Conclusie
Feiten en procesverloop
Effort Sharing Decision
Inleidende beschouwingen
‘common ground’-methode van het EHRM (2.70)
common ground-methode en het internationale milieurecht (2.74)
common ground-methode en mensenrechtelijke klimaatverplichtingen (2.79)
De mensenrechtelijke onderbouwing van het bevel (middelonderdelen 1 – 3)
De reductie van de Nederlandse emissies van broeikasgassen met ten minste 25% in 2020 (middelonderdelen 4 – 8)
Effort Sharing Decision
carbon budgeten emissiereducties (4.49)
Margin of appreciation
Fair balanceen proportionaliteit
De staatsrechtelijke toelaatbaarheid van het bevel (middelonderdeel 9)
Political question-doctrine in de Verenigde Staten (5.13)
Afsluitende beschouwingen
Conclusie
1.Feiten en procesverloop
parts per million) gebruikt. De aanduiding ‘ppm CO2-equivalent’ wordt gebruikt om de concentratie van alle broeikasgassen tezamen aan te duiden, waarbij de concentratie van andere broeikasgassen dan CO2 is omgerekend naar CO2 aan de hand van het opwarmend effect.. [4]
consensus’) dat de gemiddelde temperatuur op aarde niet mag toenemen met meer dan 2º C ten opzichte van de gemiddelde temperatuur in het pre-industriële tijdperk. Indien de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer niet uitstijgt boven 450 ppm in het jaar 2100, bestaat een redelijke kans dat deze doelstelling (hierna: de tweegradendoelstelling) wordt gehaald. In de laatste jaren is het inzicht gerezen dat een veilige temperatuurstijging niet hoger mag zijn dan 1,5º C, met een daarbij behorend concentratieniveau van broeikasgassen van ten hoogste 430 ppm in het jaar 2100. [6]
carbon budget. [7] De kans om het streefgetal van maximaal 1,5º C temperatuurstijging nog te halen, is volgens het Hof inmiddels uitermate klein geworden. [8]
‘tipping point’) bereikt dat een abrupte klimaatverandering tot gevolg kan hebben, zodanig dat de mens noch de natuur zich daarop behoorlijk kan instellen. Volgens het hierna te bespreken rapport AR5 neemt het risico op dergelijke kantelpunten
“at a steepening rate”toe bij een temperatuurstijging tussen 1 en 2º C (ten opzichte van de gemiddelde temperatuur in het pre-industriële tijdperk). [10]
Fourth Assessment Reportvan het IPCC (hierna kortweg: AR4). In dit rapport is beschreven dat, aldus de Rechtbank, bij een temperatuurstijging van 2° C boven het niveau van het pre-industriële tijdperk het risico ontstaat van een gevaarlijke, onomkeerbare verandering van het klimaat. [13]
Fifth Assessment Reportvan het IPCC (hierna: AR5). In dit rapport is onder meer vastgesteld dat de aarde opwarmt als gevolg van de toename van de concentratie van CO2 in de atmosfeer sinds het begin van de industriële revolutie en dat dit wordt veroorzaakt door menselijke activiteiten, in het bijzonder door de verbranding van olie, gas, kolen en door ontbossing. [15] In het rapport AR5 heeft het IPCC geconcludeerd dat indien de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer in 2100 stabiliseert op ongeveer 450 ppm, de kans dat de stijging van de mondiale temperatuur onder de 2º C blijft,
‘likely’is, dat wil zeggen meer dan 66%. Daarbij moet worden bedacht dat in 87% van de scenario’s die in AR5 zijn verwerkt, zijn aannames opgenomen met betrekking tot
negatieveemissies, dat wil zeggen: mogelijke onttrekking van CO2 aan de atmosfeer.
Conference of the Parties(hierna: COP). De COP komt doorgaans jaarlijks bijeen in de zogenoemde klimaatconferenties. De COP is het hoogste besluitvormende orgaan binnen het VN-Klimaatverdrag, met dien verstande dat besluiten van de COP in het algemeen niet juridisch bindend zijn. [19]
Kyoto Protocol overeengekomen tussen een aantal Annex I-landen, waaronder Nederland. [20] In dit protocol zijn reductiedoelstellingen vastgelegd voor het tijdvak 2008 - 2012. Voor de (toenmalige) lidstaten van de EU gold volgens Bijlage B bij dit protocol voor genoemd tijdvak een reductiedoelstelling van 8% ten opzichte van het peiljaar 1990.
Bali Action Planvastgesteld. Hierin werd de noodzaak erkend van drastische emissiereducties, met verwijzing naar het bovengenoemde rapport AR4. Die verwijzing zag onder meer op de pagina met de in voetnoot 14 hiervoor genoemde tabel (“Box 13.7”) in het rapport van de derde werkgroep van deskundigen voor AR4, waarin was vermeld dat de Annex I-landen, wanneer zij het 450 ppm-scenario door Annex I-landen willen realiseren, de uitstoot van broeikasgassen in 2020 met 25 - 40% moeten hebben teruggebracht in verhouding tot hun uitstoot in 1990. [21]
Cancun Agreements(Decision 1/CP.16) als doelstelling voor de lange termijn erkend dat de temperatuur van de aarde niet meer dan 2º C mag stijgen in verhouding tot de gemiddelde temperatuur in het pre-industriële tijdperk – met een mogelijke aanscherping tot een maximum van 1,5º C. In de preambule hebben zij verwezen naar de urgentie van grote emissiereductie. [23]
“would require Annex I Parties as a group to reduce emissions in a range of 25-40 per cent below 1990 levels by 2020”). De partijen bij het Kyoto Protocol hebben erop aangedrongen dat de Annex I-landen hun ambitieniveau verhogen ten opzichte van de reeds door hen gedane toezeggingen, met het oog op de in het rapport van de derde werkgroep van deskundigen voor AR4 genoemde bandbreedte (
“Urges Annex I Parties to raise the level of ambition of the emission reductions to be achieved by them individually or jointly, with a view to reducing their aggregate level of emissions of greenhouse gases in accordance with the range indicated by Working Group III to the Fourth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change”). In de zogenoemde
‘Cancún pledges’hebben de EU-landen zich als groep bereid verklaard tot een reductie van 20% per 2020 (in verhouding tot de uitstoot in het peiljaar 1990), met het aanbod van 30% reductie mits andere landen vergelijkbare reductiedoelstellingen zouden aangaan. [24]
“well below 2º C”) moet worden gehouden ten opzichte van de gemiddelde temperatuur in het pre-industriële tijdperk, waarbij wordt gestreefd naar een temperatuurstijging van ten hoogste 1,5º C (art. 2). Partijen moeten nationale klimaatplannen opstellen, die ambitieus moeten zijn en waarvan het ambitieniveau bij ieder nieuw plan moet toenemen (art. 3). [27]
‘emissions gap’. [28] Voor dit geding zijn met name van belang de UNEP-rapporten 2013 en 2017. In het jaarrapport 2013 werd voor de derde keer op rij geconstateerd dat de gedane toezeggingen tekortschieten en dat de uitstoot van broeikasgassen stijgt in plaats van daalt. Verder constateerde het UNEP dat de emissiedoelstellingen van de gezamenlijke Annex I-landen tekortschieten voor het behalen van de reductie van 25 - 40% in 2020 die in voormelde Box 13.7 in de rapportage van de derde werkgroep van deskundigen voor AR4 noodzakelijk werd geacht. Het UNEP maakte de gevolgtrekking dat het steeds minder waarschijnlijk wordt dat de emissies in 2020 laag genoeg zullen zijn om de tweegradendoelstelling tegen de laagst mogelijke kosten te realiseren. Alhoewel met latere acties tot reductie uiteindelijk mogelijk dezelfde temperatuurdoelen te bereiken zijn, zullen zij volgens het UNEP moeilijker, kostbaarder en riskanter zijn. [29]
“enhanced pre-2020 mitigation action”) in het licht van het Akkoord van Parijs urgenter is dan ooit. Het UNEP merkt op dat indien de geconstateerde
‘emissions gap’tegen 2030 niet is ingehaald, het uiterst onwaarschijnlijk is dat de tweegradendoelstelling nog kan worden gerealiseerd. Daarom zijn volgens het UNEP ambitieuzer reductiedoelstellingen nodig voor 2020. [30]
Emissions Trading System. Dit systeem houdt in dat bedrijven in de ETS-sector broeikasgassen slechts mogen uitstoten indien zij daartoe emissierechten inleveren. Deze emissierechten kunnen worden gekocht, verkocht of bewaard. De totale hoeveelheid broeikasgassen die ETS-bedrijven mogen uitstoten neemt in de periode 2013 - 2020 jaarlijks af met 1,74%, totdat in 2020 een reductie van 21% is gerealiseerd ten opzichte van het jaar 2005.
Effort Sharing Decision [32] bepaald dat de reductiedoelstelling van 20% in 2020 voor de
niet-ETS-sectoren meebrengt dat Nederland een reductie van de uitstoot tot stand zal brengen van 16% ten opzichte van de uitstoot in 2005.
als geheelin 2020 een emissiereductie realiseren van 26 - 27% ten opzichte van de uitstoot in 1990. [33]
niet-ETS-sector en van 21% in de ETS-sector, telkens ten opzichte van de uitstoot in 2005); en van tenminste 40% in 2030 en van 80 - 95% in 2050, in verhouding tot de uitstoot in 1990. [35]
per hoofd van de bevolkingis relatief hoog, in vergelijking met andere geïndustrialiseerde landen. [36] Van de totale Nederlandse uitstoot van broeikasgassen bestaat 85% uit CO2. De CO2-uitstoot in Nederland is sinds 1990 nauwelijks afgenomen en in de laatste jaren zelfs gestegen. In de periode 2008 - 2012 heeft Nederland een emissiereductie in CO2-equivalent gerealiseerd van 6,4%. De reductie komt voor rekening van andere broeikasgassen dan CO2. In de vijftien grootste EU-lidstaten werd in diezelfde periode een emissiereductie gerealiseerd van 11,8% en in de EU
als geheeleen reductie van 19,2%.
no harm’-beginsel uitsluitend verplichtingen meebrengen jegens andere staten. Het gaat niet om ‘een ieder verbindende’ verdragsrechtelijke bepalingen als bedoeld in art. 93 Grondwet Pro. Urgenda kan zich niet rechtstreeks op die bepalingen beroepen (rov. 4.42 Rb). Wel kan de rechter bij de invulling van nationaalrechtelijke open normen en begrippen, waaronder de norm van de maatschappelijke betamelijkheid, een zekere “reflexwerking” toekennen aan zulke internationaalrechtelijke verplichtingen (rov. 4.43 Rb). Dat geldt ook voor de invulling van open normen in het Europese recht (rov. 4.44 Rb).
.Daarbij heeft de Rechtbank acht geslagen op het leerstuk van gevaarzetting (de criteria uit het Kelderluik-arrest [56] ; zie rov. 4.54 Rb), op de aan de Staat toekomende beleidsruimte (zie rov. 4.55 Rb) en op de doelstellingen en beginselen van het internationale klimaatrecht en het recht van de Europese Unie, waaronder het beginsel van een hoog beschermingsniveau, het voorzorgsbeginsel en het preventiebeginsel (zie art. 191 lid 2 VWEU Pro; zie rov. 4.56 – 4.62 Rb). De Rechtbank heeft haar onderzoek toegespitst op de vraag “of – gemeten naar objectieve maatstaven − de door de Staat getroffen reductiemaatregelen aanvaardbaar zijn ter voorkoming van gevaarlijke klimaatverandering voor mens en milieu, gelet ook op de aan de Staat toekomende beleidsvrijheid” (rov. 4.63 Rb).
“wide margin of appreciation”(rov. 42). Uitgaande van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden (rov. 44), moet worden gesproken van een reële dreiging van gevaarlijke klimaatverandering, waardoor het ernstige risico bestaat dat de huidige generatie ingezetenen van Nederland zal worden geconfronteerd met verlies van leven en/of verstoring van het gezinsleven. Ingevolge het bepaalde in art. 2 en Pro art. 8 EVRM Pro rust op de Staat de verplichting om tegen deze reële dreiging bescherming te bieden (rov. 45).
‘carbon leakage’(rov. 55 - 58). Dat klimaatverandering een probleem op wereldschaal is en dat de Staat dit probleem niet alleen kan oplossen, ontslaat de Staat niet van zijn verplichting om voor zijn grondgebied naar vermogen maatregelen te nemen die, tezamen met de inspanningen van andere staten, bescherming bieden tegen de gevaren van klimaatverandering (rov. 62). De omstandigheid dat volstrekte wetenschappelijke zekerheid over de doeltreffendheid van het reductiebevel ontbreekt, betekent volgens het Hof niet dat de Staat gerechtigd is verdere maatregelen achterwege te laten (rov. 63).
2.Inleidende beschouwingen
Grondslag van het reductiebevel; indeling van dit hoofdstuk
als zodanigniet te vinden in het geschreven recht van nationale of internationale herkomst. De Rechtbank heeft deze zorgplicht afgeleid uit de open norm van art. 6:162 lid 2 BW Pro. Het Hof heeft hiervoor een verdragsrechtelijke basis gevonden in de open normen van art. 2 en Pro art. 8 EVRM Pro. In zoverre verschilt de redengeving van beide beslissingen. De concrete invulling van de zorgplicht – de feitelijke onderbouwing van het reductiebevel aan de hand van inzichten uit de klimaatwetenschap, doelstellingen van internationaal klimaatbeleid en normen en beginselen van internationaal recht – is in de redenering van de Rechtbank en het Hof echter grotendeels gelijk. [67]
nietinstemt met het doel van de vordering, evenmin in de weg staat aan een vordering op grond van art. 3:305a BW. Volgens de Hoge Raad is beslissend of in het desbetreffende geval sprake is van “gelijksoortige belangen” in de zin van art. 3:305a lid 1 BW. Aan dat vereiste is voldaan indien de betrokken belangen zich lenen voor bundeling, zodat een efficiënte en effectieve rechtsbescherming ten behoeve van de belanghebbenden kan worden bevorderd. [72]
Kalimijnen-arrest, dat betrekking had op schade door zoutlozingen in een rivier, aanvaardde de Hoge Raad de mogelijkheid om elke vervuiler aansprakelijk te houden voor een percentage van de schade dat overeenstemt met zijn onrechtmatige aandeel in de vervuiling. [86] Deze ‘lineaire’ benadering – te onderscheiden van een ‘hoofdelijke’ aansprakelijkheid voor alle schade − is ook in het internationale milieurecht erkend. [87] In de vakliteratuur is ook wel verwezen naar artikel 47 lid 1 van Pro de
Articles on Responsibility of States for Internationally Wrongful Acts, zoals voorgesteld door de International Law Commission: “
Where several States are responsible for the same internationally wrongful act, the responsibility of each State may be invoked in relation to that act.” [88]
Supreme Courtvan de Verenigde Staten in de zaak
Massachusetts v. Environmental Protection Agency. Het ging in die zaak, zeer kort samengevat, om de vraag of de US Environmental Protection Agency (EPA) was gehouden tot normering van de uitstoot van CO2 als
air pollutant. De
Supreme Courtbeantwoordde die vraag bevestigend en overwoog daartoe onder meer:
reverseglobal warming, it by no means follows that we lack jurisdiction to decide whether EPA has a duty to take steps to
slowor
reduceit. (…) A reduction in domestic emissions would slow the pace of global emissions increases, no matter what happens elsewhere.” [91]
grondrecht op milieubescherming(“De zorg van de overheid is gericht op de bewoonbaarheid van het land en de bescherming en verbetering van het leefmilieu”) pleegt te worden opgevat als een tot de overheid gerichte ‘instructienorm’. [95] Het is tegen die achtergrond, dat die bepaling in dit geding slechts een ondergeschikte rol heeft gespeeld. [96]
Lindenbaum/Cohenuit 1919. [97] Sinds dat arrest is algemeen aanvaard dat ook een doen of nalaten in strijd met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt, een onrechtmatige daad oplevert.
Kalimijnen-arrest, over milieuverontreiniging door zoutlozingen in een rivier, overwoog de Hoge Raad dat bij de beantwoording van de vraag of de zoutlozingen in strijd zijn met hetgeen volgens ongeschreven recht in het maatschappelijk verkeer betaamt jegens gebruikers benedenstrooms van de rivier, rekening moet worden gehouden “enerzijds met de aard en het gewicht van de door de lozingen gediende belangen en anderzijds met de door het benedenstroomse gebruik gediende belangen”. Hierop voortbouwend overwoog de Hoge Raad “dat bij de weging van deze wederzijdse belangen aan de belangen van de benedenstroomse gebruiker in zoverre een bijzonder gewicht toekomt dat deze in beginsel mag verwachten dat de rivier niet door omvangrijke lozingen bovenmatig wordt vervuild”. [99]
‘soft law’) en niet-rechtstreeks werkende verdragsbepalingen en beginselen van internationaal recht. In alinea 2.30 e.v. komen wij hierop terug.
nalatigheideen ander in gevaar hebben gebracht. Het gaat daarbij met name om personen op wie een bijzondere zorgplicht rust jegens potentiële slachtoffers, zoals beheerders van gebouwen en terreinen. [102] Ook de aansprakelijkheid van de overheid als toezichthouder op gevaarlijke activiteiten van anderen wordt wel met het gevaarzettingsleerstuk in verband gebracht. [103]
Kelderluik-arrest heeft de Hoge Raad gezichtspunten geformuleerd voor de onrechtmatigheidstoetsing in gevaarzettingssituaties. Deze gezichtspunten hebben betrekking op (i) de waarschijnlijkheid dat potentiële slachtoffers niet de vereiste oplettendheid en voorzichtigheid zullen betrachten, (ii) de grootte van de kans dat daaruit ongevallen ontstaan, (iii) de ernst van de mogelijke gevolgen en (iv) de bezwaarlijkheid van voorzorgsmaatregelen. [104] In latere rechtspraak zijn deze ‘
Kelderluik-factoren’ herhaald en aangevuld met bijkomende gezichtspunten, zoals (v) de gebruikelijkheid van voorzorgsmaatregelen en (vi) de aard van de gedraging. [105]
Kelderluik-factoren zijn toegespitst op gevaarzettingssituaties. Zij vormen niet het kader voor de toepassing van maatschappelijke zorgvuldigheidsnormen in het algemeen. [106] Toch worden deze factoren ook buiten gevaarzettingssituaties (analoog, zo nodig aangevuld met andere gezichtspunten) toegepast. [107] Hierbij is van belang dat de
Kelderluik-factoren aansluiten bij basale noties omtrent de omgang met risico’s. Zij hebben een rechtseconomische achtergrond en worden in vergelijkbare bewoordingen ook in andere rechtsstelsels aanvaard. Zo valt te denken aan de ‘
Learned Hand-formula’ [108] in Anglo-Amerikaanse rechtsstelsels. [109] Ook de
Principles of European Tort Lawen de
Oslo Principles on Global Climate Obligationskennen een vergelijkbaar beoordelingskader. [110] De
Kelderluik-factoren vertonen overeenkomsten met de gezichtspunten die het EHRM hanteert in zijn (hierna te bespreken) jurisprudentie over positieve verplichtingen in (milieu-)gevaarlijke situaties. [111]
Kelderluik-factoren, aangevuld met andere gezichtspunten, zoals de aan de overheid toekomende beleidsruimte. Sommige auteurs hebben kritiek uitgeoefend op deze toepassing van het gevaarzettingsleerstuk. In hun visie is dat leerstuk bedoeld voor eenvoudige ongevalssituaties en niet geschikt voor de toetsing van overheidsbeleid in complexe vraagstukken als klimaatverandering. [112] Andere auteurs achten het gevaarzettingsleerstuk juist bij uitstek geschikt om de gevaren van klimaatverandering te adresseren. Zij wijzen in dit verband op de brede inzetbaarheid van de
Kelderluik-factoren als algemeen beoordelingskader voor de omgang met risico’s. [113]
indirectewijze doorwerken in het onrechtmatigheidsoordeel. Ten eerste worden regels van nationaal recht waar mogelijk ‘verdragsconform’ uitgelegd, overeenkomstig het volkenrechtelijke principe dat staten worden vermoed hun verdragsverplichtingen te willen nakomen. Ten tweede houdt de nationale rechter specifiek bij het invullen van open normen zoveel mogelijk rekening met het internationale recht (ongeacht de al dan niet rechtstreekse werking ervan). Dat wordt wel
reflexwerkinggenoemd. Overigens is het onderscheid tussen beide figuren niet altijd scherp te maken. [118]
soft law’ in het internationale recht. Hiermee wordt gedoeld op een grote variëteit van niet-bindende internationale instrumenten, zoals richtlijnen, actieplannen, conferentieverklaringen en niet-bindende resoluties van internationale organisaties. Hoewel deze instrumenten op zichzelf niet juridisch bindend zijn, wordt daaraan wel in toenemende mate betekenis toegekend bij de invulling van algemeen geformuleerde volkenrechtelijke verplichtingen [119] en, in het verlengde daarvan, bij de invulling van open normen in het nationale recht. [120] Ook het EHRM maakt gebruik van deze techniek, [121] in het kader van de hierna nog te bespreken
common ground-methode. Overigens is in de vakliteratuur betoogd dat niet zozeer de juridische status van het instrument beslissend zou moeten zijn voor de kwalificatie als
hard lawdan wel
soft law, maar de materiële inhoud van de daarin neergelegde regel, dus de vraag of die regel zich al dan niet leent voor toepassing als bindend recht. [122] Deze benadering is enigszins vergelijkbaar met de ‘contextuele’ maatstaf uit het in alinea 2.28 besproken
Rookverbod-arrest.
