ECLI:NL:PHR:2024:95

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
27 februari 2024
Publicatiedatum
24 januari 2024
Zaaknummer
23/02381
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 317 SrArt. 284 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 348 SvArt. 350 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verwerping cassatieberoep wegens afwijzing getuigenverzoeken in afpersingszaak

De verdachte werd door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor meervoudige afpersing en dwang, met een gevangenisstraf van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk. In hoger beroep verzocht de verdediging om het horen van zestien getuigen, waaronder zes specifieke getuigen à décharge, die konden verklaren over de sfeer in de woning van de slachtoffers en de gedragingen die aan verdachte werden toegerekend.

Het hof wees deze verzoeken op drie momenten af (tussenarrest 4 februari 2020, terechtzittingen 29 april 2021 en 24 mei 2023), met motivering dat de verklaringen van deze getuigen onvoldoende relevant waren voor de bewezenverklaring en dat de verdachte niet in zijn verdediging werd geschaad. De Hoge Raad bevestigt dat het criterium van het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium juist zijn toegepast en dat het hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld.

De verdediging voerde aan dat de getuigen aanwezig waren bij de tenlastegelegde gedragingen en dat hun verklaringen ontlastend zouden zijn, maar dit werd niet aannemelijk gemaakt. Ook het argument dat het hof op ontoelaatbare wijze was vooruitgelopen op de verklaringen van getuigen faalde. De Hoge Raad concludeert dat de afwijzing van de getuigenverzoeken begrijpelijk en voldoende gemotiveerd is en verwerpt het cassatieberoep.

Uitkomst: Cassatieberoep verworpen; afwijzing verzoeken tot het horen van zes getuigen bevestigd.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL

BIJ DE

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN

Nummer23/02381
Zitting27 februari 2024

CONCLUSIE

A.E. Harteveld
In de zaak
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994,
hierna: de verdachte.
De verdachte is bij arrest van 7 juni 2023 door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, wegens onder 1 “afpersing, meermalen gepleegd” en onder 4 “een ander door bedreiging met geweld of een feitelijkheid, gericht tegen die ander, wederrechtelijk dwingen iets te doen en/of te dulden, meermalen gepleegd”, veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 48 maanden, waarvan 18 maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van drie jaren, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof beslist op de vordering van de benadeelde partijen en telkens een schadevergoedingsmaatregel opgelegd. Verder heeft het hof een beslissing genomen over inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerpen.
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en J.O.A.N. de Vries, advocaat te Utrecht, heeft één middel van cassatie voorgesteld.
Het middel
3.1
Het middel klaagt over de afwijzing door het hof van de namens de verdachte gedane verzoeken tot het horen van zes getuigen.
3.2
Het betreft de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4], [getuige 5] en [getuige 6]. Het hof heeft de verzoeken tot het horen van (het merendeel van) deze getuigen op drie momenten afgewezen, namelijk (i) bij tussenarrest van 4 februari 2020, (ii) ter terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2021 en (iii) ter terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2023. [1] In cassatie wordt geklaagd over de afwijzende beslissingen op elk van deze drie momenten. Voordat ik de beslissingen van het hof in chronologische volgorde bespreek, geef ik eerst de bewezenverklaring weer.
3.3
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“1.
hij, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juli 2015 te Enschede, gemeente Enschede, met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer 1] (telkens) heeft gedwongen tot de afgifte van een hoeveelheid geld, toebehorende aan die [slachtoffer 1], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte, welke bedreiging met geweld hierin bestond dat hij, verdachte,
- zich (via internet) heeft voorgedaan als een persoon genaamd ‘[alias 1]’ en een persoon genaamd ‘[alias 2]’ en een persoon genaamd ‘[alias 3]’ en
- handelend onder de naam van die ‘[alias 1]’ en/of ‘[alias 2]’ en/of ‘[alias 3]’ via Facebook en via Whatsapp en berichten heeft verstuurd naar [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en/of voornoemde [slachtoffer 1] en
- in die berichten die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft voorgehouden en heeft laten geloven dat die [slachtoffer 2] in gevaar was en bescherming nodig zou hebben tegen een bende van Dominicanen en dat die ‘[alias 1]’ en ‘[alias 2]’ lid zijn van No Limit Soldiers en die bescherming zouden kunnen bieden en
- in die berichten die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft voorgehouden en heeft laten geloven dat die ‘[alias 2]’ zich tegen hen had gekeerd en dat die ‘[alias 1]’ hen zou beschermen tegen die ‘[alias 2]’ en
- (vervolgens) handelend onder de naam van die ‘[alias 2]’ en die ‘[alias 1]’, die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met verkrachting en/of moord, en/of zware mishandeling en
- handelend onder zijn, verdachtes, eigen naam en/of handelend onder de naam van die ‘[alias 1]’ en/of ‘[alias 3]’ en/of ‘[alias 2]’ voornoemde bedreigingen heeft doorgegeven en heeft bericht dat die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in (levens)gevaar zijn en
- handelend onder zijn, verdachtes, eigen naam en/of handelend onder de naam van die ‘[alias 1]’ en ‘[alias 3]’ die [slachtoffer 1] meermalen heeft voorgehouden dat aan die ‘[alias 1]’ telkens geldbedragen moesten worden betaald zodat die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] beschermd zouden worden tegen die ‘[alias 2]’ en handlangers van die ‘[alias 2]’ en de voornoemde bende van Dominicanen en dat hij, verdachte, dat geldbedrag zou afgeven aan die ‘[alias 1]’ en of dat als voornoemde geldbedragen niet zouden worden betaald die [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet meer beschermd zouden worden tegen die ‘[alias 2]’ en diens handlangers en die bende van Dominicanen en dat die [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] binnen een paar dagen dood zouden zijn en
- vervolgens die [slachtoffer 1] meermalen voornoemde geldbedragen aan hem, verdachte, heeft laten afgeven
4.
