Conclusie
Inleiding
1. subsidiair
nietuit. [16] Vervolgens staat het hof omstandig stil bij de mogelijkheid dat het intreden van de dood het gevolg is van verstikking door smoren (belemmering van de ademhaling door de mond of neus), door het samendrukken van de borstkas (mechanische c.q. traumatische asfyxie) of door geweld op de hals (zoals bij verwurging). Het hof concludeert dat deze mogelijke oorzaken, alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress leidend tot een lichamelijke reactie, niet kunnen worden uitgesloten als mogelijke oorzaken van het overlijden. [17] Ten slotte sluit het hof uit dat de vechtpartij in de tent (met zijn vriendjes de avond voor zijn vermissing) het overlijden van [slachtoffer] heeft veroorzaakt of daaraan heeft bijgedragen. [18]
Gelet op de jeugdige leeftijd van het slachtoffer, zijn plotselinge verdwijning en de vindplaats van zijn lichaam zoals onder 2.3.1. beschreven, alsook de afwezigheid van een aanwijzing van natuurlijk overlijden zoals overwogen onder 2.3.4.4. en 2.3.4.5., stelt het hof vast dat [slachtoffer] een niet-natuurlijke dood is gestorven. Het hof kent daarbij geen betekenis toe aan de houding waarin het lichaam van het slachtoffer is aangetroffen en zal dan ook geen gebruikmaken van het rapport van J. Bloem.
nietbewezen acht dat het lichaam van [slachtoffer] seksueel is binnengedrongen en waarom de verdachte van de onder 2 primair ten laste gelegde (kort gezegd) ‘anale penetratie’ moet worden vrijgesproken. [22] Doordat histologisch onderzoek achterwege is gebleven, kan naar het oordeel van het hof niet worden vastgesteld hoe de sectiebevindingen van Van Ingen en Maes moeten worden geduid. Het hof komt daardoor niet toe aan de beantwoording van de vraag of de bij de sectie waargenomen slijmvliesbeschadigingen en bloedingen in de anaalring als letsel moeten worden beschouwd en, zo ja, wat daarvan de oorzaak is geweest.
pyjamabroek. [24] In 2006 is op zeventien locaties van die pyjamabroek een aanwijzing gevonden voor de aanwezigheid van speeksel. Spoor #93 is in 2008 met een meer specifieke test opnieuw onderzocht op speeksel, maar daarbij kon de aanwezigheid van speeksel niet worden bevestigd. Wel is uit dat biologisch spoor (#93) een onvolledig DNA-mengprofiel verkregen waarvan [slachtoffer] en een onbekende mannelijke celdonor die NN2 wordt genoemd, niet konden worden uitgesloten.
onderbroekvan [slachtoffer] . [25] In 2006 zijn daarop drie bloedsporen aangetroffen, die zijn bemonsterd (spoornummers #1, #2 en #3). Ten behoeve van onderzoek naar biologische contactsporen zijn de binnen- en de buitenzijde van de onderbroek verdeeld in dertig zones die vrijwel de gehele oppervlakte van de onderbroek beslaan. Daarbij zijn het gebied rondom bloedspoor #1, de tailleband, de randen en het kruis van de onderbroek als afzonderlijke zones beschouwd. Daarna is voor iedere zone van de onderbroek getracht de op de stof aanwezige contactsporen af te nemen met behulp van een ‘stub’ (klevende tape) die vervolgens is veiliggesteld (dat betreft de dertig sporen met spoornummers #5 tot en met #19 en #21 tot en met #35). Het label in de tailleband is niet gestubd, maar in z’n geheel uitgeknipt (spoor #20).
low copy number(LCN)-methode.
Op grond van het voorgaande, in onderling verband en samenhang bezien met hetgeen overigens uit de bewijsmiddelen volgt, stelt het hof vast dat het DNA in de bemonsteringen #45 en #11, gekoppeld aan onbekende man 2, afkomstig is van de verdachte.” [32]
massive parallel sequencing(MPS)-DNA-onderzoek. [33] Bij een vergelijking van de uit deze sporen verkregen MPS-DNA-mengprofielen met de MPS-DNA-profielen van de verdachte en het slachtoffer bleken de bevindingen van het MPS-DNA-onderzoek te wijzen in de richting van de verdachte als één van de donoren van het celmateriaal in de mengsporen. [34]
nietovereenkomen met het mtDNA-profiel van [slachtoffer] , maar wél overeenkomen met het mtDNA-profiel van een onbekende persoon, ‘mito-A’ genoemd. [36]
Het hof heeft onder 3.3. vastgesteld dat op meerdere plekken in en op de onderbroek van het slachtoffer biologische contactsporen en aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte zijn aangetroffen. Het celmateriaal van de verdachte is met name op de tailleband en op het voorpand aan de binnenzijde van de onderbroek aangetroffen.” [46]
Het hof is van oordeel dat het hiervoor beschreven sporenbeeld duidt op (gerichte) handelingen met een seksueel motief en stelt vast dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte met zijn hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of billen, van [slachtoffer] heeft betast.” [48]
Bovengenoemde feiten en omstandigheden rechtvaardigen het vermoeden dat de verdachte zich in de periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, heeft schuldig gemaakt aan het buiten echt plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met [slachtoffer] .” [52]
nietzonder meer kunnen worden verklaard. Het gaat om een grote hoeveelheid contactsporen en aanwijzingen voor de aanwezigheid van speeksel. Deze biologische sporen zijn zowel aangetroffen aan de binnenzijde van het voor- en achterpand als aan de buitenzijde van het voor- en achterpand van de onderbroek.
begroeiing verschoven en de aarde onder zijn hakken iets verschoven”). Verder is de begroeiing die zichtbaar is op de foto’s van het lichaam ter plekke noch links, noch rechts van het lichaam verstoord, hetgeen in de lezing van de verdachte (dat hij links van [slachtoffer] is gaan zitten en hem naar zich toe heeft gedraaid etc.) wel zou worden verwacht. Ook een boomstam naast het hoofd van [slachtoffer] en takken die over het gezicht van [slachtoffer] hingen, zouden hem (enigszins) moeten hebben belemmerd om de ademhaling van [slachtoffer] te controleren, maar daarvan heeft de verdachte geen melding gemaakt. [61]
chain of custodyis een groot aantal factoren echter onbekend, zijn de plaatsen waarop en waarin het DNA van de verdachte vanaf 2006 werd aangetroffen van generlei waarde, en kan contaminatie hebben plaatsgehad;
chain of custodyvan het lichaam en de kleding van [slachtoffer] , als dragers van sporen. [64] Het hof stelt vast dat de
chain of custodyin het dossier staat beschreven. Het hof gaat vervolgens in op de verhoren van de technische rechercheurs over de manier waarop met het lichaam en de kleding van [slachtoffer] is omgegaan. Het hof stelt vast dat de hiervoor beschreven
chain of custody, zoals is af te leiden uit het dossier, steun vindt in de verklaringen van technische rechercheurs over de gangbare manier van werken in de periode rond 1998. Voor zover in het dossier niet is gerelateerd over (bewuste) handelingen met de stukken van overtuiging, gaat het hof uit van de verklaringen van de technische rechercheurs over de gangbare manier van werken. Hoewel het hof zich realiseert dat in 1998 ten aanzien van het ‘DNA-veilig werken’ minder stringente richtlijnen voor het veiligstellen en borgen van het slachtoffer en onderzoeksmateriaal golden dan nu en ook de verslaglegging van de handelingen aangaande de stukken van overtuiging tegenwoordig meer aandacht heeft, is het hof van oordeel dat de
chain of custodyvoldoende vaststaat. Naar het oordeel van het hof is geen sprake van een zodanig ondeugdelijke verslaglegging dat daaraan een gevolg zou moeten worden verbonden.
enkelespoor van de verdachte op de onderbroek zich – in het door de verdediging geschetste scenario – heeft verspreid waardoor een groot aantal sporen op de onderbroek is ontstaan, terwijl het enkele spoor van de verdachte op de pyjamabroek (#93) niet een soortgelijk sporenbeeld op de pyjamabroek heeft doen ontstaan;
op geen enkele wijze” worden verklaard dat vanaf de onderbroek een haar van de verdachte is veiliggesteld. De stelling van de verdediging dat de onderbroek en de pyjamabroek in één zak samen zijn verpakt, is niet juist. [68]
Oordeel over het bewijs van feit 2 (de ontucht)
nietin aanmerking: (1) de bruine verkleuringen naast het linker neusgat en aan de linker mondhoek van het lichaam van [slachtoffer] , aangezien niet zeker is dat deze bij leven waren opgelopen en deze op basis van de foto’s van de (schouw en) sectie zijn aangemerkt als postmortale veranderingen, en (2) de felrode verkleuring op de rechterarm en de streep over de adamsappel, omdat de duiding daarvan te onzeker is ten gevolge van postmortale veranderingen en het voortschrijdende proces van ontbinding.
Het kan niet anders zijn dan dat het de verdachte is geweest die [slachtoffer] , een jongen die behoorde tot een groep waarin de verdachte seksueel geïnteresseerd is/was, in de periode van 10 augustus tot en met 11 augustus 1998 onverhoeds van zijn vrijheid heeft beroofd. Voorts heeft de verdachte [slachtoffer] in ieder geval ten tijde van het plegen van een of meer ontuchtige handeling(en) met het slachtoffer van diens vrijheid beroofd gehouden. Het hof leidt uit het voorgaande af dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte [slachtoffer] heeft vastgegrepen en vastgehouden en een hand voor zijn mond heeft gedaan en hem door middel van fysieke kracht heeft gedwongen om mee te gaan om vervolgens met zijn hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of billen, van [slachtoffer] te betasten. [slachtoffer] heeft daarbij op enig moment het leven gelaten, waarbij het smorend geweld op en/of tegen het hoofd, al dan niet in combinatie met stress, uiteindelijk heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.
Beschouwing: DNA-onderzoek op activiteitenniveau
nietwaarnemen van sporen (‘
absence of evidence’) kan onder omstandigheden informatie worden ontleend. [106]
ofen zo ja op welke wijze die hebben plaatsgevonden, dan wel (ii)
welke persoondie handelingen heeft verricht. De betwisting kan dus zowel de ‘activiteit’, als de ‘actor’ of beide betreffen. [108]
likelihood ratio. Dat is de verhoudingsmaat voor de bewijskracht van de bevindingen gegeven de ene ten opzichte van de andere hypothese. De deskundige doet echter géén uitspraken over de waarschijnlijkheid van de hypothesen (of de scenario’s) zelf. Indien en voor zover dat voor de evaluatie noodzakelijk is, zal de deskundige naast de twee hypothesen ook de omstandigheden van het geval in aanmerking nemen. Het gaat dan uitsluitend om taakrelevante contextinformatie die onbetwist is en die onder beide hypothesen voor juist mag worden gehouden. [110] Evenals de scenario’s waaruit de hypothesen worden geëxtraheerd, dienen de hypothesen elkaar uit te sluiten. [111]
nietgerelateerd is aan het delict is echter toegenomen. Een en ander bemoeilijkt de interpretatie van een sporenbeeld en compliceert het maken van onderscheid tussen enerzijds biologische sporen die in relatie staan tot het delict en anderzijds biologische sporen die géén verband houden met het delict. De daarvoor benodigde informatie valt immers niet direct van het spoor af te lezen. Naast de meer voor de hand liggende overdracht van celmateriaal rechtstreeks van de bron naar de locatie waar het sporenmateriaal is aangetroffen, moet de deskundige meer dan voorheen rekening houden met (i) de mogelijkheid van indirecte vormen van transmissie, waarbij het celmateriaal via andere objecten of subjecten op de sporendrager terecht is gekomen, (ii) de mogelijkheid van contaminatie en (iii) de mogelijkheid van verplaatsing (transpositie c.q. relocatie) van celmateriaal op de sporendrager zelf, bijvoorbeeld door stempeling van het celmateriaal op een andere plek op de sporendrager. Zeker indien (maar niet uitsluitend indien) de verdachte ieder verband met het delict en het slachtoffer ontkent, zal in de evaluatie de kans moeten worden betrokken dat een DNA-spoor dat van de verdachte afkomstig kan zijn, als gevolg van indirecte transmissie, contaminatie of transpositie op een bepaalde locatie is aangetroffen.