soft lawniet zelden fungeert als wegbereider voor
hard law: aanvankelijk onverbindende actieplannen en intentieverklaringen kunnen later uitmonden in afdwingbare volkenrechtelijke verplichtingen. [123] N.J. Schrijver duidt dit proces aan als “kristallisatie”. [124] Klimaatverandering wordt genoemd als een voorbeeld van een rechtsgebied waar
soft lawzich in de loop der jaren ontwikkelt tot
hard law, al wordt daarbij wel aangetekend dat lang niet alle doelstellingen die de internationale gemeenschap zich op dit punt heeft gesteld uiteindelijk in bindende verdragen zijn verankerd. [125] Dat laat onverlet dat
soft lawook bij dit onderwerp een belangrijke rol kan spelen. Zo betogen de opstellers van de
Oslo Principles on Global Climate Obligations:
effectiefen
actiefmoeten worden beschermd (zie de alinea’s 2.37 en 2.38) en dat deze bescherming primair op
nationaalniveau moet worden geboden (zie alinea 2.39). Ten slotte is van belang dat het EVRM een
minimumbeschermingsniveauvereist en zich dus niet verzet tegen additionele bescherming op nationaal niveau (zie alinea 2.40 hierna).
a search for a fair balance between the demands of the general interest of the community and the requirements of the protection of the individual’s fundamental rights”. [131] Deze nadruk op individuele rechtsbescherming komt ook tot uitdrukking in art. 34 EVRM Pro, dat alleen een klachtrecht toekent aan individuen en organisaties die zelf slachtoffer (‘
victim’) zijn van een mensenrechtenschending. [132] Een ‘
actio popularis’, ter behartiging van mensenrechten in het algemeen, is daarom op grond van het EVRM in beginsel niet mogelijk. [133] Deze beperking is echter niet absoluut: zoals hierna zal blijken, biedt het EVRM in bepaalde situaties ook “
general protection to society” (zie alinea 2.59 hierna) en heeft het EHRM het slachtoffervereiste omwille van een effectieve rechtsbescherming in voorkomende gevallen opgerekt (zie de alinea’s 2.58 en 2.62 hierna).
jurisdiction’) in art. 1 EVRM Pro moet volgens het EHRM primair territoriaal worden opgevat. Het komt erop aan, of het slachtoffer zich op het grondgebied van de verdragsluitende staat bevindt. Uitzonderingen op dit territorialiteitsbeginsel zijn door het EHRM onder meer aanvaard in de context van extraterritoriale activiteiten van een staat, zoals bij mensenrechtenschendingen door diplomaten of militairen ten opzichte van slachtoffers buiten het grondgebied van de staat. [134] Of ook grensoverschrijdende milieuschade onder het bereik van deze uitzondering valt, is in de rechtspraak van het EHRM nog niet uitgemaakt. De bestaande rechtspraak van het EHRM lijkt daarvoor wel aanknopingspunten te bieden, [135] evenals de rechtspraak van andere mensenrechtenhoven. [136]
the object and purpose of the Convention as an instrument for the protection of individual human beings”, [137] aldus het EHRM. Dit sluit aan bij de uitlegmaatstaf van art. 31 lid 1 van Pro het Verdrag van Wenen inzake het verdragenrecht. [138] Toepassing van het hier bedoelde effectiviteitsbeginsel (‘
Principle of effective interpretation’) leidt in de regel tot een extensieve uitleg van het EVRM. De oprekking van het ‘slachtoffer’-vereiste is daarvan een voorbeeld. [139]
positieve verplichtingenuit art. 2 en Pro 8 EVRM kunnen als toepassing van het effectiviteitsbeginsel worden beschouwd. De gedachte is dat voor een effectieve bescherming van mensenrechten niet voldoende is dat de overheid zich onthoudt van aantastingen van deze rechten, maar onder omstandigheden tevens is vereist dat de overheid zich actief inspant om aantastingen van mensenrechten door derden of externe factoren (zoals natuurgeweld) te voorkómen. [140] Dit betekent dat bij een schending van positieve verplichtingen veelal sprake is van meervoudige causaliteit, in die zin dat de mensenrechtenschending door een combinatie van factoren, waaronder nalatigheid van de overheid, wordt veroorzaakt. [141] In verband hiermee vereisen de positieve verplichtingen geen absolute garantie tegen mensenrechtenschendingen (zie daarover alinea 2.53 hierna).
Principle of subsidiarity’) vormt mede de achtergrond van de hierna nog te bespreken
margin of appreciation-doctrine, die het EHRM gebruikt om aan nationale autoriteiten in voorkomende gevallen beleidsruimte toe te kennen. [143] Hoewel dit associaties kan oproepen met het staatsrechtelijke beginsel van machtenscheiding, staat het subsidiariteitsbeginsel niet in het teken van rechterlijke terughoudendheid. [144] Integendeel, het EHRM eist juist dat nationale rechters een beroep op mensenrechten beoordelen met bijzondere gestrengheid en zorgvuldigheid (“
with particular rigour and care”), als uitvloeisel van het subsidiariteitsbeginsel (“
as a corollary of the principle of subsidiarity”). [145] De
margin of appreciation-doctrine kan daarom niet – of hoogstens naar analogie – dienen als grondslag voor een terughoudende opstelling van de nationale rechter in mensenrechtenkwesties (zie alinea 2.69 hierna).
Right to life’). Dit artikel behelst niet alleen het verbod om te doden, maar ook de positieve verplichting om maatregelen te treffen ter bescherming van het recht op leven. [150] Art. 2 EVRM Pro is mede van toepassing op levensbedreigende situaties. De positieve verplichting tot bescherming tegen levensgevaar is tweeledig. Zij omvat enerzijds de verplichting om te voorzien in een adequaat wettelijk kader (vgl. de eerste volzin van art. 2 EVRM Pro) en anderzijds de verplichting om feitelijke voorzorgsmaatregelen te treffen. Deze positieve verplichting geldt onder meer wanneer sprake is van gevaarlijke industriële activiteiten, ongeacht of deze door de overheid of door private actoren zijn verricht, en in de context van natuurrampen. Volgens vaste rechtspraak biedt art. 2 EVRM Pro niet een absolute waarborg tegen ieder denkbaar gevaar. [151]
Osman-
obligationgenoemd, [152] mag volgens vaste jurisprudentie niet een “
impossible or disproportionate burden” opleveren voor de nationale autoriteiten. Daarom stelt het EHRM hieraan als voorwaarde dat de autoriteiten “
knew or ought to have known at the time of the existence of a real and immediate risk to the life of an identified individual or individuals from the criminal acts of a third party and that they failed to take measures within the scope of their powers which, judged reasonably, might have been expected to avoid that risk”. Het EHRM heeft de
Osman-
obligationook aanvaard in gevallen waarin de potentiële slachtoffers niet op voorhand identificeerbaar waren, bijvoorbeeld waar het ging om willekeurige slachtoffers van gewelddadige personen. In die specifieke context biedt art. 2 EVRM Pro volgens het EHRM algemene bescherming aan de maatschappij (“
general protection to society”). [153]
a legislative and administrative framework designed to provide effective deterrence against threats to the right to life”). [154] Ten aanzien van de keuze van maatregelen ter beperking van het gevaar hebben de autoriteiten van de verdragsstaten een “
margin of appreciation”. Ook hierbij geldt dat de maatregelen geen “
impossible or disproportionate burden” mogen opleveren voor de nationale autoriteiten. Een en ander geldt nog sterker in “
difficult social and technical spheres”, waar het EHRM aan verdragsstaten een “
wide margin of appreciation” toekent. Bij de beoordeling van door een verdragsstaat getroffen maatregelen komt onder meer gewicht toe aan de vraag of de nationale normen zijn nageleefd (“
domestic legality”), de nationale besluitvorming en het daaraan ten grondslag liggende feitenmateriaal (“
the domestic decision-making process”) de complexiteit van de materie (“
the complexity of the issue”), de bron van het gevaar (“
the origin of the threat”) en de mate waarin het gevaar vatbaar is voor mitigatie (“
mitigation”). Bij het ondernemen of autoriseren van gevaarlijke activiteiten moet de staat zorgen dat de risico’s tot een redelijk minimum (“
a reasonable minimum”) worden beperkt. [155]
Right to respect for private and family life’). Het biedt een veelomvattende bescherming, die deels in het verlengde ligt van art. 2 EVRM Pro. Waar art. 2 EVRM Pro toepassing mist (bijvoorbeeld in situaties die wel de kwaliteit van leven aantasten, maar niet levensbedreigend zijn), kan soms worden teruggevallen op art. 8 EVRM Pro. [160]
environmental issues’. Het EVRM behelst weliswaar geen recht op bescherming van de leefomgeving in het algemeen, maar daar waar milieuverontreiniging direct consequenties heeft voor het recht op eerbiediging van het privéleven (met name de woning) en voldoende ernstig is, kan art. 8 EVRM Pro worden toegepast, zonder dat hiervoor is vereist dat de gezondheid van de klager wordt bedreigd. Maatschappelijk aanvaardbare vormen van hinder (zoals “
environmental hazards inherent to life in every modern city”) vallen niet onder het beschermingsbereik van art. 8 EVRM Pro. [161]
reasonable and appropriate measures”) nemen ter bescherming van individuen tegen ernstige milieuschade (“
serious damage to their environment”). Staten hebben in dit verband een aanzienlijke beleidsruimte (“
an extensive margin of appreciation”). Het EHRM toetst of een “
fair balance” is getroffen tussen de in het geding zijnde belangen. Daaronder begrijpt het EHRM ook economische belangen. [162]
algemenebelangen en daarvoor zijn mensenrechten volgens deze auteurs niet bedoeld. [173] Andere auteurs achten de mensenrechtelijke benadering van het Hof juist bij uitstek geschikt voor de beoordeling van deze zaak. [174]
L.C.B./Verenigd Koninkrijk, een voorloper van het eerder genoemde
Osman-arrest, overwoog het EHRM reeds dat het erop aankomt of de overheid heeft gedaan wat van haar kon worden gevergd “
to prevent the applicant’s life from being avoidably put at risk”. [175] Dit preventieve karakter is eigen aan het concept van positieve verplichtingen als zodanig: zij strekken ertoe dat de overheid zich inspant om een aantasting van mensenrechten door derden of door andere externe factoren te voorkómen. [176] Van belang is dat het hier geen resultaatsverplichting betreft: het feit dat iemand overlijdt impliceert nog geen schending van het recht op leven. [177] Kenmerkend voor positieve verplichtingen is in de woorden van Gerards, dat zij “bijdragen aan een effectieve garantie” van het desbetreffende mensenrecht. [178] Dit laat onverlet dat het EHRM dikwijls hoge eisen stelt aan de door de overheid te verrichten inspanningen en dat die eisen kunnen meebrengen dat een bepaald minimumbeschermingsniveau moet worden gegarandeerd (zie de alinea’s 2.63 e.v. hierna).
hoeverdeze preventieve bescherming strekt. De meergenoemde
Osman-verplichting ter bescherming van bedreigde personen – die ook (analoog) wordt toegepast bij milieurampen en gevaarlijke situaties [179] – is volgens het EHRM van toepassing indien de overheid bekend is met een “
real and immediate risk” voor personen. In de vakliteratuur zijn vraagtekens geplaatst bij het tweede bestanddeel van dit criterium, het vereiste van onmiddellijkheid (“
immediate”). Sanderink betoogt onder verwijzing naar verschillende uitspraken van het EHRM dat dit vereiste nauwelijks toegevoegde waarde heeft, omdat het vooral gaat om de
realiteitvan het risico. [180] Gijselaar en de Jong leiden uit de rechtspraak van het EHRM af dat het erom gaat of het risico
afwendbaaris: zo niet, dan is sprake van een “
immediate risk”, ook al zal dit zich pas op langere termijn verwezenlijken. [181] Emaus betoogt meer in algemene zin dat de rechtspraak van het EHRM wordt beheerst door een “preventiebeginsel”. [182]
Taşkin c.s./Turkijebiedt steun voor deze relativering van het onmiddellijkheidsvereiste. In die zaak beriepen de klagers zich op schending van art. 8 EVRM Pro wegens milieurisico’s die gepaard gingen met het gebruik van cyanide bij de exploitatie van een goudmijn. De Turkse overheid verweerde zich met de stelling dat deze risico’s “
hypothetical” waren omdat zij zich pas over 20 tot 50 jaar zouden kunnen realiseren. Het EHRM passeerde dit verweer met de overweging dat de risico’s waren onderkend in diverse milieurapporten. Daarmee stonden de risico’s in voldoende nauw verband met het door art. 8 EVRM Pro beschermde recht op privé- en gezinsleven van de omwonenden van de goudmijn. Het EHRM vervolgde:
point of no return’). Ook risico’s die dreigen op een langere termijn (in dit geval een termijn van tientallen jaren), kunnen de overheid nopen tot het treffen van preventieve maatregelen. Voor toepasselijkheid van art. 2 en Pro 8 EVRM is dus niet vereist dat sprake is van een “acuut” of “onmiddellijk” gevaar. [184]
Tătar/Roemenië, waarin het EHRM de voortgezette exploitatie van een goudmijn in strijd met art. 8 EVRM Pro achtte, in verband met potentiële, niet onomstotelijk bewezen gezondheidsrisico’s voor omwonenden. Het EHRM verwees in dit verband naar het
voorzorgsbeginsel(“
le principe de précaution”), dat in het internationale milieurecht is aanvaard (zie alinea 2.74). [185] Hieruit blijkt tevens dat het EVRM in de context van positieve verplichtingen geen (onomstotelijk bewijs van) dreigende schade en causaal verband vereist: voldoende is dat door de handelwijze van de overheid een
reëel risicowordt veroorzaakt. [186]
victim”) kwalificeren. Het EHRM heeft het slachtoffervereiste evenwel opgerekt ten gunste van “
potential victims” en “
inevitable victims”. Weliswaar is het enkele risico van een toekomstige mensenrechtenschending onvoldoende voor ontvankelijkheid van een klacht bij het EHRM, maar als de overheid concrete stappen heeft gezet of beslissingen heeft genomen die tot de beweerde mensenrechtenschending kunnen leiden, zoals bij een voorgenomen uitzetting of uitlevering in strijd met het EVRM, kan daarover in Straatsburg worden geklaagd. Ook indien een beweerde mensenrechtenschending vooralsnog niet aan de orde is, maar op termijn onvermijdelijk is, zoals bij (fiscale of erfrechtelijke) regels die pas bij iemands overlijden zullen worden toegepast, is een klacht daarover ontvankelijk geacht. [187] Daarmee is de preventief beschermende strekking van het EVRM ook in procedureel opzicht gewaarborgd.
Osman-verplichting strekt niet alleen ter bescherming van specifieke personen, van wie op voorhand bekend is dat zij worden bedreigd, maar biedt in bepaalde gevallen ook “
general protection to society” (“
une protection générale de la société”). [188] Dat ligt voor de hand, aangezien de dreiging die uitgaat van gewelddadige personen willekeurige slachtoffers kan treffen die niet op voorhand individualiseerbaar zijn. De aard van het gevaar pleit in die gevallen voor een ruimer toepassingsbereik.
Di Sarno e.a./Italiëen
Cordella e.a./Italiëdat de betrokken milieuaantastingen (een afvalcrisis respectievelijk milieuverontreiniging door een staalfabriek) de gehele bevolking van de regio troffen (“
l’ensemble de la population”). In beide gevallen nam het EHRM een schending van art. 8 EVRM Pro aan. [189] Illustratief is ook het arrest
Stoicescu/Roemenië, waarin een schending werd aangenomen in verband met het feit dat klaagster was aangevallen door zwerfhonden. De Roemeense autoriteiten waren al geruime tijd bekend met het gevaar van zwerfhonden, dat zich had ontwikkeld tot “
a public health and safety issue”, maar hadden niets ondernomen om dat gevaar te beteugelen. De omstandigheid dat de zwerfhonden het uiteraard niet specifiek op klaagster hadden voorzien (en de autoriteiten dus niet konden voorzien dat en op welke wijze juist zij daarvan het slachtoffer zou worden), was voor het EHRM geen beletsel om een schending van art. 8 EVRM Pro aan te nemen. Van de Westelaken stelt dat het vereiste van identificeerbaarheid van de potentiële slachtoffers, zoals neergelegd in het
Osman-arrest, hiermee is verlaten. [190]
effectiviteitsbeginsel(zie alinea 2.37 hiervoor): het stellen van de eis van identificeerbaarheid van de potentiële slachtoffers zou bij deze categorie van ‘ongerichte’ gevaren en milieuaantastingen afbreuk doen aan de door art. 2 en Pro 8 EVRM geboden bescherming.
secret surveillance’. Volgens deze rechtspraak is het enkele bestaan van nationale wetgeving die geheime surveillance mogelijk maakt, voldoende voor ontvankelijkheid van een op art. 8 EVRM Pro gebaseerde klacht van personen op wie die wetgeving van toepassing is, ongeacht of zij daadwerkelijk aan geheime surveillance zijn blootgesteld. [191] Deze verruiming van het slachtoffervereiste maakt een abstracte toetsing van surveillancewetgeving aan art. 8 EVRM Pro mogelijk. Ratio is ook hier het
effectiviteitsbeginsel: juist omdat burgers niet kunnen weten of zij het voorwerp zijn van geheime surveillance, kan het slachtoffervereiste van art. 34 EVRM Pro niet onverkort worden toegepast. Anders zou de door art. 8 EVRM Pro geboden bescherming illusoir worden.
margin of appreciationdie volgens het EHRM aan overheden toekomt bij de keuze van maatregelen ter uitvoering van hun positieve verplichtingen. Deze beoordelingsmarge hanteert het EHRM ook in de context van gevaarlijke activiteiten en milieuaantastingen, maar dit weerhoudt het EHRM er niet van om in deze context de door overheden gemaakte beleidskeuzes indringend te toetsen. Daarbij geldt als ondergrens dat de door overheden getroffen maatregelen passend (
appropriate) moeten zijn met het oog op de beperking van het gevaar of de milieuaantasting in kwestie. Meer concreet betekent dit dat de maatregelen tijdig moeten worden genomen en dat zij – althans in potentie [192] – effectief moeten zijn; zie ook de alinea’s 4.216 – 4.217 hierna. [193]
Öneryildiz-arrest, waarin het ging om een gasexplosie op een Turkse vuilnisbelt. De Turkse autoriteiten, die al jarenlang bekend waren met het explosiegevaar maar niets hadden ondernomen ter bescherming van de bewoners van een nabijgelegen sloppenwijk, verweerden zich met de stelling dat herhuisvesting van die bewoners een grootschalige en kostbare operatie was en dat humanitaire overwegingen in de weg stonden aan een acute ontruiming van de sloppenwijk. Het EHRM verwierp die argumenten en nam een schending van art. 2 EVRM Pro aan. Daarbij gaf het EHRM precies aan, welke maatregelen de Turkse overheid had moeten nemen en hoe zij de betrokken belangen had moeten wegen:
in no way dispenses them from their duty to act in good time, in an appropriate and, above all, consistent manner”. [194]
timing’ van voorzorgsmaatregelen indringend kan toetsen, blijkt uit het arrest
Budayeva e.a./Rusland, betreffende een modderstroom door gebrekkig waterbeheer. De Russische overheid had zich verweerd met de stelling dat het tijdstip en de ernst van de modderstromen niet precies te voorspellen waren. Het EHRM ging daaraan voorbij, omdat de overheid niet had toegelicht welke maatregelen zij had genomen ter bescherming van de bewoners van het risicogebied. Het EHRM nam een schending van art. 2 EVRM Pro aan en onderschreef het standpunt van de klagers dat “
implementing safety measures could have, and should have, taken place earlier”. Janssen concludeert in zijn bijbehorende annotatie dat het EHRM het door overheden aangedragen bewijsmateriaal indringend toetst en dat een beroep op de
margin of appreciationgeen kans van slagen heeft indien de overheid geen verklaring heeft voor het achterwege laten van adequaat handelen. [195]
Fadeyeva/Rusland, over luchtvervuiling en gezondheidsrisico’s door een staalfabriek. Het EHRM stelde in punt 68 voorop:
Kyrtatos v. Greece, no. 41666/98, ECHR 2003-VI, par. 52). Thus, in order to raise an issue under Article 8 the interference must directly affect the applicant’s home, family or private life.”