hij, in de periode van 1 januari 2014 tot en met 30 juli 2015 te Enschede, gemeente Enschede, anderen, te weten [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2], meermalen door bedreiging met geweld of enige andere feitelijkheid gericht tegen die anderen, telkens wederrechtelijk heeft gedwongen iets te doen en/of te dulden, immers heeft verdachte die [slachtoffer 3] gedwongen
- vrouwelijke kleding aan te trekken en make-up en een pruik op te doen en
- een baard te laten groeien en te laten staan en zich kaal te scheren en
- rauwe eieren en diverse andere (rauwe) consumpties te eten en drinken en
- zich gedeeltelijk te ontkleden en een (vrouwen)string aan te trekken en op de grond te gaan liggen en (vervolgens) curry en mayonaise over zich heen te laten gieten en
- te boksen en te sparren met verdachte en zich te laten slaan door verdachte en
- zich aan te laten lijnen met een (honden)halsband en buiten (als een hond) op handen en voeten over de grond te kruipen en
- (deels ontkleed) te dansen en dansende bewegingen te maken en
- enkel gekleed in een string/onderbroek buiten (op straat) tijdens de winter(maanden) rond te lopen en
- (buiten) (deels ontkleed) een sneeuwpop te maken met aldaar liggend sneeuw en
- een hond (meermalen) te schoppen en zich (meermalen) te laten bijten door die hond en die hond vast te pakken en rijdende bewegingen te maken ter hoogte van het achterwerk van die hond en/of te likken aan de anus en/of achterwerk van die hond en
- te knielen en op de grond te zitten en een komkommer en andere voorwerpen in de mond te nemen en pijpende bewegingen te maken en
- niet meer naar zijn werk te gaan,
en heeft verdachte die [slachtoffer 1] gedwongen
- die [slachtoffer 3] een (honden)halsband om te doen en die [slachtoffer 3] buiten als een hond aangelijnd uit te laten en
- een hond te likken aan het achterwerk van die hond, althans haar gezicht dicht bij het achterwerk van die hond te brengen en
- te dulden dat verdachte en diens vrienden/kennissen in de woning van die [slachtoffer 1] verbleven en
- te vertrekken uit haar eigen woning en (tijdelijk) te verblijven op een ander adres,
en heeft verdachte die [slachtoffer 2] gedwongen
- te knielen en op de grond te zitten en een komkommer en andere voorwerpen in de mond te nemen en pijpende bewegingen te maken en
en welke bedreiging met geweld of feitelijkheid hieruit bestond dat hij, verdachte,
- zich (via internet) heeft voorgedaan als een persoon genaamd ‘[alias 1]’ en een persoon genaamd ‘[alias 2]’ en een persoon genaamd ‘[alias 3]’ en
- handelend onder de naam van die ‘[alias 1]’ en ‘[alias 2]’ en ‘[alias 3]’ via Facebook en via Whatsapp en berichten heeft verstuurd naar [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en voornoemde [slachtoffer 1] en
- in die berichten die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft voorgehouden en heeft laten geloven dat die [slachtoffer 2] in gevaar was en bescherming nodig zou hebben tegen een bende van Dominicanen en dat die ‘[alias 1]’ en ‘[alias 2]’ lid zijn van No Limit Soldiers en die bescherming zouden kunnen bieden en
- in die berichten die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft voorgehouden en heeft laten geloven dat die ‘[alias 2]’ zich tegen hen had gekeerd en dat die ‘[alias 1]’ hen zou beschermen tegen die ‘[alias 2]’ en
- (vervolgens) handelend onder de naam van die ‘[alias 2]’ en die ‘[alias 1]’, die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] heeft bedreigd met verkrachting en moord, en zware mishandeling en
- handelend onder zijn, verdachtes, eigen naam en/of handelend onder de naam van die ‘[alias 1]’ en/of ‘[alias 3]’ en/of ‘[alias 2]’ voornoemde bedreigingen heeft doorgegeven en heeft bericht dat die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] in (levens)gevaar zijn en
- handelend onder zijn, verdachtes, eigen naam en/of handelend onder de naam van die ‘[alias 1]’ en ‘[alias 3]’ die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] meermalen heeft voorgehouden dat die ‘[alias 1]’ en vrienden van die ‘[alias 1]’ eisten dat de eerdergenoemde (gedwongen) handelingen moesten worden uitgevoerd en gefilmd en dat, als die [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] dit weigerden, die [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] niet meer beschermd zouden worden tegen die ‘[alias 2]’ en diens handlangers en die bende van Dominicanen en dat die [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] binnen een paar dagen dood zouden zijn.”
3.4
De bewezenverklaring steunt op de bewijsmiddelen die zijn opgenomen in de bijlage behorend bij het arrest.
De bij tussenarrest van 4 februari 2020 genomen beslissingen op de getuigenverzoeken
3.5
Op 29 augustus 2018 is namens de verdachte hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank van 23 augustus 2018. De raadsvrouw van de verdachte heeft bij appelschriftuur van 11 september 2018 het verzoek gedaan tot het horen van zestien getuigen, waaronder [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. De appelschriftuur houdt ten aanzien van deze getuigen het volgende in:
“Appellant wenst daarom de navolgende onderzoekshandelingen in het belang van de verdediging te (laten) verrichten, te weten het horen van de navolgende getuigen:
[…]
8. [getuige 1] […]
9. [getuige 2] […]
10. [getuige 3] […]
[…]
15. [getuige 4] […]
16. [getuige 5] […]
[…]
Motivering getuigen 8, 9 & 10:
In het dossier bevindt zich de verklaring van [getuige 6] (p. 94-95), die verklaart dat hij in 2015 veel over de vloer kwam bij [de familie] en dat in zijn beleving [slachtoffer 2] en appellant het altijd heel leuk hebben gehad samen. [getuige 6] verklaart dat hem in de woning van [de familie] geen bijzonderheden zijn opgevallen. Hij verklaart dat het daar altijd heel gezellig was en dat daar in de woning in zijn bijzijn geen vreemde dingen zijn gebeurd. Hij heeft nooit de indruk gehad dat iemand in [de familie] onder druk heeft gestaan van appellant. Ook verklaart hij dat appellant en [slachtoffer 3] normaal met elkaar omgingen. Dit is belangrijk ontlastend bewijsmateriaal.
