ECLI:NL:PHR:2024:890

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
3 september 2024
Publicatiedatum
1 september 2024
Zaaknummer
23/00684
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 lid 2 EVRMArt. 288 lid 1 SvArt. 36e lid 3 Sr (oud)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt afwijzing getuigenverzoeken en toepassing onschuldpresumptie bij kasopstelling ontnemingsvordering

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het hof Amsterdam waarin een ontnemingsvordering van ruim €2 miljoen werd opgelegd aan de betrokkene, die eerder is veroordeeld voor medeplegen van gewoontewitwassen.

De betrokkene verzocht in hoger beroep om het horen van diverse getuigen ter onderbouwing van zijn verweer tegen de kasopstelling die ten grondslag lag aan de ontnemingsvordering. Het hof wees deze verzoeken af, omdat de verdediging onvoldoende concreet had onderbouwd waarom de getuigen relevant waren, mede gelet op de financiële gegevens die het Openbaar Ministerie had gepresenteerd.

Het cassatieberoep richtte zich op twee punten: de afwijzing van de getuigenverzoeken en de toepassing van de onschuldpresumptie bij de kasopstelling. De Hoge Raad oordeelt dat het hof de getuigenverzoeken terecht heeft afgewezen omdat de verdediging niet aannemelijk heeft gemaakt dat het horen van de getuigen de belangen van de betrokkene zou dienen. Daarnaast bevestigt de Hoge Raad dat bij een abstracte berekeningsmethode zoals de eenvoudige kasopstelling de onschuldpresumptie niet van toepassing is, omdat er geen directe schuldvaststelling aan concrete strafbare feiten plaatsvindt.

De conclusie van de procureur-generaal bij de Hoge Raad strekt tot verwerping van het cassatieberoep, waarmee het arrest van het hof Amsterdam in stand blijft.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en het arrest van het hof Amsterdam blijft in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00684 P

Zitting3 september 2024
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[betrokkene] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1947,
hierna: de betrokkene

Inleiding

1. Het gerechtshof Amsterdam heeft bij arrest van 21 februari 2023 het door de betrokkene wederrechtelijk verkregen voordeel vastgesteld op een bedrag van € 2.096.818,29 en aan de betrokkene de verplichting opgelegd tot betaling van een bedrag van € 2.090.000,00 aan de staat. De duur van de gijzeling die ten hoogste kan worden gevorderd in geval van niet-betaling is bepaald op 1.080 dagen.
2. Het cassatieberoep is ingesteld namens de betrokkene. R. Zilver, advocaat in Utrecht, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Het eerste middel komt op tegen (de motivering van) de beslissing van het hof om het verzoek tot oproeping van verschillende getuigen af te wijzen. Het tweede middel keert zich tegen het oordeel dat bij een abstracte berekeningsmethode als de eenvoudige kasopstelling de onschuldpresumptie niet aan de orde is.

De strafzaak

4. De betrokkene is bij arrest van het hof Amsterdam van 24 februari 2011 veroordeeld voor – kort gezegd – het medeplegen van gewoontewitwassen en deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De Hoge Raad heeft bij arrest van 13 november 2012 het cassatieberoep verworpen. [1] Daarmee is het arrest van het hof Amsterdam in de hoofdzaak onherroepelijk geworden.

