ECLI:NL:PHR:2024:91

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
6 februari 2024
Publicatiedatum
22 januari 2024
Zaaknummer
23/00906
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 81 lid 1 ROArt. 313 SvArt. 261 SvArt. 385 lid 4 SvArt. 68 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt veroordeling tot 30 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen dubbele moord en poging moord

De verdachte werd door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba veroordeeld tot 30 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van dubbele moord, poging moord en poging doodslag. De feiten betreffen een schietincident op 7 april 2019 waarbij twee slachtoffers werden gedood en twee anderen werden verwond, waarbij de verdachte als chauffeur en medepleger betrokken was.

De verdachte stelde in cassatie onder meer dat het Hof ten onrechte de tenlastelegging had verbeterd en dat het bewijs voor voorwaardelijk opzet op de dood van twee niet primair beoogde slachtoffers onvoldoende was. De Hoge Raad oordeelde dat het Hof terecht de tenlastelegging verbeterd heeft gelezen zonder de verdediging te schaden, en dat het bewijs voor voorwaardelijk opzet voldoende gemotiveerd en begrijpelijk is.

De Hoge Raad benadrukte dat voorwaardelijk opzet kan worden afgeleid uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, zoals het herhaaldelijk afvuren van kogels in een publieke ruimte. De klachten van de verdediging werden verworpen en het cassatieberoep werd afgewezen. De veroordeling tot 30 jaar gevangenisstraf blijft daarmee in stand.

Uitkomst: De Hoge Raad bevestigt de veroordeling van verdachte tot 30 jaar gevangenisstraf wegens medeplegen van dubbele moord en poging moord.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/00906 C

Zitting6 februari 2024
CONCLUSIE
D.J.M.W. Paridaens
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1988,
hierna: de verdachte.

Inleiding

1. De verdachte is bij vonnis van 22 december 2022 door het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba (hierna: het Hof) wegens:
- onder 1 en 2 “medeplegen van moord, meermalen gepleegd”,
- onder 3 primair “medeplegen van poging tot doodslag en medeplegen van poging tot moord”,
- onder 4 (eerste cumulatief/alternatief) “diefstal, voorafgegaan en vergezeld van bedreiging met geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en die diefstal gemakkelijker te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen”,
- onder 5 “medeplegen van een overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening 1930, meermalen gepleegd”,
- onder 6 “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”,
- onder 7 “overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die Landsverordening, meermalen gepleegd en medeplegen van overtreding van een verbod gesteld bij artikel 3, eerste lid, van de Vuurwapenverordening, strafbaar gesteld bij artikel 11 van Pro die Landsverordening, meermalen gepleegd”,
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het Hof beslissingen genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen en over de vorderingen van drie benadeelde partijen, en zijn aan de verdachte drie schadevergoedingsmaatregelen opgelegd, een en ander zoals nader in het vonnis is omschreven. [1]
2. Namens de verdachte hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat te Rotterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
3. Op grond van de bewijsvoering van het Hof gaat het in deze zaak om het volgende. De verdachte onderhield een relatie met [betrokkene 1] . Hij heeft haar op 5 april 2019 verweten een (seksuele) relatie te hebben onderhouden met [slachtoffer 1] en heeft haar daarop medegedeeld dat zij zou gaan zien wat er met [slachtoffer 1] zou gaan gebeuren. De verdachte en de medeverdachte [betrokkene 2] zijn op 7 april 2019 (omstreeks 3:12 uur) richting de [A] snack gereden, waar de medeverdachte is uitgestapt en een eerste schot op [slachtoffer 1] heeft gelost. Terwijl [slachtoffer 1] wegrende, heeft de medeverdachte herhaald op [slachtoffer 1] geschoten waardoor deze dodelijk is verwond. Bij de gelegenheid van dat schieten is ook [slachtoffer 2] , die als bezoeker van de snackbar aanwezig was, dodelijk geraakt. Tevens is een kogel geschoten door de voorruit van een auto die door [slachtoffer 3] werd bestuurd. Tijdens de schietpartij is de medeverdachte door de politieagent [verbalisant] beschoten en geraakt. In de tussentijd bleef de verdachte zich in de auto langzaam voortbewegen in de richting van de medeverdachte. De medeverdachte is op gegeven moment ingestapt in de auto die de verdachte bestuurde. Vanuit die auto is meermalen geschoten richting de politieagent [verbalisant] . Daarna is met die auto een andere auto klemgereden en vervolgens gestolen onder bedreiging van de bestuurster met een vuurwapen.
4. De klachten in cassatie richten zich op de verbeterde lezing van het onder 3 primair tenlastegelegde en op het onder 2 en 3 primair bewezenverklaarde voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .

