Art. 246 Sr (oud)Art. 240b Sr (oud)Art. 248a Sr (oud)Art. 37a SrArt. 37b Sr
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Cassatie over bewijs en tbs-maatregel bij ontucht met minderjarige via misleiding en dwang
De verdachte werd door het gerechtshof 's-Hertogenbosch veroordeeld voor feitelijke aanranding van de eerbaarheid, strafbare verleiding en bezit van kinderporno, met een gevangenisstraf van acht maanden en een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege. Hij had zich online voorgedaan als een minderjarig meisje en minderjarigen misleid tot het verrichten van ontuchtige handelingen en het sturen van seksueel beeldmateriaal.
In cassatie richt het beroep zich op de bewijsvoering omtrent dwang bij de ontuchtige handelingen en op de afwijzing van het verzoek om deskundigen te horen over de aard van de tbs-maatregel. De Hoge Raad oordeelt dat het hof voldoende gemotiveerd heeft vastgesteld dat sprake was van dwang door bedreiging met een andere feitelijkheid, en dat het verzoek tot het horen van deskundigen terecht is afgewezen omdat hun verklaringen geen nieuwe inzichten zouden bieden.
De Hoge Raad constateert dat de verdachte een hoog recidivegevaar heeft en dat de tbs met verpleging van overheidswege passend is gelet op de ernst van de feiten en de complexiteit van zijn problematiek. Het cassatieberoep wordt verworpen, waarmee het hofarrest in stand blijft.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en de tbs-maatregel met verpleging van overheidswege blijft in stand.
Conclusie
PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03730
Zitting17 september 2024
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975,
hierna: de verdachte.
Inleiding
1.1
De verdachte is bij arrest van 15 september 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch wegens 1. primair “feitelijke aanranding van de eerbaarheid, meermalen gepleegd”; 2. subsidiair “door misleiding een persoon waarvan hij weet dat deze de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, opzettelijk bewegen ontuchtige handelingen te plegen” en 3. “een afbeelding van een seksuele gedraging, waarbij iemand die kennelijk de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt, is betrokken of schijnbaar is betrokken, verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van acht maanden, met aftrek van voorarrest. [1] Het hof heeft daarnaast een maatregel van terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege aan de verdachte opgelegd. [2] Daarnaast heeft het hof de vordering van de benadeelde partij deels toe- en deels afgewezen en hiermee verbonden een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Ten slotte heeft het hof de tenuitvoerlegging gelast van een eerder voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en S.F.W. van 't Hullenaar, advocaat in Arnhem, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
2.1
De feiten die aan deze zaak ten grondslag liggen komen op het volgende neer. De verdachte heeft zich in online-contacten met minderjarigen voorgedaan als een minderjarig meisje (‘ [alias] ’) en in die hoedanigheid, met gebruikmaking van verschillende applicaties voor online-communicatie, contact gelegd met twee slachtoffers, te weten [slachtoffer 1] (feit 1) en een andere jongen (feit 2). Deze twee slachtoffers heeft hij ertoe gebracht om seksueel beeldmateriaal van zichzelf te maken en naar hem te sturen. Omgekeerd stuurde de verdachte hen seksuele afbeeldingen van een minderjarig meisje, als ware die van de persoon ( [alias] ) als wie hij zich voordeed.
2.2
Een groot deel van de aan de verdachte verweten gedragingen is door hem bekend en stond in feitelijke aanleg al niet meer ter discussie en doet dat in cassatie evenmin. Dit betreft om te beginnen het verspreiden, aanbieden en verwerven van seksuele afbeeldingen van kinderen, oftewel het delict bedoeld in art. 240b Sr (oud) (feit 3). Daarnaast heeft de verdachte bekend dat hij zich ten aanzien van beide slachtoffers heeft schuldig gemaakt aan het in beide gevallen (dus zowel onder feit 1 als onder feit 2) subsidiair ten laste gelegde delict bedoeld in 248a Sr (oud), te weten strafbare verleiding. Ter zake van feit 2 is de verdachte van het primair ten laste gelegde vrijgesproken en voor het subsidiair ten laste gelegde veroordeeld; [3] ook dit feit is in cassatie niet meer aan de orde. [4]
2.3
In cassatie draait het nog slechts om hetgeen waarvoor de verdachte onder 1 (primair) is veroordeeld en de sanctieoplegging. Het eerste middel bevat een bewijsklacht ten aanzien van het onder 1 bewezenverklaarde. Het tweede middel bevat een klacht over de beslissing van het hof een voorwaardelijk verzoek af te wijzen om een rapporterend psychiater en een hoofdbehandelaar van de FPK [instelling] als deskundige op te roepen. Voor de goede orde vermeld ik hier dat sinds de veroordeling van de verdachte door het gerechtshof de nieuwe zedenwet in werking is getreden en de relevante strafbepalingen inmiddels zijn vervallen. [5] Deze wetswijziging wordt in cassatie niet aan de orde gesteld. [6]
Het eerste middel
3.1
Het middel is als gezegd gericht tegen de bewijsvoering van het onder 1 bewezenverklaarde. Voor ik nader op de in het middel vervatte klacht inga, geef ik eerst de bewezenverklaring en bewijsconstructie weer. Voor de bewijsmiddelen verwijs ik naar het arrest.
Bewezenverklaring en bewijsvoering
3.2
Ten laste van de verdachte is onder 1 primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 1 januari 2020 tot en met 17 april 2020 te Oostrum, in de gemeente Venray, meermalen, (telkens) door bedreiging met een andere feitelijkheid, te weten door meermalen, (telkens)
zich in strijd met de waarheid voor te doen als een minderjarig meisje genaamd [alias] en als een leeftijdsgenote van die [slachtoffer 1] en vervolgens
gebruik makend van de naam [alias] een of meer foto’s van een minderjarig meisje en foto’s en een video met daarop de ontblote borsten en vagina en het (gedeeltelijk) (ontblote) lichaam van een minderjarig meisje, naar die [slachtoffer 1] te sturen en
aan die [slachtoffer 1] te vragen of hij zich uit wilde kleden en of hij bloot door de ruimte wilde lopen en of hij wilde douchen en of hij zijn penis en anus wilde tonen en of hij met zijn piemel wilde spelen en of hij zich wilde aftrekken en of hij zijn piemel wilde opmeten en of hij een vinger en een potlood en een pollepel in zijn anus wilde doen en of hij van voornoemde lichaamsdelen en handelingen foto’s en/of video’s wilde maken en (vervolgens) die foto's en/of video’s naar [alias] en/of [alias] wilde sturen en
via WhatsAppberichten aan die [slachtoffer 1] toe te voegen de woorden: "Kan je opmeten?" en "Wil je vid doen?" en "Lekkertje, kom op." en "Hou van je." en "Had wel iets van je verwacht lekkertje." en "Douchevideo." en "Maar wil je ook niet blote kontje?" en "Dat je hem wijd maakt." en "Gewoon een beetje uit elkaar trekken zeg maar." en "Dat je poepgat goed te zien is." en "Doe dat in je blootje." en "Dan ben je op je mooist." en "Toe je wil wel." en "Doe maar vid bloot gamen." en "Lager gekkie en onder je navel." en "Ik zeg bloot." en "Doe je achterkant eerst." en "Of je voorkant." en "En dat bloot op vid." en "En vanavond nog." en "Schatje da’s niet je piemel." en "Zie niet je piemel." en "Lieve balletjes hihi." en "Doe nog eens." en "Zie ik hem gewoon op en neer gaan." en "Als je op je knieën gaat in plaats van liggen is het misschien makkelijker je kontje te filmen." en "Doe ondertussen nog piemelnaakt." en "Doe je douchevid maar dan (piemel)." en "je weet nog hoe." en "Lekkertje reageer." en
toen die [slachtoffer 1] niet genoeg deed online aan die [slachtoffer 1] toe te voegen de woorden: "Ik heb een andere jongen gevonden." en "Je hebt na 16:00 uur geen tijd." en "Tot een uur op 16 uur deed je wel genoeg." en "Je weet wat je moet doen." en "Pollepel en opmeten." en "Dan in vid." en "Vind het echt niet erg als die toch iets kleiner is hoor lekkertje." en "En nog een lekkere douche vid," en "Want ik vind hem prachtig om te zien.",
die [slachtoffer 1] heeft gedwongen tot het plegen van ontuchtige handelingen, te weten het meermalen, (telkens) (voor een door hem ingeschakelde camera)
zich (gedeeltelijk) uitkleden en/of douchen en
tonen en aanraken en betasten en strelen en kneden van zijn (ontblote) penis en teelballen en anus en billen en
spreiden van zijn benen en uit elkaar trekken van zijn billen en
masturberen en
duwen en brengen van een vinger en een potlood en/of een pen en een penseel en een pollepel, in zijn anus”
3.3
De bewijsoverweging van het hof luidt als volgt:
“De raadsvrouw heeft bepleit dat de verdachte van het onder 1 primair tenlastegelegde vrijgesproken dient te worden. Daartoe heeft de raadsvrouw aangevoerd dat er geen sprake was van dwang.
