Uitspraak
1.Procesverloop
2.Beoordeling van het middel in het principale beroep
3.Beslissing
14 juni 2024.
Hoge Raad
In deze zaak stond een regresvordering centraal van een erfgenaam op de nalatenschap vanwege investeringen die hij had gedaan in een woning die tot de nalatenschap behoorde. Het geschil betreft de vraag of en in hoeverre deze investeringen vergoed kunnen worden uit de nalatenschap.
De procedure is een vervolg op eerdere uitspraken, waaronder het arrest van de Hoge Raad van 21 juni 2019 en meerdere arresten van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Eiser stelde cassatieberoep in tegen de arresten van het hof van 15 februari 2022 en 20 december 2022. De verweerders dienden verweerschriften in, deels met voorwaardelijke incidentele cassatieberoepen.
De Hoge Raad heeft de klachten van eiser beoordeeld en geoordeeld dat deze niet leiden tot vernietiging van de arresten van het hof. Omdat de klachten niet van belang zijn voor de eenheid of ontwikkeling van het recht, is geen nadere motivering gegeven. De voorwaardelijke incidentele beroepen behoeven daardoor geen behandeling.
De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en veroordeelt eiser in de proceskosten, waarbij de kosten aan de zijde van de verschillende verweerders zijn gespecificeerd. Het arrest is gewezen door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en raadsheren C.H. Sieburgh en K. Teuben, en in het openbaar uitgesproken door raadsheer A.E.B. ter Heide.
Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.