Het eerste middel

5. Het eerste middel heeft betrekking op de verbeterde lezing door het Hof van het onder 3 primair tenlastegelegde. Het bevat de klacht dat het oordeel van het Hof dat sprake is van een evidente en als zodanig herkenbare verschrijving/omissie in de tenlastelegging die door het Hof verbeterd kan worden gelezen, onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen het Gerecht in eerste aanleg hieromtrent heeft overwogen/geoordeeld.
6. Aan de verdachte is onder 3 primair tenlastegelegd:
“dat hij op of omstreeks 7 april 2019, althans in of omstreeks de maand april 2019 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf om,
[verbalisant] en/of
[slachtoffer 3] ,
van het leven te beroven, met dat opzet en -al dan niet- na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader(s), althans alleen, met (een) vuurwapen(s) een of meerdere (gerichte) schoten heeft gelost in de richting van die,
[verbalisant] en/of
[slachtoffer 3] ,
zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en/of zijn mededader(s) voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
7. In eerste aanleg heeft het Gerecht de verdachte vrijgesproken van het onder 3 primair tenlastegelegde en daartoe heeft het als volgt overwogen (onderstreping zoals in vonnis):
“Uit hetgeen hierna, ten aanzien van de feiten 1 en 2, is overwogen en bewezenverklaard, volgt dat verdachte en medeverdachte [betrokkene 2] zich op 7 april 2019 hebben schuldig gemaakt aan de moord op [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , waarbij de dodelijke schoten werden gelost door medeverdachte [betrokkene 2] terwijl verdachte zich in de vluchtauto bevond.
Het Gerecht stelt vast dat de tekst van feit 3 primair, zowel ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 3] als slachtoffer [verbalisant] , ziet op het plegen van poging moord/doodslag, en
nietop het medeplegen daarvan.
Nu het medeverdachte [betrokkene 2] was die op de plaats delict de schoten loste, kan niet bewezen dat verdachte zich als pleger heeft schuldig gemaakt aan dit feit ten aanzien van slachtoffer [slachtoffer 3] . Uit het dossier en onderzoek ter terechtzitting is niet gebleken wie er vanuit de vluchtauto op politieagent [verbalisant] heeft geschoten. Het Gerecht constateert dat hier geen nader onderzoek naar is verricht. De enkele stelling van de officier van justitie, dat dit verdachte moet zijn geweest omdat de medeverdachte gewond was aan zijn arm, kan niet zonder meer tot die conclusie leiden. Derhalve kan niet bewezen worden dat verdachte, als pleger, vanuit de vluchtauto op politieagent [verbalisant] heeft geschoten.”
8. Het Hof heeft ten aanzien van het onder 3 primair tenlastegelegde het volgende overwogen:
“De officier van justitie heeft op de inleidende dagvaarding onder 3 primair aan de verdachte verweten - kort gezegd - dat hij heeft gepoogd om [verbalisant] en/ of [slachtoffer 3] opzettelijk (al dan niet met voorbedachte raad) van het leven te beroven. Daartoe heeft hij met zijn mededader(s) althans alleen met een vuurwapen schoten gelost in zijn/haar/hun richting, doch de verdere uitvoering van dat door de verdachte en/ of zijn mededaders voorgenomen misdrijf is niet voltooid, aldus de officier van justitie als de steller van de tenlastelegging. Het Gerecht heeft in het vonnis waarvan beroep overwogen dat de tekst van de tenlastelegging slechts ziet op het plegen van die feiten, en niet ook op het medeplegen daarvan.
Het Hof leest - anders dan het Gerecht heeft gedaan - die tenlastelegging verbeterd. Uit de redactie van de aan de verdachte verweten gedraging blijkt evident dat de officier van justitie voor ogen heeft gestaan primair het medeplegen van die feiten aan de verdachte te verwijten. Dat daarvan door hem als de steller van de tenlastelegging niet al in de eerste regel melding is gemaakt berust op een kennelijke misslag, terwijl de verbeterde lezing niet strijdig is met de bewoordingen waarin de tenlastelegging van dit feit overigens is gesteld. De verdachte wordt door deze verbeterde lezing niet in zijn verdediging geschaad, nu het niet anders kan zijn dan dat die misslag ook voor de verdachte kenbaar is, reeds bij de lezing van de door de officier van justitie gekozen formulering van deze tenlastelegging. Zo daarover veronderstellenderwijs al twijfel zou kunnen bestaan, wordt die twijfel weggenomen door de inhoud van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en de aan de verdachte bij die gelegenheid voorgehouden stukken. Aldus kan bij de verdachte geen onduidelijkheid hebben bestaan omtrent hetgeen hem door de officier van justitie is verweten, in het bijzonder inzake het al dan niet in vereniging met de andere - ook voor dit feit gelijktijdig berechte - verdachte [betrokkene 2] begaan van dat feit.”
9. Vervolgens heeft het Hof ten laste van de verdachte ten aanzien van feit 3 primair bewezenverklaard (cursivering zoals in vonnis):
“dat hij op 7 april 2019 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte
en zijn mededadervoorgenomen misdrijf om,
[verbalisant]
van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere gerichte schoten heeft gelost in de richting van die,