Het hof overweegt als volgt.
Uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat de verdachte via WhatsApp contact had met de minderjarige [slachtoffer 1] . In dat contact deed de verdachte zich voor als een minderjarig meisje genaamd [alias] .
Met gebruikmaking van de door hem aangenomen valse hoedanigheid heeft hij [slachtoffer 1] bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen. De verdachte maakte daarbij gebruik van misleiding. [slachtoffer 1] wist immers niet dat hij in werkelijkheid contact had met een volwassen man. Aannemelijk is dat [slachtoffer 1] de ontuchtige handelingen niet had gepleegd indien hij wist dat hij met de verdachte contact had. Door die misleiding is de verdachte in het bezit gekomen van foto’s en filmpjes van [slachtoffer 1] waarop te zien is dat hij ontuchtige handelingen verricht.
Op enig moment in de tenlastegelegde periode is de verdachte [slachtoffer 1] gaan bedreigen. Uit de printscreens van de WhatsAppberichten tussen [slachtoffer 1] en [alias] (de verdachte) blijkt dat [slachtoffer 1] op 15 april 2020 om 10:50 uur tegen de verdachte heeft gezegd dat hij niet met een ander moet appen omdat hij zich dan rot voelt ( dossierpagina 75). Vervolgens heeft de verdachte om 14:12 uur aan [slachtoffer 1] gevraagd om een video te maken. [slachtoffer 1] heeft daarop geantwoord dat hij daar geen zin in heeft. De verdachte heeft daarna niet gereageerd, waarop [slachtoffer 1] om 16:02 uur vraagt wat er aan de hand is. De verdachte heeft vervolgens geantwoord dat hij een andere jongen heeft gevonden ( dossierpagina 76). [slachtoffer 1] heeft op 16 april 2020 om 05:56 uur gevraagd of de verdachte dit heeft gedaan omdat hij niet genoeg deed, waarop de verdachte heeft aangegeven dat [slachtoffer 1] na 16 uur geen tijd heeft en tot die tijd wel genoeg deed ( dossierpagina 77). [slachtoffer 1] heeft daarna tegen de verdachte gezegd dat het nu te laat is, waarop de verdachte tegen hem heeft gezegd dat hij weet wat hij moet doen, ‘pollepel en opmeten’ ( dossierpagina 78).
De moeder van [slachtoffer 1] heeft verklaard dat [slachtoffer 1] tegen haar heeft gezegd dat het niet prettig was om een pollepel in zijn kont te stoppen, maar het hem uiteindelijk wel is gelukt ( dossierpagina 112). Dit wordt bevestigd door de verklaring van de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat [slachtoffer 1] hem een video heeft gestuurd waarop te zien is dat [slachtoffer 1] een pollepel in zijn kont stopte ( dossierpagina 69).
Het hof overweegt dat het onder 1 primair tenlastegelegde is toegesneden op het misdrijf van artikel 246 vanPro het Wetboek van Strafrecht, te weten het door geweld of een andere feitelijkheid of bedreiging met geweld of een andere feitelijkheid iemand dwingen tot het plegen of dulden van ontuchtige handelingen. Van door (bedreiging met) een feitelijkheid dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen als bedoeld in artikel 246 vanPro het Wetboek van Strafrecht kan slechts sprake zijn indien de verdachte door die feitelijkheid opzettelijk heeft veroorzaakt dat het slachtoffer die handelingen tegen zijn of haar wil heeft gepleegd (vgl. HR 2 juni 2009, LJN BH5725, rov. 2.5).
Het hof is van oordeel dat er in casu sprake is van bedreiging door de verdachte met een andere feitelijkheid waardoor de verdachte opzettelijk heeft veroorzaakt dat [slachtoffer 1] tegen zijn wil de ontuchtige handeling van het steken van een pollepel in zijn anus heeft gepleegd. [slachtoffer 1] heeft immers in het begin van het WhatsApp-gesprek aangegeven dat hij zich rot voelt als de verdachte met een ander appt. Toen [slachtoffer 1] geen foto of video-opname wilde maken, heeft de verdachte tegen hem gezegd dat hij een andere jongen heeft gevonden, dat [slachtoffer 1] geen tijd had, dat [slachtoffer 1] tot een uur of 16.00 wel genoeg deed, dat [slachtoffer 1] weet wat hij moet doen om daaraan direct bij wijze van opdracht toe te voegen: “pollepel en opmeten” (p.77 van het dossier).
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.”
3.4
De motivering van de opgelegde straf houdt het volgende in:
“ Op te leggen straf
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen, Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
De verdachte heeft zich voorgedaan als een minderjarig meisje genaamd [alias] op verschillende internet-/ chatsites, alwaar hij in contact is gekomen met onder andere de minderjarigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] . Hij heeft gedurende meerdere weken contact gehad met [slachtoffer 1] en hem door misleiding bewogen ontuchtige handelingen te plegen bij zichzelf en daarvan afbeeldingen en filmpjes via (onder meer) WhatsApp te versturen. Ook heeft de verdachte op 12 april 2020 [slachtoffer 2] misleid en hem hierdoor bewogen tot het plegen van ontuchtige handelingen bij zichzelf en daarvan afbeeldingen via Whatsapp te sturen. De verdachte heeft erkend dat het overige kinderpornografisch materiaal foto’s en films betreffen die hij via misleiding van minderjarigen heeft ontvangen. De verdachte heeft aldus op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de betrokken minderjarigen. De slachtoffers hadden een leeftijd waarop zij zich seksueel ontwikkelen, welke ontwikkeling door het handelen van de verdachte is verstoord. Hierbij heeft hij enkel oog gehad voor zijn eigen behoeftebevrediging, zonder acht te slaan op de gevolgen voor de slachtoffers, die niet wisten dat zij hun foto’s en filmpjes aan een meerderjarige man verstuurden. Dit valt de verdachte ernstig aan te rekenen. Uit de afgelegde slachtofferverklaring van de moeder van [slachtoffer 1] blijkt dat het feit aanzienlijke impact op [slachtoffer 1] heeft gehad en nog altijd heeft.
