Conclusie
1.Het cassatieberoep
2.Oplegging van de maatregel
Oplegging van maatregel
time-out;
NJ2006/126). Voorgaande strookt met de uitdrukkelijke bedoeling van de wetgever om oplegging van een tbs-maatregel mogelijk te maken indien sprake is van belaging, een delict waarbij in beginsel geen sprake is van fysiek gevaar voor het slachtoffer. Verdachte heeft met haar handelen herhaaldelijk een ernstige inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van aangevers en hun familie, hetgeen ten koste ging van hun psychische gezondheid. Het risico op recidive wordt door de deskundigen ingeschat als hoog, zodat nog steeds gevaar bestaat voor de psychische gezondheid van aangevers dan wel voor de algemene veiligheid van personen. Aldus is aan de vereisten voor oplegging van een tbs-maatregel voldaan, zodat het primaire verweer van de raadsvrouw wordt verworpen.”
3.De middelen
waaromeen zorgmachtiging geen oplossing zou kunnen zijn voor het wegnemen van het recidivegevaar. Het gerechtshof heeft dus een niet getoetste, niet-onderbouwde aanname gedaan dat sprake is van gevaar en uitsluitend impliciet dat dat gevaar de tbs doet eisen.”
bij terugkeer in de maatschappijhoog is, aangezien dat een ander uitgangspunt is dan de vraag of het risico op recidive tot aanvaardbare omvang teruggedrongen zou kunnen worden in geval van een zorgmachtiging, en de Wvggz in het genoemde artikel nu juist heel adequate mogelijkheden bevat om het recidivegevaar in deze zaak weg te nemen.”
welk gevaarvoor de psychische gezondheid van de aangevers zou bestaan. Niet wordt geklaagd over de vraag of het voor de oplegging van een terbeschikkingstelling geldende gevaarscriterium wel ziet op gevaar voor de psychische gezondheid van de aangevers. Dat laatste zou op zichzelf een interessante klacht zijn geweest, omdat de Hoge Raad zich hierover in de context van de terbeschikkingstelling – voor zover mij althans bekend – nooit expliciet heeft uitgesproken. Het hof heeft dat in de onderhavige zaak wel gedaan en heeft daarbij aansluiting gezocht bij een arrest van de Hoge Raad uit 2006 [2] dat betrekking had op – de inmiddels vervallen bepaling over – de maatregel tot plaatsing in een psychiatrisch ziekenhuis (art. 37 Sr Pro oud) [3] . Uit dat arrest leidt het hof af dat de psychische gezondheid van personen ook onder de reikwijdte van het gevaarscriterium van art. 37a Sr valt. In het arrest uit 2006 ging het evenals in de onderhavige zaak om belaging. De overeenkomst gaat verder, want evenals in de onderhavige zaak werd de verdachte voor de belaging niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Anders dan in de onderhavige zaak werd niet de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast, maar de plaatsing in een psychiatrisch ziekhuis als bedoeld in art. 37 Sr Pro (oud). In cassatie werd geklaagd dat onvoldoende was gemotiveerd dat de verdachte ‘gevaarlijk is voor zichzelf, voor anderen, of voor de algemene veiligheid van personen of goederen’ in de zin van art. 37 Sr Pro (oud). De Hoge Raad leidde uit de wetsgeschiedenis van dit artikel af dat de wetgever met de gekozen bewoordingen heeft beoogd aan te sluiten bij de toentertijd vrijwel gelijkluidende formulering van art. 1 lid 1 van Pro de (inmiddels ook vervallen) Wet bijzondere opnemingen in psychiatrische ziekenhuizen (verder: Wet BOPZ). Dat artikel is op 1 december 2000 nog eens gewijzigd. Die wijziging leidde ertoe dat in art. 1 lid 1 onder Pro f sub 2b Wet BOPZ “gevaar voor een of meer anderen” onder meer werd omschreven als “het gevaar voor de
psychische gezondheid[cursivering A-G] van een ander”. Met deze wijziging werd geen inhoudelijke verandering beoogd ten opzichte van de eerdere tekst van dit artikel die, als gezegd, sterke gelijkenis vertoonde met art. 37 Sr Pro (oud). Om die reden oordeelde de Hoge Raad dat het cassatiemiddel faalde voor zover daarin werd gesteld dat voor toepassing van art. 37 Sr Pro (oud) sprake moest zijn van een direct fysiek gevaar. [4] Onder gevaar dient mede te worden verstaan het gevaar voor de
psychischegezondheid van een ander. [5]
zichzelf.
Behandeling van de psychische problematiek van de belager kan perspectief bieden op een leven zonder stelselmatig inbreuk maken op de persoonlijke levenssfeer van het slachtoffer[cursivering A-G]. Daar is de terbeschikkinggestelde ook mee gebaat”. [10] Het van opnemen van art. 285b Sr in art. 37a lid 1 Sr zou praktisch nauwelijks betekenis hebben wanneer gevaar voor de psychische gezondheid van de belaagde niet onder het gevaarsbegrip van art. 37a Sr zou kunnen worden begrepen. [11]