Conclusie
1.Aanduiding partijen en korte inhoud zaak
Verweerders tot cassatie in het principaal cassatieberoep onder 1-5 worden hierna afzonderlijk achtereenvolgens aangeduid als [verweerder 1] , [verweerster 2] , [verweerder 3] , [verweerster 4] en [verweerster 5] . [verweerder 1] , [verweerster 2] , en [verweerder 3] worden gezamenlijk aangeduid als [verweerders 1 t/m 3]
[eiser] klaagt dat het hof met dit oordeel buiten de grenzen van de rechtsstrijd is getreden en dat het oordeel een ontoelaatbare verrassingsbeslissing is. Verder richt hij rechts- en motiveringsklachten tegen de toepassing van de maatstaf van art. 6:212 BW Pro.
[verweerders 1 t/m 3] en [verweerster 4] hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
2.Feiten en procesverloop
de onderneming van [eiser] (Galerie Sous-Terre B.V.) ook de bijbehorende schuur in gebruik en voldoet deze onderneming jaarlijks € 1.361,34 onder vermelding van “huur opstal plus erf t.b.v. galerie”.
[verweerders 1 t/m 3] hebben geconcludeerd tot verwerping in het principale cassatieberoep en hebben voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
[verweerster 4] heeft geconcludeerd tot verwerping in het principale cassatieberoep en tevens voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld.
[verweerster 5] is in cassatie niet verschenen.
[eiser] heeft geconcludeerd tot verwerping van hetvoorwaardelijk incidentele cassatieberoep van [verweerders 1 t/m 3] en [verweerster 4] .
Partijen hebben hun standpunten schriftelijk toegelicht. [eiser] heeft vervolgens gerepliceerd en [verweerders 1 t/m 3] hebben gedupliceerd. [6]
3.Bespreking van het principale cassatiemiddel
De vordering uit ongegronde verrijking is daarmee een begrensde vordering tot schadevergoeding. [9] In de eerste plaats hoeft de debiteur niet meer te vergoeden dan hij werd verrijkt. Daarnaast gaat de vergoeding ook niet verder dan het bedrag van de verarming (schade). En ten derde is de verrijkte alleen gehouden de schade van de verarmde te vergoeden voor zover dit redelijk is.
Verrijking: verrijking is een vermogensvermeerdering; daarbij komt aan ‘vermogen’ en ‘vermogensbestanddelen’ een ruimere betekenis toe dan deze in het gewone spraakgebruik hebben. De verrijking kan zijn gelegen in de vermeerdering van het positieve vermogen, maar ook in de vermindering van het negatieve vermogen (de afname van een schuld). Verder valt te denken aan koop tegen een prijs beneden de waarde, een besparing van kosten, een verkregen dienst van een ander, of het genot van vermogensbestanddelen van een ander. [12]
Verarming (‘schade’): van verarming is sprake bij zowel een afname van het actief als een toename van het passief. Hoewel de verrijking en verarming in wezen elkaars spiegelbeeld zijn, betekent dit niet zonder meer dat de hoogte van de verrijking en de verarming gelijk moet zijn.
Verband: er moet voldoende verband bestaan tussen de verrijking en de verarming. Dit betekent niet dat de verrijking onmiddellijk ten laste van het vermogen van de verarmde moet hebben plaatsgevonden: een verrijkingsactie is ook mogelijk als de vermogensverschuiving optreedt via het vermogen van een derde of door tussenkomst van een derde (zgn. indirecte verrijking).
Ongerechtvaardigdeverrijking: voor het behouden van de vermogensvermeerdering is geen redelijke oorzaak (rechtvaardigingsgrond) aanwezig, zoals een wettelijke regeling of een rechtshandeling die de vermogensverschuiving legitimeert.
(…)
Door de woorden „voor zover dit redelijk is” wordt derhalve aan de rechter de bevoegdheid gegeven alle omstandigheden in aanmerking te nemen en in verband daarmede een vordering tot schadevergoeding geheel of gedeeltelijk af te wijzen.(…)”
Groene specht [31] van 30 september 2005 paste de Hoge Raad het redelijkheidscriterium toe door betekenis toe te kennen aan de mate waarin de verrijkte
daadwerkelijkwas gebaat bij de verrijking:
Voor die behandeling is het verloop van het partijdebat met betrekking tot de ongerechtvaardigde verrijking van belang.
laat staan dat het redelijk is dat deze bedragen door [eiser] geheel voor rekening van de nalatenschap kunnen worden gebracht(…)
zodat tevens de vraag rijst in hoeverre het redelijk is dat [eiser] deze bedragen op de nalatenschap kan verhalen.
Het voorgaande geldt in het kader van de redelijkheid van artikel 6:212 lid 1 BW Pro te meer nu [eiser] decennialang de onroerende zaak heeft gehuurd voor een huurprijs die veel lager is dan een marktconforme huurprijs.” [41] [onderstreping, A-G]
Grief 12 klaagt dat de overweging dat [eiser] niet heeft gesteld dat hij voor deze uitgaven destijds overleg heeft gevoerd met vader en/of moeder, zodat tevens de vraag rijst in hoeverre het redelijk is dat [eiser] deze bedragen op de nalatenschap kan verhalen, onjuist is.
