Conclusie
[eiser 1],
[eiser 2],
[eisers](en afzonderlijk
[eiser 1]en
[eiser 2])
de VvE
de Stichting
1.Inleiding en samenvatting
het pand), en anderzijds de Stichting – eigenaar van de overige drie appartementsrechten – alsmede de VvE. Het betreft, samengevat, geschillen over:
a)de vraag of de vloer van het appartement van [eisers] aan de daaraan te stellen eisen van geluidsisolatie voldoet;
b)de noodzaak van funderingsherstel van het pand en de vraag of en op welke wijze de VvE daar onderzoek naar mag doen, en
c)de vraag of de wijze waarop een huurder van het appartement van [eisers] door de VvE is benaderd die VvE schadeplichtig maakt.
a)gevorderde (spiegelbeeldige) verklaringen voor recht afgewezen, evenals de ter zake geschil
b)door [eisers] gevorderde verboden tot (besluitvorming inzake) funderingsherstel en de ter zake geschil
c)door [eisers] gevorderde schadevergoeding.
a)gevorderde verklaring voor recht dat hun vloer aan de splitsingsakte voldoet.
2.Feiten en procesverloop
het bestreden arrest) van het hof Amsterdam (hierna:
het hof). [1] Waar het hof die feiten heeft geclusterd per geschil (
at/m
c, zie hiervoor onder 1.1 [2] ), zal die indeling hier worden gevolgd.
[betrokkene 1]). [betrokkene 1] is (mede)bestuurder van de Stichting.
de splitsingsakte) zijn de splitsing en het splitsingsreglement gewijzigd. Het
[a-straat 1c]). De Stichting is (inmiddels) eigenaar van de overige appartementen (hierna:
[a-straat 1a],
[a-straat 1b]en
[a-straat 1d]). De voormalige eigenaar van [a-straat 1d] was [betrokkene 2] (hierna:
[betrokkene 2]), toen ook voorzitter van de VvE. [betrokkene 2] heeft [a-straat 1d] tijdens de procedures in hoger beroep verkocht.
Velzel). Vanaf 1 juni 2019 is het beheer ondergebracht bij Delair Vastgoed Beheer B.V.
Peutz) opdracht gegeven om een akoestisch onderzoek in te stellen naar de contactgeluidisolatie van de woningscheidende vloer tussen [a-straat 1c] en [a-straat 1b] . [eisers] hebben hun medewerking aan dat onderzoek verleend. Peutz heeft haar bevindingen neergelegd in een rapport van 13 februari 2017. Daarin is vermeld dat de metingen zijn verricht conform de voorschriften zoals vastgelegd in de norm NEN 5077 2001, ‘Geluidwering in gebouwen’. [3]
("een deugdelijke isolatievloer conform de daarvoor geldende eisen voor zover dit appartementsscheidende vloeren zijn")de woning van geluidisolatie te voorzien. [eisers] stemden tegen. [betrokkene 1] stemde voor en [betrokkene 2] onthield zich van stem. Het besluit is daarop genomen.
[eisers] hebben niet op de voet van artikel 5:130 BW Pro vernietiging van dit besluit verzocht.
Vloerenhuis) de vloer van [a-straat 1c] geïnspecteerd. In een brief van 27 september 2017 heeft Vloerenhuis daarover onder meer het volgende vermeld:
Op uw verzoek, stuur ik u bij deze mijn bevindingen toe van de inspectie aan uw parketvloer van de woonkamer keuken, hal en slaapkamer. Ik heb kunnen constateren dat uw parketvloer is gelegd op een solide geluiddempende tussenlaag welke op de zichtbare plaatsen netjes vrij ligt ten opzichte van de wand. Contactgeluid kan daardoor niet via uw parketvloer en de wanden naar uw benedenvloer doordringen. Het toegepaste ondervloersysteem geldt als één van de beste opties om traditioneel parket geluiddempend te installeren. Samen met de onderliggende Anhydriet ondervloer is een verbetering van de contactgeluidisolatie van uw zijde naar mijn mening niet mogelijk.”
[A]) gevraagd om een onderzoek aan hun vloer uit te voeren. In een brief van 10 oktober 2017 heeft [A] onder meer het volgende geschreven:
Ter beschikking gesteld door u werden het rapport (…) d.d. 13 februari 2017 van de firma Peutz (…), een schriftelijke verklaring (…) van Vloerenhuis Amsterdam en verder uit eigen onderzoek maatvoering en foto’s betreffende de aangebrachte parketvloer die de uitvoering duidelijk laten zien.
