“Het staat buiten kijf dat het criterium van het onderzoeksbelang moet worden toegepast op de aan de orde zijnde onderzoekswensen, aangezien die zijn geformuleerd in een tijdig ingediende appelschriftuur en de verzochte getuigen niet in eerste aanleg zijn gehoord.
Wat betreft deRCIE-informatenstelt de AG ten onrechte dat het verzoek hen te horen de strafzaak betreft. De vraag is namelijk of de in deze ontnemingsprocedure in aanmerking te nemen aanvangsdatum moet worden vastgesteld op 1 januari 1999 in plaats van de in de strafzaak ten laste gelegde en bewezen verklaarde 1 januari 2002. Het OM meent van wel en dat standpunt is gebaseerd op van de betreffende informanten afkomstige informatie, dat cliënt en zijn zoon reeds vanaf 1995 leiding zouden hebben gegeven aan een criminele organisatie. Dit wordt door de verdediging betwist en derhalve alle uitgaven over de periode 1 januari 1999 tot 1 januari 2002 ten onrechte zijn opgenomen in de kasopstelling, die aan de in geding zijnde ontnemingsvordering ten grondslag is gelegd. Derhalve heeft de verdediging recht en belang deze getuigen daarover te horen.
[getuige 1]is van belang voor de vaststelling van het in aanmerking te nemen legale beginvermogen, aangezien cliënt van hem het schip met de naam ‘ [schip 2] ’ heeft gekocht. Hij kan verklaren dat – anders dan de AG stelt – het legale beginvermogen (veel) meer dan nihil betrof.
Met betrekking tot [getuige 2]moet worden vastgesteld dat er wel degelijk in Spanje ingediende belastingaangiften door de verdediging zijn overgelegd. Vervolgens heeft de Rechtbank het daarop gebaseerde verweer, dat sprake was van legale inkomsten, ten onrechte verworpen. Dit brengt mee dat cliënt er recht op- en belang bij heeft dat [getuige 2] in hoger beroep als getuige zal worden gehoord daarover teneinde de betreffende stelling te kunnen onderbouwen.
[getuige 3]heeft op 2 juni 2001 het schip met de naam [schip 1] gekocht, waardoor cliënt in de gelegenheid werd gesteld tot de storting van NLG 275.000 op 28 juni 2001 die in de kasopstelling is opgenomen. Het hiermee verband houdende verweer, dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, is door de Rechtbank zonder enige, laat staan een deugdelijke motivering verworpen. Aangezien de verdediging niet het risico wenst te lopen dat in hoger beroep hetzelfde zal gebeurden, wordt uw Hof verzocht om [getuige 3] hierover als getuige te horen hierover. De AG verlangt in dit verband schriftelijke stukken dan wel een afschrift van een bankrekening, maar dat getuigt niet bepaald van een billijke bewijslastverdeling. Van cliënt kan immers niet worden verwacht dat hij nu nog over dergelijke stukken uit 2001 beschikt.
Dit is tevens een reden om [getuige 4]als getuige te horen over de aanschaf van het appartement in [plaats] . Daarvoor zijn namelijk zowel bancaire betalingen verricht als een hypothecaire financiering afgesloten en de daarmee verband houdende bedragen zijn derhalve ten onrechte opgenomen in de kasopstelling. Daar zijn echter geen stukken meer van voorhanden, zodat getuigenbewijs in de vorm van de verklaring van [getuige 4] noodzakelijk is om het gelijk van cliënt aan te tonen.
Dan komen we bij de [motorboot] , waarbij in deze ontnemingsprocedure zowel OM als Rechtbank de bevoegdheid tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te buiten zijn gegaan door zich over te geven aan willekeur c.q. uit te gaan van een bedrag van € 871.794,50. Derhalve heeft de verdediging recht en belang om de verbalisanten[verbalisant 1]en [verbalisant 2] , die het proces-verbaal hebben opgemaakt waar dat bedrag op is gebaseerd, als getuigen te horen. Zij moeten onder meer worden gevraagd of zij rekening hebben gehouden met de schade aan het schip.
Voorts is geen rekening gehouden met het feit dat de in 1997 aangeschafte Mangusta 65 met de naam [schip 2] in 2005 werd verkocht voor € 400.000, waarvan € 200.000,- direct was voldaan en de overige € 200.000,- in mindering werd gebracht op de vervolgens aangeschafte [schip 3] . Dat laatste bedrag van € 200.000 is in het ontnemingsrapport derhalve ten onrechte aangemerkt als een vordering op [getuige 5]in plaats van dat het in mindering is gebracht op de aanschafprijs van de [motorboot] . Hierover dienen [getuige 5] en [getuige 6]van [bedrijf 1] als getuigen te worden gehoord, aangezien die e.e.a. kunnen bevestigen.
Van matroos[getuige 7]kan - anders dan de AG suggereert - wel degelijk worden verwacht dat hij het verschil weten tussen een chartervaart van de [motorboot] enerzijds en vervoer van vrienden anderzijds. Met zijn verklaringen kunnen de legale inkomsten derhalve nader aannemelijk worden gemaakt. Bovendien kan hij verklaren over de schade die het schip heeft opgelopen, waarmee ten onrechte geen rekening is gehouden bij de waardebepaling daarvan.
[getuige 8]is de vorige eigenaar van de Bentley, waarvan het OM stelt dat cliënt daar € 131.500 voor zou hebben uitgegeven. De verdediging betwist dit en stelt dat de auto slechts door cliënt is verhandeld en de daarop door hem gemaakte winst onderdeel uitmaakt van de fiscaal verantwoorde legale inkomsten, die hij in Spanje heeft genoten. Aangezien [getuige 8] dit kan bevestigen, dient hij te worden gehoord dienaangaande.
Hetzelfde geldt voor de Land Rover Sport met Brits kenteken, waarvan wordt gesteld dat cliënt daar € 100.000 contant voor zou hebben betaald. Ook dit betreft namelijk een zogenaamde handelsauto die hij in consignatie heeft gehad. Uw Hof wordt derhalve verzocht [getuige 9]en [getuige 10]als getuigen hieromtrent te doen horen.
[getuige 11]dient te worden gehoord over een vermeende contante uitgave van € 20.000,- aan autobedrijf Van Lent Heemstede voor een Opel Vectra met [kenteken 2] . Deze uitgave, die niet aannemelijk is te achten aangezien cliënt reeds over een auto kon beschikken, is blijkens het ontnemingsrapport is gebaseerd op een vermoeden van [getuige 11] van Multirent. Derhalve heeft de verdediging recht en belang om hem hierover te horen.
Tot slot de betwisting dat cliënt contante uitgaven zou hebben gedaan voor één of meer appartementen in Dubai. Blijkens de in eerste aanleg in geding gebrachte paspoortgegevens was hij niet eens in Verenigde Arabische Emiraten op 17 juli 2006, op welke datum de grootste betaling van (omgerekend) € 303.269,- zou zijn gedaan. Derhalve dienen de[getuige 12]van [bedrijf 2] LLC (zie blz. 495 e.v. van het ontnemingsrapport) en[getuige 13]van [bedrijf 3] (zie blz. 492) als getuigen te worden gehoord hierover. Tevens wordt uw Hof verzocht [getuige 14]als getuige te doen horen, aangezien het geld uiteindelijk aan hem ten goede moest komen (blz. 499). Deze getuigen kunnen derhalve bevestigen dat cliënt de betreffende contante uitgaven niet heeft gedaan.”