In de woning van [de familie] kwamen destijds ook de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] over de vloer. Zij kunnen ook bevestigen dat [de familie] niet onder druk stond van appellant en dat de sfeer in de woning van [de familie] in de tenlastegelegde periode goed was. Appellant acht het derhalve in het belang van zijn verdediging dat deze getuigen gehoord worden.
[…]
Motivering getuigen 15 en 16:
Appellant acht het in het belang van zijn verdediging om zijn moeder en zusje als getuigen te horen. Zijn moeder is een hoogopgeleide vrouw die met haar kinderen onder meer een periode in Engeland heeft gewoond en appellant heeft gesteund in zijn wens op hoog niveau te voetballen. De getugien kunnen bevestigen dat appellant in de tenlastegelegde periode minder thuis was, maar wel nog gewoon thuis woonde. Zijn moeder en zusje kunnen verklaren over de personen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en welke invloed zij op appellant hadden. Appellant heeft in de periode dat hij een relatie met [slachtoffer 2] had onder meer een deel van zijn haar weggeschoren en een sik laten staan.
[…]
De afbeelding links is van voor en de afbeelding rechts van na de relatie van appellant met [slachtoffer 2]. [slachtoffer 1] heeft de milieu-onderzoeker reeds verteld dat appellant in de tenlastegelegde periode geregeld last had van hyperventilatie en hartkloppingen. Hij had volgens haar aanvallen die uren duurden en waarbij het net leek of hij dood ging. In het dossier bevinden zich medische stukken, waaruit de huidige medische toestand van appellant blijkt. [getuige 5] en [getuige 4] kunnen verklaren over de gevolgen van de valse beschuldigingen en het strafproces op de fysieke en mentale gezondheid van appellant en zijn ziekteverloop. Zij kunnen voorts verklaren over de negatieve impact van de media-aandacht voor deze zaak op appellant. Appellant is met zijn niet vaak voorkomende voornaam en initiaal van zijn achternaam met toevoeging van woonplaats en bovenstaande afbeelding in de media gekomen. Hij wordt veelvuldig herkend en met de nek aangekeken. Zijn moeder en zusje kunnen voorts verklaren over de impact van de lange duur van het reclasseringscontact van appellant en over de gevolgen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor hem.”
3.6
Op de terechtzitting in hoger beroep van 21 januari 2020 (een regiezitting) heeft de raadsvrouw van de verdachte deze verzoeken herhaald en toegelicht. Het proces-verbaal van deze terechtzitting bevat – voor zover relevant voor de bespreking van het middel – het volgende:
“De raadsvrouw deelt mede dat de verdachte ontkent zich schuldig te hebben gemaakt aan de onder 1 en 4 tenlastegelegde feiten en daarom een zestiental getuigen wenst te horen. De raadsvrouw verwijst daarbij naar de inhoud van haar appelschriftuur van 11 september 2018, welke aan dit proces-verbaal is gehecht (bijlage 1). Zij deelt mede de daarin genoemde verzoeken te handhaven.
De raadsvrouw deelt voorts mede -zakelijk weergegeven-:
[…]
Ten aanzien van de gevraagde getuigen 8 tot en met 10 wil ik nog het volgende opmerken. Deze getuigen komen uit de omgeving van aangevers. Zij kwamen bij aangevers over de vloer. Deze getuigen kunnen verklaren over de sfeer die in de tenlastegelegde periode in de woning van [de familie] heerste. Het is in het belang van de verdediging dat deze getuigen hieromtrent worden gehoord.
[…]
De raadsvrouw voert het woord en deelt mede -zakelijk weergegeven-:
Ik persisteer bij de verzoeken. […] Ook de getuigen 11 tot en met 16 wil de verdediging horen om de betrouwbaarheid van de aangevers te kunnen toetsen.”
3.7
Het hof heeft bij tussenarrest van 4 februari 2020 de verzoeken tot het horen van de eerdergenoemde getuigen als volgt samengevat en afgewezen:
“Verzoeken van de verdediging
De zitting van het hof van 21 januari 2020 betrof een regiezitting. Op die zitting heeft de raadsvrouw de bij appelschriftuur van 11 september 2018 ingediende onderzoekswensen nader toegelicht.
In die appelschriftuur is verzocht om het horen van een zestiental getuigen. Ter zitting van 21 januari 2019 heeft de raadsvrouw gepersisteerd bij het horen van deze getuigen.
De verzoeken betreffen de volgende:
[…]
d) Het horen als getuigen van:
8) [getuige 1];
9) [getuige 2];
10) [getuige 3].
Motivering:
Bovenstaande getuigen komen uit de omgeving van aangevers. Zij kwamen bij aangevers over de vloer. Deze getuigen kunnen verklaren over de sfeer die in de tenlastegelegde periode in de woning van [de familie] heerste. Het is in het belang van de verdediging dat deze getuigen hieromtrent worden gehoord.
[…]
f) Het horen als getuigen van:
15) [getuige 4], moeder verdachte;
16) [getuige 5], zuster verdachte.
Motivering:
Bovenstaande getuigen kunnen verklaren over de aangevers en over welke invloed zij hadden op verdachte. Voorts kunnen zij verklaren over de impact van een eventuele strafmaat op verdachte. Het is in het belang van de verdediging dat deze getuigen worden gehoord om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen.
