ECLI:NL:PHR:2024:883

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
1 september 2024
Zaaknummer
22/02887
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 311 SvArt. 6 lid 1 EVRMArt. 36e Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging en terugwijzing wegens ontoereikende motivering niet-ontvankelijkheid ontnemingsvordering

De betrokkene werd door het hof Den Haag veroordeeld tot betaling van € 5.222,74 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. In hoger beroep werd een preliminair verweer gevoerd dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk moest worden verklaard omdat de ontnemingsvordering niet tijdig was aangekondigd conform artikel 311 Sv Pro. Het hof verwierp dit verweer zonder te onderzoeken in welke mate de betrokkene door het verzuim in zijn belangen was geschaad.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof tekort is geschoten in zijn motivering door niet te beoordelen of het verzuim tot niet-ontvankelijkheid of tot een vermindering van de betalingsverplichting moest leiden. Tevens is onduidelijk of de betrokkene tijdig in persoon is betekend met de ontnemingsvordering. De Hoge Raad verwijst de zaak terug voor een nieuwe beoordeling.

De procedure omvatte een verstekvonnis in de strafzaak, een nietigheid van de oproeping in de ontnemingszaak, en een latere betekening van de ontnemingsvordering. De advocaat-generaal stelde dat de betrokkene op de hoogte was, maar dit werd door de verdediging betwist. De Hoge Raad benadrukt het belang van rechtszekerheid en de vereiste motivering bij niet-naleving van artikel 311 Sv Pro.

De uitspraak onderstreept dat het ontbreken van een sanctie in artikel 311 Sv Pro niet betekent dat het verzuim zonder gevolgen blijft; de rechter moet altijd belangenafweging maken. De redelijke termijn is overschreden, hetgeen de nieuwe rechter kan meewegen bij de afdoening.

Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde beoordeling van de ontvankelijkheid van de ontnemingsvordering.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer22/02887 P

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1967,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 28 juli 2022 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 5.222,74 en aan de betrokkene ter ontneming van dat wederrechtelijk verkregen voordeel de verplichting opgelegd tot betaling van dat bedrag aan de staat. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling is bepaald op 104 dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. J.S. Nan en S.A.H. Vromen, beiden advocaat te Den Haag, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

De hoofdzaak

3. In de met deze ontnemingszaak samenhangende strafzaak heeft de meervoudige kamer van het hof in Den Haag de betrokkene op 16 juni 2021 niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep. Daarmee is het vonnis van de politierechter in de rechtbank Den Haag van 16 november 2020 onherroepelijk geworden. Bij dit vonnis was de betrokkene wegens “
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.

Het middel

4. Het middel klaagt dat het hof het namens de betrokkene gevoerde verweer, inhoudende dat het Openbaar Ministerie (OM) niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn ontnemingsvordering op de grond dat de vordering tot ontneming in strijd met artikel 311 Sv Pro niet (tijdig) is aangekondigd, heeft verworpen op gronden die deze beslissing niet (volledig) kunnen dragen, aangezien het hof heeft nagelaten na te gaan in welke mate de betrokkene door het achterwege blijven van de aankondiging van de vordering in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan te bepalen of dit dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in die vordering dan wel tot een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting.

