Conclusie
1.Inleiding
2.Feiten
straight friendlyLGBT-hotel. Als locatie van het hotel heeft [verweerder] met Stichting Ymere gesproken over een haar toebehorend pand gelegen aan de [a-straat] , dat tot dan in gebruik was door COC Nederland (hierna: het pand).
Conclusie (...)
3.Procesverloop
Eerste aanleg
De aard van het hotelquotum en de omgevingsvergunning
4.Juridisch kader
dat het wenselijk is dat een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking alleen ontstaat bij inbreuken op exclusieve rechtsposities. Een inbreuk vindt plaats als een ander dan degene die tot een exclusieve rechtspositie gerechtigd is, handelingen verricht die enkel aan de rechthebbende toekomen. Daarbij gaat het om het gebruik, het genot en de exploitatie van de exclusieve rechtspositie alsmede de beschikking daarover.” [13] Van der Linden bespreekt de volgende verrijkingsfeiten: een vermeerdering van het vermogen (bijv. de bouw van een huis op andermans grond), de ontvangst van een dienst (bijv.: eiser heeft de auto van gedaagde gerestaureerd), het gebruik van andermans goed (Van der Linden geeft HR 24 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1782,
NJ2013/540, m.nt. J.L.R.A. Huydecoper (
Credit Suisse/Subway) als voorbeeld, waarin het ging om het gebruiken van een bedrijfspand), de overname van een klantenbestand en besparing van kosten of uitgaven. [14]
verrijkt, zijn/haar vermogen is in omvang toegenomen. [15] De betreffende verrijking moet dus op geld waardeerbaar zijn.
verschuiving). Niet vereist is dat de hoogte van de verrijking en de verarming gelijk zijn. [19]
rechtsgrondontbreekt:
Groene specht-arrest [25] van 30 september 2005 ging het om investeringen tot onderhoud en verbetering van een woning, in het verleden verricht door een bewoonster, die de woning moest verlaten nadat die door de eigenaar (haar zus) werd verkocht aan een derde (dier zoon) tegen een waarde die aanzienlijk lager was dan de door de investeringen verhoogde marktwaarde. [26] De voormalig bewoonster vorderde schadevergoeding op grond van ongerechtvaardigde verrijking. Uw Raad overwoog het volgende:
Ponzi scheme-arrest [28] van 28 oktober 2011, waarin Uw Raad heeft overwogen dat een verrijking van een partij bij een overeenkomst ten koste van een derde niet steeds en zonder meer wordt gerechtvaardigd door die overeenkomst, is de Hoge Raad (daarmee) niet van een ander uitgangspunt uitgegaan. [29]
voor zover dit redelijk is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt daarover het volgende:
Die moet de vergunningvoorschriften naleven of zorgen dat ze door zijn werknemers of contractanten worden nageleefd.”). Degene die het project uitvoert waarvoor de omgevingsvergunning is verleend, geldt als de vergunninghouder en is daarmee de aan te spreken partij wanneer blijkt dat bepaalde vergunningsvoorschriften niet zijn nageleefd. [42] De meldingsplicht gaat uit van een overdracht van het project. De meldingsplicht rust op de overdrager.
5.Bespreking van het cassatiemiddel
de positie en directe betrokkenheid [miskent] die [verweerder] zou hebben gehad bij de aanwending van het hotelquotum en de omgevingsvergunning door [A] , indien het pand na aankoop van Ymere door [A] was behouden.”, op de overweging van het hof in r.o. 3.5.1 dat [verweerder] “
al dan niet indirect” zonder enigerlei compensatie daarvoor te ontvangen de beschikking over de omgevingsvergunning en de reservering hotelquotum heeft verloren, en op de overweging van het hof in r.o. 3.5.3 dat de waarde van de omgevingsvergunning voor [verweerder] “
persoonlijk feitelijk tot nul [is] gereduceerd” als gevolg van de verkoop van het pand door [A] . Volgens het subonderdeel kunnen deze overwegingen van het hof niet in stand blijven wegens de klachten van subonderdeel 1.1 en geldt voorts dat:
al dan niet indirect” in r.o. 3.5.1. Dit betekent dat het hof ervan is uitgegaan dat [verweerder] is verarmd, omdat, indien het pand door [A] was behouden, een bepaalde waarde, voortvloeiend uit de omgevingsvergunning en de reservering hotelquotum, (uiteindelijk) naar [verweerder] als aandeelhouder zou zijn gevloeid. Met het subonderdeel ben ik het eens dat dit te speculatief is en aldus blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting omtrent het verarmingsvereiste van art. 6:212 BW Pro. Zoals bij mijn bespreking van de klacht onder a. aan de orde kwam, is het maar de vraag of [A] het pand had kunnen behouden. [eiseres] heeft gesteld dat [A] het pand moest verkopen omdat zij de financiering niet rond kreeg (r.o. 3.5.2). Een vergelijking met de denkbeeldige situatie waarin het pand na aankoop van Ymere door [A] was behouden ligt dus niet direct voor de hand. Daarnaast moet onderscheid worden gemaakt tussen het geval waarin de omgevingsvergunning en de reservering hotelquotum aan [A] toekomen en het geval waarin die aan [verweerder] toekomen. [A] en [verweerder] zijn niet aan elkaar gelijk te stellen. [A] is een zelfstandige rechtspersoon; [verweerder] is een van de drie (indirecte) aandeelhouders. Had de rechtspersoon de omgevingsvergunning kunnen benutten, dan hoefde een daaruit voortvloeiende waarde niet noodzakelijkerwijs naar de aandeelhouders te vloeien. [A] kende drie aandeelhouders, waarvan er twee zich tegen [verweerder] (de derde) hebben gekeerd. [verweerder] was als bestuurder ontslagen. Aannemelijk, althans niet uitgesloten is dat de andere twee aandeelhouders samen over eventuele winstuitkeringen konden beslissen.