. Peutz heeft alleen geluidmetingen verricht in opdracht van [betrokkene 1] en geen enkele uitspraak gedaan m.b.t. de technische staat van de vloer. De term deugdelijke ondervloer in de splitsingsakte is een begrip dat niet omschreven staat (…).
We hebben kunnen constateren dat de plinten geen contact maken ten opzichte van de parketvloer. De afwerklijsten zijn opnieuw geplaatst en waar nodig vervangen. Daardoor kunnen we ook met zekerheid stellen dat deze geen contact maken ten opzichte van de wanden of kozijnen en geluidsoverlast veroorzaakt door contactgeluiden van de parketvloer niet van toepassing zijn.”
Duyts) het pand geïnspecteerd, op 10 april 2018 heeft zij scheefstandmetingen uitgevoerd en op 23 april 2018 heeft zij een rapport uitgebracht over de resultaten daarvan. Duyts heeft geconcludeerd dat er sterke aanwijzingen zijn voor een gebrek in de fundering. Zij heeft geadviseerd om tot herstel over te gaan. Daartoe heeft zij op 16 mei 2018 een offerte uitgebracht aan [betrokkene 1] . [betrokkene 1] heeft de offerte diezelfde dag ondertekend.
4.Vervolgstappen m.b.t. funderingsherstel
In de notulen van een vergadering van de VvE op 25 april 2019, waarbij [eisers] afwezig waren, staat onder meer het volgende vermeld:
afkeuren van een fundering op basis van scheefstand niet (is) toegestaan. De gemeente adviseert dan ook
nietdat voor het gehele pand funderingsherstel zal plaatsvinden. De Omgevingsdienst Noordzeekanaalgebied heeft negatief geadviseerd met betrekking tot eventueel funderingsherstel van het pand.”
Crux) onderzoek gedaan naar de fundering van het pand. In haar rapport van 7 juli 2020 heeft Crux geconcludeerd dat de fundering van de achteruitbouw van het pand onvoldoende is (code rood), vergelijkbaar met kwaliteitsniveau IV (afkeurniveau) van de gemeente Amsterdam. Zij heeft geadviseerd om de fundering van het achterhuis te herstellen. Omdat hiervoor een groot deel van het souterrain moet worden gesloopt, heeft zij geadviseerd om ook de fundering van het gehele pand te herstellen.
Fugro) onderzoek gedaan naar de fundering van het pand. In haar rapport van 20 augustus 2020 heeft zij geconcludeerd dat de fundering van de achteruitbouw niet zodanig is dat dit zou moeten leiden tot urgent funderingsherstel van de hoofdbouw van het pand.
Allnamics) enerzijds en Fugro anderzijds zijn blijkens na augustus 2020 verschenen rapporten over de noodzaak van funderingsherstel van mening blijven verschillen.
[betrokkene 6]) tot 1 juli 2019. Op 13 november 2018 heeft [betrokkene 6] een gebruiksverklaring ondertekend, waarin staat dat zij de bepalingen van het splitsingsreglement zal naleven. [eisers] hebben deze gebruikersverklaring bij e-mail van 13 november 2018 aan de toenmalige beheerder van de VvE (Velzel) gezonden. Bij e-mail van 15 november 2018 heeft de beheerder de getekende gebruikersverklaring aan [eisers] retour gezonden.
inleidende dagvaarding) hebben [eisers] (onder meer) de VvE en de Stichting gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam (hierna:
de rechtbank) en, voor zover in cassatie nog van belang en samengevat, gevorderd, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:
CvA VvE), heeft de VvE in conventie geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen van [eisers]
In reconventieheeft de VvE, voor zover nog van belang, uitvoerbaar bij voorraad, gevorderd:
CvA Stichting) heeft o.a. de Stichting, voor zover nog van belang, geconcludeerd dat de vorderingen van [eisers] worden afgewezen.
p-v rechtbank).