In de toelichting op deze grieven [42] heeft [eiser] onder andere aangevoerd dat aan de vereisten van art. 6:212 BW Pro is voldaan en dat de boedel is verrijkt (par. 71). In par. 72 is het volgende aangevoerd:
De verrijkte is dan gehouden tot het betalen van schadevergoeding tot het bedrag van zijn verrijking voor zover dat redelijk is. Het hof wil over dit punt nog met partijen spreken ter gelegenheid van een mondelinge behandeling.(…)
In rov. 1.8 heeft het hof vervolgens de vervolgvraag of het ‘redelijk’ is dat [verweerders 1 t/m 3] gehouden zijn de schade aan [eiser] te vergoeden, ontkennend beantwoord. Het hof heeft daarin de in rov. 1.8 opgesomde feiten en omstandigheden betrokken.
Volgens
subonderdeel 1.4geeft het oordeel van het hof in rov. 1.7 en 1.8 van het eindarrest blijk van een onjuiste rechtsopvatting, nu het hof heeft miskend dat de redelijkheidstoets van art. 6:212 lid 1 BW Pro er (hoofdzakelijk) toe dient te voorkomen dat aan iemand ten onrechte een hem niet passende besteding zou worden opgedrongen. [48] Daaruit volgt, aldus het subonderdeel, dat de omstandigheden die de rechter in dit kader mag meewegen zich (hoofdzakelijk) in de sfeer van de verrijkte dienen te bevinden. [49] Dit volgt ook uit art. 6:212 lid 2 en Pro 3 BW, die een uitwerking vormen van de redelijkheidstoets van art. 6:212 lid 1 BW Pro. De omstandigheden die het hof ten grondslag legt aan zijn oordeel dat het niet redelijk is dat [verweerders 1 t/m 3] gehouden zijn de schade als gevolg van ongerechtvaardigde verrijking aan [eiser] te vergoeden (te weten, kort samengevat: (i) dat [eiser] de woning in 2002 had kunnen kopen, maar dat niet heeft gedaan, en (ii) dat [eiser] een lage huurprijs voor de woning betaalde en na het overlijden van moeder zelfs geheel is gestopt met betalen), bevinden zich allemaal in de sfeer van [eiser] (de verarmde) en niet in de sfeer van [verweerders 1 t/m 3] (de verrijkten).
Uit de parlementaire geschiedenis [51] volgt dat door de woorden “voor zover dit redelijk is” aan de rechter de bevoegdheid is gegeven om alle omstandigheden in aanmerking te nemen en in verband daarmede een vordering tot schadevergoeding geheel of gedeeltelijk af te wijzen. Ook de Hoge Raad heeft in de uitspraak
Vermobo/ […]overwogen dat “de vraag of grond bestaat voor een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking moet worden beoordeeld met inachtneming van de omstandigheden van het geval.” [52] Daarnaast blijkt uit de parlementaire geschiedenis (zie hiervoor onder 3.11) dat het ‘opdringen van een verrijking’ slechts is genoemd als voorbeeld van een geval waarin de rechter een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking kan afwijzen.
De door de subonderdelen bepleite beperkte reikwijdte van de redelijkheidstoets is dus onjuist. [53]
Het hof heeft deze schatting meegenomen in zijn beoordeling van de redelijkheid van de schade in het licht van alle overige omstandigheden die het hof in rov. 1.8 heeft genoemd. Daartoe had het hof de vrijheid (zie art. 6:97 BW Pro). Aldus heeft het hof de omvang van de schade niet in het midden gelaten.
welkeomstandigheden maken dat het niet redelijk zou zijn dat [verweerders 1 t/m 3] de schade moeten vergoeden, maar niet motiveert
waaromdie omstandigheden dat gevolg zouden moeten hebben. Volgens het subonderdeel staan de door het hof in aanmerking genomen omstandigheden, te weten (i) dat [eiser] de woning had kunnen kopen, maar dat niet heeft gedaan en (ii) dat [eiser] een lage huurprijs betaalde en na het overlijden van de moeder in het geheel geen huur meer, los van de verarming (de investeringen) en de verrijking (de waardevermeerdering van de woning).
Het hof heeft in rov. 1.8 overwogen dat de verarming ongedaan is gemaakt door verrekening van een extreem lage huurprijs - waarmee het hof in feite het voordeel dat [eiser] heeft behaald door gebruik van de woning in mindering heeft gebracht op de schadevergoeding (zie onder 3.14) – en het voor zijn rekening en risico is dat investeringen in de woning zijn gedaan (na 2002) nu hij ervoor heeft gekozen de woning niet te kopen. Dit oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en betreft voor het overige een aan het hof voorbehouden feitelijk oordeel. Daarnaast volgt uit deze omstandigheden genoegzaam waarom het hof een aanvullende schadevergoeding niet redelijk heeft geacht. Daarbij komt dat het hof ook heeft overwogen dat zelfs als de verarming niet helemaal ongedaan zou zijn gemaakt, [eiser] onvoldoende inzicht heeft gegeven in de door hem (in privé) gedane investeringen en welke bedragen daarmee zijn gemoeid.