did not achieve the expected results” en dat de “
deadline for bringing the plant’s emissions below dangerous levels” herhaaldelijk was uitgesteld. Dat ten opzichte van het verre verleden “
significant progress” was geboekt, achtte het EHRM niet voldoende. De vooruitgang in recente jaren was volgens het EHRM “
very slow”, waarbij het aantekende dat “
in certain years pollution levels increased rather than decreased”. Het EHRM onderkende dat het milieuprobleem niet in korte tijd kon worden opgelost. Het formuleerde tegen die achtergrond het volgende beoordelingskader:
due diligence”, met name omdat zij niet duidelijk had gemaakt wat het reductiebeleid ten aanzien van de staalfabriek precies inhield. [197]
due diligence-criterium uit het arrest
Fadeyeva/Ruslandis herhaald in de arresten
Jugheli e.a./Georgiëuit 2017 en
Cordella e.a./Italiëuit 2019. Beide arresten betroffen milieuvervuiling (door een elektriciteitscentrale, respectievelijk een staalfabriek) en in beide arresten werd, op basis van een nauwgezette en indringende toetsing van de door de overheden gemaakte afwegingen, geoordeeld dat het gevoerde milieubeleid niet aan de eis van “
due diligence” (“
diligence voulue”) voldeed. [198]
margin of appreciationdie volgens het EHRM in milieukwesties aan overheden toekomt, is dus zeker niet onbegrensd en absoluut. Een belangrijk gezichtspunt voor het EHRM lijkt te zijn of het gevoerde milieubeleid consistent, deugdelijk onderbouwd en in lijn met nationale wet- en regelgeving is. Dit wordt in de vakliteratuur ook wel het “
rule of law-criterium” genoemd. [199] Schendt de overheid nationale regels of kan zij haar eigen beleid niet goed verantwoorden, dan stelt het EHRM zich strenger op. Van een
margin of appreciationlijkt dan in mindere mate sprake te zijn. Illustratief is het arrest
Dubetska c.s./Oekraïne, betreffende milieuverontreiniging door een kolenmijn. Het EHRM constateerde dat het door de overheid gevoerde beleid ten aanzien van de kolenmijn werd gekenmerkt door “
numerous delays and inconsistent enforcement”. Nu de kolenmijn nationale regels schond en de overheid niets had gedaan om omwonenden tegen de verontreiniging te beschermen, werd – in weerwil van de “
wide margin of appreciation” die het EHRM ook in deze zaak in beginsel toekende aan de overheid – een schending van art. 8 EVRM Pro aangenomen. [200]
margin of appreciationeen uitvloeisel is van het subsidiariteitsbeginsel van art. 1 EVRM Pro. [201] Dat beginsel houdt in dat de door het EVRM geboden bescherming primair door de nationale autoriteiten (inclusief de nationale rechters) moet worden gerealiseerd. Het EHRM stelt zich niet op als een ‘vierde instantie’ (als ware hij de hoogste rechter van het land), maar beoordeelt klachten over schendingen van het verdrag. Het EHRM heeft dienaangaande overwogen:
margin of appreciationtoekent. [203] In de vakliteratuur wordt juist het tegendeel beweerd: waar het EHRM zich vanwege het subsidiariteitsbeginsel terughoudend opstelt, moet de nationale rechter indringender toetsen. [204] Het arrest
Fabris/Frankrijkbiedt steun voor die benadering. [205] Overigens mag daaruit niet worden afgeleid dat het arrest
Fabris/Frankrijkaanspoort tot extensieve materiële uitleg van het EVRM. Het voorgaande laat bovendien onverlet dat er andere redenen kunnen bestaan voor een terughoudende opstelling van de rechter (bijv. op grond van de nationale verhouding tussen de staatsmachten, te bespreken in hoofdstuk 5 hierna). Het begrip
margin of appreciationkrijgt dan een andere betekenis, waarin niet meer de verhouding tussen het EHRM en de nationale rechter centraal staat. Bij toepassing door de nationale rechter gaat het om de vraag, welke beleids- en beoordelingsruimte de nationale rechter aan de autoriteiten in zijn eigen land toestaat. Reeds uit de verdragstekst volgt dat deze ruimte ten aanzien van het in art. 2 EVRM Pro beschermde recht in het algemeen beperkter is dan die ten aanzien van de in art. 8 EVRM Pro beschermde rechten. [206]
a living instrument which (...) must be interpreted in the light of present-day conditions”. [207] In verband daarmee hanteert het Hof bij de beantwoording van nieuwe rechtsvragen de zogenaamde “
common ground-” of “
consensus-methode”. Deze methode van rechtsvinding houdt in dat het EHRM aansluiting zoekt bij breed gedeelde opvattingen in de verdragsstaten en in internationaal verband. In dat kader kan het EHRM naast de nationale rechtspraak in de verdragsstaten bijvoorbeeld ook niet-geratificeerde verdragen en ‘
soft law’ in zijn beoordeling betrekken; het begrip ‘soft law’ is al besproken in de alinea’s 2.31 e.v. hiervoor. [208]
Demir en Baykara/Turkijeheeft het EHRM de
common ground-methode omschreven als volgt:
common ground’, geen volledige consensus tussen de verdragsstaten wordt vereist. Zo aanvaardde het EHRM in 2002 een recht op erkenning van geslachtsverandering ondanks “
the lack of a common European approach” van die materie. [210] Het EHRM verwees naar “
the clear and uncontested evidence of a continuing international trend”. [211]
common ground-methode is enigszins vergelijkbaar met de reflexwerking die nationale rechters bij het invullen van open normen in de nationale wet kunnen toekennen aan niet-rechtstreeks werkende verdragsbepalingen en ‘
soft law’. [212] Dit verklaart waarom het Hof in zijn bestreden arrest op grond van art. 2 en Pro 8 EVRM dezelfde uitkomst heeft bereikt als de Rechtbank had bereikt op grond van art. 6:162 BW Pro: voor de concrete invulling van de reductieverplichting hebben de Rechtbank en het Hof aansluiting gezocht bij dezelfde inzichten uit de klimaatwetenschap, doelstellingen van internationaal klimaatbeleid en normen en beginselen van internationaal recht.
no harm-regel, die inhoudt dat een staat zijn eigen grondgebied niet mag (laten) gebruiken voor activiteiten die schade toebrengen aan andere staten, en het
voorzorgsbeginsel, dat voorschrijft dat gebrek aan wetenschappelijke zekerheid geen reden mag zijn voor het uitstellen van effectieve en proportionele maatregelen ter voorkoming van ernstige en onomkeerbare (milieu)schade. [215] In navolging van de Rechtbank heeft het Hof zijn oordeel mede gebaseerd op deze milieurechtelijke regels en beginselen. [216]
billijkheidsbeginsel, dat onder meer inhoudt dat de verdragsstaten maatregelen moeten nemen tegen klimaatverandering in overeenstemming met hun gezamenlijke, doch verschillende verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden (“
common but differentiated responsibilities and respective capabilities”). Meer concreet volgt uit dit beginsel dat de ten tijde van de totstandkoming van het VN-Klimaatverdrag industrieel ontwikkelde landen, waaronder Nederland, het voortouw moeten nemen (‘
should take the lead’) bij het bestrijden van klimaatverandering en de nadelige gevolgen daarvan (art. 3 onder Pro 1 VN-Klimaatverdrag), zoals het Hof ook constateert in rov. 9. Wewerinke-Singh leidt hieruit af dat, in een mensenrechtelijke benadering van klimaatverandering, “
the standard of care may differ from one State to another”. [218]
minimumnormen. Zij bevrijden staten niet van hun algemene volkenrechtelijke verplichtingen, zoals verplichtingen uit hoofde van mensenrechtenverdragen of uit de
no harm-regel. Dat blijkt met zoveel woorden uit verklaringen die enkele landen bij de ondertekening van het VN-klimaatverdrag hebben afgelegd, [219] maar volgt ook uit de aard van het Kyoto-protocol zelf. [220]
the need for an effective and progressive response to the urgent threat of climate change” onderkend. Tevens is vastgelegd dat de mondiale opwarming ruim onder de 2 ºC moet blijven (“
well below 2 ºC”), met een streven naar 1,5 ºC. Om dat doel te bereiken, hebben de verdragsluitende partijen, waaronder Nederland, zich ten doel gesteld “
to reach global peaking of greenhouse gas emissions as soon as possible (…) and to undertake rapid reductions thereafter in accordance with best available science”. [221]
Climate Change and Human Rights’ formuleert vijf mensenrechtelijke verplichtingen in verband met klimaatverandering, waaronder mitigatie- en adaptatieverplichtingen. [224] In dit verband kan ook worden gewezen op een ‘
Statement on the human rights obligations related to climate change’ van de Speciale Rapporteur voor Mensenrechten en Klimaat van de Verenigde Naties. Onder verwijzing naar de eerder in VN-verband opgestelde ‘
Framework principles on human rights and the environment’ [225] stelt deze dat daaruit voortvloeit dat mensenrechten staten verplichten “
to establish, implement and enforce effective laws and policies to reduce greenhouse gas emissions”. [226] Verder zij verwezen naar de al eerder genoemde
Oslo Principles on Global Climate Obligations, opgesteld door een groep van experts op het gebied van internationaal recht, mensenrechten en milieurecht. Daarin wordt, onder meer op basis van mensenrechten, beargumenteerd dat staten die een bovenmatige uitstoot van broeikasgassen realiseren, verplicht zijn tot emissiereductie “
within the shortest time feasible”. [227]
Leghari-uitspraak van de Lahore High Court uit 2015. Daarin ging het, kort samengevat, om de vraag of de Pakistaanse overheid gehouden was tot implementatie van een uit 2012 daterend beleidskader, de ‘
National Climate Policy and Framework’, dat onder meer voorzag in mitigatie- en adaptatiemaatregelen. De Pakistaanse rechter overwoog, onder verwijzing naar diverse nationale en internationale bronnen, dat “
the delay and lethargy of the State in implementing the Framework offend the fundamental rights of the citizens”. In een tussenuitspraak riep die rechter onder meer een ‘
Climate Change Commission’ in het leven, die op de implementatie van het klimaatbeleid moest toezien. [229]
adaptatie(het adresseren van de gevolgen van klimaatverandering) en niet tot
mitigatie(het voorkómen van gevaarlijke klimaatverandering door emissiereductie). [231] Die stelling lijkt in haar algemeenheid niet te worden ondersteund door de zo-even besproken internationale bronnen. [232] Hey en Violi constateren in hun preadvies uit 2018 voor de Vereniging voor Internationaal Recht dat de klimaatzaken die tot op heden wereldwijd aanhangig zijn gemaakt, betrekking hebben op mitigatiemaatregelen. [233] Spier verwerpt de genoemde opvatting van Arts en Scheltema. Volgens hem wint juist de opvatting “dat te hoge emissies een mensenrechtenschending zijn, (…) snel veld”. [234] Overigens wijst Spier erop dat adaptatie lang niet alle gevolgen van klimaatverandering kán wegnemen. [235]
Kolyadenko/Rusland, waarin het ging om de overstroming van een woongebied doordat na hevige regenval een grote hoeveelheid water uit een stuwmeer moest worden vrijgelaten. Volgens het EHRM hadden de Russische autoriteiten de overstroming moeten voorkómen door een nabijgelegen rivier schoon te houden, “
with a view to mitigating, if not preventing, the risk and consequences of flooding in the event of the urgent evacuation of water from the reservoir”. [236] Adaptatie is in de visie van het EHRM aan de orde indien mitigatie onmogelijk is of niet van staten kan worden gevergd, zoals bij onvermijdelijke natuurrampen. Dat blijkt bijvoorbeeld uit het arrest
Özel e.a./Turkije, betreffende het instorten van gebouwen door een aardbeving, waarin het Hof overwoog:
common ground’ te kunnen bieden voor het oordeel dát verdragsstaten uit hoofde van mensenrechten verplicht zijn tot serieuze reductie van de uitstoot van broeikasgassen vanaf hun grondgebied: een ver gaande inspanningsverplichting. De vraag
op welke termijnen
in welke matereductie geboden is, wordt door de bedoelde rechtsbronnen niet beantwoord. Voor de beantwoording van die vraag hebben de Rechtbank en het Hof aansluiting gezocht bij (onder meer) de diverse COP-besluiten die sinds het verschijnen van het AR4-rapport in VN-verband zijn genomen. [238] De daarop gebaseerde redengeving van het Hof wordt bestreden in de onderdelen 4 tot en met 8 van het cassatiemiddel. Die klachten worden besproken in hoofdstuk 4 van deze conclusie.
3.De mensenrechtelijke onderbouwing van het bevel (middelonderdelen 1 - 3)
Onderdeel 1.1heeft een inleidend karakter. De klacht houdt in dat het Hof bij de weergave en bij de verdere toepassing van dit juridisch kader is uitgegaan van een onjuiste rechtsopvatting. In het bijzonder zou het Hof hebben miskend dat voor het aannemen van een positieve verplichting uit art. 2 en Pro/of 8 EVRM is vereist dat sprake is van een reëel en onmiddellijk dreigend gevaar voor aantasting van de door art. 2 en Pro/of art. 8 EVRM Pro gewaarborgde rechten van “specifieke c.q. concreet te identificeren (groepen van) personen” die zich binnen de rechtsmacht van de Staat bevinden. De klacht is nader uitgewerkt in
onderdeel 2, dat tegen rov. 44 en 45 is gericht.
in Nederland, althans ten aanzien van personen die zich binnen de rechtsmacht van de Staat der Nederlanden bevinden (in de zin van art. 1 EVRM Pro). In dit licht acht de Staat het bestreden oordeel rechtens onjuist dan wel ontoereikend gemotiveerd (
onderdeel 2.1). [241]
gevolgenvan de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen zich voordoen. Indien het Hof van oordeel is dat de Staat op grond van art. 2 en Pro 8 EVRM gehouden is tot reductiemaatregelen ongeacht waar ter wereld zich de gevolgen voordoen van de uitstoot die vanaf zijn grondgebied plaatsvindt, is dat oordeel volgens de Staat rechtens onjuist, want op grond van deze artikelen kan de Staat slechts worden verplicht tot het nemen van reductiemaatregelen die de gevolgen van klimaatverandering ten aanzien van personen die aan de rechtsmacht van de Staat als bedoeld in art. 1 EVRM Pro zijn onderworpen, tegengaan of beperken (
onderdeel 2.2).
algemeenrecht op milieubescherming kent. [242] Volgens de Staat vereist art. 8 EVRM Pro dat oorzakelijk verband bestaat tussen een activiteit (hier: de uitstoot van broeikasgassen) en de te duchten (specifieke) negatieve invloed daarvan op de mensenrechten van een individu. Niet voldoende is een negatieve invloed op de samenleving als geheel. Daarom had het hof de positieve verplichting van de Staat niet (althans niet zonder een nadere motivering) mogen baseren op de in rov. 44 genoemde
algemenegevolgen van klimaatverandering. In het verlengde hiervan klaagt de Staat dat het Hof had behoren te onderzoeken “wat de waarschijnlijkheid is dat de door hem (…) genoemde gevolgen zullen intreden voor een afgebakend voor menselijke bewoning bestemd gebied binnen Nederland” (
onderdeel 2.3).
onderdeel 2.4).
onmiddellijkedreiging nodig is. Volgens de Staat moet aannemelijk zijn dat de door het Hof in rov. 44 genoemde gevolgen “zich ook op korte termijn zullen materialiseren”. Dat is volgens de Staat niet het geval, omdat een overschrijding van de tweegradendoelstelling voorlopig niet aan de orde is. Indien het Hof toepassing heeft gegeven aan het voorzorgsbeginsel, is zijn beslissing eveneens onjuist, althans onbegrijpelijk zonder nadere motivering. Dat beginsel heeft volgens de Staat slechts betrekking op “duidelijk identificeerbare risico’s voor een bepaalde leefomgeving”. Zulke risico’s heeft het Hof voor Nederland niet vastgesteld. Dat mogelijk op langere termijn de gevolgen van klimaatverandering niet kunnen worden afgewend als eind 2020 niet een reductie van ten minste 25% is gerealiseerd, brengt volgens de Staat nog niet mee dat sprake is van “gevolgen van klimaatverandering die zich op korte termijn zullen voordoen” (aldus, kort samengevat,
onderdeel 2.5).
onderdeel 2.6).
voor ingezetenen van Nederlandworden vereist voor het aannemen van een op de Staat rustende reductieverplichting en dat zodanige specifieke risico’s ontbreken. [243] Het cassatiemiddel vermeldt geen vindplaatsen in de gedingstukken in hoger beroep van stellingen van de Staat die op dit vraagstuk zouden zijn toegespitst. [244] Dit betekent dat deze klachten geen behandeling behoeven: in een cassatieprocedure kan niet een geheel nieuw verweer worden gevoerd. [245] Ten overvloede zullen wij de klachten kort bespreken.
aardvan het gevaar in kwestie; zie alinea 2.59. Bij ‘ongerichte’ gevaren, zoals aardbevingen of aantastingen van het leefmilieu, worden, met het oog op het effectiviteitsbeginsel (waarover alinea 2.37 hiervoor), minder hoge eisen gesteld aan het concretiseren van de daardoor getroffen belangen. In die zin biedt art. 2 EVRM Pro een “
general protection to society” in zulke gevallen. Ook uit art. 8 EVRM Pro kunnen positieve verplichtingen ter bescherming van de maatschappij voortvloeien (zie alinea 2.60 hiervoor). Aantoonbare (dreiging van) schade is voor het aannemen van een schending van art. 2 en Pro 8 EVRM – en voor het uitspreken van een op art. 3:296 BW Pro gegrond bevel – niet vereist. Het gaat erom of een reële dreiging bestaat dat de door art. 2 en Pro 8 EVRM beschermde belangen van individuen zullen worden aangetast (vgl. alinea 2.57 hiervoor).
specifiekerisico’s voor
individuelepersonen, mag worden aangemerkt als een feit van algemene bekendheid. De rechter kan aangeven om welke gevaren het gaat, zoals het Hof ook heeft gedaan in rov. 44, derde en vierde
bulletpoint. De Staat vraagt echter het onmogelijke van het Hof door specificatie te eisen van de risico’s die klimaatverandering veroorzaakt voor specifieke c.q. concreet te identificeren (groepen van) personen die zich binnen de rechtsmacht van de Staat bevinden. Met andere woorden: indien de Staat zou worden gevolgd in zijn betoog, zouden art. 2 en Pro art. 8 EVRM Pro geen bescherming bieden tegen klimaatverandering, anders dan dat zij de Staat kunnen verplichten om
achteraf(adaptatie-)maatregelen te nemen ter bestrijding van de
effectenvan klimaatverandering. Zoals gezegd zijn er inderdaad auteurs die dit standpunt verdedigen. [247]
effectieveen
actievebescherming van de door art. 2 en Pro 8 EVRM gewaarborgde rechten (zie alinea 2.37 e.v.). Die bescherming moet, waar mogelijk, door
preventief optredengerealiseerd worden (alinea 2.53 e.v.) en strekt zich in specifieke gevallen uit tot de
gehele maatschappij(alinea 2.59 e.v.). Ook in internationaal verband groeit steun voor de opvatting dat mensenrechten staten kunnen verplichten tot mitigatie (alinea 2.79 e.v.). Gezien de door het EHRM zelf gehanteerde
common ground-methode, is dat laatste een belangrijk gezichtspunt ter ondersteuning van de door het Hof uit art. 2 en Pro art. 8 EVRM Pro afgeleide reductieverplichting.
actio popularis’ toelaat, doet hieraan niet af. Art. 34 EVRM Pro reguleert slechts de toegang tot het EHRM, zoals het Hof in rov. 35 − onbestreden in cassatie − heeft overwogen.
