Conclusie
poging tot doodslag" (gevoegde strafzaak met parketnummer 01/067352-21) en “
poging tot doodslag” (gevoegde strafzaak met parketnummer 01/320930-21).
t.a.v. parketnummer 01/067352-21
“Ten aanzien van parketnummer 01/067352-21
te 16.11:18 uur.
te 16.12:24 uur kwam de aangeefster [slachtoffer 1] links in beeld. Aangeefster jogde vervolgens linksaf, de Marterstraat in, in de richting van de Boschdijk.
Ten aanzien van parketnummer 01/320930-21
uit het proces-verbaal voorzien van nummer 8 wordt getoond (afbeelding 3)(het hof begrijpt: een screenshot van de camerabeelden d.d. 8 maart 2021 te 16:12:32 uur van de [woning 2] te Eindhoven gericht op de Mathys de Layenslaan).
Ten aanzien van het onder parketnummer 01-320930-21 bewezenverklaarde:
• Ten aanzien van het onder parketnummer 01/320930-21 primair ten laste gelegde
variabel” zijn, hetgeen in de weg staat aan het kunnen vaststellen van “
een sterk vergelijkbaar patroon” c.q. “
één modus operandi”. Hierbij wordt gewezen op verschillen met betrekking tot de aanwezigheid van anderen op de weg, de kleding van de slachtoffers, de tijdstippen waarop de feiten plaatsvonden en de lichaamsdelen waarin c.q. in welke richting is gestoken.
gaat [het] zelfs om tegenstrijdigheden,” te weten tegenstrijdigheden die de rechtbank zelf heeft erkend met de woorden: “
Dat ook sprake is van verschillen – wel/niet aanspreken van het slachtoffer voorafgaand aan het steken, de locatie van het steken op het lichaam van het slachtoffer en het aantal malen steken – doet wat de rechtbank betreft niet af aan de zeer specifieke omstandigheden in de modus operandi.”
dat de bewijsmiddelen van parketnummer 01/067352-21 met betrekking tot de modus operandi (…) ten aanzien van het onder parketnummer 01/320930-21 ten laste gelegde als schakelbewijs [hebben] te gelden”.
een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. De vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – schakelbewijs begrijpelijk is, moet worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering (vgl. HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455). Daarbij kan van belang zijn of en in hoeverre de wijze waarop en de omstandigheden waaronder de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten overeenkomen.” [1]
Daderschap verdachte” is in het door het hof bevestigde vonnis tot uitdrukking gebracht dat de observaties van gelijkende kenmerken in bepaalde mate beter worden verklaard wanneer wordt aangenomen dat de delicten door dezelfde persoon zijn begaan, dan wanneer wordt aangenomen dat zij door verschillende, willekeurige personen zijn begaan. In het bijzonder is daarbij aandacht uitgegaan naar de (rustige) omgeving waarin het handelen plaatsvond, de afwezigheid van een relatie tussen de verdachte en de slachtoffers, alsmede de gedragingen van de verdachte voorafgaand aan en na het ten laste gelegde handelen.
variabelen” of “
verschillen” tussen de geschakelde handelingen doet daar niet aan af. Immers, verschillen zullen er altijd zijn; het gaat steeds om de aan- of afwezigheid van
significanteverschillen. Het al dan niet aanspreken van het slachtoffer voorafgaand aan het steken, de plaats van het lichaam waarin/in welke richting is gestoken en het aantal steken betreffen niet dermate significante verschillen dat deze in de weg staan aan de redengevendheid van de genoemde significante gelijkenissen.