Conclusie
Nummer22/02887 P
Inleiding
De hoofdzaak
opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder Pro B van de Opiumwet gegeven verbod”veroordeeld tot een taakstraf voor de duur van honderd uren, subsidiair vijftig dagen hechtenis.
Het middel
Het procesverloop
2020, inhoudende dat de betekening van de ontnemingsvordering nietig is (bijlage II). De beslissing inhoudende de nietigheid van de betekening is een van de eindbeslissingen ex artikel 349 Sv Pro, en daarmee is een einde gekomen aan de ontnemingsprocedure.
De advocaat-generaal deelt daarop mede dat het verweer van de raadsman dat ertoe strekt dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de ontnemingsvordering dient te worden verklaard, dient te worden verworpen, nu uit het dossier blijkt dat zowel in de strafzaak als in de ontnemingszaak een oproep voor de terechtzitting van 16 november 2020 bij de politierechter in de rechtbank Den Haag is verzonden en dat beide oproepingen op 16 oktober 2020 in persoon aan de betrokkene zijn uitgereikt.
De toelichting op het middel
NJ2004/199 m.nt. Buruma), dat het hof had dienen na te gaan in welke mate de betrokkene door het niet-kenbaar maken van de ontnemingsvordering in zijn belangen is geschaad en dat het mede aan de hand dáárvan had dienen te bepalen of het niet-kenbaar maken van de vordering had moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het OM of tot vermindering van de aan de betrokkene op te leggen betalingsverplichting. Het oordeel van het hof dat het verzuim niet dient te leiden tot niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in de ontnemingsvordering is zonder nadere motivering met voormelde belangenafweging, die ontbreekt, niet begrijpelijk.