Conclusie
eersteen
tweedemiddel bevatten klachten inzake de opgelegde maatregelen strekkende tot beperking van de vrijheid. Het
derdemiddel bevat de klacht dat het arrest niet is gewezen door drie rechterlijke ambtenaren ‘van wie een als voorzitter optreedt’ althans dat na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting een ‘voorzitterswissel’ heeft plaatsgevonden. Het
vierdemiddel bevat klachten inzake de bewezenverklaring van en kwalificatiebeslissing bij feit 3.
Motivering op te leggen straf en maatregel
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren zich niet zal bevinden binnen een straal van 100 meter van de [b-straat] te Rotterdam en de Coolsingel 40 (stadhuis) te Rotterdam.
vervangende hechtenisbedraagt
één weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een
totale duur van ten hoogste zes maanden.
dadelijk uitvoerbaaris.
maatregel strekkende tot beperking van de vrijheidinhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met A. Aboutaleb, geboren 29 augustus 1961 te Beni Sidel in Marokko.
vervangende hechtenisbedraagt
één weekvoor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan, met een
totale duur van ten hoogste zes maanden.
dadelijk uitvoerbaaris.
Feit 3 – belediging :
4.Gevallen waarin de maatregel kan worden toegepast
3.Inhoud van de maatregel
BFK: de drie kinderen) tenzij een dergelijk contact noodzakelijk is in het kader van afspraken die over de omgang met voornoemde
(BFK: kinderen)worden gemaakt en voor zover de gezinsvoogd daarbij betrokken is’. In cassatie werd aangevoerd dat het hof een ontoelaatbare inbreuk had gemaakt op art. 8 EVRM Pro door aan de verdachte een contactverbod van vijf jaren met zijn kinderen op te leggen. A-G Spronken merkte onder meer op dat de raadsman inzake het gevorderde contactverbod met zijn kinderen ten overstaan van het hof enkel had aangevoerd ‘dat een contact- en locatieverbod volgens de verdachte overbodig is en het alleen maar nog moeilijker zal maken om contact te hebben met zijn kinderen’ (randnummer 2.19). Uw Raad overwoog dat ’s hofs oordeel dat de aan de verdachte opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel – ook in het licht van het door art. 8 EVRM Pro gewaarborgde recht op eerbiediging van privé-, familie- en gezinsleven – proportioneel en noodzakelijk was, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en toereikend gemotiveerd was. Daarbij nam Uw Raad in aanmerking ‘dat, anders dan het middel kennelijk tot uitgangspunt neemt, het contact tussen de verdachte en zijn kinderen gedurende deze periode niet onmogelijk is, maar is beperkt tot contact waarbij de gezinsvoogd is betrokken en dat plaatsvindt in het kader van afspraken over de omgang met de kinderen’.
De termijn van zes maanden omvat de periode waarin de verdachte vervangende hechtenis heeft ondergaan in verband met een in eerste aanleg opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel die dadelijk uitvoerbaar is verklaard. Daarbij geldt dat in de executiefase moet worden bepaald welk deel van die zes maanden vervangende hechtenis al ten uitvoer is gelegd en welk deel daarvan nog resteert.
gebiedsverbod. De
eerstedeelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de gevolgen die de verdachte daarvan kan ondervinden in zijn dagelijks leven. In het bijzonder behoorde het hof volgens de steller van het middel aandacht te besteden aan de omstandigheid dat het gebiedsverbod tot gevolg heeft dat de verdachte ‘(meer dan) drie jaren geen toegang heeft tot een plaats met een publiek karakter en belangrijke maatschappelijke functie – het stadhuis – waar voor het dagelijks leven essentiële (overheids)diensten en documenten worden verleend/verstrekt’. De
tweededeelklacht houdt in dat de oplegging van het gebiedsverbod een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het in artikel 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid. De
derdedeelklacht houdt in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de inbreuk op het door artikel 2 van Pro het Vierde Protocol bij het EVRM gewaarborgde recht op bewegingsvrijheid, alsook het in artikel 125 lid 1 Grondwet Pro besloten liggende recht op aanwezigheid bij de openbare gemeenteraadsvergaderingen en het in artikel 4 Grondwet Pro en artikel 3 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM gewaarborgde actief en passief kiesrecht, terwijl het hof evenmin overwegingen heeft gewijd aan de proportionaliteit en/of noodzakelijkheid van de maatregel zodat de oplegging lijdt aan een motiveringsgebrek.
contactverbodhoudt de
vierdedeelklacht in dat het hof ten onrechte niet heeft doen blijken van een afweging tussen het doel van de maatregel en de gevolgen die de verdachte daarvan kan ondervinden in zijn dagelijks leven. In het bijzonder had het hof volgens de steller van het middel aandacht behoren te besteden aan de omstandigheid dat de verdachte als gevolg van het contactverbod gedurende een periode van (meer dan) drie jaren geen aanvragen meer kan indienen bij de burgemeester van de gemeente Rotterdam en evenmin nog bezwaar kan instellen tegen diens besluiten. De
vijfdedeelklacht houdt in dat de oplegging van deze maatregel een ontoelaatbare inbreuk oplevert op het in artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op toegang tot een ‘independent and impartial tribunal established by law’. En de
zesdedeelklacht houdt in dat het hof geen overwegingen heeft gewijd aan de noodzakelijkheid en proportionaliteit van deze maatregel zodat de oplegging hiervan lijdt aan een motiveringsgebrek.