Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste middel
Overweging met betrekking tot het bewijs
printscreens.” Daarnaast heeft de raadsman betoogd dat niet kan worden vastgesteld dat de crossmotor van de aangever te zien is op de
printscreensomdat het kenteken niet zichtbaar is. Pas onder randnummer 22 van de pleitnota – na opmerkingen over de kwaliteit van het beeldmateriaal die niet zonder meer tot een betrouwbare herkenning kunnen leiden (onder randnummers 10 en 11 van de pleitnota) en over vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek en de daaraan te verbinden bewijsuitsluiting (onder randnummer 12 tot en met 21 van de pleitnota) – wordt het volgende naar voren gebracht: “Gelet op het voorgaande stel ik mij op het standpunt dat er sprake is van onvoldoende wettig en overtuigend bewijs en verzoek ik u om cliënt vrij te spreken van de gehele tenlastelegging.”
3.Het tweede middel
NJB2018/2111, r.o. 2.3.1)
Standpunt van de verdediging
op 7 mei 2020, D.P.] door verdachte [
ten overstaan van verbalisant [verbalisant 1] , D.P.] afgelegde verklaring, dat het klopt dat hij op een rood-witte crossmotor reed op 27 april 2020, ook gebruiken voor het bewijs. Weliswaar is hem geen cautie gegeven voordat hij deze verklaring aflegde, maar op het moment dat verdachte werd aangesproken door verbalisant [verbalisant 1] , werd hij nog niet als verdachte aangemerkt. Vóór dat moment bestond er naar het oordeel van het hof nog geen redelijk vermoeden van schuld op grond waarvan de cautie meest zijn gegeven. Dat ontstond pas nadat de verdachte had bevestigd dat hij die dag op de rood-witte crossmotor had gereden. Er is dus geen sprake is van een vormverzuim in de zin van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering. En de verklaring van verdachte kan voor het bewijs worden gebruikt.”
als relaas van verbalisant [verbalisant 2] :
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
als relaas van verbalisant [verbalisant 1]:
als relaas van verbalisant [verbalisant 5] :
printscreens(van camerabeelden) en dat het op 7 mei 2020 tussen de verdachte en [verbalisant 1] gevoerde gesprek is aan te merken als een verhoor in de zin van art. 27c lid 2 en 29 lid 2 Sv. De verbalisant had de verdachte dus moeten mededelen dat hij recht op rechtsbijstand had (art. 27c lid 2 Sv) en dat hij niet tot antwoorden was verplicht (art. 29 lid 2 Sv Pro). Door dit na te laten is in de visie van de raadsman sprake van een vormverzuim waaraan in de regel het gevolg van bewijsuitsluiting moet worden verbonden.