Nederlandseingezetenen. [249] Onderdeel 2.2 faalt om die reden.
onderdelen 1.2 en 1.3– gericht tegen rov. 40-43 − stellen de vraag aan de orde of, en zo ja, in hoeverre, aan de Staat beoordelingsruimte toekomt bij het bepalen van zijn beleid ten aanzien van de reductie van de uitstoot van broeikasgassen. Onder verwijzing naar de in alinea 2.47 e.v. hiervoor besproken rechtspraak van het EHRM over de toepassing van art. 8 EVRM Pro op milieuvraagstukken, bepleit de Staat een “
wide margin of appreciation”. Het Hof had slechts mogen toetsen of de Staat een “
fair balance” heeft getroffen tussen de tegen elkaar afgewogen individuele en algemene belangen. Ook de keuze van het ‘reductiepad’ (bedoeld is het tijdstip waarop en het tempo waarin maatregelen tot reductie van de uitstoot worden getroffen) rekent de Staat tot zijn vrije beoordelingsruimte. Het betreft hier volgens de Staat één van zijn kernbezwaren tegen het bestreden oordeel. [250] De middelonderdelen 8.3 en 8.4 bouwen hierop voort met meer toegespitste klachten, die in het teken staan van de stelling van de Staat dat met een ‘uitgesteld’ reductiepad (dat wil zeggen: een minder ver gaande reductie in de periode tot eind 2020 en toenemende reductie-inspanningen in de periode tot 2030 resp. tot 2050) de tweegradendoelstelling óók kan worden bereikt. [251]
fair balance-criterium als uitvloeisel daarvan, is niet bedoeld om de binnenlandse onderlinge verhoudingen te reguleren (de nationale rechter ten opzichte van het nationale openbaar bestuur of de wetgever). De
margin of appreciation-doctrine vormt een uitvloeisel van het subsidiariteitsbeginsel, dat inhoudt dat de door het EVRM geboden rechtsbescherming primair op nationaal niveau moet worden gerealiseerd. Tegen die achtergrond ligt een terughoudende opstelling van de nationale rechter op terreinen waar het EHRM een
margin of appreciationhanteert, niet zonder meer voor de hand (zie alinea 2.69).
margin of appreciation-doctrine door de nationale rechter. [252] In het vervolg van deze conclusie zullen wij veronderstellerwijs aannemen dat de
margin of appreciation-doctrine zich leent voor analogische toepassing in de nationale verhoudingen: in wezen bedoelt de Staat te zeggen dat hem een ruime beleids- en beoordelingsmarge toekomt. Van belang is, dat het EHRM bij de beoordeling van bepaalde gevallen van schending van art. 8 EVRM Pro een
wide margin of appreciationtoekent aan de nationale autoriteiten: artikel 8 EVRM Pro regelt in het tweede lid de mogelijkheden van een inmenging door de overheid in de uitoefening van een in het eerste lid van dat artikel beschermd recht. Artikel 2 EVRM Pro daarentegen kent geen tweede lid dat beperkingen toestaat. In het kader van art. 2 EVRM Pro – bij levensbedreigende situaties – hanteert het EHRM in de regel geen
margin of appreciation. Dit laat onverlet dat het EHRM bij de beoordeling van positieve verplichtingen op grond van art. 2 EVRM Pro een zekere beoordelingsruimte aan de nationale autoriteiten toekent, door geen maatregelen te eisen die een “
impossible or disproportionate burden” opleveren (zie alinea 2.43 e.v. hiervoor).
op zichis heel wel in te passen in de rechtspraak van het EHRM over positieve verplichtingen op grond van art. 2, respectievelijk art. 8 EVRM Pro. Hiervoor is al gebleken dat het EHRM in de context van gevaarlijke activiteiten en milieuaantasting de door overheden gemaakte beleidsafwegingen indringend toetst. Meer in het bijzonder is gebleken dat de
margin of appreciationoverheden niet bevrijdt van hun verplichting “
to act in good time, in an appropriate and, above all, consistent manner” (zie alinea 2.64 hiervoor). De klachten berusten op een onjuiste rechtsopvatting, voor zover zij inhouden dat de
margin of appreciation-doctrine een (indringende) toetsing door de rechter van het tijdstip en het tempo van de reductiemaatregelen verhindert. [253]
-scenario in plaats van uit te gaan van de streefdoelstelling van 1,5º C, zoals neergelegd in het Akkoord van Parijs. Het Hof benadrukt een en ander in rov. 50, waar het overweegt dat het “zeker geen overdreven pessimistische uitgangspunten” hanteert bij de vaststelling van de zorgplicht van de Staat.
gelijksoortige belangenzijn in de zin van art. 3:305a lid 1 BW. De Staat bestrijdt niet dat Urgenda een collectieve actie ter bescherming van de leefomgeving kan instellen. De klachten strekken ertoe dat het Hof Urgenda niet-ontvankelijk had moeten verklaren, voor zover haar vordering is gebaseerd op art. 2 en Pro/of art. 8 EVRM Pro. [254] Daartoe betoogt de Staat dat het EVRM “alleen individuele rechten garandeert” en niet “de samenleving als geheel” beschermt. Het gelijksoortigheidsvereiste van art. 3:305a BW brengt daarom volgens de Staat mee dat het Hof had moeten vaststellen “welke door art. 2 en Pro/of art. 8 EVRM Pro beschermde belangen op welke wijze worden getroffen en ten aanzien van welke (groep van) personen”.
ambtshalvehad moeten onderzoeken of de door Urgenda met een beroep op art. 2 en Pro art. 8 EVRM Pro behartigde belangen ‘gelijksoortig’ zijn in de zin van art. 3:305a BW (
onderdeel 3.5).
general protection to society” biedt en heeft ook aan art. 8 EVRM Pro een algemeen beschermingsbereik toegekend, daar waar het EHRM dat nodig achtte omwille van de effectiviteit van de betrokken rechten. De stelling van de Staat dat het in de bedoelde rechtspraak “steeds [gaat] om reeds ingetreden schade geleden door een specifieke groep mensen en veroorzaakt door een specifiek handelen of nalaten van deze overheden”, [259] is in haar algemeenheid niet juist. Zo behoorde de klaagster in de zaak
Stoicescu/Roemenië(over zwerfhonden) [260] niet tot een “specifieke groep” en had zij nog geen schade geleden toen de overheid maatregelen had moeten nemen om haar tegen dat gevaar te beschermen. Verder wijzen wij op het arrest inzake
Campeanu/Roemenië. [261]
Rights and freedoms”. Art. 34 EVRM Pro staat in Titel II, getiteld “
European Court of Human Rights”. Die laatste titel bevat procedurele bepalingen die de toegang tot het EHRM reguleren (zoals het Hof, toegespitst op art. 34 EVRM Pro, terecht en onbestreden in cassatie constateert in rov. 35).
De reductie van de Nederlandse emissies van broeikasgassen met ten minste 25% in 2020 (middelonderdelen 4 – 8)
Fourth Assessment Reportuit 2007 (‘AR4’), waarin de door het Hof gebruikte reductiedoelstelling van 25-40% wordt genoemd, en het meest recente
Fifth Assessment Reportuit 2013-2014 (‘AR5’) (alinea 4.34 e.v.).
carbon budgeten emissiereducties (alinea 4.49 e.v.). Vervolgens geven wij een samenvatting van de beoordeling door het Hof van die feiten, uitmondend in zijn conclusie dat Nederland in 2020 de reductie van broeikasgassen met ten minste 25% ten opzichte van 1990 dient te verminderen (alinea 4.54 e.v.).
soft lawals bedoeld in alinea 2.31 van deze conclusie. [272]
CP-besluiten: besluiten van de partijen bij het VN-Klimaatverdrag ("Decisions adopted by the Conference of the Parties"); en
CMP-besluiten: besluiten van partijen bij het VN-Klimaatverdrag die tevens partij zijn bij het Kyoto Protocol ("Decisions adopted by the Conference of the Parties serving as the meeting of the Parties to the Kyoto Protocol").
Kyoto Protocol. [275] Hierin hebben verschillende, maar niet alle, [276] Annex I-landen concrete reductieniveaus met elkaar afgesproken voor het tijdvak 2008-2012 (zie alinea 1.2 onder (xvi)).
commitments’ onder het Kyoto Protocol gezamenlijk te vervullen; staten verenigen zich dan in een zogenaamde ‘
bubble’ (art. 3 en Pro 4 Kyoto Protocol). Op basis daarvan hebben de EU lidstaten zich gezamenlijk gecommitteerd tot een reductieniveau voor de periode 2008-2012. [277] Wanneer de EU lidstaten de gezamenlijke verplichtingen echter niet zouden realiseren, is een afzonderlijke lidstaat blijkens art. 4 lid 5 Kyoto Pro Protocol verantwoordelijk voor zijn overeengekomen individuele verplichting. [278]
Bali Action Plantot stand is gekomen met afspraken over mitigatie, adaptatie, technologische samenwerking en financiële steun (zie alinea 1.2 onder (xvii)). [279] In de preambule van het Bali Action Plan wordt onder meer als volgt verwezen naar het hierna (in alinea 4.39) nader te bespreken AR4 rapport van het IPCC:
Recognizingthat deep cuts in global emissions will be required to achieve the ultimate objective of the Convention and emphasizing the urgency1 to address climate change as indicated in the Fourth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change,”
Box 13.7die een reductiedoelstelling voor de Annex I-landen van 25-40% in 2020 ten opzichte van 1990 noemt.
Cancún Agreementsaangenomen (zie alinea 1.2 onder (xviii)-(xix)). [281] . In hun zogenaamde
Cancún Pledgeshebben partijen concrete reductiedoelen neergelegd. Daarbij heeft de EU toegezegd om de uitstoot van broeikasgassen met 20% ten opzichte van 1990 te reduceren eind 2020. De EU heeft expliciet aangeboden de uitstoot van broeikasgassen met 30% te reduceren indien onder meer de andere ontwikkelde landen zich tot een vergelijkbare reductie zouden committeren. [282]
Also recognizingthat the contribution of Working Group III to the Fourth Assessment Report of the Intergovernmental Panel on Climate Change,
Climate Change 2007: Mitigation of Climate Change, indicates that achieving the lowest levels assessed by the Intergovernmental Panel on Climate Change to date and its corresponding potential damage limitation would require Annex I Parties as a group to reduce emissions in a range of 25–40 per cent below 1990 levels by 2020, through means that may be available to these Parties to reach their emission reduction targets,”
Aiming to ensurethat aggregate emissions of greenhouse gases by Parties included in Annex I are reduced by at least 25–40 per cent below 1990 levels by 2020, noting in this regard the relevance of the review referred to in chapter V of decision 1/CP.16 to be concluded by 2015,”.
Doha Amendementaangenomen (zie alinea 1.2 onder (xx)). [286] Dit amendement wijzigt Annex B van het Kyoto Protocol, maar is niet in werking getreden. [287] Waar de eerste versie van deze Annex de periode 2008-2013 (‘first commitment period’) betrof, werden in het amendement de emissiereductieniveaus voor de periode 2013-2020 (‘second commitment period’) vastgelegd. [288] Voor de EU betekent dit amendement dat de EU lidstaten zich hebben verplicht tot een reductie in 2020 van 20% ten opzichte van 1990.
Decidesthat each Party included in Annex I will revisit its quantified emission limitation and reduction commitment for the second commitment period at the latest by 2014. In order to increase the ambition of its commitment, such Party may decrease the percentage inscribed in the third column of Annex B of its quantified emission limitation and reduction commitment, in line with an aggregate reduction of greenhouse gas emissions not controlled by the Montreal Protocol by Parties included in Annex I of at least 25 to 40 per cent below 1990 levels by 2020;”.
nationally determined contribution’ of NDC) (art. 3). Met het oog op voornoemde temperatuurdoelstelling, streven partijen ernaar de piek van de uitstoot van broeikasgassen wereldwijd zo snel mogelijk te bereiken. Daarbij erkennen partijen dat de partijen die ontwikkelingslanden zijn deze piek later zullen bereiken (art. 4 lid Pro 1). De partijen nemen nationale mitigerende maatregelen (art. 4 lid Pro 2). Elke volgende nationaal bepaalde bijdrage van een partij dient verder te gaan dan haar op dat tijdstip geldende nationaal bepaalde bijdrage en een zo hoog mogelijk ambitieniveau te weerspiegelen (art. 4 lid Pro 3).
Emphasizingwith serious concern the urgent need to address the significant gap between the aggregate effect of Parties’ mitigation pledges in terms of global annual emissions of greenhouse gases by 2020 and aggregate emission pathways consistent with holding the increase in the global average temperature to well below 2 °C above pre-industrial levels and pursuing efforts to limit the temperature increase to 1.5 °C above pre-industrial levels,
Effort Sharing Decision.
carbon leakage)te voorkomen. [309] Per 2019 zal een marktstabiliteitsreserve (
Market Stability Reserveofwel MSR) bepaalde hoeveelheden emissierechten (tijdelijk) van de markt halen. [310]
Working Groups. Werkgroep I bestudeert bestaande wetenschappelijke kennis over het klimaatsysteem en de klimaatverandering. Werkgroep II is verantwoordelijk voor het bestuderen van de gevolgen van de klimaatverandering voor het milieu, de economie en de samenleving. Werkgroep III gaat in op de mogelijke strategieën in antwoord op deze veranderingen. Deze werkgroepen verrichten hun werkzaamheden aan de hand van de “Principles Governing IPCC Work” en de daarbij horende “Procedures for the preparation, review, acceptance, adoption, approval and publication of IPCC reports”. [319] De richtlijnen [320] betreffen onder meer het omgaan met onzekerheden in de Assessment Reports. [321]
Working Groupsbestaat uit (i) een
Summary for Policymakers, (ii) de daadwerkelijke hoofdstukken van het rapport en eventueel (iii) een
Technical Summary. Daarnaast omvat een Assessment Report ook nog een
Synthesis Report, dat een samenvatting van de drie deelrapporten van de drie werkgroepen bevat.
different levels of formal endorsement", te weten "
acceptance", "
adoption" of "
approval". [322] In afnemende volgorde van zwaarte van de procedure houden deze varianten het volgende in: [323]
Summary for Policymakersin het rapport van Working Group III (de hierna te noemen tabel vermeldt een bandbreedte van -118 tot -78%; zie voorts alinea 4.147-4.149). Stabilisatie op ongeveer 500 ppm in 2100 geeft een kans van meer dan 50% (‘
more likely than not’) op het bereiken van de tweegradendoelstelling. [331]
Representative Concentration Pathwayofwel RCP) is naar bepaalde concentraties broeikasgassen in de atmosfeer waarmee het behalen van de tweegradendoelstelling
‘likely’is (dat wil zeggen met een kans van meer dan 66%). Dit is het zogenaamde RCP2.6 scenario, dat is vermeld in de bovenstaande tabel 3.1 bij een broeikasgasconcentratie van 450 (430-480) ppm in 2100. RCP 2.6 en andere RCP’s worden weergeven in de onderstaande figuur 3.2 uit het AR5 Synthesis Report (p. 82):
high confidence). The emission scenarios collected for this assessment represent full radiative forcing including GHGs, tropospheric ozone, aerosols and albedo change. Baseline scenarios (scenarios without explicit additional efforts to constrain emissions) exceed 450 parts per million (ppm) CO2eq by 2030 and reach CO2eq concentration levels between 750 and more than 1300 ppm CO2eq by 2100. This is similar to the range in atmospheric concentration levels between the RCP 6.0 and RCP 8.5 pathways in 2100. For comparison, the CO2eq concentration in 2011 is estimated to be 430 ppm (uncertainty range 340 – 520 ppm).”
carbon budgetdat nog beschikbaar is binnen het kader van de tweegradendoelstelling, voor 80% verbruikt in 2030. Uitgaande van een 1,5 °C doelstelling is het
carbon budgetdan al volledig opgebruikt. Daarom zijn volgens het UNEP ambitieuzere doelstellingen nodig voor 2020.
carbon budgeten de betekenis daarvan voor het tempo waarin de uitstoot van broeikasgassen moet worden verminderd (alinea 4.55). Vooraf maken wij een opmerking over de aard van de feitenvaststelling in een civiele procedure.
Broeikasgassen. CO2 (koolstofdioxide of koolzuurgas) is het belangrijkste broeikasgas. Andere broeikasgassen, zoals methaan, lachgas en fluorhoudende gassen, kunnen per ton uitstoot een grotere broeikaswerking (uitgedrukt in Global Warming Potential ofwel GWP) hebben, zij het gedurende een kortere periode dan CO2. (In deze zin moet kennelijk worden begrepen de overweging van het Hof onder 3.3, dat andere broeikasgassen een minder sterk opwarmend effect hebben dan CO2 en in een ander tempo worden afgebroken. Over deze overweging wordt in cassatie overigens niet geklaagd.)
Het broeikaseffect en klimaatverandering. Er is een direct, lineair verband tussen de door de mens veroorzaakte (antropogene) uitstoot van broeikasgassen, die mede wordt veroorzaakt door verbranding van fossiele brandstoffen, en de opwarming van de aarde. Eenmaal uitgestoten CO2 blijft honderden jaren, zo niet langer, in de atmosfeer aanwezig.
De tweegradendoelstelling.Er bestaat consensus binnen de klimaatwetenschap en de wereldgemeenschap dat de mondiale temperatuurstijging in ieder geval ruim onder de 2 ºC moet worden gehouden, terwijl een ‘veilige’ temperatuurstijging niet meer dan 1,5 ºC mag bedragen, dit alles ten opzichte van het pre-industriële niveau. Indien de aarde met substantieel meer dan 2 °C opwarmt, veroorzaakt dit onder meer overstromingen door zeespiegelstijging, hittestress door intensievere en langere hitteperiodes, toename van ziekten van de luchtwegen door verslechterde luchtkwaliteit, droogtes (met hevige bosbranden), toenemende verspreiding van infectieziekten en ernstige overstromingen als gevolg van overvloedige regenval, verstoring van de voedselproductie en de drinkwatervoorziening. Ook worden ecosystemen, flora en fauna aangetast, en treedt verlies van biodiversiteit op. Een inadequaat klimaatbeleid zal in de tweede helft van deze eeuw tot honderdduizenden slachtoffers in (alleen) West-Europa leiden. [341]
tipping point’ bereikt, hetgeen een abrupte klimaatverandering tot gevolg kan hebben waarop noch mens noch natuur zich behoorlijk kan instellen. Het risico op dergelijke ‘
tipping points’ neemt “
at a steepening rate” toe bij een temperatuurstijging tussen de 1 en 2 °C. [342]
Het behalen van de tweegradendoelstelling. De wereldwijde emissies van broeikasgassen vertonen nog steeds een stijgende lijn. Ook in Nederland is de uitstoot van broeikasgassen onverminderd hoog gebleven. De kans om nog het streefgetal van 1,5 ºC te halen is uitermate klein geworden. Beperking van de opwarming tot ruim minder dan 2 ºC zal in ieder geval aanzienlijke inspanningen vergen.
Hetcarbon budget.In de klimaatwetenschap en binnen de wereldgemeenschap heerst al geruime tijd consensus dat de gemiddelde temperatuur op aarde niet mag toenemen met meer dan 2º C ten opzichte van de gemiddelde temperatuur in het pre-industriële tijdperk. Mits de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer niet uitstijgt boven 450 ppm in het jaar 2100, bestaat een redelijke kans dat deze doelstelling wordt gehaald. Voor een opwarming van niet meer dan 1,5 º C (het streven van het Akkoord van Parijs) moet de mondiale concentratie broeikasgassen nog aanzienlijk lager uitkomen (minder dan 430 ppm). De huidige (2018) concentratie bedraagt ongeveer 401 ppm. Dit betekent dat de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer nog maar beperkt mag stijgen. Hoe langer het duurt voordat de noodzakelijke emissiereductie wordt gerealiseerd, hoe groter de totale uitgestoten hoeveelheid aan broeikasgassen is en hoe eerder het resterende
carbon budgetis opgebruikt.
Het einddoel in 2100 en reductiedoelstellingen voor 2050 en 2030.Het einddoel is duidelijk en niet in geschil. In 2100 moet de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen tot staan zijn gebracht. Partijen verschillen evenmin van inzicht over de noodzakelijke tussenstand van 80-95% reductie ten opzichte van 1990 in 2050, en Urgenda onderschrijft de door het kabinet vastgestelde reductiedoelstelling van 49% ten opzichte van 1990 in 2030.
carbon budgeten het tempo van de reducties van uitstoot van broeikasgassen nader aan de hand van de gegevens en figuren waarvan Rechtbank en Hof zijn uitgegaan. Deze liggen ten grondslag aan de samenvattende overwegingen van het Hof die hierboven in alinea 4.54 zijn weergegeven.
carbon budgetgenoemd. [343] Het
carbon budgetbegrenst het totaal van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen. Met elke ton uitstoot wordt het resterende budget kleiner. Hoe langer het duurt voordat noodzakelijke emissiereducties worden gerealiseerd, des te groter de totale hoeveelheid uitgestoten broeikasgassen is en – dus – des te eerder het resterende
carbon budgetis opgebruikt (zie hierboven 4.54 onder (v)).
carbon budget. Ook die overweging van de Rechtbank behoort tot de vaststaande feiten, waarvan het Hof is uitgegaan. Wij bespreken eerst rov. 2.32 en daarna rov. 4.32 van het vonnis van de Rechtbank.
Emissions Gap Report2014 van UNEP. In dit rapport wordt aandacht besteed aan de vraag wanneer, gegeven de tweegradendoelstelling, de wereld broeikasgas-neutraal moet zijn. Broeikasgas-neutraal wil zeggen: een nettoresultaat aan antropogene positieve en negatieve broeikasgasemissies van nul. [344]
Negatieve emissiebetekent dat broeikasgassen uit de atmosfeer worden gehaald door middel van daartoe geschikte technieken. [345] Men spreekt wel van
Carbon Dioxide Removal(
CDR) door middel van
Negative Emission Technologies(
NET). [346] Een voorbeeld hiervan is
BECCS: energieproductie door middel van verbranding van biomassa waarin broeikasgassen zijn opgenomen (
bioenergy), gevolgd door de opvang en opslag van de bij de verbranding vrijkomende broeikasgassen (
carbon capture and storage,
CCS). [347] Overigens kan
CCSook worden gebruikt bij processen in de energiesector of de industrie waarbij olie, kolen of gas worden verbrand, maar dit resulteert niet in negatieve emissies van broeikasgassen.
overshoot’). [348]
carbon budgetvoor de tweegradendoelstelling in 2012 van 1000 gigaton aan broeikasgas.
bovenste plaatjevan de figuur in alinea 4.59 geeft aan wat er gebeurt als er voorlopig meer uitstoot is, dus als de uitstoot langzamer wordt gereduceerd. Er zijn twee hoofdeffecten. Ten eerste wordt het resterende
carbon budgetsneller verbruikt. Daardoor wordt eerder het omslagpunt bereikt dat er geen uitstoot (positieve emissie) meer mag zijn. Dat betekent dat er in de (nabije) toekomst harder en dieper zal moeten worden ingegrepen om alsnog snel van een relatief hoge uitstoot naar nul uitstoot te gaan. Dit is voor de maatschappij waarschijnlijk moeilijker dan een meer geleidelijke afbouw van de uitstoot. [349] Ten tweede zijn er in de toekomst meer negatieve emissies nodig. Er moet dus een groter beroep worden gedaan op de technieken die daarvoor nodig zullen zijn. [350]
onderste plaatjevan de figuur in alinea 4.59 geeft aan wat er gebeurt als er eerder minder uitstoot is, dus als de uitstoot sneller wordt gereduceerd. Dan wordt het resterende
carbon budgetlangzamer verbruikt. Daardoor wordt later het omslagpunt bereikt dat er geen uitstoot (positieve emissie) meer mag zijn. Er is meer tijd om de tweegradendoelstelling te bereiken. Er zijn minder negatieve emissies nodig en er kan later met de afvang en opslag van broeikasgassen worden begonnen. Er is dus meer tijd voordat een beroep moet worden gedaan op de technieken die nodig zijn voor grootschalige afvang en opslag van broeikasgassen.
carbon budgetresteert om de tweegradendoelstelling te behalen, volgt dus dat sneller en meer reduceren van de uitstoot van broeikasgassen een grotere kans biedt op het behalen van die doelstelling. Het Hof verwijst in dit verband in rov. 44 naar rov. 4.32 van het vonnis van de Rechtbank. Daarin worden drie figuren van Urgenda gepresenteerd, waarvan de eerste figuur hieronder is opgenomen. De eerste figuur illustreert dat niet alleen gekeken moet worden naar reductiedoelstellingen voor een bepaald jaar (zoals 49% minder uitstoot ten opzichte van 1990 in 2030), maar ook naar het tempo om tot die reductiedoelstelling in dat jaar te komen (in de hieronder opgenomen figuur reductieroutes genoemd). Naarmate later wordt begonnen met emissiereducties, wordt het
carbon budgetsneller uitgeput. Om dit te voorkómen, zouden de reducties later zodanig moeten worden opgevoerd dat de opgelopen ‘achterstand’ zou kunnen worden ingehaald.
carbon budgetdat resteert om de tweegradendoelstelling te behalen, ook bij een gelijkblijvende reductiedoelstelling voor een bepaald jaar in de toekomst, zoals 2030 of 2050.
carbon budgetzit dat uitstel van reducties pas problematisch zal worden als reducties niet op (middel)lange termijn zouden plaatsvinden. Over dit laatste zijn de volgende feiten in deze procedure vastgesteld.