[verbalisant]
zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.
en
dat hij op 7 april 2019 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte
en zijn mededadervoorgenomen misdrijf om,
[slachtoffer 3] ,
van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader met een vuurwapen meerdere gerichte schoten heeft gelost in de richting van die,
[slachtoffer 3] ,
zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
10. Door de stellers van het middel wordt – zoals hiervoor al is aangegeven – betoogd dat het oordeel van het Hof dat sprake is van een als zodanig herkenbare verschrijving/omissie die door het Hof verbeterd gelezen zou kunnen worden onbegrijpelijk is in het licht van hetgeen het Gerecht in eerste aanleg heeft aangevoerd.
11. Bij de beoordeling van het middel dient het volgende te worden vooropgesteld. Vaste jurisprudentie van de Hoge Raad is dat het op de weg van de rechter ligt om in de tekst van een tenlastelegging voorkomende misslagen te verbeteren. [2] De verdachte mag daardoor evenwel niet in zijn verdediging worden geschaad. Een dergelijke verbetering is niet een wijziging van de tenlastelegging in de zin van art. 313 Sv Pro, maar slechts een vaststelling van de juiste inhoud van de tenlastelegging waarvoor geen medewerking van het openbaar ministerie of van de verdachte is vereist. De feitenrechter heeft grote vrijheid bij de interpretatie van de tenlastelegging. [3] Uitgangspunt is dat de uitleg van de feitenrechter in cassatie wordt geëerbiedigd. In cassatie wordt slechts marginaal getoetst. [4] De Hoge Raad grijpt alleen in wanneer sprake is van grondslagverlating omdat de uitleg van de feitenrechter onverenigbaar is met de bewoordingen van de tenlastelegging. [5] Onder omstandigheden gaat de vrijheid van de feitenrechter zo ver dat deze bepaalde woorden in de tenlastelegging mag inlezen. [6] Het gaat dan om de verbetering van een kennelijke omissie. Een voorbeeld van de verbetering van een kennelijke omissie is te vinden in HR 26 oktober 1993,
NJ1994, 100, waarin de Hoge Raad oordeelde dat het hof de woorden ‘dat door de verdachte bestuurde voertuig’ in de tenlastelegging kon lezen als ‘dat later door de verdachte bestuurde voertuig’. Een ander voorbeeld volgt uit HR 26 september 1995,
NJ1996, 93, waarin een verbeterde lezing van het hof van de tenlastegelegde plaatsaanduiding ‘B.’ als ‘N., gemeente B. en N.’ door de Hoge Raad werd toegestaan.
12. In de nu voorliggende zaak heeft het Hof de woorden ‘en zijn mededader’ bewezenverklaard terwijl deze niet als zodanig in de tenlastelegging waren opgenomen. Het Gerecht zag kennelijk in het ontbreken van deze bewoordingen in de tenlastelegging reden om de verdachte vrij te spreken. Naar het oordeel van het Gerecht was namelijk slechts tenlastegelegd het
plegenvan poging tot moord en poging tot doodslag, terwijl dat niet kon worden bewezen. Anders dan het Gerecht heeft het Hof de tenlastelegging verbeterd gelezen. Naar het oordeel van het Hof berustte het ontbreken van de woorden ‘en zijn mededader’ op een kennelijke misslag. Uit de redactie van de aan de verdachte verweten gedraging blijkt evident dat de officier van justitie voor ogen heeft gestaan de verdachte primair het medeplegen van die feiten te verwijten en de verbeterde lezing is niet strijdig met de bewoordingen van de tenlastelegging, aldus het Hof. Bovendien wordt de verdachte door de verbeterde lezing niet in zijn verdediging geschaad omdat het volgens het Hof niet anders kan zijn dan dat de misslag – gelet op de door de officier van justitie gekozen formulering van de tenlastelegging – ook voor de verdachte kenbaar is. Voorts overweegt het Hof dat indien er al twijfel zou kunnen bestaan, die twijfel wordt weggenomen door de inhoud van het dossier, het verhandelde ter terechtzitting en de aan de verdachte bij die gelegenheid voorgehouden stukken.
13. Uit hetgeen onder randnummer 11 is vooropgesteld volgt dat de verbeterde lezing van een tenlastelegging van de feitenrechter in cassatie slechts marginaal wordt getoetst en dat in cassatie alleen wordt ingegrepen als de verbeterde lezing van de tenlastelegging onverenigbaar is met de bewoordingen van die tenlastelegging. Met het Hof ben ik van oordeel dat de verbeterde lezing in onderhavige zaak niet strijdig is met de bewoordingen van de tenlastelegging. Die lezing is ook niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat de woorden ‘en zijn mededader’ in die tenlastelegging al tweemaal concreet werden vermeld, te weten in twee zinsneden die elk inhouden: ‘zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.’ De tenlastelegging als geheel vormt dus aanleiding om aan te nemen dat sprake is van een kennelijke omissie voor wat betreft het invoegen van de woorden ‘en zijn mededader’ in de zinsnede ‘ter uitvoering van het door hem, verdachte voorgenomen misdrijf (..)’, zoals opgenomen in de eerste regel van de tenlastelegging, welke het Hof daarmee verbeterd heeft gelezen. Aan het voorgaande doet niet af dat het Gerecht in eerste aanleg anders heeft geoordeeld.
14. Het middel faalt.