De getuigenverzoeken

5. Bij vonnis van 18 februari 2016 heeft de rechtbank Noord-Holland aan de betrokkene een betalingsverplichting aan de staat opgelegd ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Namens de betrokkene is op 22 februari 2016 hoger beroep tegen deze uitspraak ingesteld. Bij appelschriftuur van 7 maart 2016 heeft de raadsman van de betrokkene verzocht om verschillende getuigen te horen. Dit verzoek is in de appelschriftuur als volgt onderbouwd:
“D. appellant verzoekt dat in hoger beroep de navolgende getuigen en/of getuige(n)- deskundige(n) (ter zitting) zullen worden gehoord:
1.
informanten, die aan de RCIE, Regiopolitie Kennemerland, de informatie hebben verstrekt dat appellant en zijn zoon leiding zouden hebben gegeven aan een criminele organisatie,
2.
[getuige 1], die het door de verdediging gestelde beginvermogen per 1 januari 2002 kan bevestigen;
3.
[getuige 2], [a-straat 1] [plaats] , die kan bevestigen dat in Spanje aangifte is gedaan van de legale inkomsten van appellant in de in geding zijnde periode;
4.
[getuige 3], die kan verklaren over de door hem van appellant op 2 juni 2001 aangekochte Trader41+4 met de naam ‘ [schip 1] ;
5.
[getuige 4], [b-straat 1] [plaats] , die kan verklaren over betalingen voor de aanschaf van het appartement [c-straat 1] te [plaats] die naar het oordeel van de verdediging ten onrechte zijn opgenomen in de berekening van het door appellant wederrechtelijk verkregen voordeel;
6.
de verbalisanten[verbalisant 1]en[verbalisant 2], die door de verdediging betwiste processen-verbaal hebben opgemaakt omtrent contante uitgaven in verband met de aanschaf van de [motorboot] ;
7.
[getuige 5]en[getuige 6]van [bedrijf 1] , [d-straat 1] [plaats] , die kunnen verklaren over de aanschafprijs van de [motorboot] ;
8.
[getuige 7], die kan kan verklaren over (legale) contante charterinkomsten;
9.
[getuige 8], die kan bevestigen dat appellant de Bentley met het Spaanse [kenteken 1] in consignatie heeft verhandeld;
10.
[getuige 9]en [getuige 10], die kunnen bevestigen dat appellant een Land Rover Sport met Brits kenteken in consignatie heeft verhandeld;
11.
[getuige 11]van Multirent, aan wie de verdediging vragen wil stellen over zijn vermoeden dat appellant € 20.000 zou hebben betaald voor een Opel Vectra met [kenteken 2] (hetgeen door appellant wordt betwist);
12.
[getuige 12],[getuige 13]en[getuige 14], die kunnen verklaren over door appellant betwiste uitgaven in Dubai.”
6. Op de als regiezitting aangemerkte terechtzittingen van 31 mei 2017 en 21 juni 2017 heeft de raadsman de getuigenverzoeken toegelicht aan de hand van de aan het hof overgelegde pleitnotities. Deze pleitnotities houden, voor zover relevant, het volgende in:
“Het staat buiten kijf dat het criterium van het onderzoeksbelang moet worden toegepast op de aan de orde zijnde onderzoekswensen, aangezien die zijn geformuleerd in een tijdig ingediende appelschriftuur en de verzochte getuigen niet in eerste aanleg zijn gehoord.
Wat betreft deRCIE-informatenstelt de AG ten onrechte dat het verzoek hen te horen de strafzaak betreft. De vraag is namelijk of de in deze ontnemingsprocedure in aanmerking te nemen aanvangsdatum moet worden vastgesteld op 1 januari 1999 in plaats van de in de strafzaak ten laste gelegde en bewezen verklaarde 1 januari 2002. Het OM meent van wel en dat standpunt is gebaseerd op van de betreffende informanten afkomstige informatie, dat cliënt en zijn zoon reeds vanaf 1995 leiding zouden hebben gegeven aan een criminele organisatie. Dit wordt door de verdediging betwist en derhalve alle uitgaven over de periode 1 januari 1999 tot 1 januari 2002 ten onrechte zijn opgenomen in de kasopstelling, die aan de in geding zijnde ontnemingsvordering ten grondslag is gelegd. Derhalve heeft de verdediging recht en belang deze getuigen daarover te horen.
[getuige 1]is van belang voor de vaststelling van het in aanmerking te nemen legale beginvermogen, aangezien cliënt van hem het schip met de naam ‘ [schip 2] ’ heeft gekocht. Hij kan verklaren dat – anders dan de AG stelt – het legale beginvermogen (veel) meer dan nihil betrof.
Met betrekking tot [getuige 2]moet worden vastgesteld dat er wel degelijk in Spanje ingediende belastingaangiften door de verdediging zijn overgelegd. Vervolgens heeft de Rechtbank het daarop gebaseerde verweer, dat sprake was van legale inkomsten, ten onrechte verworpen. Dit brengt mee dat cliënt er recht op- en belang bij heeft dat [getuige 2] in hoger beroep als getuige zal worden gehoord daarover teneinde de betreffende stelling te kunnen onderbouwen.