Delaying mitigation efforts beyond those in place today through 2030 is estimated to substantially increase the difficulty of transition to low-longer-term emissions levels and narrow the range of options consistent with maintaining temperature change below 2º C relative to pre-industrial levels.” [356]
emissions gap’is. [358] Het jaarrapport 2017 van het UNEP vermeldt dat in het licht van het Akkoord van Parijs verhoogde pre-2020 mitigatie-actie urgenter is dan ooit. Het UNEP merkt op dat als de ‘
emissions gap’ niet is ingehaald tegen 2030, het uiterst onwaarschijnlijk is dat de tweegradendoelstelling nog kan worden gerealiseerd. Zelfs als de reductiedoelstellingen die ten grondslag liggen aan het Akkoord van Parijs volledig worden geïmplementeerd, is het
carbon budgetdat nog beschikbaar is binnen het kader van de tweegradendoelstelling, voor 80% verbruikt in 2030. Uitgaande van een 1,5 °C doelstelling is het
carbon budgetdan al volledig opgebruikt. Daarom zijn volgens het UNEP ambitieuzere doelstellingen nodig voor 2020. [359] Het UNEP [360] concludeert dat “
later action scenario’s [361] may not be feasable in practise and, as a result, temperature targets could be missed” en dat “
later-action scenario’s pose greater risks of climate impacts”. [362]
carbon budgeten de noodzaak van een wereldwijd stringent klimaatbeleid, een beleid dat veel verder moet gaan dan het huidige beleid van de betrokken landen. Volgens het PBL moet het Nederlandse beleid op korte termijn worden aangescherpt om in overeenstemming te komen met het Akkoord van Parijs (dit betreft de Parijsdoelen van 2 oC en 1,5 oC). [364]
carbon budgetook wordt geïllustreerd door de volgende figuur uit een publicatie in
Natureuit 2017 waarop Urgenda gewezen heeft. [365]
carbon budget(rov. 44). Over de reductiedoelen voor 2050 (80-95%) en 2030 (49%) bestaat geen geschil (rov. 46).
‘emissions gap’ niet is ingehaald tegen 2030. Het Hof oordeelt in rov. 47 dat deze klimaatwetenschappelijk vastgestelde noodzaak om meer te reduceren dan thans het geval is, ook geldt voor de situatie in Nederland in 2020 met het oog op het behalen van de reductiedoelstellingen in 2030 en daarna. In de eerste plaats neemt het Hof tot uitgangspunt:
carbon budgetin de periode 2020 tot 2030:
iii) Uitstel is niet verantwoord. Uitstel van (hogere) reducties leidt tot grotere risico’s voor het klimaat (rov. 47 en 52). Het Hof oordeelt dat nu er duidelijke aanwijzingen zijn dat de huidige maatregelen ontoereikend zullen zijn om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen, er, mede op grond van het voorzorgsbeginsel, dient te worden gekozen voor maatregelen die wel veilig, althans zo veilig mogelijk zijn (rov. 73).
overshoot-scenario’s met negatieve emissies (rov. 12). De mogelijkheid om in de toekomst met bepaalde technieken (voldoende) broeikasgas uit de atmosfeer te verwijderen is zeer onzeker en klimaatscenario’s die van dergelijke technieken uitgaan hebben bij de huidige stand van zaken een laag realiteitsgehalte, aldus het Hof (rov. 49).
diegevorderde reductie voldoende feiten en argumenten zijn aangedragen.
onderdelen 4 tot en met 8, die elk weer uit verschillende onderdelen bestaan, klachten tegen (delen van) de rov. 12, 15, 48, 49 en 62 (onderdeel 4), rov. 12 en 50 tot en met 53 (onderdeel 5), rov. 47 (onderdeel 6), rov. 26, 60 en 62 (onderdeel 7) en rov. 47 en 53 tot en met 76 (onderdeel 8).
juridischniet gebonden aan een reductiedoelstelling van 25% in 2020. Deze reductiedoelstelling is geen door de Staat overeengekomen of internationaal aanvaarde norm. De Staat is in internationaal en Europees verband wél gebonden aan een reductie van 20% in 2020; dit percentage zal in EU-verband ruimschoots (namelijk 26 à 27%) worden gehaald. Daarmee had het Hof rekening dienen te houden.
feitelijkezin noodzakelijk voor de verwezenlijking van de tweegradendoelstelling. Die noodzaak volgt niet uit de rapporten van het IPCC. De bevolen extra reductie door Nederland in 2020 heeft geen meetbaar effect op de mondiale temperatuurstijging.
individueelland zoals Nederland. Nederland alleen kan het wereldwijde klimaatprobleem ook niet oplossen.
beoordelingsruimtevan de Staat.
noodzaak van een reductievan ten minste 25% in 2020 als zodanig aan de orde stellen. Het gaat hierbij om de volgende punten (alinea 4.89 e.v.).
onderdelen 4.8, 5.4 en 5.6van het cassatiemiddel.
onderdelen 4.1 en 5.4van het cassatiemiddel. [378]
onderdelen 4.2, 4.5, 4.6, 4.7, 5.2 en 5.4.
onderdelen 5.5, 6.1, 6.2 en 6.3.
onderdelen 5.5 en 5.6.
individuele verantwoordelijkheid van Nederland. Het gaat hierbij om de volgende punten (alinea 4.178 e.v.).
onderdelen 4.3 en 7.1 tot en met 7.5.
onderdeel 7.7.
de effecten van de extra Nederlandse emissiereductiesals uitvoering wordt gegeven aan het reductiebevel (alinea 4.199). Hier komen tot op zekere hoogte de thema’s ‘noodzaak’ en ’individuele verantwoordelijkheid’ samen.
onderdelen 4.4 en 7.6). In de tweede plaats voert de Staat aan dat het niet nodig is dat Nederland in 2020 de emissies met ten minste 25% reduceert, omdat de EU als geheel dit al zal doen (
onderdeel 5.6). Ten derde is de vraag of het positieve effect van het reductiebevel op de Nederlands emissies zou kunnen wegvallen tegen tegenovergestelde effecten in het buitenland (
onderdelen 8.5.1 en 8.5.2).
klachten over de toepassing van het EVRMdoor het Hof (alinea 4.213 e.v.). Hierin betoogt de Staat dat het EVRM geen basis biedt voor het reductiebevel omdat dit niet ‘effectief’ zou zijn (
onderdeel 8.2.1), terwijl het Hof andere maatregelen, zoals adaptatiemaatregelen, te weinig heeft laten meewegen (
onderdelen 8.2.2-8.2.4). Verder heeft het Hof volgens de Staat te weinig rekening gehouden met de door het EHRM erkende ‘
margin of appreciation’ (
onderdeel 8.3) en heeft het verzuimd het reductiebevel te onderwerpen aan een
‘fair balance’-toets en een proportionaliteitstoets (
onderdeel 8.4).
resterende klachtenvan de onderdelen 4 tot en met 8 besproken (alinea 4.236 e.v.). Zij betreffen diverse onderwerpen: het 450 ppm-scenario (
onderdeel 5.2 (eerste alinea)); het voorzorgsbeginsel (
onderdeel 8.6); relativiteit (
onderdelen 8.7.1-8.7.2); de resterende tijd tot eind 2020 (
onderdeel 8.8); de 1,5 oC doelstelling (
onderdeel 8.10); en voorts de in de verschillende onderdelen vervatte louter voortbouwende klachten..
Fourth Assessment Report, 2007):
more likely than not’) te hebben dat deze 2º C niet wordt overschreden, moet, aldus dit rapport, de concentratie broeikasgassen in de atmosfeer stabiliseren op een niveau van ongeveer 450 ppm in 2100 (hierna ook: het ‘450-scenario’). Na analyse van verschillende reductiescenario’s komt het IPCC in dit rapport (zie Box 13.7) tot de conclusie dat voor het bereiken van het 450-scenario, de totale uitstoot van broeikasgassen door Annex I-landen (waaronder Nederland) in 2020 25% tot 40% lager moet zijn dan in 1990. In dit rapport is ook beschreven dat mitigeren in de regel beter is dan adapteren. (…)
Onderdeel 5.4 (eerste en derde t/m zevende alinea)herhaalt deze klachten en betrekt deze klachten ook op de verwijzing naar de COP-besluiten.
onderdelen 5.4 (zevende alinea) en 5.6 (zesde alinea)betogen voorts, onder meer, dat het Hof ten onrechte geen rekening houdt met het feit dat Nederland de in internationaal en Europees verband bindende reductiedoelstellingen wel behaalt.
afspraak.
Effort Sharing Decision, en de daarbij behorende reductiedoelstellingen(rov. 16-18).
norm(anders dan een afspraak) voor zover het gaat om het concentratieniveau van 450 ppm uit AR4 en AR5, de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 uit AR4 en de besluiten van de COP’s. De Staat vraagt zich af of het Hof een en ander heeft opgevat als ‘noodzakelijk in normatieve zin’, [379] dat wil zeggen als internationale verplichtingen. [380] De Staat geeft overigens al aan dat hij betwijfelt of het Hof hiervan is uitgegaan, maar hij formuleert daartegen voor de zekerheid een aantal klachten. [381]
Confidence has increased that a 1 to 2 oC increase in global mean temperature above 1990 levels (about 1.5 to 2.5 oC above pre-industrial) poses significant risks to many unique and threatened systems including many biodiversity hotspots.”. De Rechtbank geeft dit aldus weer dat het IPCC heeft “vastgesteld dat bij een mondiale temperatuurstijging van 2 °C boven het pre-industriële niveau (tot het jaar 1850) het risico ontstaat op een gevaarlijke, onomkeerbare verandering van het klimaat”. [384]
Similarly, limiting temperature increases to 2°C above pre-industrial levels can only be reached at the lowest end of the concentration interval found in the scenarios of category I (i.e. about 450 ppmv CO2-eq using ‘best estimate’ assumptions).” De Rechtbank ‘vertaalt’ dit aldus, dat volgens het rapport “een temperatuurstijging van niet meer dan 2 °C alleen [kan] worden bereikt wanneer de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer stabiliseert op ongeveer 450 ppm”. [385]
concentratieniveaudat ‘toelaatbaar’ is en ‘niet mag’ worden overschreden, is dus slechts bedoeld als een korte, voor de (niet-wetenschappelijk geschoolde) lezer van de uitspraak begrijpelijke weergave van de IPCC-rapporten. Hierin kan niet gelezen worden, dat het Hof het concentratieniveau van 450 ppm uit AR4 en AR5 (of de daarbij behorende tweegradendoelstelling) heeft opgevat als een door het IPCC geformuleerde specifieke norm waaraan staten juridisch gebonden zouden zijn.
de reductiedoelstellingvan 25-40% in 2020 uit AR4 heeft opgevat als een juridisch bindende norm. Ook hier luidt het antwoord ontkennend. De Rechtbank [387] geeft Box 13.7 uit AR4 weer en omschrijft de inhoud daarvan als volgt:
de besluiten van de COP’sheeft opgevat als een juridisch bindende norm. Het Hof omschrijft de COP als het hoogste besluitvormende orgaan binnen het VN-Klimaatverdrag, met de toevoeging “dat de COP-besluiten niet steeds juridisch bindend zijn.” [388] Dit strookt met hetgeen eerder over de rol van de COP en van COP-besluiten is opgemerkt (zie hiervoor alinea 4.9).
deze 25-40% norm” in rov. 51 slechts tot uitdrukking brengt dat het hier gaat om een (juridisch niet-bindende) uitspraak over een ‘eerlijke’ verdeling van de reductie-inspanning.
onderdeel 4.8 (derde alinea) vermelde klacht dat het Hof is uitgegaan van een onbegrijpelijke lezing van grief 2 van de Staat niet kan slagen. Anders dan deze klacht veronderstelt, zijn Rechtbank en Hof er niet van uitgegaan dat het IPCC “normen, emissieplafonds en emissiereductiedoelstelling
vaststelt”.
Reflexwerking?Dan rijst vervolgens de vraag of het Hof aan de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 gewicht kon toekennen bij de concretisering van de zorgplicht van de Staat.
onderdelen 4.8 (tweede alinea) en 5.4 (vijfde alinea)).
common ground-methode in alinea 2.79 e.v. Daaruit volgt, anders dan besloten ligt in het betoog van de Staat, [391] niet dat het Hof zich bij de beoordeling van de positieve verplichtingen van de Staat onder het EVRM exclusief zou dienen te richten op juridisch bindende instrumenten zoals de reductieafspraken waarover tussen de lidstaten in EU-verband overeenstemming is bereikt. De rechter mag ook kijken naar andere bronnen, zoals COP-besluiten en de daaraan ten grondslag liggende vermelding van de reductiedoelstelling van 25-40% in het IPCC rapport (AR4) uit 2007. Hetzelfde geldt ten aanzien van de reductiepaden die met de reductiedoelstelling van 25-40% samenhangen. Het Hof heeft in zijn arrest verder gemotiveerd uiteengezet waarom het in verband met de noodzaak van emissiebeperkingen voor het behalen van de tweegradendoelstelling meer gewicht hecht aan de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 dan aan de EU-reductiedoelstelling van 20% in 2020 (zie alinea 4.72-4.76).
Exclusieve werking van de EU-reductiedoelen?Ook als het EVRM toelaat om rekening te houden met de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020, zou in theorie wellicht het recht van de EU tot een andere conclusie kunnen dwingen. Dat zou het geval kunnen zijn indien het Unierecht exclusieve werking zou toekennen aan de reductiedoelstelling van de ETS-Richtlijn en de
Effort Sharing Decision. Exclusieve werking wil in dit verband zeggen dat juridisch bindende reductieafspraken die de Staat in EU verband heeft gemaakt expliciet of impliciet meebrengen dat de Staat niet op andere juridische grondslagen – zoals het EVRM of art. 6:162 BW Pro – verplicht zou kunnen worden om een bepaalde (verdergaande) reductiedoelstelling in acht te nemen.
Effort Sharing Decisionblijkt reeds dat deze beschikking voor de niet-ETS-sectoren strengere nationale doelstellingen onverlet laat. In de procedure is hierover geen discussie geweest. Kortom, een exclusiviteitsverweer speelt in cassatie geen rol.
Prejudiciële vraag?De laatste in dit verband te bespreken vraag is of het Hof een prejudiciële vraag over het Unierecht had dienen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJEU).
subonderdeel 5.6 (zesde alinea). Deze klacht is gericht tegen het oordeel van het Hof in rov. 52, dat de Staat niet aan zijn zorgplicht voldoet door zich te houden aan de in EU-verband overeengekomen reductie van 20% in 2020. Dit oordeel impliceert volgens de Staat het oordeel dat ook de EU onrechtmatig handelt en/of dat de ETS-richtlijn en de
Effort Sharing Decisiononrechtmatig zijn. Daarover had het Hof geen oordeel mogen uitspreken, aldus de klacht in onderdeel 5.6, zonder een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, bijvoorbeeld omtrent de geldigheid of rechtmatigheid van de bedoelde EU-maatregelen. [397]
Francovich-aansprakelijkheid) en omdat Richtlijn 2004/354/EG inzake milieuaansprakelijkheid niet van toepassing is op gevallen van diffuse schadeveroorzaking als het onderhavige geval. [401] Tot deze soort vragen behoort ook de mogelijke exclusieve werking van het ETS-systeem, welke vraag aan het Hof is voorgelegd en door hem is beoordeeld.
onderdeel 5.6van het cassatiemiddel van de Staat.
Effort Sharing Decisionen de daarop gebaseerde Nederlandse wet- en regelgeving en heeft een en ander niet ter discussie gesteld (dergelijke vragen zijn in deze procedure ook niet aan de orde gesteld). [404]
onderdelen 4.8, 5.4 en 5.6 (zesde alinea), kort gezegd, dat het Hof de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 uit AR4 en de besluiten van de COP’s heeft opgevat als een juridisch bindende afspraak of norm; dat aan deze reductiedoelstelling geen reflexwerking toekomt; dat het Hof geen rekening houdt met de in internationaal en Europees verband vastgestelde bindende reductiedoelstellingen; en dat het Hof een prejudiciële vraag aan het HvJEU had moeten stellen.
onderdeel 4.1de overwegingen (in rov. 12 en 48) van het Hof dat het IPCC in AR4 na analyse van verschillende reductiescenario’s (in Box 13.7) tot de conclusie komt dat voor het bereiken van het concentratieniveau van 450 ppm de totale uitstoot van broeikasgassen door Annex I-landen (waartoe Nederland behoort) in 2020 25% tot 40% lager zou moeten zijn dan in 1990. Bovendien kent het Hof in rov. 51 van zijn arrest te veel gewicht toe aan de COP-besluiten, aldus kort gezegd
onderdeel 5.4 (eerste, tweede en zesde alinea).
Een doelstelling van 10-40% of van 25-40%?Zoals eerder werd vermeld (alinea 4.42-4.43), noemt het rapport van Working Group III van AR4 verschillende reductiedoelstellingen voor Annex I-landen. Hoofdstuk 13 bevat Box 13.7 waarin de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 wordt genoemd. De
Technical Summaryvermeldt een reductiedoelstelling van 10 tot 40% in 2020. Dit laatste staat ook in de
Executive Summary. [410]
Een beredeneerd voorstel. Het volgende punt dat besproken moet worden, betreft de aard van de in Box 13.7 opgenomen reductiedoelstelling voor de Annex I-landen. De Staat wijst er op zichzelf terecht op dat het niet gaat om een natuurwetenschappelijk onderbouwde conclusie dat deze reductiedoelstelling noodzakelijk is om de tweegradendoelstelling te bereiken, maar dat het gaat om een voorstel voor een verdeling van de mondiale reductie-inspanningen. [413]
carbon budget, over het tempo waarin dit budget wordt uitgeput en of de bestaande inspanningen van landen om te geraken tot beperking van de uitstoot van broeikasgassen daartoe voldoende zijn.
er door de wetenschap geen eenduidige relatie aan te geven is tussen de benodigde emissiereductie van de industrielanden als groep in 2020 en het beperken van de opwarming van de aarde tot 2 graden aan het eind van deze eeuw.” [415]
equity interpretations’. [416] Dit refereert aan één van de beginselen waarop het VN-Klimaatverdrag is gebaseerd (zie alinea 4.6). Voor de goede orde: het gaat dus niet om juridisch bindende oordelen, al kunnen dergelijke oordelen wel van betekenis zijn voor de invulling van de op de Staat rustende zorgplicht.
developed countries’, [420] afhankelijk van de gekozen verdeelsleutel, [421] kan variëren in een bandbreedte van 10% of meer (op basis van
cost-effectiveness) [422] tot maximaal 80% (op basis van
equal cumulative per capita emissions).
onderdeel 4.1van het cassatiemiddel, heeft het Hof onderkend dat Box. 13.7 is geplaatst in hoofdstuk 13 van het deelrapport van AR4 dat is opgesteld door Working Group III van het IPCC. [425] Dit staat er uiteraard niet aan in de weg dat kortweg wordt verwezen naar AR4 van het IPCC. De Rechtbank verwijst in haar vonnis meestal kortheidshalve naar ‘het IPCC’ en ‘het rapport’ waar zij (delen van) AR4 citeert, maar geeft er in de bronvermelding en in rov. 2.16 blijk van te onderkennen dat AR4 uit verschillende delen bestaat. Hetzelfde geldt voor het Hof, dat is uitgegaan van deze overwegingen van de Rechtbank. [426]
’25-40% norm’en overweegt dat het IPCC ‘
tot de conclusie’ komt dat voor het bereiken van het concentratieniveau van 450 ppm de uitstoot van Annex I-landen (waartoe Nederland behoort) in 2020 25% tot 40% lager zou moeten zijn dan in 1990. [427] Men kan dit een ‘norm’ noemen, [428] omdat deze doelstelling berust op een set beredeneerde normatieve oordelen over een verdelingsvraagstuk. Men kan dit een ‘conclusie’ noemen, omdat het gaat om een samenvatting van het op dat moment beschikbare wetenschappelijke onderzoek naar de mogelijke verdeling van de reductie-inspanningen. Men kan daarom niet zeggen dat het Hof de aard van de in Box 13.7 opgenomen reductiedoelstelling voor de Annex I-landen heeft miskend.