de aan hem toegekende reservering uit het hotelquotum en de daarop aansluitend verleende omgevingsvergunning”. Ook uit de daaropvolgende overwegingen blijkt dat het hof de reservering hotelquotum en de omgevingsvergunning als één heeft opgevat. Het hof heeft immers beide als zaaksgebonden aangemerkt (idem, r.o. 3.5.1) en het hof spreekt meermaals van “
het hotelquotum en de omgevingsvergunning” alsof daar geen rechtens relevant verschil tussen bestaat.
zonder enigerlei compensatie daarvoor te ontvangen de beschikking over die vermogensbestanddelen heeft verloren, al dan niet indirect” eveneens onjuist, dan wel ontoereikend gemotiveerd is. Ik wijs erop dat het oordeel van het hof dat door het subonderdeel wordt geciteerd, opgenomen is in r.o. 3.5.1 van het bestreden arrest. Het subonderdeel valt de hieraan ten grondslag liggende motivering aan, die te vinden is in r.o. 3.5.4 en 3.5.6, en daarmee het oordeel zelf. Het subonderdeel voert daarvoor onder a. tot en met e. argumenten aan.
de waarde van de reservering hotelquotum is verdisconteerd in de marktconforme koopprijs die [eiseres] heeft betaald voor het pand.” Verder heeft [eiseres] gesteld dat zij aan [D] € 5.157.000,-- heeft betaald, ruim € 2.100.000,-- miljoen meer dan de koopprijs die [A] aan Ymere had betaald, en dat uit de afrekening tussen [A] en [D] blijkt dat een bedrag van € 750.000,-- was opgenomen als ‘ontwikkelfee’. Dat [eiseres] aldus ter zake onvoldoende heeft gesteld, valt niet in te zien. Dit brengt voorts mee dat het hof in r.o. 3.7 [eiseres] ten onrechte niet heeft toegelaten tot getuigenbewijs van deze stelling.
wijzigingsvergunningbetrof, die voortbouwde op de door [verweerder] aangevraagde omgevingsvergunning. Het hof zal in r.o. 2, onder t., niet zomaar hebben gesproken van “af te wijken” en van “wijzigingsvergunning”.
Groene specht-arrest.
Groene specht-arrest. [eiseres] kocht een pand en kon gebruikmaken van de daaraan verbonden omgevingsvergunning en de reservering hotelquotum, omdat die zaaksgebonden zijn. Aldus vindt het voordeel dat [eiseres] heeft kunnen genieten in beginsel zijn rechtvaardiging in de koopovereenkomst gesloten met [D] . [verweerder] is in deze rechtsverhouding aan te merken als een derde.
de omstandigheden van het geval een vergoeding billijken, in het bijzonder vanwege het feit dat de bestuursrechtelijke regeling op grond waarvan de vergunning zaaksgebonden wordt geoordeeld geen rekening houdt met de civielrechtelijke gevolgen daarvan.” Daarnaast heeft het hof overwogen, in r.o. 3.5.4, dat uit de stellingen van [eiseres] en de communicatie in de gezochte samenwerking met [verweerder] volgt dat [eiseres] ervan op de hoogte was dat de reservering hotelquotum aan [verweerder] persoonlijk was toegewezen en [verweerder] de daarop voortbouwende omgevingsvergunning had aangevraagd. Ook deze overweging kan zo worden opgevat dat het hof hiermee de redelijkheid op het oog heeft gehad.
de omstandigheden van het geval een vergoeding billijken” ontoelaatbaar vaag. Het vormt in ieder geval geen begrijpelijke verwerping van de stellingen van [eiseres] :
Groene specht-arrest over het hoofd gezien. Daarom kan het bestreden arrest niet in stand blijven.