[getuige 3]heeft op 2 juni 2001 het schip met de naam [schip 1] gekocht, waardoor cliënt in de gelegenheid werd gesteld tot de storting van NLG 275.000 op 28 juni 2001 die in de kasopstelling is opgenomen. Het hiermee verband houdende verweer, dat geen sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel, is door de Rechtbank zonder enige, laat staan een deugdelijke motivering verworpen. Aangezien de verdediging niet het risico wenst te lopen dat in hoger beroep hetzelfde zal gebeurden, wordt uw Hof verzocht om [getuige 3] hierover als getuige te horen hierover. De AG verlangt in dit verband schriftelijke stukken dan wel een afschrift van een bankrekening, maar dat getuigt niet bepaald van een billijke bewijslastverdeling. Van cliënt kan immers niet worden verwacht dat hij nu nog over dergelijke stukken uit 2001 beschikt.
Dit is tevens een reden om [getuige 4]als getuige te horen over de aanschaf van het appartement in [plaats] . Daarvoor zijn namelijk zowel bancaire betalingen verricht als een hypothecaire financiering afgesloten en de daarmee verband houdende bedragen zijn derhalve ten onrechte opgenomen in de kasopstelling. Daar zijn echter geen stukken meer van voorhanden, zodat getuigenbewijs in de vorm van de verklaring van [getuige 4] noodzakelijk is om het gelijk van cliënt aan te tonen.
Dan komen we bij de [motorboot] , waarbij in deze ontnemingsprocedure zowel OM als Rechtbank de bevoegdheid tot schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel te buiten zijn gegaan door zich over te geven aan willekeur c.q. uit te gaan van een bedrag van € 871.794,50. Derhalve heeft de verdediging recht en belang om de verbalisanten[verbalisant 1]en [verbalisant 2] , die het proces-verbaal hebben opgemaakt waar dat bedrag op is gebaseerd, als getuigen te horen. Zij moeten onder meer worden gevraagd of zij rekening hebben gehouden met de schade aan het schip.
Voorts is geen rekening gehouden met het feit dat de in 1997 aangeschafte Mangusta 65 met de naam [schip 2] in 2005 werd verkocht voor € 400.000, waarvan € 200.000,- direct was voldaan en de overige € 200.000,- in mindering werd gebracht op de vervolgens aangeschafte [schip 3] . Dat laatste bedrag van € 200.000 is in het ontnemingsrapport derhalve ten onrechte aangemerkt als een vordering op [getuige 5]in plaats van dat het in mindering is gebracht op de aanschafprijs van de [motorboot] . Hierover dienen [getuige 5] en [getuige 6]van [bedrijf 1] als getuigen te worden gehoord, aangezien die e.e.a. kunnen bevestigen.
Van matroos[getuige 7]kan - anders dan de AG suggereert - wel degelijk worden verwacht dat hij het verschil weten tussen een chartervaart van de [motorboot] enerzijds en vervoer van vrienden anderzijds. Met zijn verklaringen kunnen de legale inkomsten derhalve nader aannemelijk worden gemaakt. Bovendien kan hij verklaren over de schade die het schip heeft opgelopen, waarmee ten onrechte geen rekening is gehouden bij de waardebepaling daarvan.
[getuige 8]is de vorige eigenaar van de Bentley, waarvan het OM stelt dat cliënt daar € 131.500 voor zou hebben uitgegeven. De verdediging betwist dit en stelt dat de auto slechts door cliënt is verhandeld en de daarop door hem gemaakte winst onderdeel uitmaakt van de fiscaal verantwoorde legale inkomsten, die hij in Spanje heeft genoten. Aangezien [getuige 8] dit kan bevestigen, dient hij te worden gehoord dienaangaande.
Hetzelfde geldt voor de Land Rover Sport met Brits kenteken, waarvan wordt gesteld dat cliënt daar € 100.000 contant voor zou hebben betaald. Ook dit betreft namelijk een zogenaamde handelsauto die hij in consignatie heeft gehad. Uw Hof wordt derhalve verzocht [getuige 9]en [getuige 10]als getuigen hieromtrent te doen horen.
[getuige 11]dient te worden gehoord over een vermeende contante uitgave van € 20.000,- aan autobedrijf Van Lent Heemstede voor een Opel Vectra met [kenteken 2] . Deze uitgave, die niet aannemelijk is te achten aangezien cliënt reeds over een auto kon beschikken, is blijkens het ontnemingsrapport is gebaseerd op een vermoeden van [getuige 11] van Multirent. Derhalve heeft de verdediging recht en belang om hem hierover te horen.
Tot slot de betwisting dat cliënt contante uitgaven zou hebben gedaan voor één of meer appartementen in Dubai. Blijkens de in eerste aanleg in geding gebrachte paspoortgegevens was hij niet eens in Verenigde Arabische Emiraten op 17 juli 2006, op welke datum de grootste betaling van (omgerekend) € 303.269,- zou zijn gedaan. Derhalve dienen de[getuige 12]van [bedrijf 2] LLC (zie blz. 495 e.v. van het ontnemingsrapport) en[getuige 13]van [bedrijf 3] (zie blz. 492) als getuigen te worden gehoord hierover. Tevens wordt uw Hof verzocht [getuige 14]als getuige te doen horen, aangezien het geld uiteindelijk aan hem ten goede moest komen (blz. 499). Deze getuigen kunnen derhalve bevestigen dat cliënt de betreffende contante uitgaven niet heeft gedaan.”
7. Het hof heeft de getuigenverzoeken afgewezen. Blijkens het proces-verbaal van de terechtzittingen in hoger beroep van 31 mei 2017 en 21 juni 2017 heeft het hof daaromtrent het volgende overwogen:
“Het hof heeft bij de beoordeling van de getuigenverzoeken, evenals de rechtbank, acht geslagen op relevante jurisprudentie van de Hoge Raad. Bij de beoordeling van getuigenverzoeken en de te hanteren maatstaf heeft het hof het volgende voorop gesteld:
De hantering van de maatstaf (of betrokkene door afwijzing van de getuigenverzoeken in zijn verdediging wordt geschaad,) kan niet los worden gezien van het specifieke karakter in een ontnemingsprocedure dat onder meer wordt bepaald door het feit dat de vordering, en in het bijzonder de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, doorgaans mede gebaseerd is op een financiële rapportage en in de procedure relatief veel nadruk kan liggen op wisseling van schriftelijke stukken door partijen. In een ontnemingsprocedure kan de rechter in zijn beoordeling of door het niet horen van een door de verdediging verzochte getuige de betrokkene redelijkerwijs in zijn verdediging wordt geschaad mede betrekken of het verzoek in het licht van de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, voldoende is onderbouwd. De aan die onderbouwing te stellen eisen mogen afhankelijk worden gesteld van de mate waarin de rechter het standpunt van het OM voorshands aannemelijk acht, alsook van de aard en omvang van het reeds aanwezige materiaal en het verloop van de procedure tot dan toe (HR 13 juli 2010, UN: BM2434).
Dit in aanmerking nemende, komt het hof tot de volgende beslissingen.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van deCIE-informantenals getuigen. De CIE-informatie is slechts gebruikt als startinformatie. Vervolgens is op basis van onderzoek geconstateerd dat er contante uitgaven door de veroordeelde zijn gedaan die niet kunnen worden verklaard aan de hand van legaal inkomen. Met betrekking tot de startinformatie, waarvan het RCIE proces-verbaal van 26 juni 2003 onderdeel uitmaakt, is de chef van de R.C.I.E. gehoord door de rechter-commissaris. De verdediging heeft onvoldoende onderbouwd welk belang gediend zou zijn met het horen van CIE-informanten, te meer nu de periode voor de kasopstelling ten opzichte van de bewezen verklaarde feiten kan worden uitgebreid op grond van andere omstandigheden dan de genoemde RCIE informatie. Het verzoek biedt, gelet op de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, onvoldoende onderbouwing voor het horen van de gevraagde getuigen. De veroordeelde wordt door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 1]als getuige. In het rapport is uitgebreid aandacht besteed aan de vaststelling van het beginsaldo. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd wat deze getuige meer zou kunnen verklaren over het beginvermogen en waarom het horen van deze getuige van belang kan zijn voor enige door het hof te nemen beslissing. De veroordeelde wordt door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 2]als getuige. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd wat deze getuige kan verklaren over eventuele ingediende belastingaangiften. Nu gesteld noch gebleken is dat deze getuige iets kan verklaren over de (il)legaliteit van het vermogen van de veroordeelde kan het horen van deze getuige niet van belang zijn voor enige door het hof te nemen beslissing. De veroordeelde wordt door de afwijzing van dit verzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 3]als getuige. De enkele stelling dat hij een boot heeft gekocht van de veroordeelde biedt, in het licht van de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, onvoldoende onderbouwing voor het horen van de gevraagde getuige. Nu gesteld noch gebleken is dat deze getuige iets kan verklaren over de (il)legaliteit van het vermogen van de veroordeelde kan het horen van deze getuige niet van belang zijn voor enige door het hof te nemen beslissing. De stelling van de raadsman dat de [schip 1] op 2 juni 2001 is verkocht aan [getuige 3] , is bovendien niet nader onderbouwd en is in het licht van het onderzoek onaannemelijk. Uit de stukken volgt immers dat veroordeelde en zijn zoon de boot hebben verkocht aan een limited, waarvan zij enkele weken later de wettelijk vertegenwoordiger bleken te zijn, terwijl bovendien de factuur én de kopiefactuur van deze verkoop tezamen met het certificaat van de eigendom van de boot zijn aangetroffen in de woning Kochstraat 7 te Zandvoort (waar veroordeelde regelmatig verbleef). Voorts is een aanlegsteiger voor de boot ten name van deze limited direct gefinancierd vanaf de bankrekeningen van de veroordeelde en zijn zoon. De veroordeelde wordt door de afwijzing van dit verzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 4]. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd wat deze getuige kan verklaren over de wijze waarop de hypothecaire lening is afgelost. Nu gesteld noch gebleken is dat de getuige iets kan verklaren over de (il)legaliteit van het vermogen van de veroordeelde is het horen van deze getuige niet van belang voor enige door het hof te nemen beslissing. De onderbouwing van het getuigenverzoek biedt, in het licht van de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde financiële gegevens ten aanzien van de financiering van het appartement, onvoldoende reden voor het horen van de gevraagde getuige. De veroordeelde wordt door de afwijzing van dit verzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[verbalisant 1] en [verbalisant 2]als getuige. Zij hebben het proces-verbaal ten aanzien van de aanschaf van de [motorboot] op ambtseed opgemaakt. Door de verdediging is op geen enkele wijze onderbouwd waarom aan de inhoud van dit proces-verbaal zou moeten worden getwijfeld. De veroordeelde wordt door de afwijzing van deze verzoeken redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 5] en [getuige 6]als getuigen. De enkele ontkenning dat de veroordeelde nog een vordering heeft op [getuige 5] , biedt, in het licht van de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, onvoldoende onderbouwing voor het horen van de gevraagde getuigen. De verzoeken zijn onvoldoende onderbouwd. De veroordeelde wordt door de afwijzing van deze verzoeken redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen vande matroos [getuige 7]als getuige. De enkele stelling dat deze getuige kan verklaren dat er chartervaarten hebben plaatsgevonden dan wel dat het schip schade heeft opgelopen is onvoldoende onderbouwing voor het horen van de gevraagde getuige. Voor deze stellingen is geen begin van aannemelijkheid aangedragen door de verdediging. De veroordeelde wordt door de afwijzing van dit verzoek redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 8] , [getuige 9] en [getuige 10]als getuigen. De enkele stelling dat de auto’s door de verdachte (in consignatie) zijn verhandeld is onvoldoende onderbouwing voor het horen van de gevraagde getuigen. Voor deze stelling is geen begin van aannemelijkheid aangedragen door de verdediging. De verdediging heeft voorts niet onderbouwd hoe deze personen kennis hebben genomen van de gestelde handel door de veroordeelde. De onderbouwing van de getuigenverzoeken biedt, in het licht van de aan de ontnemingsvordering ten grondslag gelegde stukken ten aanzien van de auto’s, onvoldoende reden voor het horen van de gevraagde getuigen. De veroordeelde wordt door de afwijzing van deze verzoeken redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 11] van Multirentals getuige. De enkele ontkenning dat de veroordeelde de auto heeft gehuurd biedt, in het licht van hetgeen volgt uit de stukken ten aanzien van het huren van de auto, onvoldoende reden voor het horen van de gevraagde getuige. De veroordeelde wordt door de afwijzing van deze verzoeken redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.
Het hofwijst afhet verzoek tot het horen van[getuige 12] , [getuige 13] en [getuige 14]als getuigen. De enkele stelling dat de veroordeelde niet in Dubai is geweest ten tijde van de contante betalingen biedt onvoldoende onderbouwing voor het horen van de gevraagde getuigen. De raadsman heeft onvoldoende onderbouwd en geconcretiseerd waarover de getuigen zouden kunnen verklaren. De veroordeelde wordt door de afwijzing van deze verzoeken redelijkerwijs niet in zijn belangen geschaad.”
8. Vervolgens heeft er een schriftelijke conclusiewisseling tussen de verdediging en het Openbaar Ministerie plaatsgevonden. In een schriftelijke conclusie van 5 september 2018 heeft de raadsman van de betrokkene het verzoek ten aanzien een aantal van de eerder verzochte getuigen (voorwaardelijk) herhaald.
9. Op de laatste terechtzitting in hoger beroep, op 10 januari 2023, heeft de voorzitter medegedeeld dat de verdediging zich – gelet op de schriftelijke conclusiewisseling – kan beperken tot de kern van de verweren. Blijkens het proces-verbaal van de zitting en de overgelegde pleitnotities heeft de raadsman van de betrokkene onder meer aangevoerd dat de verdedigingsrechten van de betrokkene door afwijzing van de eerdere getuigenverzoeken zijn geschonden, maar heeft hij bij die gelegenheid de (voorwaardelijke) getuigenverzoeken uit de schriftelijke conclusie niet herhaald.
10. Het hof heeft in het bestreden arrest overwegingen gewijd aan het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van getuigen uit de schriftelijke conclusie van 5 september 2018. Onder de kopjes ‘Aanvang onderzoeksperiode’ en ‘Voorwaardelijk verzoek tot horen getuigen’ heeft het hof het volgende overwogen (met weglating van voetnoten):
Aanvang onderzoeksperiode
De verdediging heeft aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de onderzoeksperiode kan aanvangen op 1 januari 1999, omdat het dossier daarvoor te weinig grondslag biedt. De verdediging is bovendien niet in de gelegenheid geweest de CIE-informanten te ondervragen die belastend hebben verklaard over de betrokkene. Het is in strijd met artikel 6 van Pro het EVRM deze getuigen niet te horen en dit dient te leiden tot bewijsuitsluiting.