[…]
Beoordeling van het hof
Nu de verzoeken zijn gedaan per appelschriftuur van 11 september 2018, dienen de verzoeken te worden getoetst aan de hand van het criterium van het verdedigingsbelang.
[…]
Het hof wijst af het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] (8 tot en met 10). Het hof acht het onvoldoende onderbouwd dat deze getuigen iets kunnen verklaren over de tenlastegelegde feiten. Zelfs als deze getuigen verklaren wat de verdediging heeft gesteld, kort gezegd dat er een prettige sfeer in de woning van aangevers heerste als de getuigen in die woning waren, zegt dat niets over de momenten waarop deze getuigen niet in die woning aanwezig waren. Ook overigens staat het gestelde in een zodanig ver verwijderd verband tot de door het hof te beantwoorden (bewijs)vragen, dat de verdachte door de afwijzing van de getuigen niet in zijn verdediging is geschaad.
[…]
Het hof wijst af het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] (15 en 16). Naar het oordeel van het hof volgt uit de onderbouwing van het verzoek onvoldoende het belang van de verdediging bij het horen van deze getuigen. Dit geldt voor het gestelde belang van de getuigen voor de waarheidsvinding. Voor zover de getuigen ook iets zouden kunnen zeggen over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en over de gevolgen van het strafproces, geldt bovendien dat verdachte hier zelf ook over kan verklaren. De verdachte is door de afwijzing van de getuigen niet in zijn verdediging geschaad.”
3.8
Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2023 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen vanwege een gewijzigde samenstelling van het hof. De bij tussenarrest genomen afwijzende beslissingen op de getuigenverzoeken zijn daarbij in stand gebleven, zodat hiertegen in cassatie kan worden opgekomen. [2]
3.9
Verder is het voor de beoordeling van het middel van belang dat het hier niet gaat om een geval waarin de verdachte zijn ondervragingsrecht wil uitoefenen met betrekking tot een voor het bewijs gebruikte of te gebruiken, hem belastende verklaring. Het verzoek van de verdediging ziet op ‘defence witnesses’, anders gezegd: getuigen à décharge. Dit betekent dat geen sprake is van een situatie waarin – gelet op de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin – het belang van het oproepen en horen van een getuige moet worden voorondersteld, maar dat het beoordelingskader van toepassing is dat de Hoge Raad heeft geschetst in zijn overzichtsarresten van 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496 en 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015. [3]
3.1
In zijn overzichtsarrest van 1 juli 2014 overwoog de Hoge Raad het volgende met betrekking tot de maatstaven van het verdedigingsbelang en het noodzakelijkheidscriterium:
“Verdedigingsbelang
2.4. In beginsel heeft de verdachte het recht om ter terechtzitting alle getuigen te doen horen wier verhoor hij in het belang van zijn verdediging acht. Volgens het tegenwoordige Nederlandse stelsel van strafvordering kan de verdachte dat recht effectueren door zelf getuigen mee te brengen naar de terechtzitting. Voor het overige is hij aangewezen op het openbaar ministerie tot wiens taak het behoort getuigen op te roepen. Het openbaar ministerie kan weigeren te voldoen aan een door of namens de verdachte gedaan verzoek tot oproeping van getuigen. Door of namens de verdachte kan vervolgens ter terechtzitting het oordeel van de rechter over die weigering worden ingeroepen. Het openbaar ministerie - en in geval van diens weigering of verzuim de opgegeven getuigen op te roepen: de rechter - kan die oproeping weigeren op onder meer de grond dat de verdachte daardoor redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad (hierna ook aan te duiden als "verdedigingsbelang").
2.5. In de rechtspraak en de doctrine wordt aangenomen dat die maatstaf het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter ertoe noopt een verzoek tot oproeping van getuigen te beoordelen vanuit de gezichtshoek van de verdediging en met het oog op het belang van de verdediging bij de inwilliging van het verzoek. Dit brengt mee dat alleen dan kan worden gezegd dat de verdachte door afwijzing van het verzoek redelijkerwijs niet in zijn verdediging wordt geschaad, indien de punten waarover de getuige kan verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing dan wel redelijkerwijze moet worden uitgesloten dat die getuige iets over bedoelde punten zou kunnen verklaren.
2.6. Enerzijds impliceert deze regeling een terughoudend gebruik door het openbaar ministerie onderscheidenlijk de rechter van zijn bevoegdheid tot afwijzing van het verzoek, doch anderzijds veronderstelt zij dat het verzoek door de verdediging naar behoren wordt gemotiveerd. Zo is afwijzing van het verzoek goed denkbaar als het verzoek niet dan wel zo summier is onderbouwd dat de rechter buiten staat is het verzoek te toetsen aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Van de verdediging mag worden verlangd dat zij ten aanzien van iedere van de door haar opgegeven getuigen motiveert waarom het horen van deze getuige van belang is voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing. Te denken valt in dit verband aan het opgeven van de redenen voor het doen horen van de zogenoemde getuigen à décharge wier verklaringen kunnen strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde, of het doen horen van getuigen à charge die in het vooronderzoek zijn gehoord, teneinde deze personen of hun afgelegde verklaringen op geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te toetsen.
[…]
Noodzakelijkheidscriterium
2.8. Het noodzakelijkheidscriterium, dat oorspronkelijk alleen in art. 315 Sv Pro voorkwam, houdt verband met de taak en de verantwoordelijkheid van de strafrechter voor de volledigheid van het onderzoek van de zaak. Met het oog daarop is hem de bevoegdheid toegekend om ambtshalve onder meer de oproeping van getuigen te bevelen voor het geval hem de noodzakelijkheid blijkt van dat verhoor, ongeacht wat de procespartijen daarvan vinden. Vanuit deze gezichtshoek bezien is bij de beoordeling van een gemotiveerd, duidelijk en stellig verzoek van de verdediging aan de rechter om ambtshalve gebruik te maken van zijn bevoegdheid om zelf getuigen op te roepen, slechts van belang of hij het horen van die getuigen noodzakelijk acht met het oog op de volledigheid van het onderzoek. Dit betekent dat zo een verzoek kan worden afgewezen op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken. Van een aldus gemotiveerde afwijzing kan niet worden gezegd dat die ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren.