het tussenvonnis) [4] heeft de rechtbank, kort samengevat, als volgt overwogen:
de vloervan [eisers] : dat het onherroepelijke besluit van de VvE van 11 april 2017 niet aan de door [eisers] gevorderde verklaring voor recht in de weg staat (rov. 4.8), dat als vaststaand wordt aangenomen dat een isolatievloer aanwezig is (rov. 4.11), dat art. 17 lid 5 splitsingsakte Pro aldus wordt uitgelegd dat appartementseigenaren verplicht zijn tot het aanbrengen en in stand houden van een deugdelijke isolatievloer in die zin dat zij ervoor moeten zorgen dat zij niet meer overlast en geluidshinder veroorzaken dan gebruikelijk is bij dergelijke appartementen, en dat moet worden aangenomen dat de vloer van [eisers] aan art. 17 lid 5 splitsingsakte Pro voldoet, hetgeen betekent dat de door hun gevorderde verklaring voor recht in het eindvonnis zal worden toegewezen en de reconventionele vorderingen sub B en C van de VvE zullen worden afgewezen (rov. 4.12-4.15 i.v.m. 4.38);
de fundering: dat op basis van de op dat moment beschikbare gegevens niet kan worden geconcludeerd dat funderingsherstel thans noodzakelijk is (rov. 4.20-4.24), dat uit de geschetste omstandigheden volgt dat de VvE zich niet redelijk en billijk tegenover [eisers] heeft gedragen en op zorgvuldige wijze met hun belangen is omgegaan, en dat daaruit ook volgt dat het zeer reëel is dat in de toekomst besluiten over het funderingsherstel opnieuw in stemming zullen worden gebracht, terwijl partijen over de noodzaak daarvan van mening blijven verschillen. Onder de gegeven omstandigheden kan volgens de rechtbank niet van [eisers] worden verwacht dat zij opnieuw vernietiging van die besluiten verzoeken. Bovendien hebben [eisers] er belang bij om verdere kosten voor funderingsherstel te beperken. Gezien de ernstig verstoorde onderlinge verstandhouding en het gegeven dat de VvE onlangs heeft besloten om opnieuw een vergunning voor funderingsherstel aan te vragen, is een verbod tot het nemen van verdere besluiten over funderingsherstel zolang de noodzaak daarvan niet objectief is vastgesteld, thans aangewezen. De rechtbank is daarom voorshands van oordeel dat het door [eisers] gevorderde verbod moet worden toegewezen in die zin dat het de VvE zal worden verboden om nieuwe besluiten over het funderingsherstel te nemen, totdat de gemeente Amsterdam hiervoor een vergunning heeft verleend. Omdat partijen zich hierover en de eventuele gevolgen daarvan nog niet hebben kunnen uitlaten, zullen partijen in de gelegenheid worden gesteld dat bij gelijktijdige akte te doen (rov. 4.25-4.27 en 5.1);
de vordering tot schadevergoeding wegens gederfde huurinkomsten: dat de VvE misbruik van recht heeft gemaakt en dat [eisers] als gevolg daarvan schade hebben geleden, zodat deze vordering bij eindvonnis toewijsbaar is jegens de VvE (rov. 4.28-4.34 en 4.38-4.39).
het eindvonnis) [5] , voor zover van belang en samengevat:
MvG VvE) heeft de VvE gevorderd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen vernietigt, de vorderingen van [eisers] in conventie alsnog afwijst en de vorderingen van de VvE in reconventie alsnog toewijst.
MvA/MvG Inc. [eisers]) hebben [eisers] in
incidenteel appelhun hiervoor onder 2.2 sub 2 en 5 weergegeven vorderingen aangepast. Aan de vordering onder 2.2 sub 2 is een (subsidiair) verbod toegevoegd dat gelijkluidend is aan het door de rechtbank uitgesproken verbod, met dien verstande dat [eisers] steeds van een eventueel verbeurde dwangsom worden uitgezonderd. Zij hebben geconcludeerd dat het hof de vonnissen aanpast zoals verzocht in incidenteel appel en voor het overige bekrachtigt.
MvA-Inc. VvE) heeft de VvE geconcludeerd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de grieven in het incidenteel appel ongegrond verklaart respectievelijk [eisers] niet ontvankelijk verklaart in hun bij incidenteel appel gewijzigde vorderingen althans hun deze vorderingen ontzegt.
MvG Stichting) heeft de Stichting gevorderd dat het hof, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden vonnissen vernietigt en de vorderingen van [eisers] alsnog afwijst.
MvA [eisers]) hebben [eisers] geconcludeerd dat het hof de vonnissen waarvan beroep aanpast zoals door hen verzocht in het incidenteel appel tegen de VvE (200.296.856/01) en deze voor het overige bekrachtigt.
p-v hof).
De vloer van [a-straat 1c] , het appartement van [eisers].