Het hof verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In de eerste plaats wijst het hof erop dat er met betrekking tot de jaren ’90 omvangrijke CIE-informatie beschikbaar was die wees op betrokkenheid van de betrokkene bij drugsdelicten. Daarnaast is er de in 1999 verrichte contante storting van NLG 47.242,55 op een Luxemburgse bankrekening. Ook is relevant dat sinds 1996 geen gegevens over de inkomsten van de betrokkene in Nederland bekend zijn en dat op basis van gegevens verkregen naar aanleiding van het rechtshulpverzoek aan Spanje niet aannemelijk is geworden dat de betrokkene legale inkomsten in Spanje had. Voorts wijst het hof op de overweging op pagina 10 van het arrest van het hof Amsterdam in de hoofdzaak dat het niet aannemelijk is dat de betrokkene “de vermogensbestanddelen, die aan hem kunnen worden gerelateerd, op een andere wijze heeft verkregen dan door de investering van (in overwegende mate) uit misdrijf afkomstige gelden (ook al zijn die vermogensbestanddelen verkregen in de jaren, voorafgaand aan de periode waarin het lidmaatschap van de criminele organisatie bewezen is verklaard.)”. Het hof is dan ook van oordeel dat dient/kan worden uitgegaan van 1 januari 1999 als aanvangsdatum.
(…)
Voorwaardelijk verzoek tot horen van getuigen
De verdediging heeft - indien het hof niet tot afwijzing van de ontnemingsvordering dan wel tot nihil stelling van het wederrechtelijke verkregen voordeel zal beslissen - verzocht een aantal getuigen te horen. Het gaat om de volgende getuigen:
a.
de CIE-informanten over de door deze informanten verstrekte informatie;
b.
getuige Mansholt over het beginvermogen;
c.
getuige [getuige 2] over inkomsten uit bemiddeling in onroerend goed in Spanje in periode 2003-2006;
d.
getuige [getuige 3] over de verkoop van het schip ‘KEREELA’ op 2 juni 2001;
e.
getuige [getuige 4] over de aankoop van het appartement in [plaats] ;
f.
getuigen Ole-Scheper, [getuige 9] en [getuige 10] over het in consignatie verhandelen van de Bentley en de Landrover;
g.
getuigen [getuige 5] en [getuige 6] over de aankoop van de ‘ [motorboot] ’.
Het hof stelt voorop dat de zogenoemde Keskin-jurisprudentie op het verzoek tot het horen van de getuigen niet van toepassing is, nu het gaat om een eenvoudige kasopstelling en (dus) om de contante uitgaven (inclusief stortingen op bankrekeningen) die aan betrokkene kunnen worden toegerekend en die niet verklaard kunnen worden uit legale inkomsten. Het gaat niet om een door de betrokkene concreet strafbaar feit als bedoeld in lid 1 of lid 2 van artikel 36e WvSr. In ontnemingszaken geldt de verplichting om een verzoek tot het horen van getuigen te motiveren. Bij de beoordeling of het verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd, kan de rechter in de ontnemingszaak onder meer acht slaan op de al verkregen resultaten van het voor de strafzaak relevante onderzoek alsmede het procesverloop in de ontnemingszaak. Daarnaast kan de rechter bij de beoordeling van de vraag of het horen van de getuigen waarop het verzoek betrekking heeft, relevant is voor de in de ontnemingszaak te nemen beslissingen, betrekken de wijze waarop het openbaar ministerie - door het presenteren van financiële gegevens en berekeningen - zijn standpunt met betrekking tot de oplegging van een ontnemingsmaatregel heeft onderbouwd en de mate waarin dat standpunt voorshands aannemelijk kan worden geacht.
De getuigen genoemd onder a - de CIE-informanten - zouden gehoord moeten worden over (de houdbaarheid van) de aanvang van de onderzoeksperiode. Het hof overweegt dat de aanvangsdatum van de ontnemingsvordering niet slechts gebaseerd is op de anonieme informatie van de CIE-informaten. Het hof verwijst in dit verband naar hetgeen onder het kopje 'aanvang onderzoeksperiode’ is overwogen. Bovendien kunnen de CIE-informanten niet verklaren over een concrete contante uitgave dan wel opname van een bankrekening, hetgeen de kern van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel betreft.
De overige getuigen - onder b t/m g - zouden kunnen verklaren over de aan- of verkoop van diverse goederen dan wel het in consignatie verhandelen van auto’s. Bij het verhandelen van de bedoelde goederen moet een papieren stroom zijn gemoeid, zeker waar het gaat om de auto’s. De betrokkene heeft echter geen enkel bewijsstuk verstrekt als het op deze goederen aankomt. Het blijft derhalve bij een enkele stelling van de betrokkene.
Het hof is gelet op het voorgaande - en gegeven de kaders waarbinnen de ontnemingsprocedure in onderhavig geval is vormgegeven - van oordeel dat de betrokkene niet in zijn belangen wordt geschaad bij afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuigen.”