Het procesverloop

5. Op 16 november 2020 is de betrokkene in zijn strafzaak door de politierechter in de rechtbank Den Haag bij verstek veroordeeld. Uit het proces-verbaal van deze terechtzitting blijkt niet dat de officier van justitie zijn voornemen tot het aanhangig maken van een ontnemingsvordering heeft aangekondigd.
6. De oproeping van de ontnemingsvordering is – blijkens de aantekening mondeling vonnis in de ontnemingszaak – op 16 november 2020 nietig verklaard. De betrokkene is bij deze zitting niet verschenen.
7. Tussen de stukken van het geding bevindt zich een ontnemingsvordering van de officier van justitie (gedateerd 5 maart 2021) waarin de betrokkene wordt opgeroepen om te verschijnen op de terechtzitting van 16 april 2021. Blijkens de betekeningsstukken is deze vordering op 16 maart 2021 aan de betrokkene uitgereikt.
8. Ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 16 april 2021 heeft de raadsman een preliminair verweer gevoerd strekkende tot de niet-ontvankelijkverklaring van het OM in de ontnemingsvordering, zulks wegens het verzuim deze tijdig aan te kondigen. De politierechter heeft dit preliminaire verweer van de raadsman verworpen, het OM ontvankelijk geacht in de ontnemingsvordering en de betrokkene veroordeeld tot betaling van € 6.000,- aan de staat ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.
9. Tegen het vonnis van de politierechter heeft de betrokkene hoger beroep ingesteld. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2022 houdt in:
“De raadsman deelt mede dat hij een preliminair verweer wenst te voeren. De raadsman voert vervolgens het woord overeenkomstig zijn overgelegde en aan het digitale dossier toegevoegde pleitnota (…).”
10. Deze pleitnota houdt in:
"1. Ik verzoek u het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de ontnemingsvordering nu de ontnemingsvordering pas op 16 maart 2021 aan cliënt is betekend, dit terwijl reeds op 16 november 2020 in de hoofzaak vonnis is gewezen en de officier van justitie heeft verzuimd om bij requisitoir (dan wel voor het sluiten van de behandeling in eerste aanleg) de vordering aan te kondigen.
2. Blijkens de betekeningsstukken in de ontnemingsprocedure heeft de ontnemingsvordering cliënt nimmer bereikt (bijlage I). Deze stelling wordt onderstreept door de beslissing van de rechtbank van 16 oktober[D.A.: kennelijk wordt hier ‘november’ bedoeld]
2020, inhoudende dat de betekening van de ontnemingsvordering nietig is (bijlage II). De beslissing inhoudende de nietigheid van de betekening is een van de eindbeslissingen ex artikel 349 Sv Pro, en daarmee is een einde gekomen aan de ontnemingsprocedure.
3. Gelet op het voorgaande had het op grond van artikel 311, eerste lid derde volzin, Sv op de weg van de officier van justitie gelegen ter terechtzitting in eerste aanleg kenbaar te maken of hij voornemens was de ontnemingsvordering opnieuw aanhangig te maken. Van deze mededeling is in het proces-verbaal van de terechtzitting geen aantekening gemaakt (ex artikel 311, eerste lid vierde volzin, Sv), waardoor ik er van uit zal gaan dat deze niet is gedaan (bijlage III).
4. Cliënt is dus niet tijdig op de hoogte gebracht van het voornemen van het openbaar ministerie om een ontnemingsvordering jegens hem te doen aanvangen. De vordering heeft hem immers niet bereikt, en voor zover dat wel kan worden gesteld is die procedure met een eindbeslissing, nietigheid van de dagvaarding, geëindigd. Er is geen aankondiging gedaan dat er een nieuwe vordering zou worden ingesteld en cliënt mocht daar ook niet zonder meer van uitgaan. Met de nietigheid van de dagvaarding lag de bal weer bij het Openbaar Ministerie. Zonder het uitdrukkelijk wederom aanhangig maken van de ontnemingsvordering door het openbaar ministerie zou er namelijk niets gebeuren. Er kan dan ook niet gesteld worden dat cliënt er zonder aankondiging van mocht uitgaan dat deze vordering zou volgen.
5. Nu deze aankondiging niet is gedaan heeft de officier van justitie niet aan het voornoemde voorschrift voldaan is de officier van justitie in verzuim. De vordering is cliënt pas geruime tijd later, bijna 6 maanden, uitgereikt. Door op een dermate laat moment alsnog een ontnemingsprocedure aanhangig te maken is het gerechtvaardigd vertrouwen van de veroordeelde, dat de zaak met de uitspraak in de ontnemingszaak (nietigheid van de dagvaarding) en de uitspraak in de strafzaak definitief was afgedaan. Het voorgaande, in combinatie met het feit dat het een relatief eenvoudige ontnemingsvordering betreft, maakt dat het verzuim niet anders kan worden gesanctioneerd dan met de niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie."
11. Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 juli 2022 houdt verder in:

De advocaat-generaal deelt daarop mede dat het verweer van de raadsman dat ertoe strekt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering dient te worden verklaard, dient te worden verworpen, nu uit het dossier blijkt dat zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak een oproep voor de terechtzitting van 16 november 2020 bij de politierechter in de rechtbank Den Haag is verzonden en dat beide oproepingen op 16 oktober 2020 in persoon aan de betrokkene zijn uitgereikt.
De advocaat-generaal merkt daarbij op dat het uit het dossier echter niet blijkt waarom in de ontnemingszaak, anders dan in de strafzaak, de oproeping voor de zitting van 16 november 2020 nietig is verklaard. De advocaat-generaal stelt zich op het standpunt, nu de oproeping in de ontnemingszaak op 16 oktober 2020 in persoon aan de betrokkene is uitgereikt, dat de betrokkene dus op de hoogte is geweest van het feit dat tegen hem een ontnemingsvordering aanhangig was gemaakt. Naar het standpunt van de advocaat-generaal vervalt daarmee de verplichting om opnieuw aan te kondigen dat een ontnemingsvordering aanhangig wordt gemaakt.
De raadsman deelt daarop mede:
Ik heb geen stukken waaruit blijkt dat de oproeping wel aan mijn cliënt in persoon is uitgereikt. Ik heb alleen de stukken waaruit blijkt dat het niet aan hem is betekend. Met de beslissing van de politierechter van 16 november 2020 was de zaak geëindigd en afgedaan. Vervolgens is het dan aan het Openhaar Ministerie om kenbaar te maken of de zaak opnieuw in gang wordt gezet. Het had derhalve op de weg van het Openbaar Ministerie gelegen om kenbaar te maken dat ze de vordering aanhangig zouden maken en dat is verzuimd.
De advocaat-generaal deelt vervolgens mede:
De raadsman heeft kennelijk niet de juiste stukken. Nietigheid van de oproeping kan meerdere oorzaken hebben en uit de stukken die ik heb, blijkt dat de betrokkene de oproeping van de zitting van 16 november 2020 heeft ontvangen. Als je eenmaal op de hoogte, bent van de ontnemingsvordering, dan blijf je daarvan op de hoogte. Vervolgens is er opnieuw een oproeping verzonden voor de terechtzitting van 16 april 2021 aan de betrokkene en heeft de politierechter op deze datum vonnis gewezen.
Het hof onderbreekt vervolgens het onderzoek voor beraad.
Na beraad wordt het onderzoek hervat en deelt de voorzitter als beslissing van het hof mede dat het preliminaire verweer van de raadsman wordt verworpen. In artikel 311 Sv Pro is geen sanctie gesteld op niet naleving van de aankondiging. De verplichting tot de aankondiging van een ontnemingsvordering dient de rechtszekerheid. De voorzitter wijst op het arrest van de Hoge Raad van 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574, waarin door de Hoge Raad is geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig conform artikel 311, lid 1 Sv bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn ontnemingsvordering.”

De toelichting op het middel

12. In de toelichting op het middel betogen de stellers ervan, onder verwijzing naar een arrest van de Hoge Raad (HR 9 december 2003, ECLI:NL:HR:2003:AK3574,
NJ2004/199 m.nt. Buruma), dat het hof had dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door het niet-kenbaar maken van de ontnemingsvordering in zijn belangen is geschaad en dat het mede aan de hand dáárvan had dienen te bepalen of het niet-kenbaar maken van de vordering had moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM of tot vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Het oordeel van het hof dat het verzuim niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ontnemingsvordering is zonder nadere motivering met voormelde belangenafweging, die ontbreekt, niet begrijpelijk.