deelkansen. Dat zijn de volgende deelkansen:
plausibiliteit: het heeft weinig tot geen nut om hypothesen te onderzoeken die voortkomen uit scenario’s die op zichzelf genomen onwaarschijnlijk zijn. De maximaal haalbare bewijskracht van DNA-onderzoek op activiteitenniveau biedt doorgaans onvoldoende compensatie voor zeer geringe plausibiliteit van de hypothese. Een op het eerste gezicht (zeer) onwaarschijnlijke hypothese wordt niet alsnog (zeer) waarschijnlijk vanwege de resultaten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau. Van de voorgestelde hypothesen en scenario’s mag dus worden verlangd dat zij niet op voorhand onwaarschijnlijk zijn en dat zij in bepaalde mate steun vinden in het dossier; [115]
pecificiteit: de hypothesen dienen een voldoende specifieke omschrijving van de verrichte handelingen te bevatten. Naarmate de omschrijving van de betwiste handelingen in de hypothesen meer globaal van aard is, zullen de onzekerheden in de uitgangsgegevens toenemen, zodat de deskundige meer aannames moet doen. De deskundige zal zijn conclusies in dat geval meer globaal moeten formuleren, tot op een punt waarop zij voor de waarheidsvinding weinig tot geen toegevoegde waarde meer hebben;
Het tweede middel: de bewijsmotivering van de ontucht (feit 2 subsidiair)
onder 3.3. [heeft] vastgesteld dat op meerdere plekken in en op de onderbroek van het slachtoffer biologischecontactsporen en aanwijzingen op de aanwezigheid van speeksel van de verdachte zijn aangetroffen.” [116] Het hof heeft evenwel in onderdeel 3.3 van zijn arrest
nietvastgesteld dat op meerdere plekken in de onderbroek biologische
contactsporen zijn aangetroffen, hooguit dat daarnaar is gezocht. Noch uit onderdeel 3.3, noch uit de bewijsmiddelen kan blijken dat de door het hof bedoelde biologische sporen
contactsporen betreffen. Niettemin bouwt het hof in zijn bewijsredenering (in onderdeel 3.4.3) voort op deze (onbewezen) aanname, en trekt daaruit – ontoereikend gemotiveerd – de conclusie (in onderdeel 3.4.4) dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de ontucht met [slachtoffer] , aldus de klacht. [117]
contactsporen’. Het hof heeft dit begrip klaarblijkelijk ontleend aan het NFI-rapport uit 2008, bewijsmiddel 21. [118] Uit de in dat rapport vermelde nadere omschrijving van het begrip ‘biologische contactsporen’ [119] blijkt dat het NFI hiermee het oog heeft op sporen die ontstaan wanneer lichaamscellen en/of lichaamsvloeistoffen van een persoon, door direct of indirect contact, worden overgedragen op een andere persoon of object. Dit betekent, zo voeg ik daaraan toe, dat indien mag worden aangenomen dat het in contactsporen aanwezige celmateriaal (mede) afkomstig is van de verdachte, daarmee nog niet vaststaat dat het de verdachte zelf is die dit celmateriaal door direct contact met de sporendrager heeft overgedragen.
nietuitdrukkelijk heeft vastgesteld dat de aldaar bedoelde biologische sporen daadwerkelijk
contactsporen zijn. Tevens wijst de steller van het middel er met juistheid op dat ook uit de deskundigenberichten en uit de mededelingen van de deskundigen Kokshoorn en Kloosterman niet (rechtstreeks) valt op te maken dat deze sporen contactsporen c.q. aanraaksporen betreffen. Kokshoorn heeft erop gewezen: “
De sporen zelf vertellen ons niet hoe en wanneer ze zijn achtergelaten.” [120] Kloosterman schreef: “
In dit verband wordt nogmaals benadrukt dat (...) geen uitspraak kan worden gedaan over de aard, het tijdstip en de wijze van dispositie van het DNA van de onbekende man.” [121]
inde sporen, in combinatie met uiteenlopende andere, tactische gegevens. Het is aan de rechter om te beoordelen of hij op dit punt toereikend is geïnformeerd.
contactsporen’ betreffen, zulks in de betekenis als bedoeld in het NFI-rapport uit 2008 dat het hof als bewijsmiddel 21 heeft opgenomen in de aanvulling op het arrest. Ik zal dat oordeel toelichten aan de hand van drie door het hof vastgestelde kenmerken van de sporen en het sporenbeeld.
naarbiologische contactsporen. Nu wil ik de steller van het middel toegeven dat de resultaten van onderzoek
naarbiologische contactsporen niet dwingen tot de conclusie dat die resultaten daadwerkelijk ook biologische contactsporen betreffen. Het hof heeft evenwel bij zijn conclusie dat het hier om contactsporen gaat in aanmerking kunnen nemen dat bij onderzoek naar biologische contactsporen de belangstelling vooral uitgaat naar locaties op de sporendrager waar naar verwachting bij contact tussen het slachtoffer en een eventuele belager celmateriaal kan zijn overgedragen, zoals in dit geval: de tailleband, de randen en het kruis. [122] In het bijzonder betreft het sporen die zich bevinden op locaties van [slachtoffer] ’s onderbroek waar een belager met seksuele intenties zijn handen kan hebben gebracht, namelijk aan en rond de locaties waar zich bij normale én omgekeerde dracht de geslachtsdelen en de bilnaad van de drager van de onderbroek bevinden. [123] Met andere woorden, de biologische sporen bevinden zich geconcentreerd op locaties die mogen worden verwacht bij handelingen waarbij de onderbroek met bepaalde intenties wordt aangeraakt. Dat is in contrast met een willekeurige spreiding van sporen die meer voor de hand ligt bij de ongecontroleerde overdracht van lichaamsvloeistoffen.
contactsporen betreffen, in de betekenis als bedoeld in het NFI-rapport uit 2008. Ware dat anders, dan had het hof mogen verwachten dat de sporen méér geconcentreerd DNA-materiaal bevatten, bij eerdere onderzoeken en met andere (presumptieve) methoden waren getraceerd en dat de sporen zich over andere, meer willekeurige locaties hadden verspreid.
aanwijzingvoor de aanwezigheid van speeksel niet betekent dat de aanwezigheid van speeksel is vastgesteld, en
(…) dat de amylasetest een presumptive test is voor het aantonen van speeksel. De test is presumptief diagnostisch. Dat betekent dat je geen zekerheid hebt. De amylasetest is snel en gevoelig, maar omdat het een presumptive test is, is die niet 100% specifiek voor speeksel. Bijvoorbeeld urine en feces kunnen geringe hoeveelheden amylase bevatten en (zwak) positief testen. Tegenwoordig bestaat de mogelijkheid van bevestiging door middel van RNA-analyse. Ik weet niet hoeveel amylase zweet bevat. Ik kan wel zeggen dat bij het afplakken van kleding onder de oksels soms een verkleuring was te zien bij de amylasetest. (…).
van de verdachteafkomstig is.
aanwijzingen opde aanwezigheid van speeksel” (onderstreping mijnerzijds) en het hof ‘stelt’ nergens ‘vast’ dat de bemonstering daadwerkelijk speeksel betreft. Het hof heeft deze omschrijving van het testresultaat woordelijk overgenomen uit het rapport van de deskundigen De Vreede en Raggers-Schroeijers (NFI). [133] Bovendien blijkt uit dit bewijsmiddel dat in 2008 in een aantal gevallen opnieuw is getest op de aanwezigheid van speeksel, en dit met behulp van een nieuwe, meer specifieke test dan die in 2006 werd toegepast. In veruit de meeste van de opnieuw onderzochte gevallen werd het eerder verkregen positieve resultaat bevestigd. Dat er ‘aanwijzingen’ zijn voor de aanwezigheid van speeksel is dus allerminst een nietszeggende mededeling. Dat klemt te meer als het locaties op de sporendrager betreft waarop geen vermenging met urine, zweet of feces hoeft te worden verwacht. Ik acht het dan ook niet onbegrijpelijk dat het hof in de door hem gekozen bewoordingen melding maakt van de testresultaten en daaraan gevolgtrekkingen verbindt. De eerste sub-klacht van onderdeel A2 faalt.
van de verdachte. Het door het hof gegeven bevestigende antwoord op die vraag valt niet met zoveel woorden te lezen in de tot het bewijs gebruikte NFI-rapportages. Zoals gezegd laat een DNA-analyse niet zien wat de aard is van het celmateriaal dat aan de analyse is onderworpen, net zomin als dat de genoemde amylasetest laat zien wie de bron is van het celmateriaal waarvan een aanwijzing voor speeksel is verkregen. In het geval van mengsporen kan de amylasetest dus geen duidelijkheid geven over de herkomst van het celmateriaal waarvan een aanwijzing voor speeksel is verkregen, aldus begrijp ik uit de hierboven aangehaalde mededeling van Kloosterman.
mengprofiel genereert, maar resulteert in een
enkelvoudigDNA-profiel, terwijl een amylasetest die is uitgevoerd op materiaal van dezelfde locatie leidt tot een positief testresultaat, valt er veel te zeggen voor de conclusie dat het betreffende, amylase bevattende celmateriaal afkomstig is van degene van wie het DNA-profiel matcht met dat van het sporenmateriaal. Een en ander geldt in deze zaak uitsluitend voor spoor #45 op de onderbroek. Het positieve testresultaat van de amylasetest die in 2006 op dit spoor werd uitgevoerd, is in 2008 bevestigd met de nieuwe, meer specifieke test. [134] In zoverre staven de bewijsmiddelen de door het hof getrokken conclusie dat de ‘aanwijzing voor speeksel’ celmateriaal betreft dat afkomstig is van de verdachte.
aanwijzingenop de aanwezigheid van speeksel van de verdachte”. [135] Uit de bewijsmiddelen kan slechts worden afgeleid dat er
eenaanwijzing is voor de aanwezigheid van speeksel van de verdachte.
(grote) hoeveelheid” biologische sporen. Ook aan de door het hof benadrukte “
diversiteit” aan biologische sporen doet het voorgaande geen afbreuk. [136]
In algemene zin past het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig, oppervlakkig contact.” [139] Vanwege de algemene strekking daarvan kan deze opmerking – volgens de steller van het middel – niet het oordeel dragen “
dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte met zijn hand(en) de (blote) penis en/of anus, althans de schaamstreek en/of billen, van [slachtoffer] heeft betast.” [140]
De sporen zelf vertellen ons niet hoe en wanneer ze zijn achtergelaten.” [141] Kloosterman schreef, ik herhaal: “
In dit verband wordt nogmaals benadrukt dat (...) geen uitspraak kan worden gedaan over de aard, het tijdstip en de wijze van dispositie van het DNA van de onbekende man.” [142]
In algemene zin past het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp beter bij een langdurig en/of intensief contact dan bij een eenmalig, oppervlakkig contact” [143] heeft inderdaad een algemene strekking. Kloosterman heeft een mededeling van diezelfde, algemene strekking gedaan. Dit belemmert het hof echter niet die informatie in samenhang met andere gegevens te benutten. Zo ‘algemeen’ is de strekking trouwens ook weer niet. Kokshoorn en Kloosterman zouden een dergelijke mededeling niet hebben gedaan als die voor deze zaak volstrekt irrelevant zou zijn. [144] Niet blijkt bovendien dat het hof die mededeling heeft misverstaan in de zin dat de deskundigen daarmee volgens het hof zouden hebben meegedeeld dat het vanwege “
het aantreffen van DNA-sporen van een persoon op meer locaties op een voorwerp” waarschijnlijk is dat
“langdurig en/of intensief contact” heeft plaatsgehad.
sluitendereden geeft. Waar het om gaat is dat bewijsmateriaal in
significante matesteun geeft aan de ene dan wel aan de andere hypothese omtrent de totstandkoming van het in ogenschouw genomen bewijsmateriaal, met inbegrip van de mogelijkheid dat bewijsmateriaal de ene of de andere hypothese ondergraaft of zelfs weerlegt. De enkele omstandigheid dat bewijsmateriaal daarbij een alternatieve mogelijkheid openlaat, behoeft de rechter er niet van te weerhouden om dat materiaal in aanmerking te nemen. De vraag naar een mogelijkheid, moet immers steeds worden gevolgd door de vraag naar de (on)waarschijnlijkheid daarvan. Alleen dat laatste is voor de bewijsvraag leidend. Die waarschijnlijkheden moeten in de weging van aanwijzingen worden betrokken. In principe is namelijk ieder bewijsmiddel probabilistisch van aard; bewijsmateriaal laat altijd in bepaalde mate een alternatieve mogelijkheid open.
