Conclusie
Nummer23/01688 P
Inleiding
De bestreden uitspraak
Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel
Ad I: percentage ongeringde of verkeerd geringde vogels
Ad II: dubbeltellingen
Ad III: legaal ongeringde vogels
Ad IV: vogels niet in bezit van de betrokkene
Ad V: marge op Amazones en Hyacint ara
De veroordeling” naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant d.d. 13 april 2018 in de hoofdzaak. Dat vonnis, dat kennelijk onherroepelijk is geworden, maakt deel uit van de in cassatie voorhanden stukken van het geding. Blijkens dit vonnis is ten laste van de betrokkene bewezenverklaard dat hij:
onderhandsin zijn winkel vogels heeft verkocht. In de overwegingen van het hof onder het hoofd “Schatting van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel” ligt naar het mij toeschijnt besloten dat deze onderhandse verkoop van de bedoelde vogels ziet op ‘andere strafbare feiten’ in de zin van art. 36e lid 2 (ik kom daarop in randnummers 12 en 17 terug), en niet op de strafbare feiten waarvoor de betrokkene is veroordeeld als bedoeld in het eerste lid van art. 36e Sr. Die onderhandse verkoop is dan te situeren in de onderzoeksperiode voor zover deze
ruimeris dan de in de hoofdzaak bewezenverklaarde periode. In dat geval heeft met betrekking tot het juridisch kader het volgende te gelden.
NJ2021/46, m.nt. Reijntjes. [4] Als de rechter heeft geoordeeld dat voldoende aanwijzingen bestaan dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan, kan de omvang van het voordeel mede op die grond door de rechter worden geschat (art. 36e lid 5, eerste volzin, Sr). De uitspraak moet de bewijsmiddelen vermelden waaraan de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel is ontleend met weergave van de inhoud daarvan, voor zover bevattende de voor die schatting redengevende feiten en omstandigheden (art. 511f Sv). [5] Er is evenwel geen wettelijke bepaling die voorschrijft dat de uitspraak op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel de bewijsmiddelen moet vermelden waarop de vaststelling berust dat andere strafbare feiten door de betrokkene zijn begaan. [6] Dat doet er niet aan af dat uit de uitspraak moet blijken aan welke feiten en omstandigheden de rechter de voldoende aanwijzingen heeft ontleend dat de betrokkene een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten als bedoeld in art. 36e lid 2 Sr heeft begaan. [7] Kortom, de vaststelling dat de betrokkene naast het grondfeit ook andere strafbare feiten heeft begaan, moet worden onderscheiden van de schatting van de omvang van het voordeel dat afkomstig is uit de bewezenverklaarde feiten en/of de andere strafbare feiten; de vaststelling dat andere strafbare feiten zijn gepleegd hoeft niet rechtstreeks uit de bewijsmiddelen te volgen, de schatting van het voordeel wel. [8]
eersteklacht kan “uit het bestreden arrest niet althans niet zonder meer […] volgen dat het hof het juiste kader heeft gehanteerd, te weten dat buiten redelijke twijfel kan worden vastgesteld dat de betrokkene door de onderhandse verkoop ‘soortgelijke feiten’ heeft gepleegd”, nu een “mogelijke ‘zwarte’ verkoop van legale vogels immers (nog) niet een soortgelijk feit [oplevert]”. Deze klacht is tot mislukken gedoemd, nu zij feitelijke grondslag mist. Het hof heeft namelijk in het geheel niet gesproken over “soortgelijke feiten”, en daarop dus ook niet een juridisch kader toegepast.
tweedeklacht. Volgens de stellers van het middel heeft het hof vastgesteld dat sprake is van “dubbeltellingen waardoor het bedrag met ¾ [10] moet worden verminderd” en heeft het hof vervolgens onbegrijpelijk geoordeeld dat “opbrengsten uit een onderhandse verkoop worden berekend door de schatting van door geheel andere feiten behaalde voordeel te verhogen met een bepaald percentage”, hetgeen, aldus de stellers van het middel, te meer klemt “nu het hof in het arrest geen nadere vaststellingen heeft gedaan ten aanzien van de omvang van die onderhandse verkoop”.
onderhandsin de winkel zijn verkocht. De stellers van het middel wijzen daar terecht op en in die zin hebben zij een punt. Dit hoeft naar mijn inzicht echter niet tot cassatie te leiden, nu ook zonder deze constatering in cassatie kan worden aangenomen – het hof heeft dat immers (impliciet) vastgesteld en deze vaststelling wordt in cassatie niet weersproken – dat er voldoende aanwijzingen zijn dat de betrokkene ook andere strafbare feiten heeft begaan waaruit hij wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Ook de omstandigheid, zo voeg ik er aan toe, dat het hof niet uitdrukkelijk heeft overwogen dat buiten redelijke twijfel vaststaat dat de feiten door de betrokkene zijn begaan, staat aan dat oordeel niet in de weg.
schattingvan het wederrechtelijk verkregen voordeel is de tweede klacht naar mijn inzicht echter wel kansrijk. Niet blijkt namelijk uit de uitspraak van het hof en de aanvulling bewijsmiddelen uit welke redengevende feiten en omstandigheden het hof het percentage van het voordeel uit die onderhandse handel in de winkel heeft ontleend (en hoe zich dit verhoudt met het aantal vogels dat wel ‘bovenhands’ in de winkel is verkocht).
Slotsom