Het eerste middel

11. Het eerste middel klaagt dat het hof het verzoek tot het horen van getuigen ten onrechte heeft afgewezen, althans die afwijzing niet naar de eis der wet met redenen heeft omkleed.
12. Aan het middel is ten grondslag gelegd dat het oordeel dat de betrokkene door de afwijzing van de getuigenverzoeken niet in zijn belangen wordt geschaad, onbegrijpelijk is in het licht van het grote tijdsverloop in de zaak. Hierdoor zijn veel schriftelijke stukken die de standpunten van de betrokkene zouden kunnen ondersteunen niet meer beschikbaar. Het horen van de verzochte getuigen zou om die reden noodzakelijk zijn geweest om de in het financieel rapport gemaakte gevolgtrekkingen te kunnen betwisten, waardoor de verdediging zonder meer belang had bij het horen van de getuigen, aldus de steller van het middel.

De beoordeling van het middel

13. Het hof heeft de getuigenverzoeken beoordeeld aan de hand van de in artikel 288 lid 1 Sv Pro vervatte maatstaf, namelijk of de betrokkene door afwijzing van de verzoeken redelijkerwijs in zijn verdediging wordt geschaad (het ‘verdedigingsbelang’). De toepassing van deze maatstaf staat in cassatie niet ter discussie.
14. In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een getuigenverzoek in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van enerzijds hetgeen de verdediging aan het verzoek ten grondslag heeft gelegd en anderzijds de gronden waarop het verzoek is afgewezen. [2]
15. De verdediging heeft aan de getuigenverzoeken ten grondslag gelegd dat de getuigen kunnen verklaren over, kort gezegd, de in de kasopstelling in aanmerking genomen aanvangsdatum, het beginvermogen van de betrokkene, de aan- en verkoop van verschillende auto’s, boten en appartementen en overige inkomsten die volgens de verdediging ten onrechte niet in de kasopstelling zijn opgenomen. De getuigenverzoeken houden dus verband met de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dit brengt mee dat het hof bij de beoordeling van de getuigenverzoeken mede in zijn oordeel kon betrekken of de verdediging van de betrokkene, in het licht van de door het Openbaar Ministerie aan zijn vordering ten grondslag gelegde financiële gegevens, voldoende concreet heeft onderbouwd waarom het horen van die getuigen van belang is voor de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel. [3]
16. Bij de beoordeling van de vraag of het getuigenverzoek voldoende is onderbouwd, kan de ontnemingsrechter onder meer acht slaan op de al verkregen resultaten van het voor de ontnemingszaak relevante onderzoek alsmede het procesverloop in de ontnemingszaak. Daarnaast kan de rechter bij de beoordeling van de vraag of het horen van de getuigen waarop het verzoek betrekking heeft, relevant is voor de in de ontnemingszaak te nemen beslissingen, betrekken de wijze waarop het Openbaar Ministerie – door het presenteren van financiële gegevens en berekeningen – zijn standpunt met betrekking tot de oplegging van een ontnemingsmaatregel heeft onderbouwd en de mate waarin dat standpunt voorshands aannemelijk kan worden geacht. [4]
17. Het hof heeft de getuigenverzoeken afgewezen. Uit de motivering blijkt dat het hof deze verzoeken heeft beoordeeld in het licht van de financiële (en overige) gegevens die het Openbaar Ministerie aan de ontnemingsvordering ten grondslag heeft gelegd. Daarbij heeft het hof onder meer in aanmerking genomen dat de aanvangsdatum van de ontnemingsvordering niet slechts is gebaseerd op informatie van de CIE-informanten, dat de RCIE-chef reeds (in aanwezigheid van de verdediging) is gehoord en dat in het financieel rapport uitgebreid aandacht is besteed aan het beginvermogen van de betrokkene. Ook ten aanzien van de getuigen die (volgens de verdediging) zouden kunnen verklaren over de aan- en verkoop van verschillende auto’s, boten en appartementen en overige door de verdediging gestelde legale inkomsten heeft het hof uiteengezet waarom het meer waarde hechtte aan het bewijsmateriaal waarop het Openbaar Ministerie de ontnemingsvordering heeft gebaseerd.
18. In dat oordeel ligt besloten dat het hof het standpunt van het Openbaar Ministerie – vanwege de door deze gepresenteerde financiële gegevens en berekeningen – voorshands aannemelijk heeft geacht. Bij deze stand van zaken heeft het hof kunnen oordelen dat de betrokkene geen belang heeft bij het horen van de genoemde getuigen. Een betrokkene heeft immers geen belang bij het horen van een getuige aan wiens verklaring – ongeacht welke dat zou zijn (en dus zonder op deze verklaring vooruit te lopen) – de ontnemingsrechter op aannemelijke, door het OM aangedragen bewijsgronden voorbij kan gaan.
19. In het licht van het voorgaande, acht ik de afwijzing van de getuigenverzoeken niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
20. Het middel faalt.

Het tweede middel

21. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof ten onrechte heeft geoordeeld dat de onschuldpresumptie niet aan de orde is indien het wederrechtelijk verkregen voordeel is berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling.
22. In de toelichting op het middel wordt – in navolging van het in hoger beroep gevoerde verweer – aangevoerd dat het hof de onschuldpresumptie heeft geschonden door in de kasopstelling bepaalde uitgaven op te nemen, terwijl de betrokkene in de aan de ontnemingszaak voorafgegane strafzaak is vrijgesproken van het witwassen van die bedragen. Het hof heeft ten onrechte aangenomen dat de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM Pro zich daar niet tegen verzet, aldus de steller van het middel.
23. In dit verband wordt in het bijzonder gewezen op het arrest van 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:159. De steller van het middel leidt uit dit arrest af dat het uit de Geerings-rechtspraak [5] voortvloeiende uitgangspunt, inhoudende dat de onschuldpresumptie zich verzet tegen het ontnemen van voordeel verkregen uit feiten waarvoor de betrokkene is vrijgesproken, eveneens van toepassing is bij een voordeelsberekening aan de hand van een kasopstelling.