altijdom het combineren van alle informatie vóór en tégen de onderzochte scenario’s. Bewijsmateriaal moet dus altijd worden beschouwd in onderling verband en samenhang. Deze notie vormt de tweede reden waarom bewijsmateriaal ten laste of ten gunste van de verdachte niet reeds moet worden weggestreept, wegverklaard of geëlimineerd vóórdat de rechter toekomt aan de beantwoording van de vraag of het ten laste gelegde wettig en overtuigend kan worden bewezen. In de woorden van de Hoge Raad: de redengevendheid van bewijsmateriaal “
dient te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering.” [145]
dat het hof niet inziet hoe” (het kan zijn dat in de lezing van de verdachte door zijn handelen de begroeiing niet is verstoord). [149] Het hof weigert zich die kennis eigen te maken door nader onderzoek te laten verrichten. (6) Het hof overweegt nota bene zelf dat het ervan uitgaat dat de verdachte het lichaam van [slachtoffer] bij de taille heeft omgedraaid.
alsde verdachte het lichaam van [slachtoffer] aldaar heeft omgedraaid,
danneemt het hof aan dat de houding van het lichaam daarna niet is gewijzigd. Het hof stelt hier dus
nietvast
datde verdachte het lichaam van [slachtoffer] daadwerkelijk heeft omgedraaid nadat hij het bij toeval had gevonden.
begroeiing verschoven en de aarde onder zijn hakken iets verschoven”), terwijl zij géén melding hebben gemaakt van verstoringen links en rechts van het lichaam van [slachtoffer] . Ook op de bedoelde foto’s vallen verstoringen links of rechts van het lichaam van [slachtoffer] niet te zien. Het hof heeft op basis hiervan vastgesteld dat verstoringen van de bodem (de aarde en begroeiing) ter plekke als zodanig wél (in geringe mate) aanwezig zijn bij de voeten van [slachtoffer] , maar links en rechts van het lichaam van [slachtoffer] ontbreken. Ook zonder nader onderzoek en zonder tweede foto (van vóórdat [slachtoffer] daar is komen te liggen) acht ik de vaststelling van het hof dat de bodem naast het lichaam [slachtoffer]
nietis verstoord, niet onbegrijpelijk. In zoverre falen de klachten (1) en (2). Daarmee blijft het oordeel van het hof over de afwezigheid van verstoringen van de bodem naast het lichaam van [slachtoffer] in cassatie overeind.
dat hij bij het corrigeren van de kleding van het slachtoffer de pyjamabroek niet omlaag en omhoog heeft gedaan.” [153]
binnenkant
achterzijde. Ook in de lezing van de verdachte kwam hij met zijn hand niet in de buurt van die locatie; het eerste wat hij zegt te hebben gedaan was [slachtoffer] bij de heup pakken en op zijn rug draaien.
dat de biologische sporen van de verdachte in en op de onderbroek van het slachtoffer en de humane haar van de verdachte die vanaf de onderbroek is veiliggesteld daardoor[d.w.z. door de handelingen die de verdachte in zijn lezing heeft verricht, D.A.]
niet zonder meer kunnen worden verklaard.” [156] Onderstreping mijnerzijds. Als het hof zou hebben geoordeeld dat zijn conclusie sluitend bewijs demonstreert, had het hof hier al met zijn bewijsredenering kunnen stoppen. Dat doet het hof echter niet, want het komt – subsidiair – ook te spreken over de mogelijke verspreiding van DNA-sporen in of aan de onderbroek (waarover hieronder meer). Ik meen dus dat de geciteerde conclusie van het hof toereikend is gemotiveerd.
Het hof stelt vast dat door de verdachte in het geheel niet is verklaard dat hij verdrietig naast [slachtoffer] zat. Ook ziet het hof geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat de verdachte is gaan snotteren, heeft gehuild en daarbij met zijn handen naar zijn eigen gezicht is gegaan, nu de verdachte daar, ook nadat hem specifiek naar zijn emoties is gevraagd, geen melding van heeft gemaakt. Het hof zal bij de onderstaande bespreking van het verweer dan ook niet uitgaan van de vooronderstellingen van de raadslieden over de toestand, emoties en handelingen van de verdachte, nu deze feitelijke grondslag ontberen.” [157]
nietwordt aangetroffen, (ii) omdat het hof hieraan voorbijgaat en (iii) omdat het hof bovendien de deskundigheid (op activiteitenniveau) mist om dit aspect van de bewijsvraag te beoordelen. [160]
het rapport van De Ronde” [162] – op dat het waarschijnlijk is dat een persoon die wordt gesmoord zich zal verzetten. “
Juist op de plekken waar men DNA verwacht bij tegenspartelen is geen DNA van cliënt aangetroffen”, [163] aldus citeert de steller van het middel (onder veel meer) de verdediging in hoger beroep.
Dat is gewoon logica,” aldus Kloosterman. [165] Ook het hof onderschrijft trouwens deze notie, zo blijkt uit zijn hierboven reeds besproken oordeel dat het ontbreken van verstoringen van de bodem van het sparrenperceel naast het lichaam van [slachtoffer] de lezing van de verdachte over de lijkvinding ondergraaft.
de (grote) hoeveelheid en diversiteit” aan biologische sporen waarvan het hof heeft vastgesteld dat die van de verdachte afkomstig zijn. Ik zal uiteenzetten waarom dat oordeel niet onbegrijpelijk is.
afwezigheid van (gedetecteerde) biologische sporen van de verdachte strookt met de beschuldigingen van het OM, hangt grofweg omgekeerd evenredig af van de kansen op het ontstaan, op de persistentie en op de detectie van die sporen. Hoe groter die kansen, hoe informatiever (en meer ontlastend) het ontbreken van vastgestelde sporen is. Bovendien moet daarbij de kans op de aanwezigheid van sporen van derden in aanmerking worden genomen. [167] De vraag is dan: hoe groot waren die kansen in deze zaak? Ter beantwoording van die vraag moeten de volgende vier (door het hof vastgestelde) omstandigheden in ogenschouw worden genomen.
anderzijn op die locaties ook geen sporen aangetroffen (terwijl toch iemand de dader moet zijn geweest). [168] De ene uitzondering vormt één huidschilfer van een onbekende persoon (man of vrouw) NN4 op een folie die is afgenomen van de linker arm van [slachtoffer] . [169] Die arm lag bij de lijkvinding bloot en er zijn na de lijkvinding verscheidene mensen in de nabije omgeving van het lichaam geweest. [170]
enkelespoor van de verdachte op de onderbroek zich zou hebben verspreid tot een groot aantal sporen, terwijl het enkele spoor van de verdachte op de pyjamabroek (#93) niet een soortgelijk sporenbeeld op de pyjamabroek heeft doen ontstaan;
voor verdere verspreiding door contaminatie geschikt spoor”. [185] De tailleband blijkt overigens opvallend genoeg juist het deel van de onderbroek te zijn waarop niet de ‘stubmethode’ is toegepast, een in de visie van de verdediging mogelijke oorzaak van de contaminatie. In plaats daarvan is het in zijn geheel uitgeknipt en veiliggesteld voor DNA-onderzoek; [186]
in het geheel niet aannemelijk” is; [187]
klein” is. [188] Het hof gaat hieraan voorbij;
minimalesporen betreffen. Het hof heeft deze vraag bevestigend beantwoord. [195] Ik meen dat dit antwoord niet onbegrijpelijk is en bovendien toereikend is gemotiveerd.
contactsporen betreffen. Biologische contactsporen bestaan “
in de regel” uit minimale hoeveelheden biologisch materiaal die vaak met het blote oog niet zijn waar te nemen en die relatief weinig DNA bevatten. [196]
De in 2008 geanalyseerde DNA-sporen bevatten in geen van de gevallen een hoge concentratie DNA met het DNA-profiel van man 2. Het betroffen zogenaamde minimale sporen. Ik zeg expres geen contactsporen, maar minimale sporen, hetgeen betekent dat de sporen heel weinig DNA bevatten. Dit verklaart dat voor de DNA-analyse van meerdere sporen gebruik gemaakt is van Low Copy Number (LCN) DNA-analyse. Hoewel met de huidige technieken van minimale sporen informatieve DNA-profielen kunnen worden verkregen is het niet zo dat incidentele dagelijkse contacten ertoe leiden dat kledingstukken onder het DNA van jan en alleman komen te zitten. In het laatste geval zou het forensische DNA-onderzoek van minimale sporen/contactsporen ook geen toegevoegde waarde hebben om een verdachte van een gewelds- en/of zedendelict te kunnen identificeren.” [198]
In 1998 was het nog niet mogelijk contactsporen vast te stellen”, aldus ontleent het hof aan Kloosterman. [199]
onvolledigDNA-profiel match onbekende man 2” [203] worden verkregen (onderstreping mijnerzijds). Uitdrukkelijk ook met betrekking tot dit spoor (#45) merkt het NFI op: “
De sporen waarvan hierbij geen DNA-profiel is verkregen, maar waarbij met de DNA-kwantificering of in de analyse (i.e. indicatie op DNA-kenmerken) wel een indicatie op de aanwezigheid van DNA is waargenomen zijn vervolgens aanvullend onderworpen aan DNA-onderzoek waarbij gebruik is gemaakt van het SGM-PIus DNA-analysesysteem en LCN-techniek.” [204] Anders dan de steller van het middel naar voren brengt, [205] is op dit spoor in 2006 dus wel degelijk (ook) een LCN-techniek toegepast. [206] Het analyseresultaat van de toepassing van een LCN-techniek hield voor spoor #45 in: “
reproduceerbare DNA-kenmerken match onbekende man 2”. [207]
Voor (…) en #45 zijn de verkregen PCR-producten aanvullend behandeld met een zuiverings/concentreringsprocedure. Ook de resterende delen van de 11 sporen[waaronder #45, D.A.]
, die bij het onderzoek van 2006 nog niet waren verbruikt, zijn in 2008 onderworpen aan standaard SGM-Plus DNA-onderzoek, waarbij[eveneens]
gebruik is gemaakt van ‘real time PCR’ DNA-kwantificering.” [208] Een en ander leverde telkens (nog steeds) op: “
OnvolledigDNA-profiel match onbekende man 2” (onderstreping mijnerzijds). [209] Ook in 2015 is dit spoor aanvullend onderzocht met toepassing van een LCN-methode, met wederom als resultaat:
onvolledigDNA-profiel NN2. [210]
zonder uitzonderingminimale sporen betreffen, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. De relevantie van deze vaststelling wordt dadelijk duidelijk.
nietis uitgeknipt. Uitsluitend het
labelaan de tailleband van de onderbroek is ter bemonstering uitgeknipt. [212]
chain of custody [217] valt op te maken dat het hof geen reden ziet om aan te nemen dat de onderbroek is bewaard onder andere dan de voorgeschreven condities, dat wil zeggen: donker en droog, zoals in een papieren zak in een opslagruimte voor stukken van overtuiging.
anders dan de raadslieden van de verdachte suggereren, […] er geen enkele reden [is] om aan te nemen dat sprake is geweest van één goed spoor op één locatie dat vele complete cellen bevat, niet zijnde een minimaal contactspoor, dat zich vervolgens heeft verspreid.” [218] In dit oordeel ligt besloten dat het hof de kans op verspreiding (relocatie) van een betrekkelijk groot aantal detecteerbare hoeveelheden celmateriaal dat afkomstig is van één minimaal spoor in de onderbroek verwaarloosbaar acht.
minimaalcontactspoor betreft. Daarbij maakt Kloosterman geen onderscheid naar gelang de aard van het celmateriaal in het minimale contactspoor (bijvoorbeeld epitheel of speeksel).
in het geheel niet aannemelijk” is dat het aantreffen van de grote hoeveelheid minimale sporen in de onderbroek van [slachtoffer] die door het hof worden toegeschreven aan de verdachte, het gevolg is van de ‘verspreiding’ (relocatie) van celmateriaal afkomstig uit slechts één goed spoor over de onderbroek. [220]
klein”, aangezien het originele spoor – conform de vaststelling van het hof – een minimaal spoor betrof. In dit geval zou die kleine kans zich bovendien niet slechts éénmaal maar een groot aantal malen moeten hebben verwezenlijkt. [221] Daaruit vloeit voort dat de cumulatieve kans op het totale sporenbeeld aanzienlijk geringer is dan de reeds kleine kans op eenmalige stempeling. [222] In een scenario daarentegen waarin de verdachte met zijn hand, niet slechts oppervlakkig maar met enige kracht in de onderbroek van [slachtoffer] is geweest met de intentie [slachtoffer] ’s geslachtsdelen en bilnaad te betasten, is de kans op de overdracht van biologische sporen – volgens de vaststellingen van het hof – aanzienlijk groter dan de eerdergenoemde cumulatieve kans op de verspreiding van een groot aantal sporen uit één biologisch spoor als hiervoor bedoeld. [223] Het totale sporenbeeld wordt dus aanzienlijk beter verklaard door (i) het scenario waarin de verdachte zijn hand met seksuele intenties in de onderbroek van [slachtoffer] heeft gebracht en gehouden [224] dan door (ii) het scenario van het eenmalige, onschuldige en oppervlakkige contact van de hand van de verdachte met (de tailleband van) de onderbroek.