De betekenis van de doelstelling van 25-40%. Nu de herkomst van de reductie-doelstelling in Box 13.7 is besproken, kan worden bezien waarom het Hof daaraan gewicht heeft toegekend. Het zwaartepunt van dit deel van de cassatieklachten van de Staat ligt bij de vraag of het Hof aan deze doelstelling
teveel gewicht heeft toegekend. De onderdelen 4.1 en 5.4 (eerste, tweede en zesde alinea) bevatten hierover verschillende klachten.
accepted’ door Working Group III. De doelstelling komt niet terug in andere delen van AR4, zoals bijvoorbeeld de
Summary for Policymakersvan het deelrapport van Working Group III of in het
Synthesis Reportvan het IPCC, die een zwaardere vorm van ‘
endorsement’ kennen. [430] In de eerder genoemde publicatie van dr. Meyer wordt vermeld dat de cijfers in Box 13.7 destijds niet stevig genoeg werden bevonden om in de samenvatting van het gehele rapport te worden opgenomen, omdat ze gebaseerd waren op slechts een klein aantal scenario's die in de literatuur tot 2006 gepubliceerd waren. De COP-besluiten waarin naar deze doelstelling is verwezen dateren van vóór AR5. Deze uitspraken zijn volgens de Staat van politiek-bestuurlijke aard en slechts te beschouwen als een oproep in het kader van het voortdurende proces van internationale onderhandelingen om méér ambitie te tonen, waaraan geen zelfstandige betekenis toekomt naast bindende toezeggingen of afspraken waartoe de onderhandelingen uiteindelijk hebben geleid.
equity interpretations’ bevatten informatie waarin het verdelingsvraagstuk wordt geadresseerd. Het is vervolgens aan de verdragspartijen om al dan niet iets te doen met de geboden informatie.
onderdelen 4.1 en 5.4 (eerste, tweede en zesde alinea).
Negative emission technologies: What role in meeting Paris Agreement targets?’) wordt over negatieve emissies onder meer het volgende gezegd:
We conclude that these technologies [hof: negative emission technologies, afgekort NET’s] offer only limited realistic potential to remove carbon from the atmosphere and not at the scale envisaged in some climate scenarios (…)” (p. 1)“ Figure 1 shows not only the dramatic reductions required, but also that there remains the challenge of reducing sources that are particularly difficult to avoid (these include air and marine transport, and continued emissions from agriculture). Many scenarios to achieve Paris Agreement targets have thus had to hypothesise that there will be future technologies which are capable of removing CO2 from the atmosphere.” (p. 5)
the inclusion of CDR [hof: verwijdering van CO2 uit de atmosfeer] in scenarios is merely a projection of what would happen if such technologies existed. It does not imply that such technologies would either be available, or would work at the levels assumed in the scenario calculations. As such, it is easy to misinterpret these scenarios as including some judgment on the likelihood of such technologies being available in the future.”(p. 5)
multiple mitigation pathways’ die het IPCC in AR5 (p. 20) noemt in de praktijk ook tot de tweegradendoelstelling kunnen leiden.
Onderdeel 4.6bestrijdt dat het Hof het argument kon verwerpen dat er volgens AR5 meerdere emissiereductiepaden zijn waarlangs de tweegradendoelstelling kan worden gerealiseerd. Verder wordt geklaagd dat AR4 is achterhaald omdat AR5 is gebaseerd op meer recente inzichten (
onderdeel 4.5) en, anders dan AR4, geen reductiepercentages noemt (
onderdeel 4.7).
Onderdeel 5.2 (tweede alinea)betrekt de klachten van de onderdelen 4.5-4.7 ook op rov. 50. Bovendien, aldus de Staat, miskent het Hof dat het onderscheid tussen Annex I-landen en andere landen is achterhaald (
onderdeel 4.2 en onderdeel 5.4 (tweede alinea)).
Meerdere emissiereductiepaden in AR5 (RCP 2.6)?Omdat het reductiebevel aan de Staat steunt op de door het Hof op basis van de feiten beredeneerde noodzaak van een emissiereductie van ten minste 25% in 2020, raakt met name
onderdeel 4.6de kern van de zaak. Indien het immers zo is dat er volgens AR5 vanaf 2030 nog meerdere reductiepaden zijn naar de tweegradendoelstelling, en deze reductiepaden haalbaar zijn, dan moet mogelijk anders gedacht worden over de noodzaak om al in 2020 een bepaalde reductie te behalen.
likely’ is, indien vanaf 2050 bepaalde reductiedoelstellingen worden behaald. Het gaat om emissiereducties voor 2050 van 41-72% en voor 2100 van 78-118%, steeds ten opzichte van 2010 (zie alinea’s 4.44-4.46 en de daarin gevoegde tabel 3.1 uit het AR5 Synthesis Report (p. 83)).
overshoot-scenario’s). Dit veronderstelt de grootschalige verwijdering van broeikasgas uit de atmosfeer. AR5 vermeldt daarover: [434]
high confidence) (…). CDR is also prevalent in many scenarios without overshoot to compensate for residual emissions from sectors where mitigation is more expensive.”
that these technologies offer only limited realistic potential to remove carbon from the atmosphere and not at the scale envisaged in some climate scenarios” en dat “
the inclusion of CDR […] in scenarios is merely a projection of what would happen if such technologies existed.”
CDR is also prevalent in many scenarios without overshoot to compensate for residual emissions from sectors where mitigation is more expensive.”
a large proportion of the new scenarios include Carbon Dioxide Removal (CDR) technologies.” [442]
onderdeel 4.6.
Is de in AR4 genoemde reductiedoelstelling overigens achterhaald door AR5?De Staat voert ook nog aan dat de in AR4 genoemde reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 is achterhaald door AR5 omdat AR5 is gebaseerd op de (toen geldende) meest recente wetenschappelijke inzichten (zie
onderdeel 4.5van het cassatiemiddel).
overshoot-scenario’s die volgens het Hof thans een laag realiteitsgehalte hebben. [447] Bovendien acht het Hof aannemelijk dat AR5 geen reductiedoelstellingen voor 2020 bevat, omdat de aandacht uitging naar doelstellingen voor 2030. [448]
onderdeel 4.7van het cassatiemiddel. De Staat doet daartoe weer een beroep op zijn argument dat een reductie met 25-40% in 2020 als tussenstap niet nodig is om de tweegradendoelstelling te behalen, omdat er meerdere reductiepaden zijn en het gaat om de doelstellingen voor 2030 en 2050. Dit betoog is door het Hof echter verworpen en de tegen dat oordeel gerichte klachten slagen niet (zo bleek bij de behandeling van onderdeel 4.6), zodat ook onderdeel 4.7 niet opgaat.
Is het onderscheid tussen Annex I-landen en andere landen achterhaald?Volgens de Staat is de in AR4 genoemde reductiedoelstelling ook achterhaald, omdat het onderscheid tussen Annex I-landen en andere landen is achterhaald. De reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 uit AR4 betrof de Annex I-landen. De Staat betoogt dat het onderscheid tussen Annex I-landen en andere landen is achterhaald of vervaagd, kort gezegd, omdat er inmiddels meer landen zijn die verantwoordelijk zijn voor een groot deel van de uitstoot van broeikasgassen (zoals China, India, Brazilië en Indonesië). Tegenwoordig dienen alle landen hun verantwoordelijkheid te nemen om tot emissiereducties komen. Het onderscheid komt dan ook niet meer terug in het Akkoord van Parijs en AR5. De Staat verwijt het Hof niet op dit betoog te hebben gereageerd en zijn oordeel ten onrechte op dit onderscheid te hebben gebaseerd (
onderdeel 4.2van het cassatiemiddel).
Onderdeel 5.4 (tweede alinea)voegt hieraan toe, dat ook in de COP’s die dateren van na AR5, niet meer naar de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 wordt verwezen.
onderdeel 4.2(onderaan p. 17 van de procesinleiding) die is gericht tegen de vaststelling van het Hof (in rov. 15) dat volgens het Akkoord van Parijs het onderscheid tussen Annex I-landen en andere landen in 2020 verdwijnt. Het betreft overigens een overweging die niet dragend is voor het oordeel van het Hof over de in 2020 van Nederland te verwachten emissiereductie, zodat een daartegen gerichte klacht in geen geval zou kunnen leiden tot vernietiging van het arrest van het Hof.
onderdelen 4.2, 4.5, 4.6, 4.7 en 5.4 (tweede alinea)van het cassatiemiddel van de Staat niet op. Daarom faalt ook de klacht in
onderdeel 5.2 (tweede alinea). De slotsom is dat het Hof kon oordelen dat deze reductiedoelstelling voor 2020 niet is achterhaald.
onderdelen 5.5 (zesde alinea) en 6.3 (tweede alinea)van het cassatiemiddel. Hierin betoogt de Staat dat het Hof in rov. 47 en 52 te weinig rekening houdt met de versnelling van de reductie-inspanningen na 2020. Door de versnelling in de periode na 2020 wordt een minder groot gedeelte van het
carbon budgetgebruikt, wat (in ieder geval deels) het uitstel, en daardoor grotere verbruik van het
carbon budget, in de periode voor 2020 "compenseert".
slot van onderdeel 6, die van een andere lezing van het arrest uitgaat, niet kan slagen.
onderdelen 6.1 en 6.2tot uitgangspunt nemen, heeft het Hof in rov. 47 niet geoordeeld dat een lineaire reductie-inspanning die zou leiden tot een reductie van 28% in 2020, noodzakelijk is.
onderdelen 6.1 en 6.3 (eerste en derde alinea)van het cassatiemiddel). [454]
carbon budgetthans wordt uitgeput. Het gaat daarmee om het tempo van de beperking van de uitstoot van broeikasgassen met het oog op het voorkómen van een gevaarlijke klimaatverandering. Wat betreft dit tempo, is reeds geconstateerd dat het Hof kon verwerpen de argumenten van de Staat die inhielden dat er volgens AR5 meerdere reductiepaden zijn (alinea 4.146 e.v.) en dat gezien de door de Staat voorgenomen versnelling van de reducties, een reductie van de uitstoot van 25% in 2020 toch niet noodzakelijk zou zijn (alinea 4.163 e.v.). Om deze redenen moeten
onderdelen 6.1 en 6.3 (eerste en derde alinea)verworpen worden.
onderdelen 5.5 (zesde alinea), 6, 6.1, 6.2 en 6.3van het cassatiemiddel van de Staat gaan niet op.
onderdelen 5.5 en 5.6. Hiermee komen wij toe aan de bespreking van het laatste van de vijf deelthema’s die gaan over de noodzaak van een reductie van ten minste 25% in 2020.
onderdeel 5.5 (eerste tot en met vijfde alinea)van het cassatiemiddel doen daaraan niet af.
onderdeel 5.6 (eerste alinea)van het cassatiemiddel). [458] De Staat stelde in hoger beroep “dat er geen absolute noodzaak bestaat voor Annex I-landen, waaronder Nederland, om in 2020 een reductiedoelstelling te realiseren van 25-40% ten opzichte van 1990 om de tweegradendoelstelling binnen bereik te houden. Wel vereist dit na 2020 ingrijpende emissiereductiemaatregelen, maar daarvoor bestaan zeker mogelijkheden.” [459] In dit verband betoogde de Staat “dat er meerdere reductiepaden zijn om te bewerkstelligen dat de opwarming van de aarde beperkt blijft tot 20 Celsius of minder.” [460]
subonderdeel 5.6 (eerste alinea)nog aanvoert, valt niet in te zien dat rov. 52 innerlijk tegenstrijdig is. Het Hof vergelijkt eenvoudig de doelstelling die de Staat aanvankelijk had met de doelstelling die hij thans (in EU-verband) heeft.
onderdeel 5.6 (tweede tot en met vijfde alinea)van het cassatiemiddel ook over de overweging dat de EU in 2009 een beperking van 30% in 2020 nodig achtte. Het Hof verwijst daarbij naar zijn rov. 17, waarin het Hof onder meer vaststelt:
om tot een algehele beperking van meer dan 20% te komen, met name gelet op de doelstelling van de Europese Raad voor een beperking van 30%[hof: van de EU-uitstoot van broeikasgassen ten opzichte van 1990]
tegen 2020, die op wetenschappelijke gronden noodzakelijk wordt geacht om een gevaarlijke klimaatverandering te voorkomen(….)”. Dit streven is uitgewerkt in de Richtlijn, waarbij de reductieverbintenis van 30% in 2020 is gekoppeld aan de voorwaarde (kort gezegd) dat andere landen meedoen.”
beperking van 30%(…)
die op wetenschappelijke gronden noodzakelijk wordt geacht”. De Staat ziet hieraan voorbij, waar hij klaagt dat het Hof het streven van de Europese Raad zwaarder heeft laten wegen dan de ETS-Richtlijn zelf en de voorwaardelijkheid van het aanbod van de EU om 30% te reduceren. [461] Het Hof heeft overigens niet geoordeeld dat een (voorwaardelijke) reductiedoelstelling van de EU van 30%, zou betekenen dat dit percentage ook voor Nederland individueel zou gelden. De op deze veronderstelling gebaseerde klacht van onderdeel 5.6 gaat daarom niet op.
als geheel, en daarmee niet als uitgangspunt kan worden genomen voor de emissiereductie die een
individueelAnnex I-land zoals Nederland zou moeten realiseren. De Staat heeft echter niet onderbouwd waarom voor Nederland een lager emissiereductiepercentage zou moeten gelden dan voor de Annex I-landen als geheel. Dat ligt niet voor de hand, uitgaande van een verdeling naar rato van het bbp per hoofd van de bevolking, die onder meer in de
Effort Sharing Decisionvan de EU als uitgangspunt is genomen bij de verdeling van de emissiereductieverbintenis van de EU over de lidstaten. Naar mag worden aangenomen behoort het bbp per hoofd van de bevolking van Nederland tot de hoogste van de Annex I-landen, en ligt het in ieder geval boven het gemiddelde van die landen. Dat blijkt ook uit Bijlage II van de
Effort Sharing Decision, waarin voor Nederland een reductiepercentage wordt genoemd (16% ten opzichte van 2005) dat tot de hoogste reductiepercentages voor de EU-lidstaten behoort. Er kan derhalve van worden uitgegaan dat wat voor de Annex I-landen als geheel geldt, tenminste ook voor Nederland zou moeten gelden.
onderdelen 7.1 tot en met 7.5van het cassatiemiddel gericht. Onderdeel 7.1 verwijst, voor zover thans van belang, [463] naar de klachten van
onderdeel 4.3. Deze klachten betreffen het oordeel van het Hof dat de reductiedoelstelling van 25-40% in AR4 voor de Annex I-landen als groep, ook geldt voor Nederland individueel.
onderdelen 7.1 en 4.3 onder (iii)veronderstellen dat het Hof dit heeft miskend, dienen deze onderdelen te falen.
onderdeel 7.2betoogt, de regels over de verdeling van stelplicht- en bewijslast niet miskend. [465] Naar het oordeel van het Hof heeft Urgenda de noodzakelijkheid van de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 voldoende feitelijk onderbouwd. Deze doelstelling is bedoeld voor de Annex I-landen, waartoe Nederland behoort. Het Hof kan dan van de Staat verlangen om gemotiveerd te betwisten waarom voor Nederland als Annex I-land een lagere reductiedoelstelling zou gelden dan voor de groep Annex I-landen als geheel.
onderdelen 7.1 en 4.3 (slot), 7.3 (tweede alinea) en 7.4betogen, is dit niet onjuist, inconsistent of anderszins onbegrijpelijk te noemen.
onderdelen 7.1 en 4.3 onder (i) en (ii)niet opgaan. Ook onderkent het Hof dat tussen de Annex I-landen verschillen bestaan. [466] Het Hof beredeneert waarom voor Nederland het minimum van de bandbreedte van de reductiedoelstelling van 25 tot 40% voor Annex I-landen geldt. Daarom faalt de klacht in
onderdelen 7.1 en 4.3 onder (iv) e.v., waarin op deze verschillen wordt gewezen.
onderdeel 7.3 (eerste alinea)betoogt (zie nader alinea 4.93 e.v.).
onderdeel 7.4van het cassatiemiddel). [467] Dat is inderdaad zo, maar dit gegeven tast de redenering van het Hof niet aan. Het gaat het Hof immers om de vraag of er reden is om aan te nemen dat de reductiedoelstelling van ten minste 25% voor de Annex I-landen niet voor Nederland zou gelden. Die redenen zijn het Hof niet gebleken.
onderdeel 7.5aanvoert, niet gezegd worden dat de overwegingen in rov. 60 de beoordelingsruimte van de Staat miskennen om met andere landen een verdeling van de reductie-inspanningen af te spreken. Het Hof geeft slechts feitelijk een oordeel over de toepasbaarheid van de ondergrens van de bandbreedte van de reductiedoelstelling van 25-40% voor Annex I-landen op Nederland.
Onderdeel 7.4 (slot)bevat nog een klacht tegen de vaststelling in rov. 26, dat van de 33 landen met een hogere uitstoot dan Nederland, er maar negen zijn met een hogere uitstoot per capita. De Staat heeft namelijk aangevoerd dat Nederland, gemeten naar uitstoot per capita, wereldwijd de 28ste plaats inneemt. Daarbij baseerde de Staat zich op gegevens uit EDGAR database
'CO2 time series 1990-2014 per capita for world countries'. [468]
onderdelen 4.3 en 7.1 tot en met 7.5gaan niet op.
onderdeel 7.7van het cassatiemiddel). Ten aanzien van deze klachten is reeds geconstateerd dat zij niet opgaan.
onderdelen 4.4 en 7.6). In de tweede plaats voert de Staat aan dat het niet nodig is dat Nederland in 2020 de emissies met ten minste 25% reduceert, omdat de EU als geheel dit al zal doen (
onderdeel 5.6). Ten derde is de vraag of het positieve effect van het reductiebevel op de Nederlands emissies zou kunnen wegvallen tegen tegenovergestelde effecten in het buitenland (
onderdelen 8.5.1 en 8.5.2).
Geen meetbaar effect op de opwarming van de aarde. In cassatie dient (in ieder geval veronderstellenderwijs) het volgende tot uitgangspunt. [476] Nederland heeft een klein aandeel in de wereldwijde emissies van broeikasgassen (0,35% in 2014). De extra reductie van de Nederlandse emissies in 2020 zou 0,000045 °C minder gemiddelde wereldwijde opwarming tot 2100 tot gevolg hebben. Dit valt weg tegen alle onzekerheden die met een dergelijke berekening samenhangen en heeft geen meetbaar effect op het gevaar van klimaatverandering. [477]
onderdeel 4.4) en (in rov. 60) dat de reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 voor de Annex I–landen als groep ook voor Nederland moet gelden (
onderdeel 7.6).
EU behaalt de reductiedoelstelling van 25% in 2020.Het Hof heeft vastgesteld dat de EU als geheel naar verwachting in 2020 een emissiereductie van 26-27% ten opzichte van 1990 zal behalen. [479] De Staat verbindt hieraan de conclusie, dat niet valt in te zien waarom een emissiereductie van tenminste 25% in 2020 door Nederland als individueel land nodig is voor het verwezenlijken van de tweegradendoelstelling, en in lijn is met de zorgplicht van de Staat (zie
onderdeel 5.6 (vijfde alinea)van het cassatiemiddel).
‘Carbon leakage’ en ‘waterbedeffect’.De effectiviteit van het reductiebevel is ook in twijfel getrokken, omdat het positieve effect ervan op de Nederlands emissies zou kunnen wegvallen tegen tegenovergestelde effecten in het buitenland. Zo zou bijvoorbeeld versnelde sluiting van Nederlandse kolencentrales kunnen leiden tot import van elektriciteit en daarmee tot verhoogde uitstoot van broeikasgassen in het buitenland. Per saldo, zo is de gedachte, levert een reductiebevel dan geen ‘klimaatwinst’ op, maar zorgt het slechts voor een verplaatsing van de uitstoot van broeikasgassen van Nederland naar het buitenland.
carbon leakage’ en op het ‘waterbedeffect’.
carbon leakage’achtereenvolgens:
Danish Council on Climate Change(productie U131), gemotiveerd heeft betoogd dat in ieder geval tot 2050 zich geen ‘waterbedeffect’ kan voordoen ten gevolge van het overschot aan ETS-rechten en het dempende effect in de tijd van de ‘
Market Stability Reserve’. Deze rapporten zijn door de Staat niet gemotiveerd weersproken.
carbon leakage’, waaronder de Staat het risico verstaat dat bedrijven hun productie verplaatsen naar andere landen waar minder stringente broeikasgasreductieverplichtingen gelden. Dat dit risico zich daadwerkelijk zal voordoen indien Nederland haar inspanningen om de emissie van broeikasgassen te beperken vóór het einde van 2020 zou opvoeren, heeft de Staat echter niet onderbouwd. Hetzelfde geldt voor de verwante stelling van de Staat dat verdergaande emissiereducties het ‘
level playing field’voor Nederlandse bedrijven zou ondermijnen. Onderbouwing van die stellingen had wel van de Staat mogen worden verwacht, met name nu in andere EU-lidstaten een stringenter klimaatbeleid wordt gevoerd (zie hiervoor, r.o. 26). Bovendien valt, onder meer in het licht van artikel 193 VWEU Pro, zonder nadere argumentatie, die ontbreekt, niet in te zien dat het niet handhaven van een
‘level playing field’ voor Nederlandse bedrijven in strijd met enige rechtsregel zou zijn.
carbon leakage’. Dat laatste punt speelt in de cassatieprocedure bij de Hoge Raad daarom geen rol.
