ECLI:NL:HR:2009:BG1645
Hoge Raad
- Cassatie
- F.H. Koster
- J.P. Balkema
- B.C. de Savornin Lohman
- J. de Hullu
- W.M.E. Thomassen
- Rechtspraak.nl
Hoge Raad bevestigt beoordelingsvrijheid rechter bij oplegging tbs en vermindert gevangenisstraf wegens termijnoverschrijding
In deze zaak stond de vraag centraal of aan verdachte de maatregel van terbeschikkingstelling (tbs) met dwangverpleging moest worden opgelegd. Het hof had de adviezen van deskundigen van het Pieter Baan Centrum, die een afhankelijkheidsstoornis en aanzienlijk recidivegevaar constateerden, naast eigen bevindingen gelegd. Het hof oordeelde dat er geen acuut gevaar voor herhaling was en dat de veiligheid van anderen of de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van tbs niet vereiste.
De Hoge Raad bevestigde dat de rechter in feitelijke aanleg niet gebonden is aan de rapporten en adviezen van deskundigen en dat de waardering van deze rapporten aan de rechter is voorbehouden. Het hof had deze waardering op een begrijpelijke wijze gedaan en zijn oordeel over het recidivegevaar was niet onbegrijpelijk. De klacht dat het hof een onjuiste maatstaf hanteerde door alleen acuut gevaar te betrekken, werd verworpen.
Daarnaast oordeelde de Hoge Raad dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 EVRM Pro was overschreden, hetgeen leidde tot vermindering van de gevangenisstraf van negen naar acht jaar en zes maanden. Het beroep werd verder verworpen, en het arrest van het hof werd vernietigd voor zover het de duur van de gevangenisstraf betrof, met terugwijzing voor hernieuwde berechting en beslissing over die strafduur.
Uitkomst: De gevangenisstraf wordt verminderd tot acht jaar en zes maanden wegens overschrijding van de redelijke termijn; het hof had terecht de oplegging van tbs afgewezen.