Het tweede middel

15. Het tweede middel komt met een rechtsklacht en een motiveringsklacht op tegen het oordeel van het Hof over het (bewijs van het) voorwaardelijk opzet van de verdachte op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , zoals bewezenverklaard onder 2 en 3 primair.
16. Het Hof heeft ten laste van de verdachte onder 2 en onder 3 primair bewezenverklaard dat:
Ten aanzien van feit 2
dat hij op 7 april 2019 te Curaçao, tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk en met voorbedachten rade,
[slachtoffer 2]
van het leven heeft beroofd, immers hebben verdachte en zijn mededader met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg, met een vuurwapen meerdere gerichte schoten gelost op en in de richting van het lichaam van die [slachtoffer 2] , tengevolge waarvan die [slachtoffer 2] verwondingen heeft opgelopen en die [slachtoffer 2] aan die verwondingen is overleden.
Ten aanzien van feit 3 primair
dat hij op 7 april 2019 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om,
[verbalisant]
van het leven te beroven, met dat opzet met een vuurwapen meerdere gerichte schoten heeft gelost in de richting van die,
[verbalisant]
zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.
en
dat hij op 7 april 2019 te Curaçao, ter uitvoering van het door hem, verdachte en zijn mededader voorgenomen misdrijf om,
[slachtoffer 3] ,
van het leven te beroven, met dat opzet en na kalm beraad en rustig overleg met zijn mededader met een vuurwapen meerdere gerichte schoten heeft gelost in de richting van die,
[slachtoffer 3] ,
zijnde de verdere uitvoering van dat door hem, verdachte, en zijn
mededader voorgenomen misdrijf niet voltooid.”
17. Het vonnis van het Hof bevat – voor zover voor de bespreking van het middel van belang – de volgende bewijsoverwegingen:
“Ten aanzien van het bewijs van de feiten 1 (slachtoffer [slachtoffer 1] ), 2 (slachtoffer [slachtoffer 2] ) en 3 (slachtoffers [verbalisant] en [slachtoffer 3] - [slachtoffer 3] )
Het Hof ontleent aan de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen de volgende feitelijke gang van zaken:
- De verdachte [verdachte] is bijgenaamd: [naam 1] ;
- De andere verdachte [betrokkene 2] is bijgenaamd: [naam 2] ;
- De andere verdachte [betrokkene 2] en de verdachte zijn goede vrienden en [betrokkene 2] komt dagelijks bij de verdachte;
- de verdachte [verdachte] onderhield een relatie met [betrokkene 1] , de moeder van zijn kinderen;
- de verdachte heeft aan [betrokkene 1] verweten dat hij haar heeft betrapt op het (voor hem: heimelijk) onderhouden van (seksuele) contacten met het latere slachtoffer, [slachtoffer 1] ;
- in het verlengde daarvan heeft de verdachte aan [betrokkene 1] op 5 april 2019 aangekondigd dat zij zou gaan zien wat er met [slachtoffer 1] zou gaan gebeuren;
- op 7 april 2019 (omstreeks 3:12 uur) is de andere verdachte [betrokkene 2] nabij de [A] snack uit een auto gestapt, waarna hij op [slachtoffer 1] is af gerend en een eerste schot op [slachtoffer 1] heeft gelost. Terwijl [slachtoffer 1] wegrende heeft die andere verdachte, herhaald en gericht op [slachtoffer 1] met een vuurwapen kogels af gevuurd, waardoor aan [slachtoffer 1] dodelijk letsel is toegebracht;
- de auto, waaruit de andere verdachte [betrokkene 2] was gestapt, bleef zich langzaam voortbewegen in de richting van de andere verdachte [betrokkene 2] ;
- bij gelegenheid van dat schieten door die [betrokkene 2] is ook aan [slachtoffer 2] - die als bezoeker van die snack toen en daar aanwezig was - door een kogel dodelijk letsel toegebracht;
- bij gelegenheid van dat schieten door de verdachte [betrokkene 2] is de (voor)portierruit van de door [slachtoffer 3] bestuurde auto toen en daar door een kogel geraakt en verbrijzeld;
- de verdachte [betrokkene 2] is bij gelegenheid van deze schietpartij door de politieman [verbalisant] met diens dienstwapen beschoten, waardoor [betrokkene 2] letsel heeft opgelopen, in een bovenarm en in zijn zij;
- de verdachte [betrokkene 2] heeft zich uit de voeten gemaakt door als passagier (voorin) een (gestolen) auto (Kia) te stappen;
- nadat vanuit die auto meermalen is geschoten op/in de richting van de politieman [verbalisant] is die Kia weggereden;
- de bestuurder van die Kia heeft vervolgens (omstreeks 13:15 uur) [betrokkene 3] als bestuurster van een auto (Hyundai) door middel van klemrijden tot stoppen gedwongen;
- de bestuurder en de andere verdachte zijn uit de Kia gestapt, waarna de bestuurder onder bedreiging van een vuurwapen die Hyundai aan [betrokkene 3] heeft ontstolen, waarna die bestuurder, andermaal als bestuurder en [betrokkene 2] als passagier in die Hyundai zijn weggereden;