Het juridisch kader

13. Artikel 311 lid 1 Sv Pro bepaalt:
"Nadat de ondervraging van de verdachte heeft plaatsgehad en de aanwezige getuigen en deskundigen zijn gehoord, kan de officier van justitie het woord voeren; hij legt zijn vordering na voorlezing aan de rechtbank over. De vordering omschrijft de straf en maatregel, indien oplegging daarvan wordt geëist; zij vermeldt in dat geval tevens welk strafbaar feit zou zijn begaan. De officier van justitie maakt, voor zover zulks aan de verdachte niet reeds eerder was gebleken, kenbaar of hij voornemens is een vordering als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht aanhangig te maken, alsmede of daartoe een strafrechtelijk financieel onderzoek, als bedoeld in artikel 126 is Pro ingesteld. Van deze mededeling van de officier van justitie wordt in het proces-verbaal van de terechtzitting aantekening gemaakt."
14. In zijn arrest van 20 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BY0251, heeft de Hoge Raad onder verwijzing naar zijn eerdere rechtspraak, onder meer het volgende overwogen (onderstreping mijnerzijds):
“2.5. Bij de onder omstandigheden bestaande verplichting tot het kenbaar maken van het indienen van een ontnemingvordering is met name de rechtszekerheid in het geding (vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199 en HR 11 januari 2011, LJN BN2297, NJ 2012/297).
2.6.
Ingeval een ontnemingsvordering wordt ingediend zonder dat het voornemen daartoe op de wijze als voorzien in het eerste lid van art. 311 Sv Pro is aangekondigd, zal de rechter bij de beslissing op die vordering dienen na te gaanin welke mate de betrokkene door bedoeld verzuim in zijn belangen is geschaad en mede aan de hand daarvan dienen te beoordelen of dit verzuim dient te leiden tot niet-ontvankelijkverklaring van de officier van justitie in die vordering dan wel tot bijvoorbeeld een vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting(vgl. HR 9 december 2003, LJN AK3574, NJ 2004/199).”

De bespreking van het middel

15. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de ontnemingsvordering nu hij heeft verzuimd om de ontnemingsvordering vóór het sluiten van de behandeling in eerste aanleg d.d. 16 november 2020 aan te kondigen, zodat de betrokkene van de ontnemingsvordering niet tijdig op de hoogte is gebracht. De verdediging heeft bovendien betwist dat uit de stukken van het geding volgt dat de ontnemingsvordering reeds op 16 oktober 2020 aan de betrokkene in persoon is betekend.
16. Het hof heeft dit verweer verworpen en heeft daartoe overwogen dat in artikel 311 Sv Pro geen sanctie is gesteld op de niet-naleving van de verplichting tot aankondiging van de ontnemingsvordering en dat uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de enkele omstandigheid dat niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene tijdig conform artikel 311 lid 1 Sv Pro bekend is geworden met het voornemen van de officier van justitie om een ontnemingsvordering aanhangig te maken, niet leidt tot de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn ontnemingsvordering.
17. Uit ’s hofs overwegingen volgt echter niet dat het is nagegaan in welke mate de betrokkene door bedoeld verzuimd in zijn belangen is geschaad. Evenmin volgt daaruit dat het hof heeft vastgesteld dat op 16 oktober 2020 inderdaad een vordering ex artikel 36e Sv aan de betrokkene (in persoon) is betekend, [1] op grond waarvan het heeft aangenomen dat de betrokkene van de ontnemingsvordering tijdig op de hoogte is gebracht. Nu hiervan in cassatie niet kan worden uitgegaan, klagen de stellers van het middel daarover terecht.

Slotsom

18. Het middel slaagt.
19. Ambtshalve wijs ik erop dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep uitspraak zal doen, waardoor de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM Pro is overschreden. De rechter naar wie de zaak wordt verwezen kan deze termijnoverschrijding in zijn afdoening van de zaak betrekken.
20. Andere gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven, heb ik niet aangetroffen.
21. Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, en tot terugwijzing van de zaak opdat die op het bestaande hoger beroep opnieuw kan worden berecht en afgedaan.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Ook ik heb deze stukken niet in het procesdossier aangetroffen.