nietop de door de verdediging bedoelde wijze over de onderbroek verspreid; (2) van de verdachte is één biologisch contactspoor aangetroffen op de pyjamabroek (#93), maar die heeft op de pyjamabroek
nieteen soortgelijke verspreiding van biologische sporen als op de onderbroek teweeggebracht.
volledigDNA-profiel kon worden bepaald, dat werd gekoppeld aan NN3. [227] ’s Hofs (impliciet gebleven) oordeel dat spoor #21 de vergelijking met #45 kan doorstaan, is dan ook te begrijpen.
klein” is. Kloosterman sluit de mogelijkheid van ‘stempelen’, bijvoorbeeld doordat stukjes textiel met elkaar in contact zijn gekomen of door het gebruik van latex handschoenen bij onderzoek van de sporendrager of bij de schouw van [slachtoffer] inderdaad niet uit. Is dat fnuikend voor de begrijpelijkheid van de bewijsvoering van het hof?
waarschijnlijkheidvan die mogelijkheid ten opzichte van de waarschijnlijkheid van de andere mogelijkheid of mogelijkheden. Onder bepaalde condities kan een alternatieve mogelijkheid die door een enkel bewijsmiddel in een te ruime mate wordt opengelaten bij de weging van het complex aan bewijsmiddelen ‘in onderling verband en samenhang’ dermate onwaarschijnlijk blijken te zijn dat de feitenrechter daaraan in redelijkheid voorbij kan gaan.
kunnenkomen. Verder reikt de toets in cassatie niet.
op geen enkele wijze” te verklaren. [231]
inmaar aan de buitenzijde van de onderbroek bevond.
op de plaats delict veiliggestelde stukken van overtuiging (…) altijd afzonderlijk van elkaar [werden] verpakt in papieren zakken”, [233] niet heeft kunnen afleiden dat zij de pyjamabroek en de onderbroek afzonderlijk hebben verpakt. Het hof heeft namelijk vastgesteld dat de pyjamabroek en de onderbroek niet op de plaats delict maar pas
bij aanvang van de sectiezijn veiliggesteld, [234] aldus de steller van het middel. Ik acht het echter niet onbegrijpelijk dat het hof uit die mededelingen van de technische rechercheurs heeft opgemaakt dat zij de pyjamabroek en de onderbroek, waaraan de technische rechercheurs nota bene separate sporennummers, S-12 en S-13, hebben toegekend, niet tezamen in één papieren zak hebben verpakt.
op geen enkele wijze” valt te verklaren. Zo’n verklaring is er dus wél.
chain of custodyheeft vastgesteld. De forensisch-technische normen waren in 1998 nog niet toegesneden op de omgang met minimale contactsporen (DNA), maar bewustheid van de mogelijke aanwezigheid van haar- en vezelsporen op stukken van overtuiging was er in 1998 wel degelijk.
vanaf” de onderbroek van [slachtoffer] , aldus het hof. [236] Het hof maakt echter niet duidelijk met behulp van welke van de twee folies de haar is veiliggesteld, en wat de precieze locatie van het haarspoor is geweest. Zulks laat – in lijn met de klacht – de mogelijkheid open dat het haarspoor is afgenomen vanaf de
buitenzijde van de onderbroek zoals bij aantreffen van [slachtoffer] ’s lichaam gedragen (binnenzijde bij normale dracht).
binnenhet textiel van de
pyjamabroek heeft bevonden. [237] Daar is de verdachte in zijn lezing met zijn handen helemaal niet geweest.
Ten slotte heeft het hof in zijn overwegingen betrokken dat de verdachte pas in een laat stadium van de strafprocedure een verklaring heeft afgelegd, dat wil zeggen nadat het dossier van het onderzoek compleet was. Door deze proceshouding bestaat de mogelijkheid dat de verdachte zijn verklaring zodanig heeft kunnen formuleren dat daarmee de onderzoeksresultaten (deels) goed kunnen worden verklaard onder de door de verdachte (beperkt) geschetste handelingen. Dat heeft gevolgen voor de waardering van een eventueel onderzoeksresultaat op activiteitenniveau.” [239]
datde verdachte zijn verklaring heeft afgestemd op het dossier, maar alleen dat die mogelijkheid bestaat. Dat de verdachte dat
zou kunnenhebben gedaan, is evenwel onvoldoende om als omstandigheid mee te wegen bij het oordeel van het hof over de noodzakelijkheid van het gedane verzoek (en dus, zo begrijp ik, ook bij de bewijswaardering). Het oordeel dat de proceshouding van de (aanvankelijk zwijgende) verdachte gevolgen heeft voor de waardering van een eventueel onderzoeksresultaat op activiteitenniveau, is dan ook onbegrijpelijk, aldus luidt de klacht. [240]
Onder verwijzing naar de overweging onder 1.3.2. weegt het hof bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring mee de omstandigheden waaronder en het moment en
Ten tweede weegt het hof[bij de beoordeling van de door de verdachte gegeven verklaring, D.A.]
mee dat de verdachte pas bij de inhoudelijke behandeling van de zaak in eerste aanleg op 28 september 2020, door middel van een videoboodschap een inhoudelijke verklaring heeft afgelegd. Dat is meer dan twee jaren na zijn aanhouding. Gedurende die ruim twee jaren is uitvoerig onderzoek gedaan en de verdachte is zowel in de verhoren door de politie als ter terechtzitting in eerste aanleg ruimschoots in de gelegenheid gesteld zijn verhaal te doen. (…). Het hof acht de twee door de verdachte genoemde redenen dan ook niet afdoende als verklaring voor het afleggen van een verklaring eerst op 28 september 2020.
overeenkomstigde waarheid dan wel
in strijd metde waarheid is afgelegd. Eén van de middelen die de rechter met het oog op de beantwoording van die vraag ten dienste staan betreft een ‘inhoudelijke analyse’ van de bekentenis. Daarbij speelt de vraag naar zogeheten ‘daderkennis’ een cruciale rol. [244] Als de verdachte een moord bekent en tevens – met juistheid – meedeelt waar het moordwapen is verborgen, past dat aspect van zijn verklaring buitengewoon goed in het scenario waarin zijn bekentenis naar waarheid is afgelegd en de rechter van doen heeft met een schuldige verdachte.
onschuldig is en dus een valse bekentenis heeft afgelegd.
kanzijn met omstandigheden die de werkelijkheid adequaat beschrijven cruciaal is voor de waardering en de geloofwaardigheid van zijn mededelingen daarover. [245] Als ik adequaat het weer van overmorgen weet te voorspellen, is dat een indicatie dat ik beschik over gedegen kennis van de meteorologie (of een meteoroloog napraat). Als ik adequaat het weer van eergisteren weet te beschrijven, zegt dat helemaal niks over mijn kennis van de meteorologie (maar alleen over mijn geheugen).
kanzijn van het sporenbeeld, bijvoorbeeld doordat hem het dossier met onderzoeksresultaten is verstrekt, is een dergelijke inhoudelijke toetsing niet goed mogelijk. Datzelfde geldt voor het geval waarin de verdachte zijn verrichtingen dermate vaag omschrijft dat het afleiden van voorspellingen en de daaropvolgende toetsing niet goed mogelijk zijn. In die gevallen geeft de inhoudelijke analyse van zijn ontkenning bij weging van de onderscheidene scenario’s in mindere mate steun aan het door de verdachte gepresenteerde scenario ten opzichte van het concurrerende scenario (van het OM), dan wanneer hij wél toetsbare mededelingen zou hebben gedaan over door hem gedane verrichtingen, die bovendien een goede verklaring kunnen geven voor het aangetroffen sporenbeeld.
de gelegenheid heeft gehad [zijn] verklaring af te stemmen op de inhoud van het dossier en de resultaten van het uitgebreide onderzoek.” Daarop heeft het hof geoordeeld dat dit niet ten goede komt “
aan de geloofwaardigheid van zijn afgelegde verklaring”, maar dat dit “
niet vanzelfsprekend leidt tot de conclusie dat de inhoud van zijn verklaring niet juist kan zijn.”
kunnenoordelen dat de verdachte voor omstandigheden die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moeten worden geacht voor het bewijs van de ontucht, geen aannemelijke of redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. De klacht faalt.
equality of arms, kom ik hieronder bij de bespreking van het eerste middel terug.
aanvullenderol vervult. De bewezenverklaring wordt zelfstandig gedragen door bewijsoverwegingen omtrent de vermissing, het totale sporenbeeld aan het lichaam en de kleding van [slachtoffer] , en het sporenbeeld op de plaats waar [slachtoffer] (in het sparrenperceel) is gevonden. [254] Reeds om die reden kan de klacht niet slagen.
. De verdediging acht het van belang om de vragen te benoemen om duidelijk te maken wat de verdediging wenst. De verdediging wenst dat het hof de aangetroffen DNA-sporen niet zal gebruiken in de bewijsconstructie. Indien het hof hiertoe wel neigt, is de verdediging van oordeel dat er sprake is van zulke relevante omstandigheden dat het hof niet anders kan oordelen dan dat nader onderzoek noodzakelijk is door de deskundige A.D. Kloosterman nader te horen en een deskundige op activiteitenniveau te benoemen. Als de deskundige op activiteitenniveau is gehoord, dient te worden bekeken of er een IDFO-rapport dient te worden opgesteld. Hier is ook iets van terug te lezen in de bijlagen. Dit is enkel het geval als de deskundige op activiteitenniveau aangeeft dat hij er niet uitkomt. Dit betreffen voorwaardelijke verzoeken, omdat het standpunt van de verdediging is dat het hof cliënt dient vrij te spreken.” [255]
President, geacht college. U kan het DNA in deze zaak niet gebruiken voor het onderbouwen van de stelling dat cliënt in de onderbroek van [slachtoffer] heeft gezeten. Het DNA-bewijs kan niet worden meegenomen in een bewijsconstructie.
equality of arms.
voor wat betreft de onderbroek van [slachtoffer]door het hof primair zodanig gering ingeschat dat de kans onder (c), te weten de kans op contaminatie van de onderbroek, door het hof slechts subsidiair (maar dan toch wel weer uitvoerig) is besproken. Een dergelijke werkwijze is het hof toegestaan. Als het hof de kans onder (b) op goede gronden op nihil had geschat, was onderzoek naar de kans onder (c) nutteloos geweest en dus overbodig. De rechter mag de plausibiliteit van transmissie meewegen bij de vraag naar de noodzaak van onderzoek naar ‘contaminatie’ (bedoeld als: relocatie van celmateriaal van de verdachte).
uitvoerigeverhoren van de deskundige Kloosterman (deskundige op DNA-gebied, die nauw betrokken is geweest bij de oprichting van het vakgebied DNA-onderzoek op activiteitenniveau) [262] en de brief en het rapport van de deskundige Kokshoorn, [263] die zich (nagenoeg uitsluitend) begeven op het terrein van het activiteitenniveau.