De verdachte heeft zich voorts schuldig gemaakt aan het verspreiden, aanbieden, verwerven en in bezit hebben van kinderporno. De afbeeldingen waren onder andere afkomstig van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] , maar ook van andere minderjarigen die hij heeft verleid tot het sturen van dergelijke afbeeldingen zoals hij zelf heeft verklaard. De verdachte heeft hiermee niet enkel op zeer grove wijze inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de betrokken minderjarigen, maar ook bijgedragen aan de instandhouding van de vraag naar kinderporno door kinderporno te verzamelen. Kinderporno is bijzonder ongewenst, met name omdat bij de vervaardiging ervan kinderen seksueel worden misbruikt en geëxploiteerd. In dit geval zijn [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] daarvan het slachtoffer maar de verdachte heeft daarnaast nog meer slachtoffers gemaakt aangezien hij heeft erkend naast de beide genoemde slachtoffers meerdere andere minderjarige kinderen -hoewel niet aan hem tenlastegelegd- op dezelfde slinkse wijze te hebben misleid.
Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet worden volstaan met een andersoortige of lichtere straf dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Ten aanzien van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte heeft het hof gelet op de inhoud van het verdachte betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 5 juli 2023, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het plegen van deze feiten eerder onherroepelijk is veroordeeld ter zake van soortgelijke delicten. De rechtbank Gelderland heeft de verdachte bij vonnis van 22 februari 2019 (parketnummer 05-740200-18) en bij vonnis van 18 september 2017 (parketnummer 05-740128-16) ter zake van ‘seksueel misbruik van kinderen’ en ‘het verwerven en in bezit hebben van kinderporno, terwijl van het plegen van dit misdrijf een gewoonte wordt gemaakt’, in de eerste zaak veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van vijf jaren en een taakstraf voor de duur van veertig uren, subsidiair 20 dagen hechtenis en in de tweede zaak veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, met een proeftijd van drie jaren en een taakstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen hechtenis.
Het hof heeft evenzeer gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover die ter terechtzitting in hoger beroep naar voren zijn gebracht. Hierbij is het hof gebleken dat over de verdachte een voortgangsverslag door Reclassering Nederland d.d. 30 augustus 2023 is uitgebracht. Hieruit blijkt dat de verdachte sinds eind februari 2023 binnen de FPK van [instelling] verblijft. De reclassering geeft aan dat de verdachte zijn afspraken nakomt. De doelstelling binnen de FPK is zorgdragen dat de lust van betrokkene wordt beperkt en een manier te vinden om de gedragsketen te doorbreken waardoor het recidiverisico wordt verlaagd. Hij heeft de zogenoemde virtual reality therapiesessies doorlopen, waar door middel van een VR-bril situaties zijn nagebootst die gerelateerd zijn aan het delict. Voorts blijkt dat de verdachte is ingesteld op libido remmende medicatie.”
De klacht in cassatie
3.5
In de toelichting op het cassatiemiddel wordt hiertegen de volgende klacht geformuleerd (p. 17-18 van de schriftuur):
“Het oordeel van het hof dat het slachtoffer door bedreiging met een andere feitelijkheid is gedwongen tot het steken van een pollepel in zijn anus, is naar mijn mening - gelet op de inhoud van de bewijsmiddelen - niet onbegrijpelijk. Uit de bewijsmiddelen is echter niet af te leiden dat het slachtoffer door bedreiging met een andere feitelijkheid is gedwongen tot het zich (gedeeltelijk) uitkleden en/of douchen en tonen en aanraken en betasten en strelen en kneden van zijn (ontblote) penis en teelballen en anus en billen en spreiden van zijn benen en uit elkaar trekken van zijn billen en masturberen en duwen en brengen van een vinger en een potlood en/of een pen en een penseel in zijn anus. De bewezenverklaring is daarom niet naar behoren onderbouwd en ten onrechte gekwalificeerd als "meermalen gepleegd'.”
3.6
De klacht richt zich aldus tegen de bewijsvoering ter zake van de laatste vijf gedachtestreepjes van de onder 3.2 weergegeven bewezenverklaring, met uitzondering van het - door bedreiging met een andere feitelijkheid - het slachtoffer dwingen tot het duwen en brengen van een pollepel in zijn anus, oftewel het slot van het vijfde gedachtestreepje. Hetgeen vermeld staat onder de eerste vier van deze gedachtestreepjes en het vijfde gedachtestreepje voor het overige, had naar het oordeel van de steller van het middel wel - zo lijkt mij impliciet in het middel besloten te liggen - gekwalificeerd kunnen worden onder het onder 1 subsidiair ten laste gelegde, maar niet onder het primair ten laste gelegde omdat deze handelingen niet zijn voorafgegaan door dwang. De steller van het middel lijkt er aldus vanuit te gaan dat deze handelingen - dus (i) het uitkleden en/of douchen; (ii) het tonen en aanraken en betasten en strelen en kneden van zijn (ontblote) penis en teelballen en anus en billen; (iii) het spreiden van zijn benen en uit elkaar trekken van zijn billen; (iv) het masturberen; en (v) het duwen en brengen van een vinger en een potlood en/of pen en een penseel in zijn anus - zich telkens hebben afgespeeld zonder dat sprake was van dwang. Het middel is daarmee alleen gericht tegen het causale verband tussen de dwang en de verrichte handelingen en niet op de vraag of wel sprake was van dwang.
De beoordeling van het middel
3.7
Om te beginnen merk ik op dat het arrest zich ook anders laat lezen dan de steller van het middel doet. Daartoe wijs ik op bewijsmiddel 3, waaruit volgt dat het slachtoffer nadat de verdachte druk had uitgeoefend door zijn “andere jongen” ter sprake te brengen (15-4-2020, 16:36:44) en te schrijven dat het slachtoffer voor die tijd “nog wel genoeg” deed (16-4-2020, 05:59:34), nog op 16 april 2020 onder meer twee video’s stuurt waarop het slachtoffer ontkleed is, aan zijn penis zit, deze kneedt en aan zijn penis trekt terwijl hij een erectie heeft. [7] Aldus vinden verschillende gedragingen genoemd onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje plaats nadat de verdachte zijn dwingende opmerkingen heeft gemaakt.
3.8
Zo bezien is het ook mogelijk het arrest zo te lezen dat enkele andere onderdelen van de bewezenverklaring wel het gevolg waren van de door de verdachte uitgeoefende dwang. Het hof heeft in het bestreden arrest weliswaar uitsluitend aandacht besteed of het inbrengen van de pollepel onder dwang heeft plaatsgevonden, maar de interactie waarop het hof in dat verband wijst, is ook voorafgegaan aan de gedragingen genoemd onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje. De eerdere dreiging van de verdachte dat hij een andere jongen heeft gevonden kan, zo meen ik, niet los worden gezien van de handelingen die kort nadien door het slachtoffer zijn verricht. Daarbij neem ik in aanmerking dat uit de bewijsmiddelen volgt dat het slachtoffer in reactie op deze dreiging tegen de verdachte (via WhatsApp) zegt: “Omdat iik nuet genoeg deed ofnie” en dat de moeder van het slachtoffer namens hem heeft verklaard dat “ [slachtoffer 1] (…) bij sommige dingen aan[gaf] dat hij dit niet wilde doen. [alias] gaf dan aan dat zij het contact zou verbreken en dit wilde [slachtoffer 1] niet. Hij deed de gevraagde dingen dan toch anders zou [alias] [slachtoffer 1] blokkeren.” Het hof heeft kennelijk geoordeeld en kunnen oordelen dat - gelet op de interactie tussen de verdachte en het slachtoffer voorafgaand aan de onder het eerste, tweede en vierde gedachtestreepje genoemde handelingen - het slachtoffer deze ontuchtige handelingen heeft gepleegd als gevolg van de door de verdachte uitgeoefende dreiging met een andere feitelijkheid. Dat oordeel acht ik - mede in het licht van hetgeen daarover door de verdediging ter terechtzitting naar voren is gebracht - ook toereikend gemotiveerd. Dat neemt echter niet weg dat voor het derde gedachtestreepje en het vijfde voor zover het de gedragingen met een vinger, potlood en/of een pen en een penseel betreft, geldt dat uit de bewijsvoering niet zonder meer volgt dat de verdachte het slachtoffer hiertoe met een andere feitelijkheid heeft gedwongen. Het cassatiemiddel is dus gedeeltelijk terecht voorgesteld.
