ECLI:NL:PHR:2024:939

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
17 september 2024
Publicatiedatum
11 september 2024
Zaaknummer
23/00585
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 413 lid 1 SvArt. 265 lid 3 SvArt. 420quater SrArt. 434 lid 1 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging arrest wegens onjuiste verstekverlening door detentie verdachte tijdens hoger beroep

De verdachte werd door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep tegen een vonnis van de politierechter, waarbij hij was veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar wegens het niet voldoen aan een ambtelijk bevel en eenvoudige belediging van een ambtenaar.

Het hof verleende verstek tegen de verdachte die niet op de zitting verscheen. De raadsman van de verdachte stelde in cassatie dat de verdachte ten tijde van de zitting in hoger beroep uit andere hoofde gedetineerd was en daardoor niet vrijwillig afstand had gedaan van zijn recht op aanwezigheid. Hoewel aanvankelijk geen stukken werden overgelegd ter onderbouwing, bleek ambtshalve dat de verdachte inderdaad op de zittingsdatum gedetineerd was.

Hierdoor was de verstekverlening onjuist en werd het belang van de verdachte om in persoon aanwezig te zijn geschonden. De conclusie van de procureur-generaal adviseert daarom vernietiging van het arrest en terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam voor een nieuwe behandeling in aanwezigheid van de verdachte.

De conclusie benadrukt het belang van het aanwezigheidsrecht en verwijst naar jurisprudentie waarin soortgelijke situaties zijn beoordeeld. De zaak wordt terugverwezen om het procesrechtelijk correcte verloop te waarborgen.

Uitkomst: Het arrest wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor een nieuwe behandeling in aanwezigheid van de verdachte.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/00585
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
T.N.B.M. Spronken
In de zaak
[verdachte],
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1969,
hierna: de verdachte

1.Het cassatieberoep

1.1
De verdachte is bij arrest van 31 januari 2023 door het gerechtshof Amsterdam niet-ontvankelijk verklaard in het door hem ingestelde hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Amsterdam, waarbij hij wegens het tweemaal “opzettelijk niet voldoen aan een bevel of vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast” en “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, meermalen gepleegd” is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. M.G. van Wijk, advocaat in Hoorn NH, heeft één middel van cassatie voorgesteld dat betrekking heeft op het door het hof verleende verstek tegen de niet verschenen verdachte.