“de vragen op activiteitenniveau die er in deze zaak zijn (namelijk de aannemelijkheid van het scenario/relaas van cliënt,waarin alle relevante factoren worden meegenomen), nader te toetsen.” [274] Daarnaast is, volgens de steller van het middel, de afwijzing van het verzoek in het licht van hetgeen de verdediging heeft aangevoerd met betrekking tot de te toetsen scenario’s en de eisen van zorgvuldigheid, logica en ervaringsregels, alsook de volledigheid van het alsdan uit te voeren onderzoek onbegrijpelijk c.q. onvoldoende met redenen omkleed. De klachten lenen zich voor gezamenlijke bespreking.
meerwaarde” is voor) een “
zinvolle evaluatie van het sporenbeeld”.
in het geheel niet aannemelijk zijn”. Ook tegen dit aspect van de motivering van de afwijzing wordt opgekomen. De aangedragen argumenten komen inhoudelijk overeen met de hiervoor besproken klachten onder ‘De bespreking van het tweede middel, onderdeel B5: de mogelijkheid van contaminatie’, [277] zij het dat de steller van het middel in dit kader separaat klaagt over de te beperkte lezing van het verzoek. Volgens haar heeft het hof zich bij de afwijzing van het verzoek beperkt tot een beoordeling van de door de verdediging geschetste mogelijkheden waarop verspreiding van het DNA van de verdachte door contaminatie kan hebben plaatsgevonden, terwijl het verzoek (ook) strekt tot toetsing van het (gehele) ‘onschuldscenario’ van de verdachte tegenover het (gehele) ‘schuldscenario’.
dat de verdachte pas in een laat stadium van de strafprocedure een verklaring heeft afgelegd, dat wil zeggen nadat het dossier compleet was”. Hierbij heeft het hof ook meegewogen dat ter terechtzitting in eerste aanleg door de verdediging (hoewel daartoe te zijn uitgenodigd) niet een toetsbaar scenario is voorgelegd en dat het verzoek tot het laten verrichten van DNA-onderzoek op activiteitenniveau pas voor het eerst is gedaan bij pleidooi in hoger beroep op de zitting van 17 november 2021. Volgens de steller van het middel zou het hof daarmee onbegrijpelijk, en in strijd met het aan de verdachte toekomende zwijgrecht, de proceshouding van de verdachte hebben meegewogen bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van het door de verdediging verzochte DNA-onderzoek op activiteitenniveau.
stelt(slechts)
vastdat de verdediging eerst bij pleidooi tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep van 17 november 2021 voorwaardelijk heeft verzocht een onderzoek op activiteitenniveau te laten verrichten. Aan dat gegeven mag, zoals ik bij de bespreking van de klacht onder v zal uiteenzetten, wel betekenis worden toegekend bij de afwijzing van het verzoek. [281] In dat licht is het niet onbegrijpelijk dat het hof bij de afwijzing van het verzoek heeft stilgestaan bij het moment waarop het verzoek is gedaan.
equality of arms. De steller van het middel betoogt dat door de afwijzing van dit verzoek de verdachte de mogelijkheid is ontnomen om aannemelijk te maken dat de DNA-sporen op een andere, onschuldige wijze op of aan het lichaam en de kleding van [slachtoffer] zijn terechtgekomen dan door de hem verweten handelingen.
equality of armseen van de elementen van het ruimere begrip ‘
fair hearing’. Het beginsel van
equality of armsvereist dat elke partij een redelijke kans krijgt om haar zaak te presenteren onder omstandigheden die haar niet wezenlijk benadelen ten opzichte van haar wederpartij. [282] Met het oog op het waarborgen van de eerlijkheid van het proces als geheel (
the overall fairness of the trial), moeten aan de verdediging dan ook mogelijkheden voor onderzoek en betwisting worden geboden. Welke mogelijkheden dat zijn, is afhankelijk van de aard en de inhoud van de bevindingen en de conclusies van de deskundige, alsmede de concrete omstandigheden van het geval. [283]
The Court reiterates that where the defence insists on the court hearing a witness or taking other evidence (such as an expert report, for instance), it is for the domestic courts to decide whether it is necessary or advisable to accept that evidence for examination at the trial. [285] The domestic court is free, subject to compliance with the terms of the Convention, to refuse to call witnesses proposed by the defence, for instance on the ground that the court considers their evidence unlikely to assist in ascertaining the truth. [286] ” [287]
equality of armsis, in het verlengde hiervan, bij de afwijzing van het verzoek niet in het geding gekomen. De niet onbegrijpelijke en toereikend gemotiveerde afwijzing van het verzoek brengt niet mee dat de verdachte geen redelijke mogelijkheden heeft gekregen om zijn zaak te presenteren en evenmin dat hij wezenlijk is benadeeld ten opzichte van zijn wederpartij. Ten overvloede merk ik op dat het andere voorwaardelijke verzoek, het nogmaals horen van deskundige Kloosterman, wel is toegewezen en dat het hof zich (mede op basis van dit verhoor) voldoende ingelicht heeft kunnen achten.
equality of armsis niet gebleken. [291]
dat het niet anders kan zijn dan” dat de verdachte [slachtoffer] op enig moment tegen diens vrije wil heeft meegenomen. Het hof sluit bovendien uit dat [slachtoffer] is weggelopen. Daarvoor was hij veel te bang en [slachtoffer] was er (blootsvoets en zonder bovenkleding) ook niet op gekleed. [296]
bewezenacht dat [slachtoffer] niet vrijwillig de camping heeft verlaten. De steller van het middel is van mening dat de basis voor het oordeel dat [slachtoffer] niet vrijwillig de camping heeft verlaten te zwak is om dat oordeel (in die bewoordingen) te kunnen dragen.
praktischuitgesloten is – dat wil zeggen: hoogst onwaarschijnlijk is – dat [slachtoffer] , nota bene uitsluitend gekleed in onderbroek en pyjamabroek, vrijwillig het kampeerterrein heeft verlaten. De door het hof gekozen – inderdaad nogal stellige – bewoordingen doen daaraan niet af. De klacht faalt.
het niet anders kan zijn dan” dat de verdachte, als degene die [slachtoffer] ontuchtig heeft betast, ook degene is die hem wederrechtelijk van zijn vrijheid heeft beroofd en beroofd heeft gehouden, door [slachtoffer] op enig moment tegen diens vrije wil mee te nemen en gedurende enige tijd tegen diens vrije wil in zijn macht en/of onder zijn (fysieke) controle te houden. [298]
nietten grondslag gelegd. De bespreking van die twee zaken vindt plaats in onderdeel 5 van de bewijsmotivering, op bladzijden 104 tot en met 110. Pas in onderdeel 5.6 (Conclusie), arrest bladzijde 110, overweegt het hof (onderstreping mijnerzijds):
Met inachtneming van hetgeen is overwogen onder 1.3.1. concludeert het hof dat voor het bewijs van (…) de onder 3 tenlastegelegde wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] de bewezenverklaring van die feitenmedesteunt op de bewijsmiddelen waaruit blijkt van redengevende feiten en omstandigheden van de andere, soortgelijke strafbare feiten die in 1984 en 1985 door de verdachte zijn begaan.”
aanvullenderol vervult. De bewezenverklaring van feit 3 primair wordt zelfstandig gedragen door bewijsoverwegingen die voortborduren op het bewijs van de ontucht en door de vaststelling dat er geen steun is voor alternatieve scenario’s voor de verdwijning van [slachtoffer] . De klacht keert zich dus tegen een grond waarop de bestreden beslissing in wezen niet berust, en kan dan ook niet slagen.
Het derde middel: de bewijsmotivering van de doodslag (feit 1 subsidiair)
NJ2018/84, ging het om een reeks gekwalificeerde (pogingen tot) diefstallen. Het hof had in de bewijsvoering betrokken (1) dat werktuigsporen die op de locatie van de delicten A, C, D en E waren aangetroffen zeer waarschijnlijk waren veroorzaakt met hetzelfde werktuig, (2) dat de delicten A, B, C, D en E in dezelfde plaats waren begaan, (3) dat de delicten A, B, D en E dezelfde nacht waren begaan, terwijl delict C hetzij dezelfde nacht, hetzij kort tevoren was begaan, (4) dat op de pd van delict B een schoenspoor was aangetroffen dat was te herleiden naar de schoen die de verdachte bij zijn aanhouding droeg, (5) dat de verdachte paste in het signalement dat bij delict D van de dader was opgegeven, (6) dat bij de verdachte een rijbewijs was aangetroffen dat was weggenomen bij delict A, en (7) dat de verdachte een auto tot zijn beschikking had waarin voorwerpen waren aangetroffen die waren weggenomen bij delict A. Het oordeel dat deze omstandigheden het bewijs van de vijf delicten opleverde, was volgens de Hoge Raad toereikend gemotiveerd. Meer in het algemeen overwoog de Hoge Raad:
Met de door het Hof gebezigde term schakelbewijs pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. Geen steun in het recht vindt echter de opvatting dat voor een dergelijke bewijsvoering moet worden vastgesteld dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. Voor zover het middel op die opvatting berust, faalt het.”
NJ2019/467 m.nt. Reijntjes (de Amsterdamse medicijnmoorden), had het hof voor het bewijs van delict B mede redengevend geacht de omstandigheid dat de verdachte betrokken was bij het soortgelijke delict A. Volgens het hof bestond er op essentieel geachte punten overeenkomst tussen de omstandigheden waaronder beide delicten waren begaan. Het overlijden van de slachtoffers kon in beide zaken worden verklaard door het toedienen van de stof succinylcholine. De verdachte had dit in Nederland niet vrij verkrijgbare middel aangeschaft en voorhanden gehad. De verdachte, die zich ten aanzien van beide slachtoffers had opgeworpen als administrateur en regelaar voor praktische en financiële zaken, had telkens een initiërende en/of sturende rol gespeeld bij het sluiten van overlijdensrisicoverzekeringen op naam van het slachtoffer. In beide gevallen was kort voor het overlijden de begunstigde gewijzigd in de persoon van de verdachte of zijn moeder. De slachtoffers waren ieder kort na het afsluiten van verschillende opeenvolgende overlijdensrisico- c.q. uitvaartverzekeringen overleden.
Indien voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten was betrokken, dient de vraag of de redengevendheid van dergelijk – in diverse varianten voorkomend – zogenoemd schakelbewijs begrijpelijk is, te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering. (…). De stelling dat een schakelbewijs-constructie alleen is toegelaten indien sprake is van een sterke overeenkomst in de wijze van uitvoering van de feiten “waarvan eerst is vastgesteld dat zij zijn begaan”, [vindt] geen steun in het recht.”
NJ2023/102 (huisschilder Sjonny W.), kon het arrest van het hof de toets in cassatie doorstaan. Hoewel het hof van oordeel was dat het bewijs van de drie afzonderlijke moorden de bewezenverklaringen telkens kon dragen, had het hof in zijn oordeel betrokken dat het bewijs van de afzonderlijke feiten het bewijs van de feiten gezamenlijk versterkte. Het hof had in dat verband overwogen dat een patroon zichtbaar was waarbij de verdachte zich herhaaldelijk vergreep aan vrouwen in een (vaak) kwetsbare positie. De vrouwen vielen telkens in de leeftijdscategorie van 26 tot 30 jaar en waren in Amsterdam werkzaam als prostituee. De verdachte had met de vrouwen, voorafgaand aan hun overlijden, seksuele handelingen verricht en zich vervolgens van het stoffelijk overschot van de drie vrouwen ontdaan. De Hoge Raad oordeelde dat het in die overwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat de wijze waarop de onderscheidene feiten waren begaan op essentiële punten overeenkwam, niet onbegrijpelijk was en toereikend was gemotiveerd.
anderdan het onderwerpelijke delict, redengevend kan zijn voor het bewijs. Welnu, de grondslag daarvoor is gestoeld op probabilistische logica. [303] In de hiernavolgende uiteenzetting zal ik her en der voor het leesgemak melding maken van ‘delict A’ en ‘delict B’, waarvan kenmerken met elkaar worden vergeleken. Doorgaans is er (in mijn voorbeelden) méér informatie bekend over de dader of de toedracht van delict A (het referentiedelict), waarna vervolgens de vraag rijst of die informatie ook opgaat voor delict B (het onderzochte delict). Een dergelijke verhouding (tussen een onderzocht delict en een referentiedelict) is overigens niet noodzakelijk. De enkele samenloop van twee delicten, A en B, kan onder bepaalde condities het bewijs van delict A en het bewijs van delict B
over en weerversterken. Er wordt dus niet gevergd dat ten minste één delict zelfstandig, dat wil zeggen: zonder toepassing van schakelbewijs, bewezen is. Evenmin geldt dan ook de eis dat delict A (reeds) tot een vervolging of een veroordeling heeft geleid. Noch wordt gevergd dat er méér dan één referentiedelict (A1, A2, A3 etc.) bestaat, omdat slechts één referentiedelict onvoldoende zou zijn. [304]
matches) met een ander delict. Wanneer er gelijkenissen tussen twee delicten worden waargenomen, rijst immers de vraag of die gelijkenissen berusten op ‘toeval’, of dat er tussen deze delicten een verband bestaat, omdat zij zijn begaan door dezelfde dader(groep).
wieeen bepaalde activiteit heeft verricht, maar ook voor de vraag naar (specificaties van) die activiteit zelf kan eventueel informatie worden ontleend aan andere voorvallen c.q. delicten. Wanneer bijvoorbeeld in dezelfde plaats en gedurende dezelfde nacht aan verschillende woningen brand is ontstaan, roept dat logischerwijs de gedachte op dat dit te maken heeft met menselijk ingrijpen en dat het hierbij gaat om misdrijven, brand
stichtingen. De kans dat in dezelfde plaats en gedurende dezelfde nacht – spontaan en zonder enig verband daartussen – meerdere branden aan verschillende woningen ontstaan, is onder normale omstandigheden immers miniem.
ofbepaalde handelingen hebben plaatsgevonden, en zo ja op welke wijze, en (b)
wiedie handelingen heeft verricht. Schakelbewijs kan dus zowel de ‘activiteit’ als de ‘actor’ betreffen. Het eerste noem ik ‘handelingsgericht’ schakelen en het tweede ‘dadergericht’ schakelen. Alvorens ik dieper inga op de toepassing van schakelbewijs bij de vraag naar de specifieke handelingen die de actor heeft verricht, sta ik eerst stil bij de toepassing van schakelbewijs voor de vraag naar de identiteit van de dader.
nietook delict B begaan. Voor de evaluatie van het bewijsmateriaal kan het wel degelijk uitmaken welke variant van schakelbewijs (mét of zónder bekende verdachte) zich voordoet en welke hypothesen dus moeten worden geformuleerd.
kunnendan afkomstig zijn van één dader. Een persoon kan immers zijn hele volwassen leven beschikken over dezelfde vaste schoenmaat; het gaat hier dus om een consistente én persistente eigenschap. Maar als iedereen dezelfde schoenmaat zou hebben, is die schoenmaat en daarmee het aangetroffen schoenspoor niet langer onderscheidend. De bewijskracht van de match hangt dus mede af van de mate van interindividuele variatie. Empirisch onderzoek en ervaringsregels wijzen uit dat voor het DNA-profiel van een persoon, voor zijn handschrift en voor zijn gedragspatronen (het gebruik van bepaalde werktuigen of een vaste manier van doen) in meer of mindere mate gelijksoortige beschouwingen gelden.
