Conclusie
het hof begrijpt: Wegenverkeerswet) 1994 ongeldig is geworden.
Ik zit daar fout in”.
het hof begrijpt: de personenauto met kenteken [kenteken]) is een rijbewijs vereist van de categorie B. na onderzoek bleek dat een op naam van de bestuurder gesteld rijbewijs zijn geldigheid had verloren op grond van artikel 123b WVW (
het hof begrijpt: Wegenverkeerswet) 1994.
middelklaagt dat de gebezigde bewijsmiddelen niet redengevend zijn voor het bewezenverklaarde besturen van een motorrijtuig na ongeldigverklaring van het rijbewijs.
Deze gevallen leiden in verband met art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 in de praktijk niet of nauwelijks tot problemen, zo is mijn vermoeden. Dat ligt echter anders bij de volgende gevallen.
Ongeldigverklaring kan namelijk ook indien er kennelijk iets schort aan de rijvaardigheid of rijgeschiktheid van de houder van het rijbewijs, op grond van de art. 130 e.v. WVW. Van een daartoe strekkend vermoeden kan – doorgaans door een opsporingsambtenaar – mededeling worden gedaan aan het CBR (art. 130 WVW Pro). Dat kan leiden tot een verplichting deel te nemen aan een Educatieve Maatregel Alcohol en verkeer (de zgn. EMA of de lichte variant, de LEMA), of – tot 2013 – de deelname aan het alcoholslotprogramma en als laatste de verplichting een onderzoek te ondergaan naar de rijvaardigheid of rijgeschiktheid (art. 131 WVW Pro). De uitwerking van deze verplichtingen zijn te vinden in een ministeriële regeling: de Regeling maatregelen rijvaardigheid en geschiktheid 2011. [6] Het door de houder van het rijbewijs niet naleven van de opgelegde verplichtingen – waaronder ook valt de plicht de kosten ervan te voldoen – leidt op grond van art. 132 lid 2 WVW Pro 1994 tot “onverwijlde” ongeldigverklaring van het rijbewijs. Is een nader onderzoek opgelegd naar de rijvaardigheid c.q. rijbekwaamheid en is de uitslag daarvan negatief, dan volgt op grond van art. 134 lid 2 eveneens Pro ongeldigverklaring van het rijbewijs. Nadat een rijbewijs ongeldig is verklaard dient de houder ervan dit in te leveren bij de autoriteit die tot ongeldigverklaring is overgegaan. Bij de gevallen bedoeld in art. 132 en Pro 134 WVW 1994 is dat het CBR, zie art. 132 lid 5 en Pro art. 134 lid 4 WVW Pro, waarin de eerder genoemde bepaling van overeenkomstige toepassing is verklaard.
1. De bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager.
per senon-existent of onrechtmatig. Doorgaans heeft een dergelijk gebrek wel gevolgen voor de termijn voor (administratief) beroep of bezwaar in die zin dat die termijn nog niet is ‘gaan lopen’. [11] Het lijkt mij echter, gelet op de rechtsgevolgen van de ongeldigverklaring, dat dit, mutatis mutandis, ook zou moeten worden aangenomen voor het van kracht worden van de ongeldigverklaring van het rijbewijs – waar die gekoppeld is aan een termijn van zeven dagen na de bekendmaking van het besluit zou ik aan willen nemen dat die termijn ook niet loopt indien de bekendmaking niet of niet op de juiste wijze heeft plaatsgevonden. Met andere woorden: de ongeldigheid treedt dan inderdaad (nog) niet in werking.
Is op geen van de genoemde wijzen uitreiking of verzending mogelijk dan kan, zo stelt art. 3.41 lid 2 Awb de bekendmaking op andere geschikte wijze geschieden. In het bijzonder kan daaraan worden gedacht indien geen enkel adres van de betrokkene bekend is. Die andere geschikte wijze kan bijvoorbeeld een publicatie in een dag- of weekblad zijn. [14] Een geschikte wijze kan ook zijn de toezending aan het laatst bekende adres, of in een specifiek geval, de moeder van de betrokkene. [15]
VR2014/32, onder 6. Hij opteert daarin voor een de introductie van een wijze van bekendmaken van een beslissing tot ongeldigverklaring van een rijbewijs waarmee wordt bevorderd dat de rijbewijshouder persoonlijk bekend wordt met de beslissing. De wijze van verzending van beslissingen tot ongeldigverklaring van een rijbewijs biedt volgens hem onvoldoende garanties dat de betrokken rijbewijshouders daadwerkelijk bekend worden met de ongeldigverklaring, waardoor de handhaving van het verbod van art. 9 lid 2 WVW Pro 1994 wordt bemoeilijkt en een bedreiging vormt voor de verkeersveiligheid. Het lijkt erop dat de praktijk op dit punt dan ook aangepast gaat worden. In een brief aan de Tweede Kamer van 17 september 2018, inzake Maatregelen verkeersveiligheid, [55] kondigt de Minister van Justitie en Veiligheid een wijziging van de te volgen procedure door het CBR aan, alsmede een verbeterde wijze van verbaliseren:
Succesvolle vervolging voor rijden zonder geldig rijbewijs
huidigerijbewijs van de verdachte en daarnaast tot oplegging van het alcoholslotprogramma (ASP). De steller van het middel wijst erop dat een deelnemer van het ASP – nadat hij dit zelf heeft aangevraagd – een rijbewijs B met code 103 ‘rijden met een alcoholslot’ krijgt, terwijl het ‘oude’ rijbewijs ingevolge art. 132b lid 3 WVW 1994 ongeldig wordt bij de oplegging van de maatregel. Uit de bewijsmiddelen blijkt slechts dat het rijbewijs van de categorie B dat aan de verdachte voor het besturen van de auto waarmee hij was aangehouden was afgegeven, zijn geldigheid had verloren. Volgens de steller van het middel zijn de bewijsmiddelen mede gelet hierop niet (zonder meer) redengevend voor in het bijzonder het onderdeel dat ‘aan hem daarna geen ander rijbewijs voor het besturen van een motorrijtuig van de betrokken categorie was afgegeven’, nu niet blijkt dat de verdachte niet aan het hem bij besluit van 4 juli 2014 opgelegde ASP heeft deelgenomen en/of dat hij ten tijde van zijn staandehouding niet voldeed aan de voorwaarden waaronder hij binnen het ASP een auto mocht besturen.