- de Hyundai is later die dag (op 7 april 2019) aangetroffen in de nabije omgeving van de woning van [betrokkene 4] ;
- de verdachte [betrokkene 2] is naar aanleiding van de door de politieman [verbalisant] veroorzaakte schotletsels, door [betrokkene 4] naar de polikliniek van het ziekenhuis gebracht;
- [betrokkene 4] heeft in een heimelijk afgeluisterd en opgenomen telefoongesprek met zijn oom [betrokkene 5] (ook huilend) informatie gedeeld, erin bestaand dat hij thuis zat, dat [naam 1] en zijn vriend zijn komen aanrijden, en dat zij hebben gevraagd om de ene bij dinges af te zetten en de andere bij de poli. Vervolgens heeft oom [betrokkene 5] te kennen gegeven dat hij daarna door hen is bezocht en dat over wat zij hem hebben gezegd niet via de telefoon kan worden gesproken, en dat hij door hen is gemaand op te passen wat er wordt besproken, en ervoor te zorgen dat hun namen (het Hof begrijpt: van [naam 1] en diens vriend) niet worden genoemd.
Het dossier bevat een proces-verbaal van verhoor van een op de voet van artikel 261 Sv Pro. door de rechter-commissaris gehoorde bedreigde getuige (aangeduid als: F57). In de kern houdt dat proces-verbaal als de door F57 afgelegde verklaring in dat hij van diverse personen (aangeduid als bronnen 1, 2 en 3), die hij plaatst in de directe nabijheid van [naam 1] , heeft gehoord dat:
- [naam 1] en [naam 2] op de dag van de moord samen zijn gezien, rijdend in een auto, en dat het de bedoeling was die dag de moord te plegen (bron: persoon 1)
- [naam 1] en [naam 2] zijn de moord met een gestolen auto gaan plegen, [naam 1] was de bestuurder daarvan (bron: persoon 2)
- De vriendin van [naam 1] , [betrokkene 1] genaamd, heeft een relatie gehad met één van de mannen die is vermoord. [naam 1] heeft contact met die man opgenomen en heeft hem vermoord (bronnen: persoon 1 en persoon 3).
Het Hof stelt in het licht van het vorenstaande vast dat de inhoud van de verklaring van de als bedreigde getuige gehoorde F57 op wezenlijke punten verankering vindt in de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Het Hof acht de inhoud daarvan betrouwbaar en daarmee bruikbaar voor het bewijs, nu aan de inhoud van die overige bewijsmiddelen (de in artikel 385, vierde lid, Sv bedoelde) belangrijke steun kan worden ontleend. Daarbij komt, dat de verdediging de geboden gelegenheid tot ondervraging van deze getuige heeft benut.
Voor het Hof is al met al voor het bewijs genoegzaam komen vast te staan dat naast de andere verdachte [betrokkene 2] het de verdachte [verdachte] is geweest die zich met [betrokkene 2] in de auto’s (Kia en Hyundai) naar de plaats van de delicten (zoals bewezenverklaard onder 1, 2, 3 en 4) als de bestuurder daarvan heeft begeven en zich van die plaatsen heeft verwijderd, door handelend op te treden op de eerder door het Hof omschreven wijze.
Met betrekking tot het bewijs van achtereenvolgens verdachtes daderschap in de vorm van medeplegen, het opzet en de voorbedachte raad overweegt het Hof als volgt.
Medeplegen
Het Hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van de verdachte met de andere verdachte [betrokkene 2] . Zij hebben overeenkomstig een tevoren gemaakt plan zich tezamen naar de plaats van de delicten begeven (de verdachte als de chauffeur en de medeverdachte [betrokkene 2] als de passagier), waarbij [slachtoffer 1] , [slachtoffer 2] , [verbalisant] , [slachtoffer 3] en [betrokkene 3] slachtoffer zijn geworden. Zij bevonden zich bovendien steeds in elkanders (directe) aanwezigheid, achtereenvolgens tijdens het afvuren van kogels waardoor [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dodelijk zijn getroffen, het afvuren van kogels in de richting van [verbalisant] en [slachtoffer 3] , en het kapen van de auto van [betrokkene 3] . Voorts staat vast dat zij zich telkens samen in een auto uit de voeten hebben gemaakt. Van enig distantiëren door de ene verdachte van de gedraging van de andere verdachte is niet gebleken. De verdachten hebben aldus ieder voor zich aan het bewezen verklaarde doden van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , als ook de pogingen tot het doden van [verbalisant] en [slachtoffer 3] over en weer een zodanige intellectuele en materiële bijdrage geleverd, dat daarmee de bewuste en nauwe samenwerking tussen [betrokkene 2] en [verdachte] genoegzaam is komen vast te staan, met gevolg dat het tenlastegelegde medeplegen voor bewezenverklaring in aanmerking komt.
Opzet