Onderdeel 8.5.1gaat niet op, want het berust op een onjuiste lezing van het arrest. Het Hof doelt met zijn overweging dat “andere EU-lidstaten de beschikbare emissieruimte onder het ETS-systeem maximaal zullen (laten) benutten” op de mogelijkheid dat EU-lidstaten aanvullend beleid voeren. [483] Het Hof behandelt deze mogelijkheid in rov. 54. Het Hof overweegt dus niet, anders dan subonderdeel 8.5.1 veronderstelt, dat EU-lidstaten het aantal aan ondernemingen op hun grondgebied toegekende ETS-rechten kunnen beperken (wat eerst mogelijk zal worden na omzetting van Richtlijn 2018/410).
onderdeel 8.5.2op zichzelf terecht op, dat hij in hoger beroep heeft toegelicht dat het waterbedeffect een realiteit is, onder verwijzing naar rapporten van onder meer het ECN, het RIVM en het PBL en naar Richtlijn 2018/410. [484] Bedacht moet echter worden dat het Hof aan het slot van rov. 56 een oordeel geeft over de vraag of het waterbedeffect in de toekomst zal optreden.
onderdeel 8.5.2niet op.
onderdelen 4.4, 5.6 (vijfde alinea), 7.6, 8.5.1 en 8.5.2niet slagen.
onderdeel 8.2.1). In de tweede plaats zou het Hof andere maatregelen dan mitigatie, zoals adaptatiemaatregelen, te weinig hebben laten meewegen (
onderdelen 8.2.2-8.2.4). Verder heeft het Hof volgens de Staat te weinig rekening gehouden met de door het EHRM erkende ‘
margin of appreciation’ (
onderdeel 8.3) en verzuimd het reductiebevel te onderwerpen aan een
‘fair balance’-toets en een proportionaliteitstoets (
onderdeel 8.4).
De effectiviteit van het bevel. Zoals eerder werd vermeld, dient in cassatie tot uitgangspunt dat de extra reductie van de Nederlandse emissies in 2020 0,000045 °C minder gemiddelde wereldwijde opwarming tot 2100 tot gevolg zal hebben. De klacht van de Staat dat deze extra reductie om die reden niet ‘noodzakelijk’ is, gaat naar onze mening niet op (zie alinea 4.187-4.197 en 4.202).
onderdeel 8.2.1 (eerste en tweede alinea)van het cassatiemiddel (dat onder meer is gericht tegen rov. 59).
a legislative and administrative framework designed to provide effective deterrence against threats to the right to life”). Bij het ondernemen of autoriseren van gevaarlijke activiteiten moet de staat zorgen dat de risico’s tot een redelijk minimum (“
a reasonable minimum”) worden beperkt (alinea 2.44). Art. 8 EVRM Pro vereist in milieukwesties dat staten redelijke en passende maatregelen (“
reasonable and appropriate measures”) nemen ter bescherming van individuen tegen ernstige milieuschade (alinea 2.48). De te nemen maatregelen moeten geschikt (
appropriate) zijn met het oog op de beperking van het gevaar of de milieuaantasting in kwestie, dus tijdig (
timely) en – althans in potentie – effectief (
effective) (alinea 2.63). De te nemen maatregelen moeten dus
kunnenbijdragen aan het voorkomen van de dreigende aantasting van mensenrechten. [487] Een garantie dat zij die aantasting
zullenvoorkomen, is niet vereist. Ter vergelijking kan worden gewezen op het arrest
Kalender/Turkije, waarin het ging om treinpassagiers die op een station waren aangereden door een goederentrein. Het EHRM nam een schending van art. 2 EVRM Pro aan, omdat niet was voorzien in basale veiligheidsmaatregelen, zoals een perron en adequate verlichting. Het EHRM verwierp het verweer van de Turkse overheid, inhoudend dat onvoorzichtigheid van de slachtoffers de voornaamste oorzaak van het ongeval was. Het EHRM overwoog in dat verband dat art. 2 EVRM Pro geen absolute bescherming biedt aan ieder persoon bij iedere riskante activiteit, en meer in het bijzonder geen onbegrensde bescherming biedt aan onvoorzichtige slachtoffers. Dat ontsloeg de overheid echter niet van haar verplichting om tenminste de meest basale veiligheidsmaatregelen te treffen die
geschiktwaren om het leven van de slachtoffers te beschermen (“
les mesures de sécurité les plus élémentaires susceptibles de préserver la vie des proches des requérants”). [488]
carbon budgetwordt uitgeput, zijn verdergaande maatregelen ter beperking van de uitstoot van broeikasgassen onmiskenbaar geschikt (
appropriate) om gevaarlijke klimaatverandering tegen te gaan. Aan de in deze zin op te vatten effectiviteit van het reductiebevel staat naar onze mening niet in de weg dat wereldwijd de emissies meer zullen moeten worden beperkt, ook door andere landen.
onderdeel 8.2.1 (derde tot en met zesde alinea). De tegen rov. 63 gerichte klacht in de derde alinea van dit onderdeel stelt te hoge eisen aan de doeltreffendheid van maatregelen in verband met het voorzorgsbeginsel. De tegen rov. 64 gerichte klachten in de vierde t/m zesde alinea grijpen terug op het reeds verworpen argument dat de bevolen extra reductie niet effectief zou zijn in de zin van de rechtspraak van het EHRM.
Andere maatregelen. Volgens
onderdeel 8.2.2is het Hof (onvoldoende gemotiveerd) voorbij gegaan aan het betoog van de Staat, [490] kort gezegd, dat adaptatiemaatregelen geëigende maatregelen zijn waarmee de Staat – al dan niet in combinatie met de door de Staat getroffen en voorgenomen mitigatiemaatregelen – aan zijn positieve verplichtingen uit hoofde van art. 2 en Pro 8 EVRM kan voldoen.
onderdeel 8.2.3is het Hof (onvoldoende gemotiveerd) voorbij gegaan aan het betoog van de Staat, dat hij bijdraagt aan beperkingen van de wereldwijde uitstoot van broeikasgassen door kennis en financiële middelen ter beschikking te stellen aan ontwikkelingslanden, waarmee deze landen mitigatie- en adaptatiemaatregelen kunnen treffen.
onderdeel 8.2.4veronderstelt, oordeelt het Hof (in rov. 73) niet dat adaptatiemaatregelen, klimaatfinanciering en ondersteuning van andere landen geen veilige maatregelen zouden kunnen zijn.
Margin of appreciation.Zoals in hoofdstuk 2 is besproken, kent het EHRM de nationale autoriteiten in bepaalde gevallen een zekere beoordelingsruimte toe bij het bepalen van de wijze waarop de Staat aan zijn verplichtingen uit het EVRM wenst te voldoen. Het Hof oordeelt in zijn afsluitende rov. 74 dat het beroep van de Staat op zijn beoordelingsruimte niet opgaat voor zover het betreft de vraag of in 2020 de Nederlandse emissies met 25% moeten zijn gereduceerd. Daartoe verwijst het Hof naar de eerder in het arrest gegeven gronden voor zijn oordeel, die in de rov. 71 tot en met 73 door het Hof zijn samengevat. De Staat heeft, zo overweegt het Hof, wel de ruimte om te bepalen welke maatregelen moeten worden getroffen om de bevolen reductiedoelstelling in 2020 te halen.
Onderdeel 8.3bevat klachten die daarop voortborduren.
onderdelen 8.3.1, 8.3.2 en 8.3.3.Dit geldt ook voor
onderdeel 8.3.4waarin over de band van de aan wetenschappelijke rapporten te verbinden conclusies wordt betoogd dat de Staat beoordelingsruimte toekomt ten aanzien van het reductiepad. Ook dit betoog stuit af op de door het Hof bedoelde ondergrens.
Onderdeel 8.3.5betoogt dat de vraag of al dan niet later kostbaarder of ingrijpender maatregelen moeten worden genomen, valt binnen de beoordelingsruimte van de Staat.
onderdeel 8.3.5. Anders dan de klacht aan het slot van dit onderdeel aanvoert, ligt in rov. 71 niet besloten dat er wel meerdere reductiepaden zijn – het Hof heeft immers in rov. 49 een oordeel gegeven over de haalbaarheid van de ‘
range of options’ als bedoeld in het citaat uit AR5 in rov. 71 − en is deze overweging niet innerlijk tegenstrijdig te noemen.
Onderdeel 8.3.6betrekt de klachten van de onderdelen 8.3.3-8.3.5 op de rov. 67-69 en faalt nu deze onderdelen niet slagen.
Onderdeel 8.3.7betreft het woord ‘wenselijk’ in rov. 47 en faalt om de in alinea 4.166 e.v. genoemde redenen. [496] Onderdeel 8.3.8verwijst naar onderdeel 2 en faalt om de in alinea 3.2 e.v. genoemde redenen.
Fair balanceen proportionaliteit. Zoals in hoofdstuk 2 is besproken, toetst het EHRM in het kader van art. 8 EVRM Pro of de Staat bij de keuze van de maatregelen die binnen zijn ‘
margin of appreciation’ vallen een ‘
fair balance’ heeft getroffen tussen de tegen elkaar afgewogen individuele en algemene belangen. Voorts moeten art. 2 en Pro 8 EHRM worden uitgelegd op een manier die geen ‘onmogelijke of disproportionele last’ (“
impossible or disproportionate burden”) op de overheid legt. [497]
onderdeel 8.4heeft het Hof nagelaten om dit (kenbaar) te toetsen. De Staat heeft stellingen aangevoerd over (i) het uiterst geringe effect van een verdergaande Nederlandse emissiereductie in 2020 en (ii) de zeer hoge (maatschappelijke en andere) kosten van de daarvoor benodigde maatregelen. Daaruit volgt, aldus het onderdeel, dat er een disproportionele althans geen redelijke verhouding bestaat tussen de van de Staat verlangde reductiemaatregelen en het effect daarvan voor individuen en de samenleving als geheel, althans dat het oordeel van het Hof in dit opzicht onvoldoende gemotiveerd is.
margin of appreciation’ in alinea’s 2.68 e.v. In het oordeel van het Hof ligt immers besloten dat een reductie van 25% in 2020 de ondergrens is van wat van de Staat kan worden verlangd met het oog op het risico van gevaarlijke klimaatverandering. Nu beneden die grens geen sprake is van een aan de Staat toekomende ‘
margin of appreciation’, was een afzonderlijke ‘
fair balance’-toets niet nodig.
impossible or disproportionate burden”. Dit oordeel behoefde om de hierna te noemen redenen geen nadere motivering.
carbon leakageop de mondiale emissiereductie uiteindelijk nagenoeg nihil is. [501] Het waterbedeffect werd met name betrokken op de vervroegde sluiting van kolencentrales, de maatregel die volgens de Staat het meeste effect heeft op de omvang van de nationale emissies [502] (maar ook kostbaar is). [503]
carbon leakageen het beroep op het waterbedeffect. In de cassatieklachten wordt alleen geklaagd over het oordeel over het waterbedeffect en deze klachten gaan naar onze mening niet op (zie alinea 4.210-4.211). Daarmee ontviel een belangrijke pijler aan het betoog van de Staat over de kostenefficiëntie van bepaalde maatregelen.
onderdeel 8.4nog aanvoert dat het Hof niet vaststelt welke concrete risico’s specifieke (groepen) van personen binnen welk concreet tijdsbestek zullen lopen, verwijzen wij naar de bespreking van de onderdelen 1.2 en 2 in alinea 3.2 e.v.
onderdelen 8.2.1-8.2.4, 8.3 en 8.4over de toepassing van het EVRM slagen niet.
Onderdeel 5.2 (eerste alinea)bevat nog een motiveringsklacht tegen de overweging (in rov. 12 en 50 van het arrest van het Hof) dat het 450 ppm-scenario – dat wil zeggen de situatie waarin de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer uiteindelijk zal stabiliseren op circa 450 ppm − ook niet meer dan een 50% (“
more likely than not”) kans biedt dat het zal lukken om de tweegradendoelstelling te behalen. Dat oordeel is onbegrijpelijk, aldus de klacht, omdat die kans (dat percentage) niet in het AR4-rapport te vinden is.
more likely than not” voor een kans die groter is dan 50%. [506] Maar uit wat de Rechtbank in rov. 2.12-2.16 vermeldt over AR4, [507] blijkt niet dat er een kans van 50% is op het behalen van de tweegradendoelstelling indien de concentratie van broeikasgassen in de atmosfeer stabiliseert op circa 450 ppm. Overigens lijkt niet betwijfeld te behoeven worden, dat het inderdaad gaat om een kans van 50%. Deze kans wordt bijvoorbeeld wel vermeld in de mededeling van de Europese Commissie van 10 januari 2007 [508] en in een rapport van het PBL en Ecofys. [509]
Voorzorgsbeginsel.
Onderdeel 8.6betreft de verwijzing naar het voorzorgsbeginsel in rov. 63 en 73 van het arrest van het Hof. Het onderdeel betoogt dat het voorzorgsbeginsel geen zelfstandige grondslag kan vormen voor het aannemen van positieve verplichtingen van de Staat op grond van art. 2 en Pro/of art. 8 EVRM Pro (of van onrechtmatig handelen), maar uitsluitend een rol kan spelen bij het invullen van de positieve verplichtingen van de Staat.
Relativiteit. Met de term relativiteit wordt gewoonlijk gedoeld op een van de vereisten voor aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad, te weten dat ‘jegens een ander’ onrechtmatig is gehandeld (art. 6:162 BW Pro). Er wordt jegens een ander onrechtmatig gehandeld indien, kort gezegd, (i) inbreuk is gemaakt op een subjectief recht van die ander (bijvoorbeeld diens eigendomsrecht) waarmee die ander wordt aangetast in zijn door dat subjectieve recht beschermde belangen; (ii) een wettelijke norm is geschonden die ertoe strekt het belang waarin de ander is aangetast, te beschermen; of (iii) een ongeschreven norm is geschonden die ertoe strekt het belang waarin de ander is aangetast, te beschermen (zie de drie in alinea 2.14 bedoelde onrechtmatigheidsrubrieken). Door middel van het relativiteitsvereiste kan de aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad nader worden afgebakend. [510]
onderdeel 8.7.1van het cassatiemiddel veronderstelt, kan hierin niet gelezen worden dat het Hof van oordeel zou zijn dat niet hoeft te worden voldaan aan het relativiteitsvereiste als zodanig. Onderdeel 8.7.1 gaat daarom niet op.
onderdeel 8.7.2.
De resterende tijd.
Onderdeel 8.8betreft rov. 66, waarin het Hof oordeelt dat de Staat geen verweer kan ontlenen aan de omstandigheid dat de tijd die resteert tot 2020 erg kort is om maatregelen te treffen die nodig zijn om te geraken tot extra emissiereducties. De klachten van onderdeel 8.8 betrekken deze overweging echter op, kort gezegd, de vraag of de Staat voldoet aan zijn verplichtingen uit art. 2 en Pro/of art. 8 EVRM Pro. Op deze aspecten van de zaak heeft de aangevallen overweging van het Hof echter geen betrekking, zodat de klachten geen succes hebben.
Onderdeel 8.10bevat een klacht voor het geval het Hof (in rov. 3.5, 44, 50 en 73) de zorgplicht van de Staat (mede) zou hebben gebaseerd op de gevolgen van een mondiale temperatuurstijging van 1,5 °C (of meer, maar minder dan 2 °C).
Louter voortbouwende klachten. Voor het overige bevat het cassatiemiddel in de
onderdelen 5.1, 5.2, 5.3, 5.4, 5.6, 5.7, 6.4, 7.1, 8.1, 8.7.2, 8.8, 8.9 en 8.11nog niet besproken klachten die louter voortbouwen op andere klachten. Deze voortbouwende klachten behoeven geen afzonderlijke bespreking meer.
onderdelen 4 tot en met 8niet slagen, althans niet tot cassatie kunnen leiden.
5.De staatsrechtelijke toelaatbaarheid van het bevel (middelonderdeel 9)
Inleiding
trias politica’. In de Nederlandse grondwet zijn de wetgeving, het openbaar bestuur en de rechtspraak geregeld in verschillende hoofdstukken. In de Nederlandse staatsinrichting is deze scheiding echter niet heel strikt. [519] Veel Nederlandse auteurs spreken daarom liever over het ‘evenwicht’ tussen de drie staatsmachten en over constitutionele ‘
checks and balances’. [520] Deze relativering neemt niet weg dat een belangrijk punt van kritiek op het vonnis van de Rechtbank is geweest dat de rechter de besluitvorming over mate en tempo van de uitstootreductie had moeten overlaten aan de wetgever en aan het openbaar bestuur. [521] Die kritiek raakt ook de beslissing in hoger beroep. [522] Mede om deze reden heeft de Staat beroep in cassatie ingesteld. [523]
political question-doctrine in de Verenigde Staten en de wijze waarop rechters in Nederland omgaan met geschillen waarin een politiek vraagstuk aan de rechter wordt voorgelegd. Dit zal worden uitgewerkt voor de verhouding tussen de rechter en de wetgever, en voor de verhouding tussen de rechter en het openbaar bestuur. Daarna komt de toelaatbaarheid van een rechterlijk bevel tot wetgeving aan de orde. Ten slotte bespreken wij de klachten.
political question’-doctrine in de Verenigde Staten. [526] Doorgaans wordt de uitspraak van de
U.S. Supreme Courtinzake
Marbury v. Madisonuit 1803 aangewezen als het beginpunt van deze leer. Het onderliggende geschil behoeft op deze plaats geen bespreking. [527] De
Supreme Courtstond voor de vraag of de scheiding van de drie staatsmachten in de
U.S. Constitutionin de weg stond aan toekenning door de rechter van een
remedy. Voor het begrip ‘
political question’ is onder meer de volgende overweging van belang:
political question-doctrine nader uitgewerkt en enigszins gerelativeerd. In de vakliteratuur wordt dikwijls verwezen naar de uitspraak uit 1962 inzake
Baker v. Carr. [528] Het geschil betrof, kort gezegd, een besluit over de geografische indeling van een kiesdistrict, welk besluit wel of niet in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel. De motivering vermeldt een reeks gezichtspunten, aan de hand waarvan kan worden vastgesteld of in een concreet geval sprake is van een
political questiondie geheel aan rechterlijke beoordeling is onttrokken:
political question-verweren zijn schaars. Onlangs heeft de
U.S. Supreme Court, in een 5-4 meerderheidsbeslissing, een
political question-verweer aanvaard in een geschil over de geografische indeling van een kiesdistrict. [530]
Baker v. Carrzijn ook gesignaleerd in vakliteratuur over (Amerikaanse) rechtszaken waarin de gevolgen van klimaatverandering aan de orde zijn gesteld. [531] Eén auteur stelt dat internationale gerechtshoven minder snel dan nationale rechters bereid zijn om van inhoudelijke beoordeling van een geschil af te zien op de grond dat sprake is van de uitoefening van een bevoegdheid van politieke aard. [532] Indien die bewering waar is, zou dit kunnen worden verklaard door de omstandigheid dat de
political question-doctrine betrekking heeft op de
binnenlandseverhoudingen tussen de drie staatsmachten. [533]
political question-doctrine aandacht gekregen. Van der Hulle vat de criteria uit
Baker v. Carrzo samen: (i) het voorgelegde geschil raakt aan een onderwerp dat bij of krachtens de
U.S. Constitutionaan een van de twee andere staatsmachten is opgedragen; (ii) er zijn onvoldoende duidelijke en objectieve criteria voorhanden aan de hand waarvan het geschil kan worden beslecht; (iii) een inhoudelijke beoordeling zou het functioneren en eerdere politieke beslissingen van de andere staatsmachten kunnen doorkruisen. [534] In een vonnis van de voorzieningenrechter in de Rechtbank Amsterdam over de Brexit-problematiek werd een soortgelijke verkorte omschrijving gebruikt:
political questionen betreft de taakverdeling tussen de rechter en het bestuur en/of de politiek. In deze doctrine is beslissend voor de beantwoording van de vraag of de rechter over een aan hem voorgelegd geschil mag oordelen, of dit een onderwerp betreft dat constitutioneel tot de competentie behoort van een andere staatsmacht, of voldoende duidelijke en objectieve criteria zijn aan te wijzen om het geschil in rechte te kunnen beoordelen, en of een rechterlijk oordeel de mogelijkheid doorkruist voor een andere competente staatsmacht om zich ter zake een politiek oordeel te vormen.” [535]
bevoegdheidvan de burgerlijke rechter is, naar Nederlands recht, niet afhankelijk van het antwoord op de vraag of de vordering een politiek vraagstuk aan de orde stelt. Sinds 1915 geldt in Nederland de regel dat de burgerlijke rechter zijn bevoegdheid bepaalt aan de hand van het recht waarop de eisende partij de vordering doet steunen [537] ; niet aan de hand van het publiek- of privaatrechtelijke karakter van het geschil. Indien de eisende partij haar vordering baseert op een (dreigende) schending van een haar toekomend recht of op een jegens haar begane onrechtmatige daad, is daarmee de burgerlijke rechter in beginsel bevoegd om van die vordering kennis te nemen en daarover een inhoudelijk oordeel te geven. Dit geldt ook wanneer de vordering is gericht tegen de Staat. [538]
trias politica(de onderlinge verhouding tussen de drie staatsmachten) is de rechter van oudsher degene die de feiten onderzoekt, daarop het recht toepast en daarbij, zo nodig, uitleg geeft aan het recht. Het uitgangspunt is daarmee helder: de rechter beoordeelt of het handelen of nalaten van de Staat en zijn organen rechtmatig of onrechtmatig is. De
doelmatigheid van het handelen van de Staat en van het gevoerde regeringsbeleid kan worden beoordeeld door het parlement, zo nodig na onderzoek door (bijvoorbeeld) de Algemene rekenkamer. De Wet houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb. 1829, 28) stelt de gebondenheid van de rechter aan de wet voorop: “De regter moet volgens de wet regt spreken; hij mag in geen geval de innerlijke waarde of billijkheid der wet beoordeelen.” (art. 11). [540]
trias politicagering. [542] Aan de rechterlijke beslissing in het berechte geval, die slechts ten aanzien van de procespartijen kracht van gewijsde heeft, kunnen de wetgever en het openbaar bestuur niets veranderen. Wanneer de uitkomst het openbaar bestuur niet bevalt vanwege een mogelijke precedentwerking daarvan, kan de wetgever voor andere, toekomstige gevallen de desbetreffende wettelijke bepaling(en) anders formuleren of kiezen voor een geheel nieuwe wettelijke regeling van het onderwerp.