3.9
Tot cassatie hoeft dit, naar het mij voorkomt, evenwel niet te leiden omdat mij in het geheel niet duidelijk is welk rechtens te respecteren belang de verdachte daarbij zou hebben. Dit belang heeft de steller van het middel niet nader uiteengezet. Ook als juist zou zijn dat bij een andere bewezenverklaring feit 1 primair niet zou zijn gekwalificeerd als ‘meermalen gepleegd’, heeft dit vanwege de meerdaadse samenloop met de feiten 2 subsidiair en 3 geen gevolgen voor de maximaal op te leggen gevangenisstraf. Die is dan nog steeds tien jaren en acht maanden. [8] De daadwerkelijk opgelegde straf blijft hier met acht maanden ver onder. Het hof heeft bij het bepalen van de straf onder andere in aanmerking genomen dat de verdachte bij deze drie feiten (en nog een aantal andere) “op zeer grove wijze inbreuk [heeft] gemaakt op de lichamelijke integriteit en persoonlijke levenssfeer van de betrokken minderjarigen” en dat hij eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten, waarbij hij van een van die veroordelingen nog in een proeftijd liep. Verder stel ik vast dat het hof de verdachte verminderd toerekeningsvatbaar heeft verklaard en aan hem - naast de terbeschikkingstelling met verpleging van overheidswege - een relatief geringe straf heeft opgelegd. Tegen die achtergrond wordt de aard en ernst van het bewezenverklaarde door het wegstrepen van de hiervoor bedoelde onderdelen uit de bewezenverklaring niet zodanig aangetast dat dit tot een (nog) lagere straf zou leiden. Ik merk daarbij op dat er een duidelijke opbouw in de tenlastegelegde gedragingen zit van voor het slachtoffer minder belastend naar meest belastend terwijl niet ter discussie staat dat het meest belastende - het brengen van een pollepel in zijn anus - uiteindelijk onder dwang heeft plaatsgevonden. Daarnaast merk ik nog op dat de verdachte wel heeft bekend dat de gedragingen hebben plaatsgevonden en dit deel van de gedragingen dus wel bewezen en gekwalificeerd had kunnen worden onder het subsidiair ten laste gelegde (zoals het hof ter zake van feit 2 ook heeft gedaan).
3.1
Het middel leidt niet tot cassatie.
Het tweede middel
4.1
Het middel bevat de klacht dat het hof “de afwijzing (…) van het (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van [de psychiater] en de hoofdbehandelaar van FPK [instelling] ontoereikend dan wel onbegrijpelijk [heeft] gemotiveerd en/of op onaanvaardbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de deskundigen zouden kunnen verklaren.”
4.2
Het verzoek tot horen van de deze deskundigen maakte onderdeel uit van het pleidooi van de raadsvrouw op de terechtzitting van 1 september 2023, dat zich concentreerde op de aan de verdachte op te leggen maatregel. Het proces-verbaal van deze zitting houdt het volgende in:
“Voorts bevat het dossier een helder advies van [de psycholoog]. [de psycholoog] ziet geen mogelijkheden meer voor behandeling en adviseert extern risicomanagement en tbs met voorwaarden. Als mijn cliënt niet meer behandeld kan worden, is er een kans dat hij, in het geval dat tbs met verpleging van overheidswege wordt opgelegd, longstayer wordt. Er is een alternatief voorhouden, namelijk extern risicomanagement in het kader van een tbs met voorwaarden. [de psychiater] heeft in zijn rapportage min of meer erkend dat het behandelplafond is bereikt en hij heil ziet in het nader onderzoeken van mijn cliënt. Eerlijk gezegd vind ik dat lastig te begrijpen. Met het reclasseringsadvies is het advies van [de psychiater] achterhaald. De reclassering heeft aangegeven dat er geen persoonlijkheidsonderzoek meer hoeft te komen. De hoofdbehandelaar heeft aangegeven dat de problematiek van mijn cliënt hardnekkig is en gedragspatronen moeilijk te doorbreken zijn. Daarnaast heeft het behandelteam aangegeven dat een langdurige en intensieve behandeling nodig is om te onderzoeken of de problematiek behandelbaar en veranderbaar is, en wat een passend risicomanagement is (zie pagina 2 van het reclasseringsadvies d.d. 30 augustus 2023). Vandaag heeft [de reclasseringsmedewerkster] verklaard dat mijn cliënt kleine stapjes heeft gemaakt, Ik hoor dat hij kleine stapjes heeft gemaakt met betrekking tot schuldbewustheid en het toelaten van zijn gevoel, maar niets in het kader van zedenproblematiek dan wel persoonlijkheidsproblematiek. De stapjes waar [de reclasseringsmedewerkster] het over heeft zijn niet de stapjes die de psycholoog en psychiater bedoelen. Ik verzoek het hof primair de maatregel van tbs met voorwaarden op te leggen zodat mijn cliënt hulp en begeleiding krijgt, maar er ook intensief toezicht op zijn gedrag kan worden gehouden. Daarnaast merk ik op dat tbs met voorwaarden haalbaar is, gelet op het eerdere advies van de reclassering. Subsidiair verzoek ik, indien het hof de maatregel tbs met verpleging van overheidswege overweegt, om [de psychiater] en de hoofdbehandelaar van FPK [instelling] te horen. Ik zou [de psychiater] Willen vragen of haar mening is veranderd nu de hoofdbehandelaar heeft aangegeven dat er geen persoonlijkheidsonderzoek meer hoeft te worden uitgevoerd. Aan de hoofdbehandelaar zou ik willen vragen wat hij van de visie van [de psycholoog] vindt. Is een tbs met voorwaarden haalbaar via extern risicomanagement en hoe kan dit vormgegeven worden? Daarnaast zou ik de hoofdbehandelaar willen vragen wat hij vindt van de visie van de reclassering. Ik vind dit belangrijke vragen. Van [de reclasseringsmedewerkster] hebben we vandaag gehoord dat er geen persoonlijkheidsonderzoek nodig is, maar dat was juist het prangende punt voor [de psychiater] om een tbs met verpleging van overheidswege te adviseren.”
4.3
De overwegingen van het hof over de op te leggen maatregel en de afwijzing van het verzoek houden het volgende in:
“Op te leggen maatregel
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat aan de verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (hierna: tbs) met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.
De raadsvrouw heeft bepleit dat aan de verdachte de maatregel van tbs met voorwaarden dient te worden opgelegd. Subsidiair, indien het hof de maatregel tbs met verpleging van overheidswege overweegt, heeft de raadsvrouw voorwaardelijk verzocht om [de psychiater] en de hoofdbehandelaar van FPK [instelling] te horen.
Het hof overweegt als volgt.
De maatregel van terbeschikkingstelling kan door de rechter worden opgelegd indien is voldaan aan de in artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht gestelde voorwaarden. Een van die voorwaarden houdt in dat bij de verdachte ten tijde van het begaan van het feit een gebrekkige ontwikkeling of ziekelijke stoornis van de geestvermogens bestond. Daarnaast dient het door de verdachte begane feit een misdrijf te zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld, zoals hier - kort gezegd - seksueel misbruik van kinderen en bezit van kinderporno - en dient de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel te eisen. Indien de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen dit eist kan tevens worden bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd (artikel 37b, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht). Voor oplegging van de maatregel is voorts vereist dat de rechter beschikt over een advies van ten minste twee gedragsdeskundigen van verschillende disciplines, onder wie een psychiater, die de verdachte hebben onderzocht (artikel 37, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht).