2.9. Omtrent de gevallen en de mate waarin een afwijzing nader dient te worden gemotiveerd, zijn wegens de vele, uiteenlopende situaties die zich kunnen voordoen, geen algemene regels te geven, ook niet omtrent de vraag of onder bijzondere omstandigheden, bijvoorbeeld bij onvoorziene ontwikkelingen, eisen van een eerlijke procesvoering zich verzetten tegen een afwijzing. Wel zijn daarbij de aard van het onderwerp waarover de getuige zou kunnen verklaren van belang alsmede de indringendheid van de door de verdediging aangevoerde argumenten om hem te horen.” [4]
3.11
In zijn overzichtsarrest van 4 juli 2017 voegde de Hoge Raad daaraan onder meer toe (met weglating van voetnoten):
“3.7.3. Ingeval het verzoek tot het horen een persoon betreft die in het vooronderzoek nog geen verklaring heeft afgelegd, dient de motivering van het verzoek betrekking te hebben op het belang van het afleggen van een verklaring door het horen van deze getuige voor enige in de strafzaak uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing, en dienen in het bijzonder de redenen te worden opgegeven waarom de verklaring kan strekken tot staving van de betwisting van het tenlastegelegde dan wel ter onderbouwing van een verweer of standpunt dat betrekking heeft op een van de andere door de rechter uit hoofde van de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissingen.
3.8.1.
Of een verzoek tot het horen van getuigen naar behoren is onderbouwd alsook of het dient te worden toegewezen, zal de rechter in het licht van alle omstandigheden van het geval - en met inachtneming van het toepasselijke criterium - moeten beoordelen. De rechter dient, indien hij een verzoek afwijst, de feitelijke en/of juridische gronden waarop die afwijzing berust, in het proces-verbaal van de terechtzitting dan wel de uitspraak op te nemen. Die rechterlijke motiveringsplicht steunt mede op art. 6 EVRM Pro.
3.8.2.
In cassatie gaat het bij de beoordeling van de afwijzing van een verzoek tot het horen van getuigen in de kern om de vraag of de beslissing begrijpelijk is in het licht van - als waren het communicerende vaten - enerzijds hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd en anderzijds de gronden waarop het is afgewezen.” [5]
3.12
In de toelichting op het middel wordt om te beginnen geklaagd over de bij tussenarrest genomen afwijzende beslissing met betrekking tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3]. Daartoe wordt in algemene zin aangevoerd dat deze beslissing onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd is, “mede in het licht van hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd”. Meer specifiek betoogt de steller van het middel dat het oordeel van het hof, inhoudende dat onvoldoende is onderbouwd dat deze getuigen iets kunnen verklaren over de tenlastegelegde feiten, onbegrijpelijk is, omdat deze getuigen aanwezig zijn geweest in de woning van de slachtoffers in de tenlastegelegde periode, zij bij de onder 4 tenlastegelegde gedragingen aanwezig zijn geweest en zij hieraan actief hebben deelgenomen. Ook de opmerking van het hof dat het gestelde in een zodanig ver verwijderd verband staat tot de door het hof te beantwoorden (bewijs)vragen, zou gelet op het feit dat de personen die de verdediging wenst te ondervragen directe getuigen van de gebeurtenissen zijn, en gelet op de onderbouwing van de getuigenverzoeken, onbegrijpelijk zijn.
3.13
De verdediging heeft ter onderbouwing van het verzoek tot het horen van [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] aangevoerd dat deze drie getuigen in de tenlastegelegde periode bij [de familie] over de vloer kwamen, zodat zij kunnen bevestigen dat [de familie] niet onder druk stond van de verdachte en dat de sfeer goed was.
3.14
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte door de afwijzing van de getuigenverzoeken niet in zijn verdediging is geschaad, waarmee het hof (terecht) toepassing heeft gegeven aan de maatstaf van het verdedigingsbelang. Het oordeel van het hof is ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij neem ik allereerst in aanmerking dat het hof heeft overwogen dat het feit dat de getuigen zouden kunnen verklaren dat er een prettige sfeer in de woning van de aangevers heerste wanneer zij in die woning waren, niets zegt over de momenten waarop deze getuigen daar niet aanwezig waren. Het hof heeft hiermee tot uitdrukking gebracht dat de punten waarover de getuigen kunnen verklaren, in redelijkheid niet van belang kunnen zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing. Verder acht ik het hierbij van belang dat het hof in het bestreden arrest heeft overwogen dat uit het dossier blijkt dat [de familie] de verdachte tot op het laatste moment heeft gezien als de beschermer die zij nodig hadden tegen de dreiging vanuit de bende Colombianen (ik begrijp: Dominicanen) en de No Limit Soldiers. In dat licht is het niet opmerkelijk dat de slachtoffers geen druk van de verdachte hebben ervaren en dat de sfeer goed was, zodat ook in zoverre de punten waarover de getuigen zouden kunnen verklaren in redelijkheid niet van belang zijn voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing. Ook in dit licht is het oordeel van het hof niet onbegrijpelijk.
3.15
Ten overvloede merk ik op dat door de verdediging ter onderbouwing van het getuigenverzoek niet naar voren is gebracht dat de betreffende getuigen aanwezig zijn geweest bij de onder 4 tenlastegelegde gedragingen of dat zij hieraan actief hebben deelgenomen, zodat dit geen succesvol argument kan opleveren voor de stelling dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is.