trias politicatoe. Rechters gaan hiermee voorzichtig om. De artikelen 93 en 94 van de Grondwet – besproken in de alinea’s 2.27 en 2.28 hiervoor – brengen evenwel mee dat een rechter zich genoodzaakt kan zien om rechtstreeks toepassing te geven aan een ‘een ieder verbindende’ verdragsbepaling. Een rechter die constateert dat een Nederlands wettelijk voorschrift onverenigbaar is met een toepasselijke ‘een ieder verbindende’ verdragsbepaling, zal dat voorschrift in zoverre buiten toepassing laten. [543] In sommige gevallen is het buiten toepassing laten van de nationale wettelijke bepaling al voldoende om effectieve rechtsbescherming te verkrijgen. Indien de toepasselijke ‘een ieder verbindende’ verdragsbepaling slechts één uitkomst toelaat, kan de rechter die verdragsbepaling toepassen in plaats van de nationale bepaling. Maar er zijn ook gevallen, waarin het enkele buiten toepassing laten van de nationale wettelijke bepaling niet volstaat en verschillende mogelijkheden denkbaar zijn om de ontstane leemte op te vullen. Dan moet de rechter beslissen of hij zelf in dat rechtstekort voorziet door een keuze uit die mogelijkheden te maken en zelf de rechtsregel te formuleren aan de hand waarvan de desbetreffende rechtszaak kan worden afgedaan. Het alternatief is, dat de rechter het aan de wetgever overlaat om de nationale wetgeving in overeenstemming te brengen met de toepasselijke verdragsbepaling(en). [544] In de jaren ’80 van de vorige eeuw is in Nederland over deze problematiek veel gediscussieerd. [545]
judicial activismtegenover
judicial restraint. In de Franse taal is vrees geuit voor een ‘
gouvernement des juges’. [550] Een rechter wordt in Nederland benoemd, niet door de bevolking in een verkiezing gekozen. Een rode draad in deze discussie is het ‘democratiebeginsel’: de beslissing over de vraag òf wetgeving tot stand wordt gebracht en over de inhoud van een vast te stellen wet, is voorbehouden aan de volksvertegenwoordiging. Het democratiebeginsel voert naar een terughoudende opstelling van de rechter ten opzichte van het optreden door de beide andere staatsmachten. De Hoge Raad sprak eerder, in geschillen over de mogelijkheid van toetsing van wetgeving, van “de positie van de rechter in ons staatsbestel, zoals deze mede in art. 11 Wet Pro Algemene Bepalingen tot uiting komt”. [551]
Human Rights Acteen
declaration of incompatibilityafgeven waarin de strijdigheid van een bestaande wettelijke regel met een EVRM-bepaling aan de kaak wordt gesteld. [552] In Nederland kan de rechter op grond van art. 94 Grondwet Pro een wettelijke bepaling buiten toepassing laten voor zover deze in strijd is met een ‘een ieder verbindende’ verdragsbepaling. Soms heeft een rechter de mogelijkheid om een termijn te stellen, waarbinnen de wetgever een wél verdragsconforme nieuwe wet tot stand kan brengen. [553] De Hoge Raad heeft in 1999 een gematigde vorm van ‘in gebreke stellen’ van de wetgever aanvaard, toen een fiscale regel in strijd bleek te zijn met het gelijkheidsbeginsel:
trias politicabrengt niet mee dat de rechter in een procedure waarbij de overheid partij is, nooit “op de stoel van het bestuur mag gaan zitten”. Sterker nog, het Nederlandse bestuursprocesrecht biedt die mogelijkheid. Wanneer de bestuursrechter het beroep gegrond verklaart en het bestreden besluit van een bestuursorgaan vernietigt, kan de rechter onder meer bepalen:
NJ2004/329. Die zaak betrof bezwaren van de Vereniging van Juristen voor de Vrede (VJV) en andere belangengroeperingen tegen het voornemen van de Nederlandse regering om haar medewerking te verlenen aan voorgenomen militaire acties van de toenmalige regering van de Verenigde Staten. Zij vorderden een hierop gericht verbod alsmede een bevel aan de Staat. Het gerechtshof wees, evenals de voorzieningenrechter, de vorderingen af. De Hoge Raad liet die beslissing in stand. De kernoverweging van de Hoge Raad luidt als volgt:
political question-doctrine. De Hoge Raad wijst op de noodzaak van politieke afwegingen. [558] De Hoge Raad heeft een vergelijkbaar argument gebruikt in zijn rechtspraak over de toelaatbaarheid van een rechterlijk bevel tot wetgeving. Die rechtspraak komt hierna aan de orde.
trias politica) zich ertegen verzet dat de rechter aan de Staat een bevel geeft om een wet tot stand te brengen of een bestaande wet te wijzigen of in te trekken, is door de Hoge Raad reeds beantwoord.
mensenrechtenis meer dan alleen een vordering ter vervulling van eigen politieke wensen. In een rechtsstaat moeten, ook bij het nemen van meerderheidsbeslissingen, de fundamentele rechten van allen worden gerespecteerd:
fundamentelerechten kunnen niet worden ‘weggestemd’.
political question’ moeten worden aangemerkt. [576]
wide margin of appreciation.
Baker v. Carr, dan zou ook moeten worden onderzocht of het gegeven rechterlijk bevel voor een andere bevoegde staatsmacht in de
trias politicade mogelijkheid doorkruist om zich een oordeel ter zake te vormen. Op het eerste gezicht lijkt hiervan geen sprake te zijn: een reductieverplichting van 25% voor het jaar 2020 (een verplichting voor de korte termijn) staat op zichzelf niet in de weg aan de reductiedoelstellingen voor het jaar 2030 of voor het jaar 2050 (dus voor de lange termijn) waarvan de Staat uitgaat. Evenmin staat de bevolen reductiedoelstelling van 25% in 2020 in de weg aan de in EU-verband afgesproken doelstelling voor 2020. Het gaat daarbij bovendien om
minimum-reductiedoelstellingen, die niet verhinderen dat de Staat de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen verder en/of op een eerder tijdstip terugdringt. [579] Wel heeft het gegeven reductiebevel tot gevolg dat reductie-inspanningen die de Staat had willen uitsmeren over de periode tot 2030 (respectievelijk tot 2050) in de tijd naar voren moeten worden gehaald. In zoverre beïnvloedt het gegeven bevel de handelingsvrijheid van de politieke organen. Het Hof heeft dit aspect onderkend (zie rov. 47 en rov. 66 – 74).
nietertoe strekt dat de Staat wetgeving tot stand brengt, een reductiebevel zoals door Urgenda gevorderd niet kan worden toegewezen indien het bevel door de Staat
feitelijkniet kan worden uitgevoerd zonder wetgeving tot stand te brengen.
feitelijkslechts kan worden uitgevoerd door wetgeving tot stand te brengen) óók ontoelaatbaar is indien het bevel de
inhoudvan de tot stand te brengen wetgeving niet voorschrijft.
zonderwetgeving tot stand te brengen. Onbegrijpelijk is ook waarop het Hof het oordeel heeft gebaseerd dat de Staat op dit punt de stellingen van Urgenda onvoldoende heeft weerlegd. Indien het Hof ervan uit is gegaan dat de Staat heeft gesteld dat
uitsluitenddoor wetgeving tot stand te brengen aan het reductiebevel kan worden voldaan, is – volgens het middelonderdeel − die interpretatie van het gevoerde verweer onbegrijpelijk in het licht van hetgeen de Staat in hoger beroep had aangevoerd.
dictumen de overwegingen van de Rechtbank en het Hof, kan in cassatie tot uitgangspunt worden genomen dat het gegeven bevel niet de opdracht inhoudt om (formele of materiële) wetgeving tot stand te brengen. [582] Dat was ook niet de strekking van de vordering. Urgenda vorderde een bevel aan de Staat om te bewerkstelligen dat vóór het einde van het jaar 2020 een reductie van de Nederlandse uitstoot van broeikasgassen van ten minste 25% zal zijn bereikt.
Hoede Staat aan dat bevel voldoet – met of zonder wetgeving − maakt voor Urgenda niet uit, als de bevolen uitstootreductie maar wordt gehaald.
dictumluidt: “te beperken of te doen beperken”. Het Hof heeft in rov. 68 benadrukt dat de Staat de volledige vrijheid behoudt om te bepalen op welke wijze hij aan het bevel uitvoering geeft en bovendien duidelijk gemaakt dat het door de Rechtbank gegeven bevel
nieteen opdracht tot wetgeving inhoudt.
feitelijkniet door de Staat kan worden uitgevoerd zonder wetgeving tot stand te brengen. Het onderhavige bevel zou volgens onderdeel 9.2 daarom moeten worden gelijkgesteld met een ontoelaatbaar wetgevingsbevel.
met alle maatregelen tezamenin 2020 moet zijn bereikt. Dat is op zichzelf nog geen reden om de Waterpakt-jurisprudentie buiten toepassing te laten: ook in het arrest Waterpakt ging het om een ondergrens (210 kg stikstof), zij het dat die ondergrens niet door de rechter zelf uit het EVRM was afgeleid, maar in een EU-richtlijn was bepaald.
alleter uitvoering van het gegeven bevel te nemen maatregelen wetgeving nodig is, maar hooguit voor een deel daarvan [585] ,
enervan uitgaande dat de daartoe bevoegde politieke organen volledig vrij zijn om zelf te bepalen voor welke maatregelen wetgeving tot stand wordt gebracht en wat de inhoud daarvan is, mocht het Hof tot zijn oordeel komen dat er onvoldoende reden is om het door de Rechtbank gegeven bevel gelijk te stellen met een ontoelaatbaar wetgevingsbevel. Het Hof heeft de politieke afwegingen over het wel of niet tot stand brengen van wetgeving daar neergelegd waar deze behoren: bij de wetgever en bij het openbaar bestuur.
uitsluitenddoor wetgeving tot stand te brengen aan het reductiebevel kan worden voldaan. Wat dat betreft, mist de veronderstelling aan het slot van dit middelonderdeel feitelijke grondslag. Voor zover de Staat in hoger beroep had aangevoerd dat (ook) wetgeving nodig is ter voldoening aan het gegeven reductiebevel, is het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk. Zoals gezegd, heeft het Hof de belangenafweging die nodig is voor de beslissing over het wel of niet tot stand brengen van bepaalde (formele of materiële) wetgeving en over de inhoud daarvan, overgelaten aan de bevoegde politieke organen. Daarom behoefde het Hof niet in te gaan op de afzonderlijke beleidsmaatregelen die de Staat in de memorie van grieven slechts als mogelijkheid had genoemd. Het argument van de Staat dat de tijd die hem (tot eind 2020) rest om de door de Rechtbank bevolen uitstootreductie tot stand te brengen erg kort is, heeft het Hof onder ogen gezien en in rov. 66 verworpen. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede in het licht van de vaststelling van de Rechtbank in haar rov. 4.99 dat de Staat in eerste aanleg niet heeft gesteld dat (rechtens of feitelijk) voor hem niet de mogelijkheid bestaat om verder gaande maatregelen te treffen, waarbij de Rechtbank ook wees op het voorwaardelijke aanbod van de EU om voor het einde van 2020 een reductie van 30% tot stand te brengen.
als onderdeel van ieder denkbaar pakket maatregelenom aan het gegeven rechterlijk bevel te voldoen, merken wij het volgende op. Zou die opvatting worden aanvaard, dan zou het Hof onderscheid hebben moeten maken naar maatregelen die wetgeving vergen (gelijk te stellen met een ontoelaatbaar wetgevingsbevel) en maatregelen die geen wetgeving vergen (niet gelijk te stellen met een ontoelaatbaar wetgevingsbevel). Juist omdat de Staat naar het oordeel van het Hof op dit punt onvoldoende aan zijn stelplicht heeft voldaan, heeft het Hof zo’n onderscheid niet kunnen maken. Zou reeds op grond van de enkele stelling dat feitelijk onvermijdelijk is dat als onderdeel van een pakket maatregelen ook wetgeving tot stand wordt gebracht, het te geven bevel gelijk worden gesteld met een ontoelaatbaar wetgevingsbevel in de zin van de Waterpakt-jurisprudentie, dan zou de nationale rechter ook ten aanzien van maatregelen die géén wetgeving vergen, aan de eisende partij geen effectieve rechtsbescherming kunnen bieden. Uitsluitend de klachtmogelijkheid bij het EHRM in Straatsburg zou overblijven voor een individuele eiser die van mening is dat de Staat niet aan zijn positieve verplichtingen uit art. 2 en Pro/of art. 8 EVRM Pro voldoet. Een zo ver oprekken van de Waterpakt-jurisprudentie als de Staat heeft bepleit kan daarom niet worden aanvaard.
wide margin of appreciationtoekomt. De toelichting mondt uit in het standpunt dat het Hof die
marginonvoldoende in acht heeft genomen.
nietdoor de Hoge Raad wordt gelijkgesteld met een ontoelaatbaar wetgevingsbevel. De behoefte van de Staat aan een ruime beleids- of beoordelingsruimte (in de woorden van de Staat: aan een
wide margin of appreciation) is begrijpelijk, om redenen die in alinea 5.48 al zijn besproken. Daarmee is niet gezegd dat het Hof aan deze behoefte van de Staat meer tegemoet had moeten komen.
resultaatsverplichting, zij het niet in rechte afdwingbaar
.De in het tweede lid van dat artikel opgenomen reductiedoelstelling voor 2030 (49%) zien zij als een
inspanningsverplichtingvoor de betrokken ministers:
wide margin of appreciationen anderzijds de vaststelling dat de reductiedoelstellingen voor 2030 en daarna niet kunnen wegnemen dat, door de weigering van de Staat om per eind 2020 ten minste 25% te (doen) reduceren, een gevaarlijke situatie dreigt te ontstaan die vereist dat nu al wordt ingegrepen (rov. 71 - 74). Het Hof heeft op die grond het beroep van de Staat op zijn beleids- en beoordelingsvrijheid ten aanzien van het tempo van de reductie (in 2020) verworpen (zie alinea 3.24 hiervoor).
wake-upcall’, althans in Nederland. Toen het Hof in oktober 2018 in hoger beroep oordeelde, heeft het Hof de in de vorige alinea bedoelde afweging opnieuw gemaakt.
als rechtspersoonis gedagvaard, maar dit neemt niet weg dat de feitelijke lasten van de uitvoering van de voorgenomen reductiemaatregelen voor een belangrijk deel neerkomen op de Nederlandse samenleving. Tijdens het pleidooi in cassatie heeft de Staat gewezen op een mogelijk averechts effect van het bevel:
nueen ruimere beleids- en beoordelingsvrijheid behoeft. Had het Hof de beslissing over het reductietempo en de Nederlandse uitstootreductie in 2020 moeten overlaten aan de politieke organen, in plaats van het bevel van de Rechtbank te bekrachtigen?
nu(lees: op 9 oktober 2018) wordt ingegrepen. In zoverre onderschreef het Hof het standpunt van Urgenda. Het Hof overweegt: “Naarmate er later wordt ingezet op reductie (…) moeten op dat latere tijdstip aanzienlijk verdergaande maatregelen worden genomen, zoals de Staat erkent (…)”. Met andere woorden: hoe langer de Staat wacht met de uitstootreductie die (in de ogen van beide partijen) uiteindelijk moet leiden tot de doelstellingen voor 2030 en 2050, des te ingrijpender zullen de maatregelen zijn die de Staat zal moeten nemen (en, zo voegen wij toe, dan door de Nederlandse samenleving zullen moeten worden opgebracht). Deze redengeving van het Hof is noodzakelijkerwijs abstract geformuleerd [589] en overigens niet onbegrijpelijk, mede in het licht van de hiervoor beschreven kenmerken van klimaatverandering. Voor het overige is de in alinea 5.70 bedoelde afweging van het Hof te zeer verweven met de beoordeling van de feiten om in een cassatieprocedure te kunnen worden getoetst. Zij is niet onbegrijpelijk.
dictum). De klacht houdt in dat gegrondbevinding van een of meer van de voorafgaande klachten van onderdeel 9 meebrengt dat rov. 70 en het
dictumniet in stand kunnen blijven. Deze klacht mist zelfstandige betekenis naast de voorgaande klachten en behoeft verder geen bespreking. De klacht in de laatste volzin van dit middelonderdeel is niet nader uitgewerkt en slaagt, gelet op het voorgaande, evenmin.
6.Afsluitende beschouwingen
carbon budget’. Daarom moeten de emissies van broeikasgassen worden beperkt. Hoe langer het duurt voordat de noodzakelijke emissiereductie wordt gerealiseerd, hoe groter de totale hoeveelheid uitgestoten broeikasgassen is en hoe eerder het resterende
carbon budgetis opgebruikt.
emissions gap’ niet is ingehaald tegen 2030 het uiterst onwaarschijnlijk is dat de tweegradendoelstelling nog kan worden gerealiseerd.
Right to life) en behelst ook een positieve verplichting van de Staat om maatregelen te treffen ter bescherming van het recht op leven, onder meer bij (milieu)gevaarlijke activiteiten en natuur- en milieurampen. Art. 2 EVRM Pro biedt geen absolute waarborg tegen ieder denkbaar gevaar en legt op de Staat geen onmogelijke of onevenredige last. Art. 8 EVRM Pro beschermt het recht op eerbiediging van het privé, familie- en gezinsleven (
Right to respect for private and family life) en geldt onder meer in situaties die wel de kwaliteit van leven aantasten, maar niet levensbedreigend zijn. Art. 8 EVRM Pro eist in milieukwesties dat staten redelijke en passende maatregelen nemen ter bescherming van individuen tegen ernstige milieuschade. De staten hebben daarbij een beoordelingsruimte (‘
margin of appreciation’).
verdelingvan de wereldwijde noodzakelijke reductie-inspanning kan niet natuurwetenschappelijk worden bepaald, maar kan wel worden beredeneerd aan de hand van breed gedeelde normatieve uitgangspunten die onder meer besloten liggen in het VN-Klimaatverdrag. Hierin gespecialiseerde wetenschappers hebben daartoe voorstellen gedaan, die in het
Fourth Assessment Report(AR4) van het IPCC zijn vertaald in een reductiedoelstelling van 25-40% in 2020 voor de Annex I-landen als groep, waartoe Nederland behoort. Deze doelstelling heeft steun gekregen in latere besluiten van de
Conference of the Parties, het hoogste orgaan van het VN-Klimaatverdrag (de zogenaamde COP-besluiten). Nederland ging tot 2011 uit van een reductiedoelstelling van 30% in 2020, maar is daar vanaf gestapt ten gunste van een in EU-verband afgesproken doelstelling van 20%, terwijl niet is gebleken dat daaraan klimaatwetenschappelijke inzichten ten grondslag lagen. Naar onze mening kon het Hof hierin voldoende aanknopingspunten vinden voor zijn oordeel dat een Nederlandse reductie van ten minste 25% in 2020 nodig is.
Fifth Assessment Report(AR5) van het IPCC zijn beschreven en waarin wordt uitgegaan van reducties van broeikasgassen die pas later zullen plaatsvinden. Die scenario’s gaan er namelijk vanuit dat in de toekomst voldoende broeikasgassen zullen worden afgevangen uit de atmosfeer. De voor deze zogenaamde ‘negatieve emissies’ benodigde technieken zijn echter nog niet zover ontwikkeld dat er nu op kan worden vertrouwd dat in de toekomst ook daadwerkelijk voldoende broeikasgassen zullen worden afgevangen.
,bij gebreke van een precedent
,over deze unieke zaak verschillend gedacht kan worden. Mocht de Hoge Raad in enig opzicht tot een ander oordeel komen dan wij, dan zou dat verschillende gevolgen kunnen hebben voor de uitkomst van deze procedure. Hieronder wijzen wij, voor dat geval, op enkele aandachtspunten.
advisory opinion’) over principiële vragen inzake de uitlegging of toepassing van rechten en vrijheden die zijn omschreven in het verdrag en de bijbehorende protocollen. De rechter is hiertoe niet verplicht. [590] Op zichzelf zou deze zaak in aanmerking kunnen komen voor een verzoek om een advies van het EHRM, [591] maar overwegingen van praktische aard pleiten daartegen.
verklaringen voor rechtgevorderd (zie rov. 3.1 van het vonnis van de Rechtbank). De Rechtbank heeft deze vorderingen bij gebrek aan belang niet behandeld, omdat de Rechtbank het reductiebevel al gaf. [595] De Rechtbank heeft in haar dictum onder 5.5 het meer of anders gevorderde afgewezen. Het Hof overweegt dat de overige vorderingen van Urgenda in hoger beroep niet langer ter discussie staan (rov. 3.9). Wij gaan ervan uit dat deze laatste overweging geen betrekking heeft op de gevorderde verklaringen voor recht, maar uitsluitend op de overige vorderingen die de Rechtbank (mede) op inhoudelijke gronden had afgewezen (voor zover hier van belang: een reductiebevel van 40% en een bevel tot informeren). [596]
7.Conclusie
Fourth Assessment Reportvan het IPCC (2007)
Fifth Assessment Reportvan het IPCC (2013 – 2014)
(bio-energy) carbon capture and storage
carbon dioxide removal
Conference of the Parties(bij het VN-Klimaatverdrag)
European Case Law Identifier
Emissions Trading System
greenhouse gases(broeikasgassen)
global warming potential
Intergovernmental Panel on Climate Change
nationally determined contribution
negative emission technologies
parts per million
quantified emission limitation or reduction commitment
representative concentration pathway
United Nations Environment Program
United Nations Framework Convention on Climate Change
World Meteorological Organization