NJ2018/84, de reeks inbraken, is illustratief.
op enigerlei wijze betrokken is bij de dood van [slachtoffer]”.
de wijze waaropeen bepaald persoon (of dader) heeft gehandeld, met name wanneer uit die voorvallen of delicten kan worden afgeleid dat de intra-individuele variatie in het gedragspatroon van de verdachte gering is. In dat geval staat niet meer centraal de vraag wie al dan niet de dader is van een delict, maar de vraag op welke wijze het delict is uitgevoerd. Afhankelijk van de omstandigheden van het geval kan bij het opstellen en beschouwen van hypothesen hierover eventueel worden aangenomen dat de verdachte de dader is. Ik ga dit vraagstuk niet uitwerken op dezelfde wijze als ik hiervoor heb gedaan, maar geef om mijn stellingen te illustreren uitsluitend enkele (fictieve) voorbeelden van handelingsgericht schakelen.
juridischeredenen voor beperkingen in de toepassingsmogelijkheden van schakelbewijs?
NJ2018/84, over schakelbewijs, te weten: “
Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt.” Het gaat hier nota bene om het geval waarin het hof – zonder dat de Hoge Raad reden zag voor cassatie – een diversiteit aan informatie in zijn overwegingen had betrokken: overeenkomsten in tijd en plaats van de delicten, een schoenspoor, een signalement, werktuigsporen, en het bezit van een gestolen voorwerp. Naar mijn inzicht heeft de Hoge Raad in die overweging dan ook
niettot uitdrukking willen brengen dat schakelen van bewijsmateriaal uitsluitend mogelijk is bij gelijkenissen in ‘de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan’ (de modus operandi), maar wel dat in zo’n geval de modus operandi ten minste ‘op essentiële punten overeenkomt’. Die opvatting komt mij logisch voor.
NJ2012/279. Daarin betrok de Hoge Raad bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de bewijsvoering niet alleen de modus operandi, maar tevens de woonplaats van de dader en de overeenkomsten in zijn signalement, en de (overeenstemmende) inhoud van hetgeen de dader aan twee verschillende slachtoffers had meegedeeld. [305]
NJ2019/467, accordeerde de Hoge Raad het oordeel van het hof dat voor het bewijs redengevend is “
dat – op door het Hof essentieel geachte punten – overeenkomst bestaat tussende omstandigheden waaronder beide feiten zijn begaan”, hetgeen een ruimer begrip is dan alleen ‘de wijze waarop de beide feiten zijn begaan’.
NJ2019/467 (de Amsterdamse medicijnmoorden), rov. 3.3.3, oordeelde de Hoge Raad dat schakelbewijs ook van betekenis kan zijn voor de vraag of er überhaupt delicten zijn begaan en dat een schakelbewijsconstructie dus niet alleen is toegelaten indien er sprake is van een sterke overeenkomst in de wijze van uitvoering van de feiten “
waarvan eerst is vastgesteld dat zij zijn begaan”.
dient te worden beoordeeld in het licht van de gehele bewijsvoering”, aldus de Hoge Raad. [307] Die ‘gehele bewijsvoering’ kan voor iedere zaak verschillen. Daarom is het ondoenlijk om generieke eisen te stellen aan de mate waarin schakelbewijs redengevend is voor een bewezenverklaring.
onderlinge feitelijke samenhang” tussen de feiten 1, 2 en 3, telkens jegens [slachtoffer] , en het ontbreken van aanwijzingen tegen een ander dan de verdachte, leidt het hof af dat de verdachte niet alleen de dader is van de feiten 2 (ontucht) en 3 (vrijheidsbeneming), maar ook “
op enigerlei wijze betrokken is bij de dood van [slachtoffer]”. [312] Gelijk de eerste schakel, betreft dit een vorm van dadergericht schakelen.
de werkwijze van de verdachte” bij het begaan van de feiten uit 1984 en 1985 leidt het hof aanwijzingen af voor het bestaan van een
vastewerkwijze van de verdachte, te weten een handelwijze die de verdachte ook jegens [slachtoffer] heeft toegepast. [313] Dit is een vorm van handelingsgericht schakelen.
mijgerubriceerde opsomming) op een rij. Het hof stelt het volgende vast:
mijnrubricering):
daderzijn gepleegd, maar om de vraag of (niet alleen de feiten uit 1984/1985, maar ook) de feiten 2 en 3 van de zaak uit 1998 al dan niet door de
verdachtezijn gepleegd. Om die reden mocht/moest het hof tevens informatie omtrent de persoon van de verdachte in aanmerking nemen.
op enigerlei wijze” betrokken is bij de dood van [slachtoffer] . Het hof leidt deze betrokkenheid af uit de “
onderlinge feitelijke samenhang” – ik begrijp: wat betreft tijd, plaats en de identiteit van het slachtoffer – van de delicten onder 1, 2 en 3 en het ontbreken van aanwijzingen tegen een ander dan de verdachte. Deze schakel wordt in cassatie niet separaat aangevochten, zodat in het vervolg van deze samenhang kan worden uitgegaan.
door het onverhoeds vastpakken van jongens en het drukken van de hand van de verdachte op de mond van die jongens.” Hieruit leidt het hof af (en daartegen maakt de steller van het middel wél bezwaar) dat de verdachte die werkwijze ook bij [slachtoffer] heeft toegepast. Twee opmerkingen hierover.
nietbezondigd. [316]
gevolgvan een door de verdachte toegepaste werkwijze, en (2) een verschil in de
intentiewaarmee de verdachte die werkwijze zou hebben toegepast. Dit betreft inderdaad twee gewichtige punten. Uit het gevolg van enige handeling kan mogelijk worden afgeleid welke handeling moet hebben plaatsgehad en op welke wijze die is verricht. Ook de intentie waarmee een handeling wordt verricht, kan invloed hebben op de duur van de handeling en op de intensiteit (kracht) waarmee die handeling wordt uitgevoerd. Dat [slachtoffer] is overleden en dat de jongens van 1984/85 daarentegen géén melding maken van enige gevaarzetting voor hun leven, is dus allerminst zonder betekenis. Als gevolg daarvan kan het ‘onverhoeds beetpakken en drukken van een hand op de mond’ niet zonder meer op één lijn worden gesteld met de uitoefening van (in potentie dodelijk) ‘smorend geweld’.
door smorend geweld op en/of tegen het hoofd van die [slachtoffer] toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden.” [321] Het hof kwalificeert dit als ‘doodslag’ (feit 1 subsidiair). Doodslag wordt in het strafrecht aangemerkt als een ‘materieel’ opzetdelict. Het delict betreft namelijk het
opzettelijkbewerkstelligen van een bepaald
gevolg, te weten de dood van een ander. Daarin liggen twee vraagpunten besloten:
(…) hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval na zijn verdwijning niet uitgesloten kan worden geacht. Voorts heeft het hof (…) vastgesteld dat verstikking door smoren (belemmering van de mond/neus) of (samen)drukken van/op de borstkas (mechanische/traumatische asfyxie) alsmede een combinatie van factoren, bijvoorbeeld subtiel smoren of stress leidend tot een lichamelijke reactie, en verstikking door geweld op de hals (zoals bij verwurging) als mogelijke oorzaken van het overlijden van [slachtoffer] niet kunnen worden uitgesloten.” [323]
allemogelijke oorzaken voor de dood van [slachtoffer] uit, behoudens, al dan niet in combinatie:
Het kan niet anders zijn dan dat [slachtoffer] is overleden door smoren,al dan niet in combinatie met stress. Het hof ontleent aan de modus operandi in de zaken uit 1984 en 1985 de vaststelling dat de handeling die tot de dood heeft geleid, bestaat uit het drukken/houden van de hand van de verdachte op de mond/neus van [slachtoffer] .” [326]
[slachtoffer] heeft daarbij op enig moment het leven gelaten, waarbij het smorend geweld op en/of tegen het hoofd,al dan niet in combinatie met stress, uiteindelijk heeft geleid tot de dood van het slachtoffer.” [327]
uitsluitendhet gevolg is van een stressreactie, is komen te vervallen, zonder dat het hof in de bewijsmotivering duidelijk maakt op grond waarvan aan deze mogelijkheid opeens voorbij wordt gegaan. Dat is van belang, aldus de steller van het middel, omdat met deze redeneerstap alle overige scenario’s worden gepasseerd, met inbegrip van een overlijden als gevolg van stress (veroorzaakt door ontvoering of ontucht) en een overlijden als gevolg van een ander misdrijf, namelijk een (niet ten laste gelegd) schuldmisdrijf. Met andere woorden, ook wanneer de verdachte [slachtoffer] onverhoeds zou hebben vastgepakt en zou hebben gesmoord, is het – volgens de onder randnummer 348 weergegeven vaststelling van het hof – mogelijk dat het intreden van de dood hiermee niet in verband staat, maar veeleer in verband staat met stress, ontstaan door andere, aan de wederrechtelijke vrijheidsberoving c.q. ontucht gerelateerde handelingen, die niet het misdrijf ‘doodslag’ opleveren.
(…) Door op deze wijze te handelen – waarbij eenieder begrijpt dat het smoren van iemand terwijl je hem onverhoeds onder dwang meeneemt zeer gevaarzettend is en het derhalve niet anders kan zijn dan dat de verdachte op het moment van handelen aan die mogelijkheid moet hebben gedacht – heeft de verdachte in de gegeven omstandigheden de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid gecreëerd dat [slachtoffer] daarbij zou komen te overlijden. Met andere woorden: de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [slachtoffer] vormde gezien de concrete omstandigheden waaronder deze plaatsvond en door de manier waarop deze is uitgevoerd – zijnde het onverhoeds vastpakken van [slachtoffer] en deze vasthouden en met de hand voor zijn mond tegen diens vrije wil meenemen – naar haar aard een geëigende of geschikte wijze van handelen om uiteindelijk het gevolg, de dood van [slachtoffer] , in het leven te roepen. De wijze waarop het wederrechtelijk van zijn vrijheid beroven door de verdachte van [slachtoffer] plaatsvond, vormde daarmee in de gegeven omstandigheden een onmisbare schakel voor zijn latere dood, in die zin dat ook aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid is veroorzaakt door op deze wijze te handelen. Het hof betrekt daarbij dat op grond van het voorgaande niet aannemelijk is geworden dat ten verwere gestelde andere, niet aan de gedraging van de verdachte gerelateerde oorzaken, tot dat gevolg hebben geleid. (…).” [328]
aanvankelijkin aanmerking heeft genomen als een zelfstandig alternatief voor de mogelijkheid dat de dood is teweeggebracht door enkel verstikkingshandelingen. De onder randnummer 354 aangehaalde passage is kennelijk bedoeld ter motivering van het oordeel dat – met toepassing van het leerstuk van alternatieve causaliteit – alsnog voorbij kan worden gegaan aan de mogelijkheid dat [slachtoffer]
uitsluitendvanwege een stressreactie is overleden, en dat een stressreactie ten opzichte van verstikking (smoren) slechts van ondergeschikte betekenis moet zijn geweest voor het intreden van de dood van [slachtoffer] .
betekenisvan het (juridische) begrip ‘causaliteit’, en (b) het
bewijsvan causaliteit.
deoorzaak zijn van een andere gebeurtenis (hierna ook: B genoemd) rijzen de vragen (1) of één of beide van deze voorvallen, A1 en A2, zich daadwerkelijk hebben voorgedaan, en (2) of – aangenomen dat beide voorvallen zich hebben voorgedaan – er daadwerkelijk een causaal verband bestond tussen hetzij A1 en B, hetzij A2 en B (of wellicht zelfs een combinatie van beide). Over beide aspecten van causaliteit kunnen waarschijnlijkheidsuitspraken worden gedaan, zoals (1) over de waarschijnlijkheid dat A1 zich daadwerkelijk heeft voorgedaan, en (2) over de waarschijnlijkheid dat A1 (aangenomen dat A1 zich heeft voorgedaan) daadwerkelijk de oorzaak was van B. Het is nuttig om beide aspecten te onderscheiden.