3.16
Verder wordt in de toelichting op het middel geklaagd over de bij tussenarrest genomen afwijzende beslissing met betrekking tot het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5]. Ook deze afwijzing is volgens de steller van het middel niet begrijpelijk en ontoereikend gemotiveerd in het licht van hetgeen door de verdediging aan dat verzoek ten grondslag is gelegd. Meer specifieke argumenten worden met betrekking tot deze getuigen niet aangevoerd.
3.17
Aan het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] heeft de verdediging ten grondslag gelegd dat zij kunnen bevestigen dat de verdachte in de tenlastegelegde periode thuis woonde en dat zij kunnen verklaren over de aangevers, welke invloed zij hadden op verdachte en over de impact van een eventuele strafmaat op de verdachte. Gesteld is dat het in het belang van de verdediging is dat deze getuigen worden gehoord om de betrouwbaarheid van de verklaringen te toetsen.
3.18
Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte door de afwijzing van deze getuigenverzoeken niet in zijn verdediging is geschaad. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij weeg ik mee dat het hof met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gevolgen van het strafproces, heeft overwogen dat de verdachte hier zelf ook over kan verklaren en dat daarnaast met betrekking tot het belang van de waarheidsvinding geldt dat de verdediging niet heeft toegelicht waarom een verklaring van deze getuigen over de invloed van de aangevers van de verdachte en over het woonadres van de verdachte, van belang is voor enige in zijn strafzaak te nemen beslissing of kan strekken tot betwisting van de tenlastelegging.
3.19
Het middel faalt voor zover het klaagt over de bij tussenarrest van 4 februari 2020 genomen beslissingen op de getuigenverzoeken.
De ter terechtzitting van 29 april 2021 genomen beslissingen op de getuigenverzoeken
3.2
De raadsvrouw van de verdachte heeft bij e-mail van 28 april 2021 het eerder gedane verzoek tot het horen van (onder meer) de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] herhaald. Op de terechtzitting in hoger beroep van 29 april 2021 heeft de raadsvrouw van de verdachte deze verzoeken nader toegelicht. Het hof heeft de verzoeken op deze terechtzitting afgewezen.
3.21
Op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2023 is het onderzoek ter terechtzitting opnieuw aangevangen vanwege een gewijzigde samenstelling van het hof. De ter terechtzitting van 29 april 2021 genomen beslissingen op de getuigenverzoeken zijn daarbij niet in stand gebleven. [6] Over deze beslissingen kan in cassatie dan ook niet worden geklaagd.
3.22
Het middel faalt voor zover het klaagt over de ter terechtzitting van 29 april 2021 genomen beslissingen op de getuigenverzoeken.
De ter terechtzitting van 24 mei 2023 genomen beslissingen op de getuigenverzoeken
3.23
De raadsvrouw van de verdachte heeft op de terechtzitting van 24 mei 2023, nadat het onderzoek ter terechtzitting vanwege een gewijzigde samenstelling van het hof opnieuw was aangevangen, aan de hand van de door haar overgelegde pleitnota de eerder gedane getuigenverzoeken herhaald en deze verzoeken aangevuld met betrekking tot de getuige [getuige 6]. De pleitnota houdt in:
“Cliënt verzoekt u om de navolgende getuigen te horen:
1. [getuige 6] […]
2. [getuige 1] […]
3. [getuige 2] […]
4. [getuige 3] […]
5. [getuige 4] […]
6. [getuige 5] […]
Motivering getuigen 1 t/m 4:
In het dossier bevindt zich de verklaring van [getuige 6] (p. 94-95), die verklaart dat hij in 2015 veel over de vloer kwam bij [de familie] en dat in zijn beleving [slachtoffer 2] en cliënt het altijd heel leuk hebben gehad samen. [getuige 6] verklaart dat hem in de woning van [de familie] geen bijzonderheden zijn opgevallen. Hij verklaart dat het daar altijd heel gezellig was en dat daar in de woning in zijn bijzijn geen vreemde dingen zijn gebeurd. Hij heeft nooit de indruk gehad dat iemand in [de familie] onder druk heeft gestaan van cliënt. Ook verklaart hij dat cliënt en [slachtoffer 3] normaal met elkaar omgingen. Dit is belangrijk ontlastend bewijsmateriaal.
In de woning van [de familie] kwamen destijds ook de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] over de vloer. Zij kunnen ook bevestigen dat [de familie] niet onder druk stond van cliënt en dat de sfeer in de woning van [de familie] in de tenlastegelegde periode goed was.
De rechtbank heeft in haar bewijsoverwegingen opgenomen dat andere motieven voor [de familie] om de onder feit 4 genoemde gedragingen te vertonen niet zijn gesteld noch aannemelijk zijn geworden (vonnis, p. 11).
Cliënt stelt evenwel dat hij en zijn vrienden samen met [de familie] spellen speelden en dat wie verloor een opdracht moest uitvoeren. De onder feit 4 genoemde gedragingen maakten hier onderdeel van uit. [de familie] heeft bij de politie en de getuigenverhoren bij de Raadsheer-Commissaris aangegeven dat de vrienden van cliënt aanwezig waren bij het uitvoeren van opdrachten en hieraan actief deelnamen door bijvoorbeeld met [slachtoffer 3] te boksen of door het gooien van eieren naar [slachtoffer 3]. Dit laatste is ook waargenomen door buren van [de familie]. [slachtoffer 2] heeft bij de Raadsheer-Commissaris verklaard dat cliënt en zijn vrienden een andere kameraad van hen genaamd [betrokkene 1] ook een jurk hebben laten aantrekken, omdat ze dit grappig vonden.
