht van de continuïteit van de bedrijfsvoering (rov. 3.12 en 3.22). Niet valt in te zien dat het hof afzonderlijk rekening had moeten houden bij een belang van Decos bij het
niethandhaven van het beleid (voor zover daaronder iets anders zou moeten worden verstaan dan haar belang bij het behoud van de bancaire relatie). De klacht maakt ook niet duidelijk aan welk belang hierbij gedacht zou moeten worden. Zie ook hiervoor in 2.7.
nr. 13voert
in de vijfde plaatsaan dat de overwegingen in rov. 3.18 over de kenbaarheid van het beleid van Rabobank het oordeel van het hof evenmin juist en begrijpelijk maken. Voor Decos was van belang dat zij het beleid kende en dat een voldoende termijn werd gegeven om daaraan te voldoen. Daarvan was sprake. Het valt niet in te zien waarom een andere of verdere kenbaarheid van het beleid vereist of van relevantie zou zijn geweest, aldus de klacht.
Rabobank heeft echter ook aan Decos medegedeeld, dat het beleid uitsluitend voor intern gebruik is en dat zij dit niet kan delen (zie hiervoor in 1.1 onder (iv) en voorts rov. 3.18). Het hof heeft geoordeeld dat de door Rabobank genoemde publicaties van DNB en haar argument dat van algemene bekendheid is dat handel in virtuele valuta risico’s met zich meebrengt, onvoldoende is om te kunnen concluderen dat het beleid waar Rabobank zich in deze zaak op beroept, een algeheel verbod op handel in virtuele valuta, kenbaar is gemaakt aan Decos (rov. 3.18). Het hof heeft voorts geoordeeld dat Rabobank rekening had moeten houden met het belang dat Decos had bij kennis van het door Rabobank gevoerde beleid en haar zonder meer moeten informeren over de inhoud en strekking ervan toen zij Decos confronteerde met dat beleid en Decos, vanwege de verstrekkende gevolgen die Rabobank daaraan verbond, daar om vroeg (rov. 3.18).
Het hof maakt aldus een onderscheid tussen het informeren van Decos over de gevolgen van het beleid voor Decos (wat Rabobank heeft gedaan) en het informeren van Decos over inhoud en strekking van het beleid (wat Rabobank niet heeft gedaan). Daaraan ligt kennelijk de gedachte ten grondslag, dat het informeren van Decos over inhoud en strekking van het beleid, Decos beter in staat zou kunnen stellen haar positie te bepalen. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en komt niet onbegrijpelijk voor.
onderdeel 1niet slagen.
nr. 15een klacht die louter voortbouwt op
onderdeel 1. Deze klacht faalt in het verlengde van dat onderdeel.
nr. 16dat het oordeel in rov. 3.23 onjuist, onbegrijpelijk, althans ontoereikend is gemotiveerd. Bij de begroting van de schade komt het volgens het onderdeel niet aan op een vergelijking tussen de situatie zoals deze zich feitelijk heeft voorgedaan en de hypothetische situatie dat Rabobank niet van Decos had geëist dat zij haar volledige bitcoinportefeuille verkocht. Ook in de hypothetische situatie had Rabobank van Decos geëist (en mogen eisen) dat zij haar bitcoins zou verkopen (overeenkomstig het beleid van Rabobank ten aanzien van bitcoins). De onzorgvuldigheid is er volgens het hof namelijk niet in gelegen dat Rabobank een beleid voert dat inhoudt dat zij geen ondernemingen faciliteert die actief zijn in (de handel in) virtuele valuta. Het staat Rabobank immers in beginsel vrij dit beleid te voeren. Ook is het volgens het hof niet onrechtmatig om een mogelijke beëindiging van de relatie aan te kondigen als Decos niet aan dat beleid zou voldoen.
Uitgaande van de redenering van het hof in rov. 3.18 t/m 3.22 is het derhalve niet zo dat Rabobank zonder meer had moeten accepteren dat Decos haar bitcoinportefeuille zou aanhouden, noch is het in die redenering zo dat Rabobank niet in beginsel mocht eisen dat Decos haar bitcoins verkocht. Rabobank mocht haar beleid opleggen aan Decos, maar had volgens het hof zorgvuldiger moeten handelen daarbij. Bij beantwoording van de vraag of het aannemelijk is dat Decos schade heeft geleden moet dus geen vergelijking worden gemaakt tussen de feitelijke situatie en de hypothetische situatie waarbij de hypothetische situatie eruit bestaat dat Rabobank niet van Decos zou hebben geëist haar bitcoins te verkopen. Dat mocht Rabobank sowieso eisen, hoogstens had zij hierbij (volgens het hof) zorgvuldiger moeten handelen.
in beginseleen beleid met betrekking tot virtuele valuta mag voeren, niet worden geconcludeerd dat Rabobank – indien zij wel een zorgvuldige belangenafweging had gemaakt – het beleid ook
in dit gevaljegens Decos had mogen voeren. Het hof overweegt immers dat een zorgvuldige afweging van de wederzijdse belangen aan de handhaving van het gevoerde beleid in de weg kan staan (rov. 3.19). Aan de hand van de specifieke omstandigheden van het geval – met name dat Rabobank op geen enkel moment duidelijk heeft gemaakt op basis waarvan het zodanig hoog werd geacht dat er van Decos mocht worden geëist dat zij haar volledige portefeuille binnen drie maanden zou verkopen (rov. 3.19) en dat niet is gebleken dat Rabobank op enig moment aanwijzingen had dat er in het geval van Decos een onacceptabel risico bestond op witwassen, terrorismefinanciering of overtreding van andere wet- of regelgeving en de omstandigheid dat Decos steeds heeft voldaan aan de verzoeken van Rabobank om (extra) informatie te verschaffen (rov. 3.20) − heeft het hof geconcludeerd dat Rabobank geen zorgvuldige belangenafweging heeft gemaakt voordat zij haar beleid aan Decos oplegde en zodoende tekort is geschoten in haar zorgplicht jegens Decos (3.22). Hierin ligt geenszins het oordeel besloten dat, indien wel een zorgvuldige belangenafweging zou hebben plaatsgevonden, Rabobank haar beleid jegens Decos had mogen voeren.
onderdelen 1 en 2niet slagen, geldt hetzelfde voor het op deze onderdelen voortbouwende
onderdeel 3. Het middel stelt mijns ziens geen vragen aan de orde die met het oog op de rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoording behoeven. De slotsom is dat het cassatieberoep moet worden verworpen.