Funderingsherstel
De wijze waarop een huurder van het appartement van [eisers] door de VvE is benaderd.
3.Bespreking van het cassatiemiddel
Ontvankelijkheid i.v.m. ingediende procesinleiding in meerdere zaken
onderdeel Ifalen. Zij missen om te beginnen feitelijke grondslag. Het hof stelt in rov 3.6 slechts vast welke geschilpunten het dient te beslechten, gelet op de ingestelde vorderingen en hetgeen daarvan in hoger beroep nog voorligt.
overigens’ nalaat de stellingen genoemd in hoofdstuk A, sub 3, onder a t/m g in zijn beoordeling te betrekken, voldoet mijns inziens niet aan de daaraan te stellen eisen, omdat deze klacht de vereiste precisie mist [9] .
vloeren de
funderingheeft betrokken, nu de procesinleiding ook in het kader van klachten over die oordelen een beroep doet op deze vindplaatsen.
onder i). Dat geldt volgens het subonderdeel ook indien de Haviltexmaatstaf voor de uitleg van het besluit zou gelden (
onder ii). Het hof miskent bovendien dat ook de uitleg van een besluit geschiedt aan de hand van de redelijkheid en billijkheid en ook dan de vraag is hoe [eisers] dit besluit in redelijkheid hebben mogen begrijpen en welk belang zij zouden hebben bij vernietiging ervan indien zij, gelet op hun stellingen, naar eigen idee al voldeden aan dat besluit (
onder iii). Voorts is het volgens het subonderdeel rechtens onjuist en onbegrijpelijk om al vergaande verplichtingen in een (kennelijk preventieve) gang naar de kantonrechter aan te nemen, wanneer nog niet eens vast staat hoe de bepaling uit de splitsingsakte moet worden uitgelegd. Als die uitleg immers conform rov. 4.12 geschiedt, dan heeft [eisers] de vereiste werkzaamheden al ondernomen (
onder iv). Ook is de uitleg van het besluit onbegrijpelijk omdat tot en met het hoger beroep is ontkend dat er een anhydrietvloer zou zijn aangebracht en met het besluit door [betrokkene 2] , de Stichting en de VvE dus nooit beoogd kan zijn dat er
ten opzichte van die vloernog een substantiële verbetering moest plaatsvinden indien deze al aan de splitsingsakte voldeed (
onder v). [eisers] behoefden niet meer of anders te verwachten dan dat zij dienden na te gaan of hun vloer aan de splitsingsakte voldeed en dat zij eventueel die werkzaamheden dienden uit te voeren als door het hof in rov. 3.15 omschreven (
onder vi). De uitleg van het besluit is tot slot onbegrijpelijk, indien deze inhoudt dat [eisers] meer of anders zouden moeten doen dan zorgen voor een deugdelijke anhydrietvloer in overeenstemming met de splitsingsakte, in het licht van de stelling van [eisers] dat veranderingen aan de vloer niet tot enige substantiële verbetering zullen leiden (
onder vii).
subonderdeel II.1falen bij gebrek aan belang.
datde vloer aan de splitsingsakte voldoet. Ook kon het hof ter zake een deskundige benoemen.
andere scheidingsvloerenvan appartementen op het moment van splitsing. Althans is het oordeel onbegrijpelijk, omdat het hof onvoldoende motiveert waarom [eisers] daar
welvan moesten uitgaan. Het ligt veeleer voor de hand aansluiting te zoeken bij de technische gegevens zoals in de vergunningsaanvraag voor splitsing zijn vermeld.
subonderdeel II.3.
conform de daarvoor geldende eisen” de in de splitsingsvergunning gestelde eisen onderdeel zijn van de objectief kenbare partijbedoeling. Hoewel bij de juistheid van dat oordeel wellicht vraagtekens kunnen worden gezet [15] , lees ik geen klacht van die strekking in het subonderdeel. [16]
het aanbrengen en instandhouden van een deugdelijke isolatievloer” in art. 17 lid 5 splitsingsakte Pro de vergunning voorafgaand aan de splitsing moet worden betrokken, waarin voor alle vloeren dezelfde eis voor geluidisolatie wordt gegeven, terwijl de rest van de akte geen afzonderlijke eis per vloer geeft, dan komt mij niet onjuist voor dat daaruit de bedoeling van de splitsende partij wordt afgeleid dat de anhydrietvloeren van alle in de splitsing betrokken appartementen dezelfde geluidwerende kwaliteit zouden hebben. Dat oordeel is ook niet onbegrijpelijk op de in het subonderdeel aangevoerde grond, omdat het hof, zoals in het subonderdeel ook wordt voorgestaan, uitgaat van de technische gegevens in de splitsingsvergunning en daaruit (in combinatie met de tekst van art. 17 lid 5 splitsingsakte Pro) tevens afleidt dat alle anhydrietvloeren dezelfde geluidsisolerende kwaliteit moeten hebben. Het hof heeft daarmee kennelijk ook het oog op de bij uitleg in aanmerking te nemen factor van de aannemelijkheid van de verschillende gevolgen, omdat een andere uitleg ertoe zou leiden dat niet voor elke vloer dezelfde norm zou gelden [17] en men dus zou kunnen volstaan met een gebrekkige kwaliteit/uitvoering [18] .