De verdediging acht het noodzakelijk voor zijn verdediging dat deze getuigen gehoord worden over de sfeer in de woning, de omgang tussen alle betrokkenen, over (het gebrek aan) een dreigende situatie c.q. dwang, over de spellen en de opdrachten, wie eraan deel heeft genomen en wat de reden is dat [de familie] deze opdrachten uitvoerde om aannemelijk te maken dat er andere motieven hebben gespeeld om deze gedragingen te vertonen en er geen sprake is geweest van dwang als bedoeld in artikel 317 Sr Pro. En voorts om hen te vragen naar gokgedrag door [slachtoffer 3], seksueel getint gedrag van [slachtoffer 1] in de richting van de vrienden van cliënt, de aanwezigheid en gebruik van telefoons en laptops door [de familie] in de tenlastegelegde periode en hen te vragen vanaf wanneer [slachtoffer 3] zijn haar heeft geschoren. De reden hiervan is dat hiermee de onbetrouwbaarheid van de verklaringen van [de familie] aangetoond kan worden en hun alternatieve motieven blootgelegd kunnen worden.
Motivering getuigen 5 en 6:
Cliënt acht het gelet op de ernst van de verdenking, de eerder opgelegde straf en de beperkte mogelijkheden om de betrouwbaarheid van de verklaringen van [de familie] aan te vechten verder noodzakelijk om zijn moeder en zusje als getuigen te horen in verband met de betrouwbaarheid van de verklaringen van [de familie] en in het kader van een eventuele strafoplegging.
De getuigen kunnen bevestigen dat cliënt in de tenlastegelegde periode minder thuis was, maar wel nog steeds gewoon thuis woonde. Hij is in de tenlastegelegde periode niet bij [de familie] ingetrokken. Dit is met name relevant, omdat [de familie] stelt dat dit wel het geval was en dat cliënt hun leven in de woning domineerde en hun apparatuur beheerde.
Cliënt heeft [slachtoffer 2] leren kennen mede naar aanleiding van haar ruzie met het zusje van cliënt. Zijn moeder en zusje kunnen verklaren over de personen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3] en [slachtoffer 2] en welke invloed zij op cliënt hadden. Zij hebben gezien hoe hij een deel van zijn haar heeft weggeschoren en een sik laten staan onder haar invloed.
Zij kunnen ook verklaren over de impact van de verdenking op cliënt en over de gevolgen van het opleggen van een langdurige gevangenisstraf voor cliënt, over zijn beïnvloedbaarheid, zijn huidige relatie en gezondheid. Dit is in het bijzonder van belang nu het meest recente reclasseringsrapport uit 2021 dateert.”
3.24
Verder heeft de raadsvrouw van de verdachte op deze terechtzitting van 24 mei 2023 als volgt gedupliceerd:
“De advocaat-generaal zegt dat mijn moeder en zus niet relevante getuigen zijn, omdat zij er niet bij waren. De personen die mijn raadsvrouw heeft genoemd waren wel bij de opdrachten.”
3.25
Het hof heeft de verzoeken op deze terechtzitting van 24 mei 2023 als volgt afgewezen:
“Het hof wijst af het verzoek tot het horen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3] en [getuige 6]. Daarbij wordt verwezen naar de motivering van de afwijzing van de getuigenverzoeken betreffende getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3], zoals opgenomen in het tussenarrest van het hof van 4 februari 2020. Deze motivering volstaat eveneens voor de afwijzing van het getuigenverzoek betreffende getuige [getuige 6]. Het hof acht het onvoldoende onderbouwd dat deze getuigen iets kunnen verklaren over de tenlastegelegde feiten. Zelfs als deze getuigen verklaren wat de verdediging heeft gesteld, kort gezegd dat er een prettige sfeer in de woning van aangevers heerste als de getuigen in die woning waren, zegt dat niets over de momenten waarop deze getuigen niet in die woning aanwezig waren. Ook overigens staat het gestelde in een zodanig ver verwijderd verband tot de door het hof te beantwoorden (bewijs)vragen, dat de verdachte door de afwijzing van de getuigen niet in zijn verdediging is geschaad.
Het hof wijst eveneens af het horen van de getuigen [getuige 4] en [getuige 5]. Daarbij wordt verwezen naar de motivering van de afwijzing van deze getuigenverzoeken zoals opgenomen in het tussenarrest van het hof van 4 februari 2020. Naar het oordeel van het hof volgt uit de onderbouwing van het verzoek onvoldoende het belang van de verdediging bij het horen van deze getuigen. Dit geldt voor het gestelde belang van de getuigen voor de waarheidsvinding. Voor zover de getuigen ook iets zouden kunnen zeggen over de persoonlijke omstandigheden van verdachte en over de gevolgen van het strafproces, geldt bovendien dat verdachte hier zelf ook over kan verklaren. De verdachte is door de afwijzing van de getuigen niet in zijn verdediging geschaad.
In aanvulling daarop overweegt het hof dat de zes getuigenverzoeken ook op grond van het noodzaakscriterium niet voor toewijzing in aanmerking komen. Mocht hof in raadkamer tot het oordeel komen dat het wenselijk is om de getuigen alsnog te horen, dan zal het hof het onderzoek heropenen. Vooralsnog volgt afwijzing van de getuigenverzoeken.”
3.26
In de toelichting op het middel wordt geklaagd dat deze beslissingen van het hof onbegrijpelijk en onvoldoende gemotiveerd zijn.
3.27
Het hof heeft in zijn overwegingen omtrent de afwijzing van de getuigenverzoeken verwezen naar zijn motivering van de afwijzing van de getuigenverzoeken in het tussenarrest van 4 februari 2020. Daarbij had het hof toepassing gegeven aan het criterium van het verdedigingsbelang. Met betrekking tot de getuige [getuige 6] heeft het hof overwogen dat voor de afwijzing van dit getuigenverzoek de bij tussenarrest gegeven motivering ten aanzien van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] volstaat. In aanvulling hierop heeft het hof overwogen dat de getuigenverzoeken ook op grond van het noodzakelijkheidscriterium niet voor toewijzing in aanmerking komen.