Het hof heeft hiervoor, onder ‘Ten aanzien van de op te leggen straf’, reeds de relevante passages uit de deskundigenrapporten aangehaald met betrekking tot de bij de verdachte bestaande gebrekkige ontwikkeling van de geestesvermogens. Hier wordt derhalve volstaan met een verwijzing naar die passages. Het hof stelt op grond van de inhoud van voornoemde rapporten en hetgeen overigens omtrent de persoon van de verdachte is gebleken, vast dat bij de verdachte ten tijde van het plegen van de bewezenverklaarde feiten een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond.
Omtrent de inschatting van het recidivegevaar en aanbevelingen voor interventies die het recidivegevaar kunnen beperken heeft het hof acht geslagen op het reeds eerder genoemde rapport psychiatrisch onderzoek pro Justitia d.d. 21 oktober 2022, opgesteld door [de psychiater], en het eerder genoemde rapport psychologisch onderzoek pro Justitia d.d. 16 oktober 2022, opgesteld door klinisch psycholoog [de psycholoog]. Verder heeft het hof acht geslagen op het reclasseringsadvies d.d. 10 januari 2023, opgesteld door [betrokkene 1], het voortgangsverslag d.d. 30 augustus 2023, opgesteld door [de reclasseringsmedewerkster] en op hetgeen [de reclasseringsmedewerkster] nader heeft toegelicht tijdens de terechtzitting in hoger beroep.
De conclusies en het advies van [de psychiater] houden - naast hetgeen hiervoor daarover reeds is weergegeven - onder meer het volgende in:
Er is een risico-taxatie uitgevoerd om de eventuele kans op herhaling van seksueel grensoverschrijdend gedrag in te schatten. Hierbij is gebruik gemaakt van de risicotaxatie-instrumenten de Static en de Stable, hetgeen een combinatie van statische en dynamische instrumenten is voor het inschatten van het risico van toekomstig seksueel en gewelddadig delictgedrag bij zedendelinquenten.
Betrokkene scoort hoog op de STATIC-99R. De risicofactoren zijn, indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard: nooit een langdurige intieme, seksuele relatie gehad, die twee jaar of langer heeft geduurd en waarbij werd samengewoond, een extra-familiair slachtoffer, onbekende slachtoffers, mannelijke slachtoffers en meerdere aanklachten en veroordelingen (score van 8).
Betrokkene scoort hoog op de STABLE-2007. De dynamische risicofactoren zijn, indien het tenlastegelegde bewezen wordt verklaard: beperkt vermogen tot een stabiele relatie, emotionele identificatie met kinderen, eenzaamheid/sociale afwijzing, desinteresse in het welzijn van anderen, ontoereikende probleemoplossings-vaardigheden en seksuele preoccupatie (onpersoonlijke seks, bezit van pornografische afbeeldingen, eerder seksueel grensoverschrijdend gedrag), seksuele deviantie en het meermaals schenden van voorwaarden (score van 18).
De combinatie van deze twee instrumenten wijst uit dat betrokkene uitkomt in de categorie zeer hoog.
Uit de SAPROF, een taxatie-instrument voor beschermende factoren, blijkt dat er geen beschermende factoren zijn. Deze risicotaxatie komt overeen met de klinische risicoschatting. De kans op herhaling van seksueel deviant gedrag wordt geschat op zeer hoog. Uit de klinische risicotaxatie komen dezelfde factoren naar voren als uit de risicotaxatie-instrumenten. Zorgelijk is dat betrokkene vanwege zijn disharmonische intelligentieprofiel onderschat kan worden en dat er voorbij gegaan kan worden aan zijn sterke adaptieve vaardigheden, waarmee hij planmatig en berekenend te werk kan gaan. Het is gebleken dat er meerdere malen bij hem sprake is geweest van een schijnaanpassing. Verder valt op dat betrokkene meerdere malen is teruggevallen in hetzelfde delictgedrag. Dit kan duiden op een sterke seksuele driftmatigheid, die betrokkene kennelijk onvoldoende onder controle lijkt te hebben. Dit is prognostisch een zeer ongunstige factor.
(…)
Het is duidelijk dat de kans op herhaling van seksueel delinquent gedrag bij betrokkene zeer hoog is. Uit de informatie van FPA Stevig komt naar voren dat betrokkene wat behandeling betreft zijn behandelplafond heeft bereikt. Wat nog rest volgens de FPA is enige nadere diagnostiek op het gebied van de seksualiteitsbeleving van betrokkene, met aandacht voor zijn seksualiteitsontwikkeling vanuit zijn gezin van herkomst, onderzoek naar zijn sociaal-emotionele ontwikkelingsniveau en onderzoek naar andere libido-remmende medicatie. Ondergetekende kan zich vinden in het voornemen van de kliniek om betrokkene nader te onderzoeken en libido remmende medicatie te overwegen. Het behandelplafond op het gebied van zeden lijkt misschien wel bereikt maar ondergetekende is van mening dat de persoonlijkheidsproblematiek van betrokkene tot op heden onderbelicht is gebleven. Het is noodzakelijk dat betrokkene, na nadere diagnostiek, wordt behandeld op het gebied van persoonlijkheidspathologie en dat vanuit deze insteek ook opnieuw zijn zedenproblematiek onder de aandacht komt, voor er überhaupt nagedacht wordt over resocialisatie.
(…)
De problematiek van betrokkene is complex, rigide, ernstig en heeft een fors recidiverend karakter met alle gevolgen van dien voor derden. Een langdurige klinische behandeling met duidelijke kaders, structuur, begrenzing en controle is noodzakelijk. Een behandeling en begeleiding in het kader van bijzondere voorwaarden is jaren geprobeerd en is niet toereikend gebleken. Betrokkene is niet in staat gebleken om in dat kader een ambulante of klinische behandeling te volgen.
Gezien het bovenstaande rest naar mening van ondergetekende geen andere mogelijkheid om de kans op herhaling te beperken en daarmee de maatschappij te beschermen tegen het gedrag van betrokkene, dan middels de maatregel terbeschikkingstelling met verpleging. Ondergetekende adviseert geen tbs met voorwaarden. De verwachting is niet dat betrokkene in staat zal zijn om zich aan voorwaarden te houden gezien zijn eerdere houding en gedrag. Er was steeds sprake van een schijnaanpassing, liegen en heimelijk gedrag. Betrokkene is (voorlopig) niet in staat om toe te werken naar welke vorm en resocialisatie dan ook en het wordt aangeraden om de tijd te nemen voor een (laatste) behandelpoging van betrokkene, alvorens verdere stappen te nemen. Bovendien is en blijft het de vraag of betrokkene ooit/de komende jaren in staal zal zijn te resocialiseren en lijkt het er op dat externe risicomanagement in ieder geval de komende jaren noodzakelijk zal zijn.
De conclusies en het advies van [de psycholoog] houden - naast hetgeen hiervoor daarover reeds is weergegeven - onder meer het volgende in:
Het basisrisico van betrokkene, vastgesteld door middel van de Static-99R, is hoog met een totaalscore van 6. Hij scoort -1 op basis van zijn jonge leeftijd, 1 punt op basis van het feit dat hij nooit heeft samengewoond, 3 punten voor het aantal eerdere seksuele delicten, 1 punt voor een non-contact seksueel delict, 1 punt voor een extrafamiliair slachtoffer en 1 punt voor een mannelijk slachtoffer. Betrokkene scoort niet op de items van niet-seksueel geweld bij het huidige tenlastegelegde, evenmin is betrokkene eerder veroordeeld voor niet-seksueel geweld en betrokkene is niet vaker dan 3 keer eerder veroordeeld.