andere scheidingsvloerenvan appartementen op het moment van splitsing”, berust het op een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het hof overweegt immers in het kader van de uitleg van art. 17 lid 5 splitsingsakte Pro niet eenzijdig dat de vloer van [eisers] moet overeenstemmen met de andere vloeren ten tijde van splitsing, maar dat alle vloeren dezelfde kwaliteit geluidsisolatie moeten hebben (hetgeen in het kader van die uitleg dus wederkerig is). Dat het hof vervolgens de vloer van [eisers] plaatst tegenover “de andere vloeren in het pand” houdt verband met zijn kennelijke (en onbestreden) vaststelling dat die vloeren allemaal conform de vergunde bouw zijn gerealiseerd en in die uitvoering dus voldeden aan de ‘gelijke’ eis die de splitsende partij heeft bedoeld, terwijl dat bij de vloer van [eisers] niet op voorhand vaststaat, omdat (naar tevens onbestreden vaststaat) hun vloer eerst op een later moment is gelegd dan wel aangepast.
subonderdeel II.3dienen dan ook te falen.
subonderdeel II.2.
voldoet, ófwel (spiegelbeeldig) dat deze daaraan
niet voldoet. Het hof doet beide vorderingen af door middel van een extra stap, namelijk zijn oordeel (in rov. 4.13 en 4.15) dat de bewijsaanbiedingen van partijen ontoereikend zijn (immers niet toegesneden op de door hem geformuleerde norm).
nadathet tot een bepaalde uitleg is gekomen. Het oordeel van het hof in rov. 4.13 komt er op neer dat duidelijk is welke feiten het nodig heeft om tot een oordeel te komen, maar dat het over die feiten niet beschikt. Dat vertoont eerder gelijkenis met de hierboven onder 3.33-3.35 genoemde uitspraken waarin van de rechter regie wordt verwacht wanneer hij een andere route bewandelt dan partijen, ook in procedures die hem meer vrijheid gunnen. [30] Het had dan in ieder geval op de weg van het hof gelegen om partijen de mogelijkheid te bieden zich daarover uit te laten.
Ik merk daarbij wel op dat de procedure na verwijzing niet meer tot toewijzing van de reconventionele vorderingen van de VvE zal kunnen leiden, nu zij van de afwijzing van die vorderingen (die dus gebaseerd is op dezelfde overwegingen als de afwijzing van de vordering van [eisers] op dit punt) niet in (incidenteel) cassatieberoep is gekomen en die vorderingen dus niet meer voorliggen.
subonderdeel III.1 onder iiiom het
geclausuleerdverbod om tot funderingsherstel te besluiten indien niet eerst met meetbouten wordt onderzocht of de fundering überhaupt wel (verder) verzakt. Dit is van belang, omdat uit de rapportages en verklaringen van Fugro volgt dat met de fundering niets mis is en dat herstel onnodig is. Gelet op al deze omstandigheden, waarvan bij wijze van hypothetisch feitelijke grondslag moet worden uitgegaan, getuigt het oordeel dat het gevraagde geclausuleerde verbod niet kan worden gegeven wegens strijd met het VvE-recht van een onjuiste rechtsopvatting, althans is dit onbegrijpelijk. Dat vitieert dan ook het oordeel van het hof in rov. 5.7.
subonderdeel III.4 onder iitoe dat het slagen van een klacht tegen rov. 4.18 ook het oordeel in rov. 4.19 en 5.7 vitieert.