2.Het middel

2.1
Het middel klaagt dat het hof – achteraf bezien – ten onrechte verstek heeft verleend tegen de niet verschenen verdachte, omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep uit andere hoofde was gedetineerd en hij dus niet vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn.
2.2
Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van 31 januari 2023 houdt onder meer het volgende in:
“De raadsheer doet de zaak tegen de hierna te noemen verdachte uitroepen.
De verdachte, gedagvaard als
[verdachte],
(…)
is niet ter terechtzitting verschenen.
De raadsman van de verdachte mr. M.G. van Wijk, advocaat te Hoorn Nh, is evenmin verschenen.
De advocaat-generaal legt een akte van betekening over en een SKDB-formulier, welk laatste stuk inhoudt dat de verdachte zich niet in detentie bevond op de daarin genoemde dagen. De raadsheer deelt mede dat de dagvaarding op rechtsgeldige wijze is betekend.
Het hof verleent verstek tegen de niet verschenen verdachte en beveelt dat met de behandeling van de zaak zal worden voortgegaan.”
2.3
In de cassatieschriftuur voert de raadsman van de verdachte het volgende aan over de afwezigheid van de verdachte bij de terechtzitting in hoger beroep:
“Na de behandeling van de strafzaak op 31 januari 2023 is mij gebleken dat cliënt zich op 31 januari 2023 omstreeks 10.00 uur heeft gemeld bij de [Penitentiaire Inrichting] voor het uitzitten van een (andere onherroepelijk geworden) gevangenisstraf. Om deze reden was het voor cliënt niet mogelijk om ter terechtzitting te verschijnen op de zitting van 31 januari 2023 om 12.00 uur in Amsterdam.”
2.4
Als uitgangspunt geldt dat indien de dagvaarding van een verdachte die is ingeschreven in de BRP rechtsgeldig is betekend en de verdachte noch een bepaaldelijk gevolmachtigd raadsman op de terechtzitting is verschenen, de rechter – behoudens duidelijke aanwijzingen van het tegendeel – kan uitgaan van het vermoeden dat de verdachte vrijwillig afstand heeft gedaan van zijn recht om in zijn tegenwoordigheid te worden berecht. Daarbij bestaat de mogelijkheid dat achteraf moet worden vastgesteld dat ten onrechte verstek is verleend tegen de verdachte, bijvoorbeeld omdat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in verband met een andere strafzaak was gedetineerd zonder dat dit de rechter bekend was. [1]
2.5
In cassatie kan namens de verdachte worden geklaagd dat de verstekverlening in hoger beroep achteraf bezien onjuist is geweest. Indien deze stellingname met stukken is onderbouwd en aan de herkomst en betrouwbaarheid van deze stukken in redelijkheid niet getwijfeld hoeft te worden, kan dit aanleiding geven tot vernietiging van de bestreden uitspraak. [2]
2.6
In onderhavige zaak stelt de raadsman in de cassatieschriftuur dat de verdachte zich op de dag van de terechtzitting in hoger beroep ‘s ochtends heeft gemeld bij de [Penitentiaire Inrichting] in verband met het uitzitten van een gevangenisstraf in een andere strafzaak. De verdachte zou ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep dus uit andere hoofde gedetineerd zijn geweest en niet vrijwillig afstand hebben gedaan van zijn aanwezigheidsrecht. Aan de schriftuur zijn geen stukken gehecht die deze stellingname kunnen onderbouwen. Ook uit de stukken die op voet van art. 434 lid 1 Sv Pro aan de Hoge Raad zijn toegezonden, blijkt niet dat de verdachte ten tijde van de terechtzitting was gedetineerd. Ambtshalve heb ik echter de detentiegegevens van de verdachte opgevraagd en daaruit blijkt dat de verdachte vanaf 31 januari 2023 inderdaad gedetineerd was in de [Penitentiaire Inrichting].
2.7
Dat impliceert dat de verdachte ten tijde van de behandeling van zijn zaak in hoger beroep in verband met een andere strafzaak was gedetineerd, zodat de beslissing van het hof om tegen de verdachte verstek te verlenen en het onderzoek ter terechtzitting voort te zetten achteraf bezien onjuist was. Gelet op het grote belang van de verdachte om bij de behandeling van zijn zaak aanwezig te zijn, brengt het voorgaande mee dat de verdachte de mogelijkheid dient te hebben om zijn zaak alsnog in hoger beroep in zijn tegenwoordigheid te doen behandelen. Dit leidt ertoe dat het bestreden arrest moet worden vernietigd en dat de zaak moet worden teruggewezen, zodat deze opnieuw wordt berecht en afgedaan. Het middel is dus terecht voorgesteld.

3.Slotsom

3.1
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
3.2
Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie onder andere: HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, NJ 2002/317, m. nt. T.M.C.J. Schalken, HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042, HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98, HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388 en HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224.
2.Zie onder andere: HR 22 januari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY8984, HR 28 oktober 2014, ECLI:NL:HR:2014:3042, HR 20 januari 2015, ECLI:NL:HR:2015:98, HR 17 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:638, HR 8 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:388, HR 10 oktober 2017, ECLI:NL:HR:2017:2574, HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3224 en HR 13 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:573. Anders: HR 4 oktober 2016, ECLI:NL:HR:2016:2240, NJ 2016/486 m. nt. T. Kooijmans (in deze zaak was de verdachte ten tijde van de terechtzitting in hoger beroep uit andere hoofde gedetineerd, maar had de gevolmachtigde raadsman van de verdachte op die terechtzitting niet om aanhouding van de zaak verzocht in verband met de uitoefening van het aanwezigheidsrecht).