De motivering van het hof

24. Ter motivering van de verwerping van het in hoger beroep gevoerde verweer heeft het hof het volgende overwogen:
Onschuldpresumptie
De verdediging heeft aangevoerd dat de betrokkene van twee onderdelen van het ten laste gelegde witwassen is vrijgesproken, namelijk de betalingen in Dubai en de bedragen die uitgegeven zijn aan het gokken. Uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad sinds het Geerings-arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) blijkt dat de rechter de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel niet mag baseren op feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken. Deze jurisprudentie geldt eveneens in het geval een kasopstelling wordt gehanteerd, aldus de verdediging.
Bij een abstracte berekeningsmethode als het onderhavige - de eenvoudige kasopstelling - is geen sprake van een directe relatie tussen de bij de berekening in aanmerking genomen bedragen en de concrete strafbare feiten. Bij de berekening staat niet een concreet strafbaar feit centraal, maar de verandering in het contante vermogen van de betrokkene. Van een schuldvaststelling aan concrete strafbare feiten is geen sprake, het beginsel van de onschuldpresumptie is hier niet aan de orde.”

De beoordeling van het middel

25. In de onderhavige zaak is de voordeelsontneming gebaseerd op artikel 36e lid 3 (oud) Sr en is het voordeel berekend aan de hand van een eenvoudige kasopstelling. Dit betreft een abstracte berekeningswijze waarbij onderzoek wordt verricht naar het bestaan en de omvang van een onverklaarde bron van contant geld waarover iemand gedurende de onderzochte periode moet hebben beschikt. Bij toepassing van die methode wordt op zichzelf genomen geen rechtstreeks verband gelegd tussen het verkregen voordeel en concrete strafbare feiten. [6]
26. Uit het Geerings-arrest volgt dat de onschuldpresumptie van artikel 6 lid 2 EVRM Pro zich verzet tegen het ontnemen van voordeel verkregen uit strafbare feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken. [7] Bij de beoordeling van het middel komt het aldus aan op de vraag of de rechter in de ontnemingszaak alsnog de schuld van de betrokkene heeft aangenomen aan een strafbaar feit waarvan hij is vrijgesproken. [8] Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad sinds het Geerings-arrest kan worden afgeleid dat het opnemen van geldbedragen in een kasopstelling terwijl de betrokkene is vrijgesproken van strafbare feiten die verband houden met die bedragen in beginsel niet als een dergelijke schuldvaststelling is aan te merken. [9] Anders dan in het middel wordt betoogd, doet hetgeen is bepaald in het arrest van 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:159, aan het voorgaande niet af. [10]
27. Het oordeel van het hof dat de onschuldpresumptie – als hoofdregel – niet aan de orde is bij een abstracte berekeningsmethode indien geen concrete strafbare feiten worden benoemd, geeft geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik aanmerking dat het hof in het bestreden arrest de strafbare feiten waarvan de betrokkene in de strafzaak is vrijgesproken niet heeft aangewezen als grondslag voor de ontneming. Het hof legt immers nergens een relatie tussen de in de kasopstelling opgenomen bedragen en de strafbare feiten waarvan de betrokkene is vrijgesproken. Van een schuldvaststelling is derhalve geen sprake.
28. Het middel faalt.

Slotsom

29. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro te ontlenen overweging.
30. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
31. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie HR 13 november 2012, ECLI:NL:HR:2012:BX9572.
2.HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147,
3.HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147,
4.HR 8 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:147,
5.EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (
6.Vgl. mijn conclusie voorafgaand aan HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:159, randnummer 30-31. Zie ook de noot van Borgers onder EHRM 1 maart 2007,
7.EHRM 1 maart 2007, nr. 30810/03 (
8.Vgl. HR 9 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BG6304,
9.Zie ook: F.C.W. de Graaf, ‘Abstracte berekeningsmethoden concreet bekeken: ontnemen na een vrijspraak en de toepassing van artikel 36e, negende lid, Sr’,
10.Ik licht dat uitgebreid toe in mijn conclusie voorafgaand aan HR 22 februari 2022, ECLI:NL:HR:2022:159, randnummers 43-56. Het ging in die zaak om de vaststelling dat de betrokkene – met contant geld – verdovende middelen had ingekocht en dus ook ‘opzettelijk voorhanden heeft gehad’. Een dergelijke schuldvaststelling ligt (in het daar besproken geval) besloten in de verwerking van deze post van contante uitgaven in een eenvoudige kasopstelling. Voor zaken en bedragen die voorwerp zijn van witwassen geldt daarentegen niet dat in de vermelding ervan in een eenvoudige kasopstelling besloten ligt dat de betrokkene (in weerwil van de vrijspraak) een strafbaar feit heeft begaan.