zelfeen oordeel te vormen over de conditie van de fundering, althans omtrent de noodzaak voor een nader onderzoek aan de hand van een meetboutenonderzoek. Daartoe is, anders dan het hof overweegt, juist
welvan belang dat de deskundigen niet allen tot dezelfde uitkomst komen. Het opnieuw op de agenda zetten van besluitvorming, zonder voorafgaand meetboutenonderzoek naar de noodzaak van funderingsherstel en nadat besluiten al tweemaal wegens misbruik van meerderheidsbelang zijn vernietigd, is als misbruik van meerderheidsbelang aan te merken, tenzij het hof door middel van een zelf benoemde deskundige tot het oordeel komt dat meetboutenonderzoek achterwege kan blijven en dat langs andere weg is vastgesteld dat funderingsherstel noodzakelijk is. Het op zijn beloop laten van de zaak en het mogelijk maken van nieuwe aanvechtbare besluiten leidt andermaal tot een gang naar de rechter. Het hof heeft nagelaten om zelfstandig vast te stellen of het, gelet op de overgelegde rapportages, een redelijke eis is om via een meetboutenonderzoek vast te stellen of überhaupt sprake is van verzakking. Het hof had in ieder geval de staat van de fundering niet in het midden mogen laten en daarover een inhoudelijk oordeel moeten geven.
subonderdeel III.1 onder ifeitelijke grondslag. Het hof heeft immers niet geoordeeld dat een minderheidsappartementseigenaar zich bij meervoudig gebleken misbruik niet tot de burgerlijke rechter mag wenden om misbruik in de toekomst te voorkomen, doch dat dat misbruik in dit geval niet automatisch vaststaat met de rechterlijke vernietigingsbeschikkingen uit 2018 en 2019, en dat het hof voor wat betreft de toekomst er niet van kan uitgaan dat onder alle omstandigheden sprake zal zijn van een schending van art. 2:8 BW Pro of misbruik van meerderheidsbelang wanneer een besluit in het kader van funderingsherstel niet wordt genomen onder de gevorderde voorwaarden.
EP) faalt het ook in verband met het volgende. In de eerste plaats gaat het subonderdeel, gelezen in samenhang met hoofdstuk A onder 2, p. 4, er kennelijk ook hier vanuit dat het hof heeft geoordeeld dat een verbod zoals gevorderd in absolute zin niet mogelijk is, hetgeen het hof evenwel niet heeft gedaan (zie hiervoor onder 3.67 e.v.). Voorts faalt het, omdat een rechter niet verplicht is ambtshalve te toetsen aan art. 1 EP Pro en uit het subonderdeel niet volgt waar in feitelijke instanties stellingen zijn ingenomen die het hof in het kader van de funderingsdiscussie op de voet van art. 25 Rv Pro had moeten aanvullen tot een beroep op art. 1 EP Pro. [48] Zoals gezegd, kunnen de vindplaatsen in hoofdstuk A, sub 3, onder a t/m g daaraan niet bijdragen.
subonderdeel III.1 onder iii.Het hof heeft immers niet overwogen dat zelfs een geclausuleerd verbod niet kan worden toegewezen, maar heeft bezien of er een grondslag is voor de toewijzing van de vordering van [eisers] , erin bestaande dat de VvE in strijd zou handelen met de redelijkheid en billijkheid of via de Stichting misbruik van meerderheidsbelang zou maken, als zij in de toekomst een besluit zou nemen zonder het door [eisers] gevorderde in acht te nemen, hetgeen gelet op de omstandigheden volgens het hof niet vaststaat en tot afwijzing van de vordering moet leiden.
subonderdeel III.5. Dit miskent om te beginnen dat hetgeen het hof in rov. 4.19 overweegt specifiek ziet op feitelijk funderingsherstel en niet op besluitvorming daaromtrent. Dit is voorts niet onbegrijpelijk in het licht van de door [eisers] zelf ingestelde vordering en hun toelichting daarop. Deze draait op dit punt om het verbieden van herstel onder voorwaarden, hetgeen volgens het hof reeds gewaarborgd wordt door de vergunningseis.
De meerderheidsappartementshouder (de Stichting) heeft dus belang bij hetdoordrukkenvan funderingsherstel ook al is dat niet noodzakelijk. Uitgaande van de hypothetisch feitelijke grondslag dat het funderingsherstel niet noodzakelijk is omdat die in goede staat is, bestaat er in redelijkheid geen andere reden om toch funderingsherstel te willen, dan dat daardoor het uitdiepen van het souterrain wordt toegestaan”. Die klacht mist feitelijke grondslag, omdat het hof er in de bestreden rechtsoverweging juist niet van uitgaat dat de fundering “in goede staat is” en overweegt dat er hoe dan ook belang bestaat bij aanpak van de fundering. Het subonderdeel ziet er voorts aan voorbij dat het hof hierbij ook betrekt dat het merendeel van de kosten voor de Stichting is, hetgeen ook niet wijst in de richting dat zij enkel handelt uit eigenbelang.
onder ieen voortbouwklacht bevat.
