De zaak betreft een verdachte die op 30 december 2021 te Eindhoven een paslezer in een bus van Hermes vernielde en weigerde mee te werken aan een ademanalyse. Het hof ’s-Hertogenbosch bevestigde het vonnis van de politierechter waarin de verdachte werd veroordeeld tot 4 weken gevangenisstraf en de tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf van 1 maand werd gelast.
De verdediging voerde in cassatie twee middelen aan: de eerste betrof een bewijsklacht dat het hof de bewezenverklaring uitsluitend baseerde op de verklaring van één getuige, in strijd met art. 342, tweede lid, Sv. De tweede middel betrof een klacht over onvoldoende strafmotivering, met name het ontbreken van specifieke redenen voor de onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf.
De Hoge Raad oordeelt dat de verklaring van de getuige voldoende steun vindt in het overige bewijsmateriaal, zoals de foto van de vernielde paslezer, de aanhouding van de verdachte in de bus en verklaringen van verbalisanten. De eis van art. 342, tweede lid, Sv is aldus niet geschonden. Ten aanzien van de strafmotivering stelt de Hoge Raad vast dat het hof en de politierechter voldoende en samenhangend hebben gemotiveerd waarom een gevangenisstraf passend en geboden is, mede gelet op eerdere veroordelingen en de ernst van de feiten. Het beroep wordt verworpen.