Het Hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen voorts af dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , en voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 2] , [verbalisant] en [slachtoffer 3] . In het geval van de andere verdachte [betrokkene 2] , omdat hij degene is geweest die de kogel(s) heeft afgevuurd die achtereenvolgens de slachtoffers [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] dodelijk hebben getroffen, en de door [slachtoffer 3] bestuurde auto heeft geraakt, met de vernieling van de (voor)portierruit tot gevolg. Dat de uiterlijke verschijningsvorm van het (al lopend/rennend) afvuren van kogels in de publieke ruimte tijdens het middaguur de aanmerkelijke kans in zich draagt dat daardoor personen dodelijk worden getroffen behoeft naar het oordeel van het Hof geen nadere motivering. Door niettemin tot dat afvuren over te (blijven) gaan heeft [betrokkene 2] als schutter die kans ook aanvaard.
Voor zover het gaat om het aandeel daarin van de verdachte heeft het volgende te gelden. Hij is het geweest die de dood van [slachtoffer 1] intellectueel heeft nagestreefd, terwijl de medeverdachte [betrokkene 2] het feitelijk doen intreden daarvan in aanwezigheid van de verdachte voor diens rekening heeft genomen. Waar het gaat om de dood van [slachtoffer 2] heeft te gelden dat diens dood is veroorzaakt in de feitelijke context van de opzettelijk verrichte gedragingen die de dood van [slachtoffer 1] hebben veroorzaakt. Hetzelfde oordeel heeft te gelden voor de in de door [slachtoffer 3] bestuurde auto geschoten kogel. Gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van die gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht concludeert het Hof dat het opzet op de dood van deze personen ook bij de verdachte heeft voorgezeten.
Waar het gaat om het slachtoffer [verbalisant] behoeft de vraag wie van hen beiden – de andere verdachte [betrokkene 2] of de verdachte – de kogels in diens richting heeft afgevuurd voor het bewijs van het opzet geen nadere beantwoording, eveneens gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van die gedragingen en de omstandigheden waaronder deze door de verdachten gezamenlijk zijn verricht, de even bedoelde context daaronder mede begrepen.
Voorbedachte raad
Het doden van [slachtoffer 1] is het beoogde gevolg van een tevoren genomen besluit van de verdachte en de andere verdachte [betrokkene 2] , waarbij het bestaan hebben van (de mogelijkheid tot) kalm beraad en overleg met evidentie volgt uit zowel de door [betrokkene 1] als getuige verwoorde aankondiging door de verdachte op 5 april 2019, als wat door de bedreigde getuige F57 uit de mond van anderen is opgetekend: de verdachte en zijn medeverdachte [betrokkene 2] als mannen met een missie. Wat met betrekking tot de feitelijke gang van zaken door het Hof is vastgesteld sluit daarop naadloos aan. Aldus stelt het Hof vast, dat voor de verdachte en zijn mededader de gelegenheid heeft bestaan om na te denken over hun voorgenomen daad, om zich daarvan rekenschap te geven en welbewust de consequenties daarvan te aanvaarden, waaronder ook valt de aanmerkelijke kans dat hun gedragingen de dood van meer mensen zouden kunnen veroorzaken. Deze laatstbedoelde wellicht niet (primair) beoogde gevolgen (ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ), zijn aldus ook met voorbedachten rade teweeggebracht.
Dat niet met een missie zou zijn gehandeld, maar wel als gevolg van een ogenblikkelijke gemoedsbeweging volgt in het geheel niet uit wat door het Hof is vastgesteld. Toen die missie bovendien vloeiend is uitgemond in het herhaald afvuren van kogels in de openbare ruimte tijdens het middaguur heeft elk van de verdachten bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hun gedragingen de dood van ook anderen (namelijk [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] ) konden veroorzaken, welke kans zich ten aanzien van [slachtoffer 2] op tragische wijze heeft gerealiseerd.”
De rechtsklacht
18. In de eerste plaats klagen de stellers van het middel dat het Hof ten aanzien van het onder 2 en 3 bewezenverklaarde het voor ‘opzet’ geldende toetsingskader heeft miskend door te oordelen dat het voorwaardelijk opzet bij de verdachte kan worden afgeleid uit de omstandigheid dat de dood van [slachtoffer 2] is veroorzaakt ‘in de feitelijke context van de opzettelijk verrichte gedragingen die de dood van [slachtoffer 1] hebben veroorzaakt hetgeen ook heeft te gelden voor de in de door [slachtoffer 3] bestuurde auto geschoten kogel’.
19. Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voorwaardelijk opzet op een bepaald gevolg - zoals hier de dood - is aanwezig indien de verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat dat gevolg zal intreden. De beantwoording van de vraag of de gedraging de aanmerkelijke kans op een bepaald gevolg in het leven roept, is afhankelijk van de omstandigheden van het geval, waarbij betekenis toekomt aan de aard van de gedraging en de omstandigheden waaronder deze is verricht. Het moet gaan om een kans die naar algemene ervaringsregels aanmerkelijk is te achten. Bepaalde gedragingen kunnen echter naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op een bepaald gevolg dat het - behoudens contra-indicaties - niet anders kan zijn dan dat de verdachte de aanmerkelijke kans op het desbetreffende gevolg bewust heeft aanvaard. [7]
20. Op grond van de bewijsmiddelen heeft het Hof (onder meer) vastgesteld:
(i) dat de verdachte het plan had om [slachtoffer 1] van het leven te beroven;
(ii) dat de verdachte en de medeverdachte daartoe in een auto richting de [A] snack zijn gereden (waar [slachtoffer 1] kennelijk aanwezig was);
(iii) dat de medeverdachte omstreeks 3:12 uur nabij de [A] snack is uitgestapt waarna hij op [slachtoffer 1] is afgerend en met een vuurwapen een eerste schot op [slachtoffer 1] heeft gelost;
(iv) dat terwijl [slachtoffer 1] wegrende de medeverdachte herhaald en gericht kogels op [slachtoffer 1] heeft afgevuurd waardoor [slachtoffer 1] dodelijk letsel is toegebracht;
(v) dat bij de gelegenheid van dat schieten ook [slachtoffer 2] , die daar als bezoeker van de [A] snack aanwezig was, dodelijk is geraakt en dat de (voor)portierruit van de door [slachtoffer 3] bestuurde auto daarbij door een kogel is geraakt en verbrijzeld;
(vi) dat de auto, waaruit de medeverdachte was gestapt, zich langzaam bleef voortbewegen in de richting van de medeverdachte;
(vii) dat de medeverdachte uiteindelijk weer bij de verdachte in de auto is gestapt.
21. Het Hof heeft onder het kopje ‘opzet’ in zijn bestreden vonnis geoordeeld dat het de verdachte was die de dood van [slachtoffer 1] intellectueel heeft nagestreefd, terwijl de medeverdachte het feitelijk doen intreden daarvan voor diens rekening heeft genomen en dat de dood van [slachtoffer 2] is veroorzaakt in de feitelijke context van de opzettelijk verrichte gedragingen die de dood van [slachtoffer 1] hebben veroorzaakt hetgeen ook geldt voor de in de door [slachtoffer 3] bestuurde auto geschoten kogel. Het Hof heeft vervolgens geoordeeld dat gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] .
22. Gelet op het voorgaande lijkt mij de rechtsklacht gebaseerd op een te beperkte – en daarmee onjuiste – lezing van het vonnis van het Hof. In ieder geval motiveren de stellers van het middel niet waarom het oordeel van het Hof dat gelet op de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht bij de verdachte sprake was van voorwaardelijk opzet op de dood van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] , blijk zou geven van een onjuiste rechtsopvatting.
23. De rechtsklacht faalt.
De motiveringsklachten
24. Subsidiair klagen de stellers van het middel over de motivering van de bewezenverklaring van het onder 2 en 3 primair tenlastegelegde voor zover betrekking hebbende op de slachtoffers [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . De stellers van het middel voeren daartoe aan dat uit de bewijsmiddelen niet (of niet zonder meer) blijkt dat:
(i) de medeverdachte opzettelijk gericht in de richting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten, terwijl dat overigens ook niet aannemelijk is gelet op het door het Hof vastgestelde doel;
(ii) de verdachte heeft geweten of welbewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat de medeverdachte gericht op [slachtoffer 1] zou schieten, terwijl deze heeft waargenomen dat ook [slachtoffer 2] en/of de auto van [slachtoffer 3] zich in de directe nabijheid van [slachtoffer 1] bevond(en);
(iii) de verdachte en de medeverdachte eerder – na kalm beraad en rustig overleg – het plan hebben opgevat het slachtoffer [slachtoffer 1] van het leven te beroven ongeacht of daarbij anderen ook van het leven zouden worden beroofd;
(iv) de verdachte zich bewust is geweest van de aanwezigheid van [slachtoffer 2] en/of de auto van [slachtoffer 3] en/of heeft waargenomen dat deze zijn geraakt, terwijl dit ook niet aannemelijk is gezien de zeer korte tijdspanne waarin het gebeuren zich heeft afgespeeld.
De klacht onder (i)