Onder iigaat het voorts uit van een onjuiste lezing van het bestreden arrest. Het neemt tot uitgangspunt dat het hof in rov. 5.7 heeft geoordeeld dat de Stichting in het verleden geen misbruik van meerderheidsbelang heeft gemaakt. Het hof geeft op die plek echter enkel, zeer kort, de grieven van de Stichting weer en overweegt dat die slagen op dezelfde gronden als in rov. 4.18-4.21 vermeld zijn. Daarin neemt het hof juist uitdrukkelijk tot uitgangspunt dat het in dit geval gaat om misbruik in de toekomst, en dat misbruik in het verleden tweemaal is vastgesteld. Het hof heeft op deze plek dus niet anders willen oordelen dan het eerder heeft gedaan, waarmee ook deze klacht faalt. De klacht
onder iiifaalt, omdat deze wederom miskent dat het hof de stellingen in hoofdstuk A, sub 3, onder a t/m g niet bij dit oordeel behoefde te betrekken.
Onder iiwordt daaraan toegevoegd dat het oordeel, dat erop neerkomt dat sprake is van eigen schuld, onbegrijpelijk is, waarbij [eisers] verwijzen naar het verloop van de verhuring zoals weergegeven in hoofdstuk A, sub 3, onder e van de procesinleiding. [55] [eisers] hadden weldegelijk toestemming, althans zij mochten daarvan in redelijkheid uitgaan toen zij de verklaring van de beheerder getekend retour ontvingen en deze een stappenplan op zijn website had staan waaraan [eisers] zich hebben gehouden. Het hof miskent in rov. 4.26 dat daaruit
in dit gevalvolgt dat [eisers] erop mochten vertrouwen dat zij die toestemming wel hadden.
Onder iiiwordt geconcludeerd dat het hof miskent dat, doordat [eisers] zich gehouden hebben aan de instructies van de beheerder, de VvE in redelijkheid had moeten handelen door zonder sommaties en andere onredelijke eisen een kennismakingsgesprek te regelen.
subonderdeel IV.1in de aanhef klaagt dat het hof de stelling van [eisers] , dat in de KvK genoteerd stond dat de VvE werd vertegenwoordigd door de beheerder, niet heeft betrokken, mist het feitelijke grondslag. Het hof heeft de gestelde vertegenwoordiging van de VvE door de beheerder wel gesignaleerd, hetgeen reeds volgt uit het feit dat het in rov. 4.24 aansluit bij hetgeen [eisers] hebben aangevoerd. Dat kwam er bij herhaling op neer dat de beheerder als gevolmachtigde bij de KvK stond ingeschreven en dus bevoegd was om akkoord te gaan met aangedragen huurder, dat zij gebruik hebben gemaakt van het stappenplan op de site van de beheerder van welke site ook de gebruikersverklaring is gehaald en dat de VvE van de verhuurplannen van [eisers] op de hoogte was. [58] Het oordeel van het hof komt er evenwel op neer, dat de vraag of de beheerder bevoegd was namens de VvE toestemming te verlenen niet van belang is, omdat geen toestemming is gevraagd en dus ook niet verleend. Het gaat in dat oordeel dan dus niet om de reikwijdte van enige volmacht, maar om de vraag welke rechtshandeling de VvE via de beheerder verricht zou hebben.
subonderdeel IV.1 onder ieen klacht bevat, faalt deze. Uit de processtukken volgt niet (het subonderdeel noemt ook geen vindplaatsen) dat stellingen van een dergelijke strekking in feitelijke instanties zijn ingenomen, terwijl die (in ieder geval deels) een onderzoek van feitelijke aard zouden vergen. Daarmee is sprake van een ontoelaatbaar novum in cassatie, nu het subonderdeel in wezen betoogt dat de genoemde omstandigheden steeds derogeren aan de eisen uit de splitsingsakte, hetgeen niet ten grondslag is gelegd aan de vordering. [59]
subonderdeel IV.1 onder iimist om te beginnen feitelijke grondslag waar deze tot uitgangspunt neemt dat het hof het leerstuk van eigen schuld zou hebben toegepast in rov. 4.22-4.27. Het hof beziet in die overwegingen of de VvE onrechtmatig jegens [eisers] heeft gehandeld, niet of sprake is van eigen schuld van [eisers]
in dit gevalvolgt dat [eisers] erop mochten vertrouwen dat zij die toestemming wel hadden.”