(...)
Op basis van de Stable-2007 score kan de behandelfocus bepaald worden en kan de behandeling geëvalueerd worden. De totaalscore is de optelsom van 13 items gerelateerd aan psychologisch, interpersoonlijk en seksueel functioneren en valt binnen de risicocategorie: laag, matig of hoog. Betrokkene scoort 18 van de maximale totaalscore van 26 punten op de STABLE-2007. Deze score valt binnen de range van de groep gemiddelde plegers van zedendelicten met een hoog aantal stabiel dynamische risicofactoren. Betrokkene scoort hoog op problemen met het vermogen tot het aangaan van een stabiele relatie; emotionele identificatie met kinderen; desinteresse in het welzijn van anderen; seksuele preoccupatie; seks als coping en seksuele deviantie. Hij scoort enigszins op problemen met belangrijke sociale contacten; sociale afwijzing/eenzaamheid; impulsief gedrag: ontoereikende probleemoplossende vaardigheden; negatieve emotionaliteit; samenwerking met toezichthouders. Betrokkene scoort niet op vrouwvijandigheid.
Op basis van de gecombineerde score van de Static en de Stable wordt het recidiverisico ingeschat als zeer hoog.
(...)
Wanneer er gekeken wordt naar mogelijke beschermende factoren, via de SAPROF (Structured Assessment of PROtective Factors for violence risk), wordt zichtbaar dat betrokkene over zeer weinig beschermende factoren beschikt.
(…)
Samenvattend wordt het risico op recidive, gezien de hoge risicotaxatie op de Static-Stable, de beperkte beschermende factoren en de klinische inschatting als zeer hoog ingeschat, waarbij de belangrijkste beschermende factoren in de huidige situatie bestaan vanuit het gedwongen hulpverleningskader.
(…)
Er wordt echter van behandeling niet meer zoveel verwacht. Mogelijk kan het opnieuw instellen van libido remmende medicatie, waarvan de werking meer gericht zou moeten zijn op het verminderen van de gedachten en fantasieën over seks, dan op het uitschakelen van de fysieke seksuele functies, nog een toevoeging zijn aan het risicomanagement. Betrokkene zit qua verandermogelijkheden aan zijn behandelplafond. De responsiviteit, is laag en het recidiverisico blijft hoog. Betrokkene geeft aan zijn gedrag als een probleem te zien en te willen veranderen, maar in de praktijk blijkt dat, zoals hij het zelf formuleert, "de lusten groter zijn dan de lasten". De grote uitdaging ligt er in mijn visie daarom in om een (toekomstig) uitstroomtraject vorm te geven, waarbij de hoge mate van toezicht en controle gewaarborgd kan worden. Eerdere vormen van begeleid wonen bij Pluryn en de Schakel zijn hier onvoldoende in geslaagd, waardoor een hogere mate van beveiliging in een toekomstige woonvoorziening noodzakelijk blijkt. Hierbij is zorg en verblijf met kennis van verstandelijke beperking van essentieel belang. Het klinische verblijf, dat nu zorgt voor het benodigde externe risicomanagement, moet volgens ondergetekende vooral gericht zijn op het onderzoeken van welke randvoorwaarden noodzakelijk zijn en hoe de externe prothese vormgegeven kan worden, om betrokkene veilig te kunnen laten uitstromen naar een verblijfsplek, waar langdurig (zo niet blijvend) toezicht en controle mogelijk is. Het risicomanagement zal immers volledig extern bepaald moeten zijn en langdurig ingezet kunnen worden. Er wordt geen meerwaarde gezien in een langdurig klinisch verblijf, behalve zolang dat nodig is om het recidiverisico te beheersen in de tijd die nodig is totdat de externe
(…)
Een dwingend kader is noodzakelijk om het externe risicomanagement over lange tijd (mogelijk zelfs blijvend) vorm te geven. De beste mogelijkheid is naar mijn mening om de langdurig noodzakelijk geachte begeleiding en toezicht, en het zoeken naar en vormgeven van een externe prothese binnen het kader van een tbs met voorwaarden vorm te geven, gecombineerd met de gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht.
(…)
De redenen dat ik tot een ander advies dan tbs met dwangverpleging kom, zijn dat ik geen meerwaarde zie in een klinische behandeling, omdat het behandelplafond bereikt is. Daarbij kom je, ook bij een tbs met dwangverpleging, na langere tijd klinisch verblijf binnen een FPC, op hetzelfde punt uit als waar we nu zijn, namelijk dat er (zonder dat te verwachten is dat door behandeling het risicoprofiel veranderd is), gezocht moet worden naar een geschikte verblijfsplek, waar passend extern risicomanagement vormgegeven kan worden. Dit punt wordt alleen vooruitgeschoven, waarbij het risico bestaat dat betrokkene (zoals te verwachten is) geen vooruitgang boekt binnen de klinische behandeling waarop hij vastloopt in het systeem. Betrokkene heeft de hoge mate van beveiliging van een FPC in mijn ogen niet nodig, maar wel een verblijfssetting waar voldoende toezicht en controle gehouden kan worden op zijn (internet)gedrag en waar zijn vrijheden kunnen worden gemonitord en waar nodig beperkt om intensief en nabij toezicht te kunnen garanderen. Hiervoor zal naar mijn inschatting minimaal een verblijfsvoorziening met beveiligingsniveau 2 noodzakelijk zijn. Dit voorgestelde interventie advies kan ook vormgegeven worden met een tbs met voorwaarden (gecombineerd met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (GVM) conform artikel 38z van het Wetboek van Strafrecht, om de begeleiding over lange termijn te garanderen), waarbij ik het eens ben met de mederapporteur dat te verwachten is dat betrokkene de voorwaarden mogelijk zal proberen te overtreden. Dit blijkt bij herhaling uit zijn voorgeschiedenis, maar zou in mijn ogen geen belemmering hoeven te zijn of per definitie te moeten leiden tot omzetting naar tbs met dwangverpleging. Van belang is om steeds zorgvuldig te kijken of deze overtredingen leiden tot onhanteerbare risico’s, of dat (vergelijkbaar met de huidige situatie op de FPA) het mogelijk is het "gat " in het risicomanagement te dichten en een lik-op-stuk beleid richting betrokkene in te zetten. Wanneer het risicomanagement kan worden gerepareerd, kan het traject worden voortgezet.
De conclusies en het advies van reclasseringsmedewerker Schmitz d.d. 10 januari 2023 houden onder meer het volgende in:
Op basis van de afgenomen RISC wordt het algemene recidiverisico als hoog ingeschat en de kans op geweldsrecidive als laag. Gelet op de aard van de verdenkingen (vervaardigen van kinderporno) wordt de kans op letselschade wel als hoog ingeschat.
(...)
Vanuit reclasseringsperspectief wordt er een hoog recidiverisico en een hoge kans op onttrekking aan voorwaarden gezien. Reclassering Nederland sluit zich derhalve bij de conclusie van de deskundigen pro Justitia onderzoekers aan dat een Tbs kader geïndiceerd is.