NJ2012/301 (de Groningse hiv-zaken), heeft betrekking op de gevallen waarin twee verdachten tijdens ‘ruige’ feesten enkele slachtoffers doelbewust anaal hadden ingespoten met, dan wel doelbewust hadden geïnjecteerd met hiv-besmet bloed (zonder dat de slachtoffers van die besmetting op de hoogte waren). In die periode hadden de slachtoffers, naar moet worden aangenomen, evenwel ook meermalen vrijwillig onveilige seks gehad. Zij bleken later besmet met hiv. De verdachten werden vervolgd voor het medeplegen van zware mishandeling met voorbedachte rade.
viral loadvan een onbehandelde hiv-infectie.
éénmaligcontact met een besmette persoon. De genoemde kansverhoudingen zouden in werkelijkheid dus significant minder hoog kunnen zijn, omdat het wat betreft de slachtoffers (mogelijk) niet bij slechts éénmalig vrijwillig onveilig seksueel contact was gebleven. Het hof achtte het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel (een hiv-besmetting) bewezen. Daartegen werd in cassatie opgekomen.
kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot het gevolg hebben geleid, alsmede dat aannemelijk is dat het gevolg met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door de gedraging van de verdachte is veroorzaakt.
het doodschrikken van een kind isheel extreem.” Aan de deskundige Bilo ontleent het hof “
dat een plotselinge hartdood in relatie tot extreme emotionele opwinding (met name angst en pijn) goed gedocumenteerd is beschreven in de forensische en cardiologische literatuur. Hoewel de meeste patiënten een reeds bestaande hartafwijking hadden, werd in sommige gevallen vastgesteld dat het ook kan gebeuren zonder voorafgaande aanwijzingen voor een cardiale aandoening (hartafwijking). Waarschijnlijk is het overlijden dan een gevolg van een endogene hormonale reactie (‘catechol-’) in relatie tot een vecht- of vluchtreactie.” [339]
volwassenen, zo blijkt uit het vervolg: “
Onbekend is of dit fenomeen ook bij kinderen is beschreven, anders dan bij kinderen met een reeds aanwezige en bekende cardiale aandoening, bijvoorbeeld het verlengd QT-tijdsyndroom.” Daarop benadrukt het hof op zijn beurt: “
Zoals hiervoor reeds is overwogen, kan een doodsoorzaak als gevolg van het QT-tijdsyndroom[bij [slachtoffer] ]
worden uitgesloten.” Het hof ontleent verder aan Bilo: “
Voorts wordt in de literatuurover drugsgebruikvermeld dat boosheid/opwinding na opvallende inspanning een plotse cardiale dood kan veroorzaken. Een vecht- of vluchtreactie leidend tot de dood isvoor zover bekend nooit beschreven bij kinderen.”Tot slot concludeert het hof over de opinie van Bilo: “
Bilo heeft op basis van het voorgaande geconcludeerd dat een vecht- of vluchtreactie onwaarschijnlijk is, maar niet kan worden uitgesloten.”
dat er geen objectieve aanwijzingen zijn (of een plausibele hypothese is) voor het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden.” [340]
dat, hoewel het niet waarschijnlijk wordt geacht, het optreden van een (zeer zeldzaam) stress-gerelateerd overlijden ten gevolge van een schokkende gebeurtenis en/of voorval niet uitgesloten kan worden geacht.”
slechts twee alternatieve, doch mogelijk
zelfstandigeoorzaken van het overlijden van [slachtoffer] heeft vastgesteld: (1) stress-gerelateerd en/of (2) verstikking. Het hof heeft zodoende geoordeeld dat noch het één, noch het ander kan worden uitgesloten.
verstikkingvan [slachtoffer] door) de verdachte kan worden toegerekend. Voor het redelijkerwijs toerekenen van de dood van [slachtoffer] aan – verstikking door – de verdachte is
ten minstevereist dat wordt vastgesteld dat dit gedrag een onmisbare schakel
kanhebben gevormd in de gebeurtenissen die tot [slachtoffer] ’s dood hebben geleid, alsmede dat ook aannemelijk is dat de dood van [slachtoffer] met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid door verstikking is veroorzaakt. Dat is ook precies wat het hof overweegt in de gewraakte, onder randnummer 354 weergegeven passage.
niettot dat gevolg heeft geleid. In het licht van hetgeen het hof heeft vastgesteld over de “
zeer zeldzame” mogelijkheid van een stress-gerelateerd overlijden, is het oordeel van het hof daaromtrent niet onbegrijpelijk. Daarbij merk ik op dat als het geen stress-gerelateerd overlijden is geweest, het dus wel met een aanzienlijke mate van waarschijnlijkheid verstikking
moetzijn geweest. Het was immers het één of het ander.
heel extreem”. Daar komt nog bij dat volgens ’s hofs vaststellingen van [slachtoffer] geen enkele gezondheidsklachten bekend waren. [341]
zelfstandigemogelijkheid van een stress-gerelateerde oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] , en waarin het hof die mogelijkheid – impliciet – afwaardeerde naar een mogelijke doodsoorzaak die zich alleen in combinatie met de verstikking kan hebben voorgedaan. Op de hiervoor vermelde gronden faalt de eerste deelklacht van onderdeel C. Samengevat heeft het hof naar mijn inzicht kunnen oordelen dat (i) voorbij kan worden gegaan aan de mogelijkheid van een doodsoorzaak die uitsluitend stress-gerelateerd is, waardoor (ii) [slachtoffer] ’s dood redelijkerwijze kan worden toegerekend aan een door de verdachte uitgevoerde verstikking. Dat het hof daaraan nog toevoegt dat dit ‘al dan niet in combinatie met stress’ is gebeurd, doet aan het voorgaande niet af.
kunnenoordelen dat de verdachte [slachtoffer] (bij aanvang van de vrijheidsberoving) – op gelijke wijze als bij de jongens uit 1984 en 1985 – onverhoeds heeft beetgepakt en een hand op de mond heeft gedrukt. Uit deze niet onbegrijpelijke vaststelling vloeit echter niet zonder meer voort dat de verdachte (in potentie dodelijk) ‘
smorendgeweld’ heeft toegepast op het hoofd van [slachtoffer] . Daarvoor zijn m.i. de verschillen te groot met de wijze waarop – volgens de vaststellingen van het hof – de verdachte de jongens uit 1984 en 1985 de mond heeft gesnoerd. Geen van de jongens uit 1984 en 1985 maakte immers melding van enige gevaarzetting voor hun leven. Kennelijk ging het de verdachte er destijds (enkel) om dat de jongens zich koest zouden houden. Ander bewijsmateriaal ter onderbouwing van zijn oordeel dat de verdachte specifiek (in potentie dodelijk) ‘
smorendgeweld’ heeft toegepast, heeft het hof niet gebruikt.
het niet anders kan zijn dan dat” de toepassing van ‘
smorendgeweld’ heeft geleid tot de dood van [slachtoffer] , kan immers bezwaarlijk uit de vaste werkwijze van de verdachte worden afgeleid.
inof omstreeksde periode van 10 augustus 1998 tot en met 11 augustus 1998 in de gemeente(n) Landgraaf en/of Brunssum en/of Heerlen, in elk geval in Nederland, opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd doorverstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend en/ofsmorend geweld op en/of tegen het hoofden/of hals en/of lichaamvan die [slachtoffer] toe te passen, ten gevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] is overleden”.
verstikkingvan [slachtoffer] door de verdachte, gedragen wordt door de bewijsmiddelen en ook overigens niet onbegrijpelijk is. Hoewel het bewijs voor het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte nog aan bod komt, houd ik het er dus vooralsnog op dat de bewijsvoering van het hof voldoende steun biedt voor een bewezenverklaring van verstikking als de oorzaak van het overlijden van [slachtoffer] , ongeacht de vraag op welke wijze dat precies is gebeurd. Het hof had bij de bewezenverklaring dus in het midden kunnen laten door welke van de drie manieren van verstikking, te weten (i) smoren, (ii) samendrukken van de borstkas (versmachten), of (iii) wurgen, al dan niet in combinatie, het gevolg is ingetreden. Het hof hoefde uit de verschillende ten laste gelegde alternatieven ook rechtens geen keuze te maken, aangezien dat niet van belang is voor de strafrechtelijke betekenis van het ten laste gelegde. [342] Het maakt voor de aard en de ernst van het delict immers niet uit
hoede verdachte [slachtoffer] precies heeft verstikt.
de vrijspraak van de onder 1 subsidiair tenlastegelegde levensberoving door verstikking, door uitwendig en/of mechanisch en/of samendrukkend geweld op en/of tegen het hoofd en/of hals en/of lichaam”. Na eventuele terugwijzing of verwijzing van de zaak door de Hoge Raad zou de verwijzingsrechter (tenminste, als het aan de steller van het middel ligt) daardoor niet meer de mogelijkheid hebben om tot een ander oordeel te komen dan de rechter wiens uitspraak in cassatie is vernietigd, zulks voor wat betreft een – rechtens niet noodzakelijke – keuze tussen alternatieven die voor de strafrechtelijke waardering van het ten laste gelegde niet relevant is.
dat er geen grond is om de inhoud van het begrip ‘aanmerkelijke kans’ afhankelijk te stellen van de aard van het gevolg”;
zeer gevaarzettend” is, kan niet gelden als feit van algemene bekendheid.
De verdachte heeft naar het oordeel van het hof onder de beschreven omstandigheden gehandeld met het voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer] . De verdachte heeft immers gezien de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht zoals beschreven, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] daarbij zou kunnen komen te overlijden.
vastewaarde, die niet varieert naargelang de aard en ernst van het gevolg. [349]
alledetails van de fysieke werkelijkheid tot in de finesses bekend zouden zijn, was achteraf bezien iedere poging tot de voltooiing van een delict gedoemd te mislukken, en stond de ongelukkige afloop van een met voorwaardelijk opzet voltooid delict reeds bij voorbaat vast. Dergelijke bovenmenselijke kennis speelt in het strafrecht geen rol. Het gaat bij het bepalen van de grootte van de kans op de aantasting van een rechtsgoed slechts om informatie over de gedraging en haar mogelijke gevolgen, beoordeeld naar de kenbare, ‘uiterlijke verschijningsvorm’ van die gedraging. [352] Kortom, het bepalen van de omvang van de – op zijn aanmerkelijkheid te beoordelen – kans vindt plaats op basis van (i) slechts
globalekennis van de gedraging, bezien naar haar aard en tegen de achtergrond van de omstandigheden van het geval, en (ii) algemene ervaringsregels (generalisaties) omtrent het optreden van causale verbanden tussen een
dergelijkegedraging en de potentiële gevolgen ervan.
objectievemaatstaven aanwezig kon worden geacht. [353] ‘Objectief’, omdat het gaat om een beoordeling van de uiterlijke verschijningsvorm van de gedraging en een inschatting van de kans op het intreden van de potentiële gevolgen ervan door een objectieve buitenstaander, zoals de rechter. Bepalend is dus niet de inschatting ervan door de dader. Die inschatting komt pas aan bod bij de tweede conditie voor het bewijs van voorwaardelijk opzet, te weten de eis dat de verdachte zich tijdens zijn gedraging bewust is geweest van de aanmerkelijke kans op het intreden van een bepaald gevolg (het kenniselement).
ongeachtof dat gevolg zou intreden, heeft hij die kans ‘aanvaard’, oftewel het mogelijke gevolg ‘op de koop toe genomen’. Voor de aanvaarding van de kans op het gevolg is niet vereist dat de verdachte het intreden van het gevolg heeft beoogd of gewild. ‘Bewust aanvaarden’ bestrijkt meer gevallen dan alleen ‘willen’ zoals bedoeld in het gewone spraakgebruik. [355] Het gaat er bij voorwaardelijk opzet om dat de verdachte op z’n minst wezenlijk onverschillig stond tegenover het gevolg van zijn gedraging.
niethebben gehandeld, althans zou hij zijn gedraging hebben aangepast om het gevolg te vermijden.