Subonderdeel IV.1 onder iiifaalt, voor zover het al aan de daaraan te stellen eisen voldoet. Het poneert dat het “in die context” op de weg van de VvE had gelegen om dit in goede harmonie op te lossen, waarmee het hof “dus” miskent dat, doordat [eisers] zich aan de instructies van de beheerder hebben gehouden, de VvE in redelijkheid had moeten handelen door zonder sommaties en “andere onredelijke eisen” een kennismakingsgesprek te regelen (al welke citaten het subonderdeel niet specificeert). Het subonderdeel onderkent om te beginnen niet welke omstandigheden het hof in rov. 4.24 en 4.25 allemaal meeweegt – waaronder het feit dat het de VvE vrij staat de splitsingsakte te handhaven en dat andere omstandigheden die dit anders maken hier niet aan de orde zijn – en mist reeds daarom feitelijke grondslag. De klacht scharniert er voorts om dat het kwalijke aan de handelwijze van de VvE erin is gelegen dat reeds een schriftelijk verzoek was gedaan en zij toch (nog een keer) sommeerde om dit verzoek te doen, terwijl het hof juist niet van deze omstandigheid uitgaat.
Subonderdeel IV.2vangt in de eerste alinea aan met een weergave van feitelijke stellingen en vaststellingen van het hof in rov. 3.33-3.34, zonder daaraan een klacht te verbinden en zonder vindplaatsverwijzingen op te nemen, behalve een (indirecte, via hoofdstuk A, sub 3, onder d) verwijzing naar inleidende dagvaarding nr. 50, waar een stelling, zoals door het subonderdeel bedoeld evenwel niet is te vinden. Ik kan hierin dus geen klacht ontwaren. De zinsnede dat in de rede had gelegen om na de route bij Velzel nog een kennismakingsgesprek te organiseren, is daarvoor m.i. niet precies genoeg.
Onderdeel Vricht zich tegen rov. 4.29-4.32 van het bestreden arrest.
Subonderdeel V.1 onder iklaagt dat het slagen van een of meer klachten in onderdeel III ook het oordeel in rov. 4.29 vitieert.
Onder iiklaagt het dat het hof hier en in rov. 4.18 t/m 4.21 miskent dat met de incidentele grieven I en II [eisers] hebben beoogd om de noodzaak van funderingsherstel ter beoordeling aan het hof over te laten. Het hof beoordeelt die vraag echter niet. Het oordeel dat die grieven (in het licht van rov 4.18 t/m 4.21) geen verdere bespreking behoeven is dan ook rechtens onjuist, onbegrijpelijk en niet toereikend gemotiveerd in het licht van art. 23 Rv Pro en hetgeen bij inleidende dagvaarding, nr. 40 is aangevoerd.
Subonderdeel V.2stelt dat het slagen van een of meer klachten uit onderdeel II het oordeel in rov. 4.30-4.32 vitieert.
Onderdeel VIbetoogt dat het slagen van een of meer klachten van de voorgaande onderdelen ook het oordeel in rov. 6 en 7 vitieert.
Subonderdeel V.1 onder iifaalt. Het hof behoefde in het licht van de verbodsvordering van [eisers] niet af te leiden dat het gehouden was zelf een oordeel te geven over de noodzaak van funderingsherstel. Ik verwijs naar alinea 3.76 hiervoor. De grieven I en II in incidenteel appel maken dat niet anders, omdat deze er kennelijk slechts toe strekken bepaalde vaststellingen door de rechtbank te bestrijden, hetgeen niet afdoet aan de vorderingen waarop het hof hier diende te beslissen.
Subonderdeel V.1 onder i, subonderdeel V.2 en onderdeel VIbetreffen kennelijk slechts voortbouwklachten die verband houden met het slagen van klachten uit onderdeel III [61] en zij falen dus in het voetspoor daarvan.
Onderdeel VIslaagt voor zover de oordelen in rov. 6 en 7 voortbouwen op overwegingen die door onderdeel II met vrucht zijn bestreden. Voor het overige faalt het.