Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Slotsom
4.Beslissing
19 september 2017.
Hoge Raad
De verdachte werd door het Hof Den Haag veroordeeld wegens het opzettelijk beledigen van politieambtenaren tijdens een zitting, waarbij een strafverhoging werd toegepast op grond van art. 267 Sr Pro. Dit artikel verhoogt de straf indien de belediging wordt gericht aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.
De Hoge Raad oordeelt dat het Hof ten onrechte heeft aangenomen dat de strafverhoging automatisch van toepassing is wanneer de ambtenaren in hun hoedanigheid als politieambtenaar worden beledigd, zonder dat is vastgesteld dat de belediging plaatsvond tijdens of ter zake van de uitoefening van hun bediening. De Hoge Raad benadrukt dat er een temporeel of inhoudelijk verband moet zijn tussen de belediging en de uitoefening van de bediening.
Omdat het Hof niet heeft bewezenverklaard dat de belediging tijdens de uitoefening van de bediening plaatsvond, vernietigt de Hoge Raad het arrest en wijst de zaak terug naar het Hof Den Haag voor een nieuwe beoordeling. De gebruikte bewijsmiddelen betreffen verklaringen van de politieambtenaren die de beledigingen hebben waargenomen tijdens een zitting waarin de verdachte aanwezig was.
De Hoge Raad bevestigt hiermee het belang van een juiste interpretatie van art. 267 Sr Pro en de noodzaak van een concreet verband tussen de belediging en de bediening voor toepassing van de strafverhoging.
Uitkomst: Het arrest van het hof wordt vernietigd en de zaak wordt terugverwezen voor hernieuwde berechting.