25. Het Hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen af dat de verdachte vol opzet heeft gehad op de dood van [slachtoffer 1] , en voorwaardelijk opzet heeft gehad op de dood van onder meer [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] . Uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen blijkt onder andere dat de medeverdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten (bewijsmiddel 3), dat hij met een vuurwapen in de richting van [slachtoffer 2] aan het richten was (bewijsmiddel 1), dat [slachtoffer 2] dodelijk is getroffen door de schoten (bewijsmiddelen 1 en 2) en dat de auto van [slachtoffer 3] bij het schieten door een kogel is geraakt (bewijsmiddelen 9 en 10). Het Hof heeft op basis hiervan vastgesteld dat de medeverdachte gericht op [slachtoffer 1] heeft geschoten terwijl [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich kennelijk in de baan van de schoten bevonden. Derhalve is het oordeel van het Hof dat de medeverdachte (voorwaardelijk) opzettelijk gericht in de richting van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] heeft geschoten, niet onbegrijpelijk.
26. Voor zover de stellers van het middel klagen dat het – gelet op het door het Hof vastgestelde doel – niet aannemelijk is dat de medeverdachte opzettelijk gericht in de richting van [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] heeft geschoten, faalt de klacht eveneens. Het Hof heeft immers overwogen dat hoewel de dood van [slachtoffer 1] een primair beoogd gevolg was van de gedragingen van de verdachte en medeverdachte, de medeverdachte met het herhaald afvuren van kogels in de openbare ruimte tijdens het middaguur ook de aanmerkelijke kans op de niet primair beoogde gevolgen ten aanzien van [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] bewust heeft aanvaard. Dit oordeel is niet onbegrijpelijk.
De klachten onder (ii) en (iv)
27. De klachten onder (ii) en (iv) zijn gebaseerd op de veronderstelling dat voor een bewezenverklaring van voorwaardelijk opzet noodzakelijk is dat de verdachte heeft waargenomen dat [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich in de directe nabijheid van [slachtoffer 1] bevonden en dat hij zich van hun aanwezigheid bewust is geweest. Die veronderstelling is onjuist. Het voorwaardelijk opzet heeft het Hof kunnen afleiden uit de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen en de omstandigheden waaronder deze zijn verricht, kort gezegd het (al lopend/rennend) afvuren van kogels in de publieke ruimte tijdens het middaguur. Daaruit volgt volgens het Hof de aanmerkelijke kans dat personen dodelijk worden getroffen. Uit het feit dat de verdachte ervoor heeft gekozen het plan om [slachtoffer 1] om het leven te brengen op deze wijze uit te voeren, volgt dat hij die kans ook heeft aanvaard. Dat de verdachte [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet concreet zou hebben waargenomen en/of zich bewust was van hun aanwezigheid, maakt het oordeel van het Hof niet onbegrijpelijk. Dat het volgens de stellers van het middel niet aannemelijk is dat de verdachte heeft waargenomen dat [slachtoffer 2] en de auto van [slachtoffer 3] zijn geraakt gezien de zeer korte tijdspanne waarin het gebeuren zich heeft afgespeeld, doet aan het voorgaande dan ook niet af.
De klacht onder (iii)
28. Deze klacht houdt in dat uit de bewijsmiddelen niet (of niet zonder meer) blijkt dat de verdachte en de medeverdachte eerder – na kalm beraad en rustig overleg – het plan hebben opgevat het slachtoffer [slachtoffer 1] van het leven te beroven ongeacht of daarbij anderen ook van het leven zouden worden beroofd. Het Hof heeft op grond van de bewijsmiddelen vastgesteld dat het doden van [slachtoffer 1] het beoogde gevolg was van een tevoren genomen besluit van de verdachte en de medeverdachte, en heeft daaruit niet onbegrijpelijk [8] afgeleid dat voor de verdachte en zijn mededader de gelegenheid heeft bestaan om na te denken over hun voorgenomen daad, om zich daarvan rekenschap te geven en welbewust de consequenties daarvan te aanvaarden, waaronder ook valt de aanmerkelijke kans dat hun gedragingen de dood van meer mensen zouden kunnen veroorzaken. Daarmee is de klacht tevergeefs voorgesteld.
29. Alle motiveringsklachten falen.
30. Het middel faalt in al zijn onderdelen.

Slotsom

31. Beide middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
32. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
33. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

2.Zie HR 30 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3662,
3.Van Dorst & Borgers,
4.Machielse, in:
5.Vgl. HR 22 maart 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO2958, r.o. 2.4 en HR 8 november 2016,
6.Vgl. Corstens/Borgers & Kooijmans,
7.Vgl. onder meer HR 25 maart 2003, ECLI:NL:HR:2003:AE9049,
8.Vgl. onder meer HR 28 februari 2012, ECLI:NL:HR:2012:BR2342,