3.28
Hierin ligt besloten dat het hof zich voldoende geïnformeerd acht en dat – met het oog op de volledigheid van het onderzoek – de noodzaak van het horen van de getuigen niet is gebleken. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Voor wat betreft de getuigen [getuige 6], [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] speelt daarbij mee dat het zeer de vraag is of deze getuigen een zinvolle bijdrage zouden kunnen leveren aan het onderzoek naar de tenlastegelegde feiten, aangezien zij alleen iets zouden kunnen verklaren over de sfeer tussen de verdachte en de slachtoffers en de druk op de slachtoffers wanneer zij bij hen aanwezig waren. Dit zegt niets over de momenten waarop zij afwezig waren. Ook zou een verklaring over een goede sfeer tussen de verdachte en de slachtoffers van weinig betekenis zijn voor de tenlastegelegde feiten, gelet op de vaststelling van het hof dat [de familie] de verdachte tot op het laatste moment juist zag als beschermer. Voor wat betreft de getuigen [getuige 4] en [getuige 5] acht ik het van belang dat het hof de verklaringen van de verdachte toereikend achtte voor de persoonlijke omstandigheden van de verdachte en de gevolgen van het strafproces. Ook is niet onbegrijpelijk is dat het hof zich op grond van de zich in het dossier bevindende verklaringen (bijvoorbeeld bewijsmiddel 11, 12 en 13) voldoende voorgelicht achtte.
3.29
Over de meer specifieke argumenten die de steller van het middel in de schriftuur naar voren brengt, merk ik nog het volgende op. Om te beginnen voert de steller van het middel aan dat het hof bewijsmiddelen en bewijsoverwegingen heeft opgenomen die feiten en omstandigheden bevatten waarover de verzochte getuigen – zoals door de verdediging naar voren zou zijn gebracht – anders zouden kunnen verklaren. Dit argument gaat niet op. De feitenrechter hoeft niet iedere getuige te horen die mogelijk afwijkend zou kunnen verklaren over feiten en omstandigheden die uit de bewijsmiddelen blijken. Wanneer het dossier bijvoorbeeld vijf getuigenverklaringen bevat met de inhoud ‘a’, kan de feitenrechter zich daarmee voldoende voorgelicht achten en het horen van een getuige die mogelijk ‘b’ zou kunnen verklaren, achterwege laten.
3.3
Daarnaast wijst de steller van het middel erop dat het hof op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2023 aan de verdachte heeft gevraagd naar een foto waarop de verdachte met een hoeveelheid geld zichtbaar is met de getuige [getuige 1]. Volgens de steller van het middel blijkt hieruit dat het hof zich ‘hierover’ nog niet voldoende voorgelicht achtte. Ook dit argument overtuigt niet. Ter onderbouwing van het verzoek om [getuige 1] te horen is niets aangevoerd over een hoeveelheid geld, of over een foto van de verdachte en [getuige 1] met een hoeveelheid geld. Ik zie dan ook niet in waarom de afwijzing van het verzoek om [getuige 1] te horen gelet op deze vraag van het hof onbegrijpelijk zou zijn.
3.31
Verder betoogt de steller van het middel dat het hof bij de afwijzing van de getuigenverzoeken de verkeerde maatstaf heeft gehanteerd. Zij licht niet toe welke maatstaf het hof heeft gehanteerd en evenmin welke maatstaf het had moeten toepassen. Uit de overwegingen van het hof die in dit verband in de schriftuur zijn geciteerd, eindigend op: “[…] de verdediging door de afwijzing van de getuigen niet in zijn verdediging is geschaad”, leid ik af dat de steller van het middel meent dat het hof het criterium van het verdedigingsbelang heeft toegepast en het noodzakelijkheidscriterium had moeten toepassen. Met betrekking tot dit argument merk ik op dat het hof weliswaar heeft verwezen naar de motivering die het bij tussenarrest van 4 februari 2020 had gegeven – waarbij het hof het criterium van het verdedigingsbelang had toegepast –, maar dat het hof in aanvulling daarop heeft overwogen dat de getuigenverzoeken ook op grond van het noodzakelijkheidscriterium niet voor toewijzing in aanmerking komen. Nu het noodzakelijkheidscriterium in dit geval de juiste maatstaf was, faalt het middel ook in zoverre.
3.32
Tot slot voert de steller van het middel aan dat het hof op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. Ook op dit punt faalt het middel, nu van een afwijzing op de grond dat de rechter zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en hem dus de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoor niet is gebleken, niet gezegd kan worden dat deze afwijzing ervan blijk geeft dat de rechter op ontoelaatbare wijze is vooruitgelopen op hetgeen de getuigen zouden kunnen verklaren. [7]
3.33
Het middel faalt eveneens voor zover het klaagt over de ter terechtzitting van 24 mei 2023 genomen beslissingen op de getuigenverzoeken.
3.34
Het middel faalt en kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
4. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5. Deze conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden

AG

Voetnoten

1.Het verzoek tot het horen van [getuige 6] is eerst gedaan op de terechtzitting in hoger beroep van 24 mei 2023. De beslissingen van het hof bij tussenarrest van 4 februari 2020 en 29 april 2021 hebben dan ook geen betrekking op deze getuige, maar enkel op de getuigen [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5].
2.Het betreffen beslissingen uit hoofde van art. 287 lid 3 jo Pro. 288 lid 1 onder c Sv. Op grond van art. 322 lid 4 Sv Pro blijven dergelijke beslissingen in stand wanneer het onderzoek ter terechtzitting opnieuw wordt aangevangen.
3.Zie bijvoorbeeld HR 19 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:498, r.o. 2.5.4.
4.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
5.HR 4 juli 2017, ECLI:NL:HR:2017:1015,
6.Het betreffen immers beslissingen uit hoofde van art. 415 jo Pro. 315 Sv, waarop art. 322 lid 4 Sv Pro niet van toepassing is. Zie HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
7.HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,