Bepaalde gedragingen kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zozeer gericht op een bepaald gevolg dat het – behoudens contra-indicaties – niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard”, aldus overwoog de Hoge Raad. [356]
bepaalde gedragingen (…) naar hun uiterlijke verschijningsvorm [kunnen] worden aangemerkt alszozeer gericht op een bepaald gevolgdat het (…) niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard” (onderstreping mijnerzijds). Het komt mij voor dat een gedraging naar haar uiterlijke verschijningsvorm in die zin ‘is gericht op een bepaald gevolg’, wanneer er vanwege de aard van de gedraging een aanzienlijk méér dan aanmerkelijke, namelijk: een
grotekans is dat de gedraging het gevolg teweegbrengt. In dat geval is de gedraging – beschouwd vanuit het perspectief van een objectieve buitenstaander – naar haar aard geëigend om het gevolg te bewerkstelligen. Een objectieve buitenstaander zal die gedraging
interpreterenals ‘doelgericht’. Als iemand bijvoorbeeld met een pistool in de lucht schiet, wordt daaraan
in beginseleen wezenlijk andere betekenis toegekend dan wanneer hij met een grote trefkans met dat pistool schiet in de richting van een andere persoon. [357]
grotekans op het intreden van het gevolg bewust is geweest. Het bestaan van die grote kans kon hem (uitzonderingen daargelaten) eenvoudigweg niet zijn ontgaan, omdat hij zich in het leven – naar moet worden aangenomen – vrijwel dezelfde algemene ervaringsregels eigen heeft gemaakt als nagenoeg ieder ander. In zijn keuze om aldus te handelen, ligt daarmee in beginsel óók de aanvaarding van die grote kans besloten. In die gevallen was er immers geen ruimte om te menen dat het met het berispelijke gevolg ‘zo’n vaart niet zal lopen’. Als de verdachte handelde ondanks dat hij wist van de grote waarschijnlijkheid van het intreden van het gevolg, moet vanzelf worden aangenomen dat hij tegenover dat gevolg op z’n minst wezenlijk onverschillig stond. [358]
mededebet
kanzijn geweest.
De verdachte heeft immers gezien de aard van de gedragingen van de verdachte en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht zoals beschreven, zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat [slachtoffer] daarbij zou kunnen komen te overlijden”, aldus oordeelt het hof.
smorendgeweld heeft toegepast op het hoofd van [slachtoffer] . Bij de beoordeling van de begrijpelijkheid van de motivering van het hof omtrent de doodsoorzaak ga ik, zoals gezegd, aan dit meerdere voorbij om de reden die ik bij de bespreking van onderdeel C2 van het derde middel onder de randnummers 383-388 heb weergegeven. Die reden is kort gezegd: hoewel het hof zijn vaststelling dat [slachtoffer] moet zijn verstikt door toepassing van smorend geweld ontoereikend heeft onderbouwd, hoeft dit verzuim niet tot cassatie te leiden omdat het hof geen keuze had hoeven maken tussen de verschillende ten laste gelegde mogelijkheden waarop de verdachte [slachtoffer] precies heeft verstikt.
zeer gevaarzettend” handelen, is op zichzelf evenmin onbegrijpelijk.
dat[slachtoffer] is overleden door verstikking; sporen die goed verklaard kunnen worden door andere doodsoorzaken, bijvoorbeeld natuurlijke doodsoorzaken, ontbraken immers (volgens de door het hof in aanmerking genomen deskundigenberichten), en zo ook de sporen van bijvoorbeeld mechanisch invasief geweld. De hiervoor uiteengezette reconstructie van de grote kans op overlijden bij aanhoudende verstikking, vergt niet de kennis van een alwetende observator, waartegen de steller van het middel – in enigszins andere bewoordingen – te hoop loopt, maar slechts de globale kennis van een objectieve buitenstaander die de verstikking van een jong kind door een volwassen man waarneemt en die de kans op overlijden steeds hoger inschat naarmate de verstikking voortduurt. De klacht over de wijze waarop het hof de kans op het overlijden van [slachtoffer] heeft afgeleid uit het overlijden van [slachtoffer] , faalt dus. Eveneens faalt de klacht dat het hof aan het begrip ‘aanmerkelijke kans’ een andere invulling heeft gegeven dan de betekenis die de Hoge Raad aan dit begrip heeft toegekend. De bestreden overwegingen geven daarvan geen blijk.
kunnenafleiden dat de verdachte zich van die grote, méér dan aanmerkelijke kans op het overlijden van [slachtoffer] bewust is geweest.
Hijwas immers degene die de verstikkingshandelingen bij voortduring uitvoerde. De verdachte heeft daardoor kunnen ondervinden dat [slachtoffer] zijn eventuele verzet staakte en gaandeweg geen teken van leven meer gaf. Hierbij zij overigens nog aangetekend dat de verdachte volgens de vaststellingen van het hof over een EHBO-diploma beschikte en dus eens te meer heeft moeten kunnen onderkennen welk toenemend levensgevaar [slachtoffer] liep.
kunnenafleiden dat de verdachte de (méér dan) aanmerkelijke kans op de dood van [slachtoffer] heeft aanvaard.
Niet-)ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter zake van feit 4
2. Behoudens in de in lid 1 en lid 3 bedoelde gevallen wordt een overgeleverd persoon niet vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens enig ander vóór de overlevering begaan feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest.
De voorwaarden die door de buitenlandse uitvoerende justitiële autoriteit in overeenstemming met het op 13 juni 2002 door de Raad vastgestelde kaderbesluit betreffende het Europees aanhoudingsbevel en de procedures van overlevering tussen de lidstaten van de Europese Unie (PbEG L 190) worden gesteld bij de overlevering van de opgeëiste persoon aan Nederland, zijn verbindend voor iedere persoon of instantie die in Nederland is belast met een publieke taak.”
Leymann en Pustovarov) [363] het volgende (onderstrepingen mijnerzijds):
64. Met zijn derde vraag wenst de verwijzende rechter in wezen te vernemen hoe de in artikel 27, lid 3, sub c, van het kaderbesluit vervatte uitzondering op het specialiteitsbeginsel moet worden uitgelegd, rekening houdend met de toestemmingsprocedure van artikel 27, lid 4, van het kaderbesluit. Hij wenst in het bijzonder te vernemen of op basis van die bepalingen een persoon kan worden vervolgd en berecht wegens enig ander feit dan dat welk de reden tot de overlevering is geweest waarvoor de toestemming van de uitvoerende lidstaat is vereist alvorens die toestemming is verleend, wanneer de persoon niet aan een vrijheidsbeperkende maatregel wordt onderworpen. Hij wenstookte vernemen of de omstandigheid dat de betrokkenebovendiengevangen wordt gehouden wegens andere tenlasteleggingen die zijn gevangenhouding wettelijk rechtvaardigen, een invloed heeft op de mogelijkheid om die persoon wegens bedoeld ander feit te vervolgen en te berechten.
2.4. Op grond van artikel 48 Overleveringswet Pro in verbinding met artikel 27 lid 2 Kaderbesluit Pro kan een aan Nederland overgeleverd persoon niet worden vervolgd, berecht of anderszins van zijn vrijheid beroofd wegens een of meer andere vóór de overlevering begane feiten dan de feiten die de reden tot de overlevering zijn geweest, tenzij een van de in artikel 27 leden Pro 1 en 3 Kaderbesluit bedoelde gevallen zich voordoet.
gerechtvaardigd” door feiten (a) die de reden tot de overlevering zijn geweest, of (b) voor vervolging en berechting waarvan alsnog toestemming is verleend door de uitvoerende staat.
gerechtvaardigd” door de EAB-feiten, zoals verwoord in de rechtspraak van het Hof van Justitie en de Hoge Raad. Die rechtspraak brengt m.i. mee dat de EAB-feiten de toepassing van de voorlopige hechtenis
zelfstandig– dat wil zeggen: ook zonder inachtneming van het ‘andere feit’ – moeten kunnen dragen. [370] Daaraan staat m.i. niet in de weg dat het bevel tot voorlopige hechtenis
medeis gegrond op dat ‘andere feit’. Een andere dan deze uitleg zou meebrengen dat de door mij onderstreepte passages in de geciteerde uitspraken van het Hof van Justitie en de Hoge Raad zelfstandige betekenis missen.
op elk momentdoor EAB-feiten wordt gerechtvaardigd. In dat kader mag de voorlopige hechtenis – analoog aan het anticipatiegebod van artikel 67a lid 3 Sv – nooit langer duren dan wordt gerechtvaardigd door enkel de EAB-feiten. De rechter dient dus te beoordelen of ter zake van EAB-feiten ernstige bezwaren en gronden aanwezig zijn die toepassing van de voorlopige hechtenis rechtvaardigen. [371]
medeis gegrond op de in het EAB genoemde feiten waarvoor de verdachte onder 1, 2 en 3 wordt vervolgd en berecht. Naar het oordeel van het hof rechtvaardigen deze laatstgenoemde drie feiten de voorlopige hechtenis.
zelfstandigkunnen dragen, geenszins onbegrijpelijk is. Ook in zoverre faalt de klacht.
De verdediging heeft een voorwaardelijk verzoek gedaan tot het horen van deze Spaanse rechter. Indien het hof van oordeel is dat het Openbaar Ministerie ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte voor het bezit van kinderporno, wenst de verdediging de Spaanse rechter te vragen op basis van welke informatie de toestemming tot uitbreiding van de overlevering voor het instellen van een vervolging voor kinderpornografie is verleend en of de betreffende rechter wist dat de verdachte voor dat feit in voorlopige hechtenis zat. Het hof acht het horen van de betreffende Spaanse rechter als getuige, gelet op de hiervoor weergegeven uitleg van de jurisprudentie en met het oog op de volledigheid van het onderzoek, niet noodzakelijk. Het hof wijst het verzoek af.”
hiervoor weergegeven uitleg van de jurisprudentie en met het oog op de volledigheid van het onderzoek”.
de Spaanse rechter alsnog aanvullend toestemming heeft verleend”. Deze overweging moet immers worden beschouwd als een overweging ten overvloede, zoals ook volgt uit de letterlijke bewoordingen ervan.
De middelen van de benadeelde partij
Met betrekking tot de gevorderdereiskosten als materiële schadeoverweegt het hof het navolgende.
direct na de vermissing en voor televisieprogramma’s (440 kilometer, onder b), bezoeken aan (de redactie van) Peter R. de Vries in Amsterdam voor overleg, interviews en de bespreking van de stand van zaken (4.320 kilometer, onder e), bezoeken aan Maastricht in verband met evaluaties van de vorderingen en de persconferenties (600 kilometer, onder f), bezoeken aan ‘s-Hertogenbosch voor overleg en evaluaties (592 kilometer, onder g), bezoeken aan Wijchen en Ewijk ten behoeve van overleg met het Openbaar Ministerie en het rechercheteam (2.550 kilometer, onder h) en bezoeken aan het Openbaar Ministerie in hoger beroep (2 x 145,8 kilometer + 50 kilometer à € 0,26 per kilometer). Het hof is van oordeel dat dit evenmin kosten betreffen die kunnen worden beschouwd als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit. Een wettelijke basis om deze kosten ten laste van de verdachte te brengen, ontbreekt. Derhalve zal de benadeelde partij in zoverre in de vordering niet-ontvankelijk worden verklaard. Deze kosten komen evenmin als proceskosten voor vergoeding in aanmerking.
‘Rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv)
reiskosten naar de advocaat die de benadeelde partij heeft gemaakt, (…) niet zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden door het strafbare feit, maar als proceskosten waaromtrent de rechter ingevolge het bepaalde in art. 592a Sv in de daar bedoelde gevallen een afzonderlijke beslissing dient te geven”.
Dan komen slechts de kosten voor salaris en noodzakelijke verschotten van de gemachtigde voor vergoeding in aanmerking, en dus niet ook de in artikel 238 lid 1 Rv Pro bedoelde kosten van de benadeelde partij”, aldus oordeelde de Hoge Raad.
“het hof in de visie van de benadeelde partij ten onrechte (heeft) overwogen dat voornoemde gevorderde reiskosten naar advocaten niet zouden zijn aan te merken als schade die rechtstreeks is geleden als gevolg van het strafbare feit”. In cassatie wordt niet geklaagd over ’s hofs oordeel ten aanzien van de overige gevorderde materiële reiskosten. [382]