Conclusie
(hierna: de moeder).
(hierna: de Raad),
(hierna: de vader),
– mr. H. Hooijer
(hierna: de bijzondere curator).
1.Inleiding
3.Bespreking van het cassatiemiddel
onderdeel I, onder 1 en 3, voert de moeder aan dat zij als belanghebbende moet worden aangemerkt, zodat zij haar rechten ontleend aan art. 8 EVRM Pro kan bepleiten in de kinderbeschermingszaak van de minderjarige. Het middel koppelt hieraan geen (duidelijke) klacht. Hoe dan ook, gaat dit betoog eraan voorbij dat het hof in de bestreden beschikking niet heeft geoordeeld over de vraag of de moeder als belanghebbende moet worden aangemerkt. Het hof is aan deze vraag niet toegekomen (‘Het hof komt dan ook niet toe aan de beoordeling van het standpunt van de moeder dat zij niet als informant, maar als belanghebbende in de procedure moet worden aangemerkt’, rov. 3.3).
onderdeel I, onder 2, betoogt de moeder dat het hof heeft miskend, dat als de rechtbank de moeder niet als belanghebbende wilde aanmerken, zij dat – gelet op de ingrijpende gevolgen van die beslissing – bij beschikking had moeten doen, zodat de moeder daartegen een rechtsmiddel had kunnen aanwenden. Deze klacht miskent dat de brief van 18 juli 2023 en het e-mailbericht van 4 augustus 2023, waarin de rechtbank de moeder als informant en niet als belanghebbende heeft aangemerkt, kwalificeren als een rechterlijke tussenbeslissing waartegen de moeder gelijktijdig met de eindbeslissing een rechtsmiddel kan instellen.
onderdeel I, onder 5 en 6, neemt de moeder tot uitgangspunt dat het hof de doorbrekingsjurisprudentie heeft geschonden. Het middel veronderstelt hiermee dat in de bestreden beschikking het oordeel besloten ligt dat het rechtsmiddelenverbod van toepassing is. Ik lees dat niet terug in de bestreden beschikking. Het hof heeft de moeder niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep omdat de brief van 18 juli 2023 en het e-mailbericht van 4 augustus 2023 in de visie van het hof niet beschouwd kunnen worden als een beschikking. De niet-ontvankelijkverklaring van de moeder is niet gebaseerd op het rechtsmiddelenverbod. De klacht mist derhalve feitelijke grondslag.
onderdeel I, onder 7, betoogt de moeder dat de waarborg van een ‘effective remedy’ als bedoeld in art. 13 EVRM Pro vereist dat een ouder zonder gezag terstond en met schorsende werking hoger beroep moet kunnen instellen tegen een beslissing van de rechtbank om deze ouder niet als belanghebbende aan te merken in een procedure zoals de onderhavige. Het middel voert hiervoor aan dat, als een ouder zonder gezag in eerste aanleg de zaak niet heeft kunnen bepleiten omdat deze ouder niet als belanghebbende is aangemerkt, het herstellen hiervan in hoger beroep te laat kan zijn omdat de feitelijke situatie ten nadele van deze ouder zozeer gewijzigd kan zijn dat het hoger beroep geen kans van slagen meer heeft.