De conclusies en het advies van [de reclasseringsmedewerkster] d.d. 30 augustus 2023 houden onder meer het volgende in:
De hoofd behandelaar geeft aan dat (…) betrokkene weinig inzicht heeft in zijn problematiek zowel gericht op de seksualiteit- als zijn persoonlijkheid problematiek en zijn daarbij komende hechtingsproblematiek. Dit maakt zijn problematiek hardnekkig en maakt dat de gedragspatronen moeilijk te doorbreken zijn. Het behandelteam verwacht (of weet eigenlijk zeker) dat er meer nodig is dan een reguliere FPK behandeling (van 9-12 maanden). Zij geven aan dat een langdurige en intensieve behandeling nodig is om te onderzoeken of de problematiek behandelbaar en veranderbaar is, en wat een passend risicomanagement is. Een resocialisatie daarna dient zeer geleidelijk en gefaseerd te gebeuren, waarbij gemakkelijk kan worden ingeperkt en vertraagd indien risico’s worden gesignaleerd. Concluderend geeft het behandelteam aan dat de problematiek van [verdachte] niet geschikt voor een FPK-setting.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft [de reclasseringsmedewerkster] als deskundige verklaard dat de verdachte de afgelopen periode een kleine vooruitgang heeft geboekt, er aldus nog wel progressie is en het behandelplafond nog niet is bereikt. Voorts heeft ze verklaard dat zij van mening is dat de verdachte niet geschikt is voor een FPK-setting omdat zijn problematiek te fors en te complex is en de tijdsduur van een FPK-setting te kort om deze problematiek aan te pakken. Het zal een langdurig traject worden. Volgens [de reclasseringsmedewerkster] zijn de huidige mogelijkheden niet toereikend en om deze reden is zij van mening dat aan de verdachte de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege zal worden opgelegd.
Het hof stelt vast dat de deskundigen hebben geconcludeerd dat het recidiverisico als hoog tot zeer hoog wordt ingeschat en de maatschappij tegen het gedrag van de verdachte beschermd dient te worden. Voorts stelt het hof vast dat de deskundigen het eens zijn over het benodigde langdurige risicomanagement dat extern vormgegeven moet worden en dat hiervoor een zwaarder juridisch kader nodig is. Over de daadwerkelijke afdoening zijn de deskundigen het echter niet eens. [de psychiater] heeft geadviseerd om de maatregel van een tbs met verpleging van overheidswege, en geen tbs met voorwaarden, op te leggen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat de verdachte niet in staat zal zijn om zich aan voorwaarden te houden en een langdurig traject nodig zal zijn voor een (laatste) behandelpoging alvorens verdere stappen te nemen. [de reclasseringsmedewerkster] is eveneens van mening dat de maatregel van tbs met verpleging van overheidswege de beste oplossing is, nu zij heeft gezien dat het behandelplafond nog niet is bereikt en er nog wel stappen, hoewel in een langdurig traject, te maken zijn. [de psycholoog] heeft daarentegen geadviseerd om de maatregel van een tbs met voorwaarden, gecombineerd met een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel, op te leggen. Daartoe heeft zij aangevoerd dat het behandelplafond is bereikt en de verdachte de hoge mate van beveiliging van een FPC niet nodig heeft.
Het hof verenigt zich met de weergegeven informatie en bevindingen van de deskundigen met betrekking tot het recidiverisico en de noodzaak van langdurige behandeling. Zonder een dergelijke behandeling acht het hof de kans op recidive vanuit de gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens van de verdachte (zeer) hoog.
Het hof stelt voorts vast dat aan de wettelijke criteria voor het opleggen van de maatregel van tbs is voldaan. Daarbij heeft het hof in aanmerking genomen dat op grond van het vorenstaande vaststaat dat bij de verdachte tijdens het begaan van het bewezenverklaarde een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens bestond en de door hem bewezenverklaarde feiten misdrijven zijn waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van vier jaren of meer is gesteld. Tevens vindt het hof tegen de achtergrond van de ernst van de feiten en de overwegingen van de gedragsdeskundigen dat het gevaar dat van de verdachte uitgaat zodanig hoog is, dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging van overheidswege eist. Daarnaast heeft het hof gelet op de verklaring van [de reclasseringsmedewerkster], waarbij ze heeft aangegeven dat de verdachte wel degelijk stapjes heeft gemaakt in de sfeer van het behandeltraject en de verwachting is dat er nog progressie geboekt kan worden. Het is naar het oordeel van het hof, gelet op het recidivegevaar en de eerder overtreden voorwaarden door de verdachte, alsmede uit het oogpunt van de bescherming van de maatschappij onverantwoord om te volstaan met een behandeling in een minder stringent kader dan in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging. Het hof neemt hierbij in overweging dat het lopende behandeltraject in een TBS dwangverpleging kan worden voortgezet nu er kennelijk gelet op de door de reclassering ter zitting afgelegde verklaring nog steeds - zij het langzaam - vooruitgang in de behandeling wordt geboekt, maar dat de FPK-setting voor verdere behandeling niet toereikend is.
Het hof zal gelasten dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld en bevelen dat hij van overheidswege zal worden verpleegd.
Gelet op het bewezenverklaarde wordt de maatregel van tbs gelast ter zake van misdrijven die gericht zijn tegen of gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen, zodat de duur van de terbeschikkingstelling niet op voorhand gemaximeerd is.
Voorwaardelijk verzoek
De raadsvrouw heeft verzocht, indien het hof de maatregel tbs met verpleging van overheidswege overweegt, [de psychiater] en de hoofdbehandelaar van FPK [instelling] te horen.
Het hof overweegt als volgt:
Het in artikel 6 EVRMPro verankerde ondervragingsrecht noch het arrest van het EHRM inzake Keskin vs. Nederland (EHRM (Grote Kamer) 19 januari 2021, nr. 2205/16) verzet zich ertegen dat de rechter een verzoek tot het horen van getuigen afwijst als dat horen onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan (vgl. HR 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576).
Naar het oordeel van het hof is in dit geval van de tweede omstandigheid sprake, nu twee gedragsdeskundigen en de reclassering uitgebreid hebben gerapporteerd over de persoon van de verdachte. Het hof constateert dat de deskundigen het grotendeels eens zijn voor wat betreft de problematiek van verdachte, alsmede de (on)mogelijkheden voor behandeling. Slechts ter zake van het al dan niet dwingend kader daarvoor verschillen zij van mening. Nu de deskundigen reeds bij het uitbrengen van hun rapportage kennis hebben genomen van elkaars rapport en daarin geen aanleiding tot bijstelling hebben gezien, valt niet te verwachten dat een nader horen tot een andersluidend oordeel zou leiden. Daar komt nog bij dat het reclasseringrapport d.d. 30 augustus 2023 het hof voldoende duidelijkheid verschaft over het verloop van het lopende behandeltraject tegen de achtergrond van de gewenste afdoening van de zaak.
Het hof acht zich dan ook voldoende voorgelicht en oordeelt dat het horen van de deskundigen niet noodzakelijk is. Het verzoek wordt afgewezen.”
4.4
Uit het aangehaalde proces-verbaal van de zitting van het hof maak ik op dat het verzoek tot het horen van de rapporterende psychiater en van de hoofdbehandelaar van [instelling] enkel betrekking had op de vraag of een terbeschikkingstelling met voorwaarden of met verpleging van overheidswege diende te worden opgelegd. De verdediging heeft immers de oplegging van een terbeschikkingstelling met voorwaarden bepleit en het verzoek tot horen gedaan onder de voorwaarde dat het hof een verpleging van overheidswege zou overwegen. Dat enige vorm van de maatregel van terbeschikkingstelling is aangewezen, was dus niet in geschil. Daarmee heeft de verdediging ook geen verweer gevoerd tegen het bestaan van een stoornis bij de verdachte, van een hoog recidiverisico of de noodzaak van langdurig extern risicomanagement voor de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen. Evenmin heeft de verdediging de deskundigheid van de psychiater, de psycholoog en de reclassering betwist of gesteld dat hun onderzoeksmethoden of verslaglegging gebreken zou vertonen.
4.5
Het verzoek van de verdediging tot het horen van nog niet eerder op de terechtzitting gehoorde deskundigen betreft een verzoek als bedoeld in art. 328 SvPro tot het nemen van een rechterlijke beslissing op grond van art. 315 lid 3 SvPro. De rechter moet op dit verzoek beslissen aan de hand van de maatstaf of hij het horen van de deskundigen noodzakelijk acht. Deze bepalingen zijn op grond van art. 415 SvPro ook in hoger beroep van toepassing. [9] In cassatie kan slechts worden onderzocht of de feitenrechter het juiste criterium heeft aangelegd en of de afwijzing van een dergelijk verzoek begrijpelijk is in het licht van – als waren het communicerende vaten – enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen. [10]
4.6
Uit het arrest blijkt dat het hof de juiste maatstaf heeft toegepast. Dat wordt door de steller van het middel ook niet betwist. Daarnaast heeft het hof zich bij zijn beoordeling van het verzoek georiënteerd op het post-Keskin-arrest van de Hoge Raad. [11] Daargelaten of het hof zich in alle opzichten terecht op deze rechtspraak heeft beroepen, kan het oordeel van een rechter dat de punten waarover een deskundige volgens een verzoek dient te worden gehoord al buiten redelijke twijfel vaststaan, hoe dan ook het oordeel dragen dat het horen van de deskundige niet noodzakelijk is. Of dit oordeel van het hof in deze zaak begrijpelijk is, zal enerzijds moeten worden beoordeeld in het licht van de gronden die het hof uiteindelijk ten grondslag heeft gelegd aan zijn oordeel dat de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen de verpleging van overheidswege vereist, en anderzijds in het licht van hetgeen waar de verdediging de deskundigen over wenst te bevragen.
4.7
Het hof heeft uiteindelijk geoordeeld dat het “onverantwoord [is] om te volstaan met een behandeling in een minder stringent kader dan in het kader van de tbs-maatregel met dwangverpleging”, vanuit het oogpunt van bescherming van de maatschappij, gelet op i) het recidivegevaar en ii) de eerder overtreden voorwaarden door de verdachte. Dit zijn omstandigheden waarover de deskundigen het allen eens zijn en/of die niet in geschil zijn. Het hof heeft zijn oordeel verder geveld tegen de achtergrond van iii) de ernst van de feiten en iv) de overwegingen van de deskundigen. Dit laatste is zo weinig specifiek dat ik dit niet als redengevend voor het oordeel van het hof kan aanmerken. De waardering van de ernst van de feiten is in beginsel aan het hof en niet aan deskundigen. Die waardering is overigens ook niet in geschil. Ik acht het in de overwegingen van het hof besloten liggen de oordeel dat deze drie gronden, die voor het hof reden zijn voor de afgifte van een bevel tot verpleging van overheidswege, buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan dan ook niet onbegrijpelijk.
4.8
De overwegingen van het hof dat niet te verwachten valt dat de deskundigen tot andere conclusies zullen komen en dat het hof voldoende is geïnformeerd over het lopende behandeltraject, moeten verder worden begrepen in het licht van hetgeen aan het verzoek tot horen ten grondslag is gelegd. De psychiater zou volgens de verdediging moeten worden gehoord omdat haar advies zou zijn achterhaald doordat het persoonlijkheidsonderzoek waartoe zij adviseerde inmiddels was uitgevoerd. Uit de overwegingen van het hof volgt echter dat deze stelling van de verdediging feitelijke grondslag mist aangezien de psychiater enkel heeft geconcludeerd dat een dergelijk onderzoek een eerste stap is en dat het noodzakelijk is dat de verdachte "na nadere diagnostiek, wordt behandeld op het gebied van persoonlijkheidspathologie” en dat dit een “langdurige klinische behandeling” vereist.
4.9
Aan het verzoek tot het horen van de huidige hoofdbehandelaar van de verdachte heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat deze deskundige enerzijds moet worden bevraagd over de visie van de psycholoog dat een extern risicomanagement binnen een terbeschikkingstelling met voorwaarden haalbaar is en anderzijds over de visie van de reclassering. Dit laatste is niet nader gespecificeerd, terwijl uit de door het hof aangehaalde overwegingen van de reclassering volgt dat die mede het standpunt van het behandelteam van de verdachte weergeven. Verder is de visie van de psycholoog dat een terbeschikkingstelling met voorwaarden tot de mogelijkheden behoort, door het hof verworpen op gronden die al buiten redelijke twijfel vaststaan.
4.1
Gelet hierop is het oordeel van het hof dat het zich voldoende voorgelicht acht en dat het horen van de deskundigen niet noodzakelijk is, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Van een ongeoorloofd vooruitlopen op de inhoud van de verklaring van de deskundigen [12] is geen sprake.
4.11
Het middel faalt.
Afronding
5.1
De middelen falen althans kunnen niet tot cassatie leiden en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 ROPro ontleende motivering.
5.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
plv. AG
Voetnoten
1.Het hof heeft ter zake nog een herstelarrest opgemaakt op 27 september 2023, dat zich bij de stukken bevindt. Voor de procedure in cassatie is dit arrest niet van belang.
3.Het gerechtshof heeft de verdachte vrijgesproken van het onder 2 primair ten laste gelegde omdat er naar het oordeel van het hof “geen sprake is [geweest] van het dwingen tot het plegen van ontuchtige handelingen door (bedreiging met) geweld of andere feitelijkheden.”
4.Het gerechtshof heeft ten aanzien van de feiten 2 subsidiair en 3 volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen als bedoeld in art. 359 lidPro 3, tweede volzin, Sv.
6.Ambtshalve merk ik op dat art. 241 SrPro de rechtsopvolger is van art. 246 SrPro oud (feitelijke aanranding van de eerbaarheid). De redactie van dit artikel is iets anders omdat gesproken wordt van “met een persoon seksuele handelingen verricht[en]” en niet van “het plegen of dulden van ontuchtige handelingen” (art. 246 SrPro oud). Voor zover door deze formulering gedacht kan worden dat de eis gesteld wordt dat pleger en slachtoffer zich fysiek bij elkaar bevinden, maakt art. 239 SrPro duidelijk dat onder deze formulering ook het verrichten van seksuele handelingen “met zichzelf wordt verstaan”, zodat ook “(online) verschijningsvormen van seksuele interactie onder de delictsgedraging vallen” (
7.Zie bewijsmiddel 3, onder verwijzing naar de video’s met de bestandsnamen e3bafa72-0d9a-4944-83bcd5cfb0e25bf3.mp4 en 9fed6b6c-337b-40baab22-f925d2d188aa.mp4.
8.Op art. 246 SrPro (oud) was een maximumstraf gesteld van acht jaren en op art. 248a Sr (oud) en 240b Sr (oud) steeds vier jaren, zodat de maximale gevangenisstraf volgens art. 57 lid 2 SrPro niet meer kan zijn een derde bovenop het hoogste maximum van acht jaren.
9.HR 15 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1615, rov. 2.3.1. Hier doet zich niet het in dit arrest behandelde geval voor dat de toepassing van dit noodzakelijkheidscriterium (art. 418 lid 3 SvPro) in de concrete toepassing niet wezenlijk zou moeten verschillen van wat met de toepassing van het zogenoemd verdedigingscriterium (art. 418 lid 1 SvPro) zou worden bereikt, om de reden dat de deskundigenrapporten pas zijn opgemaakt na het instellen van het hoger beroep zodat van de verdediging bezwaarlijk kon worden gevergd deze deskundigen al tijdig bij appelschriftuur op te geven.