Conclusie
1.Overzicht
credit facilityvoor € 2.943 mio toegerekend aan de vordering op [A] en voor € 923 mio aan de deelneming in [A] , die onder de deelnemingsvrijstelling valt. [A] rapporteert in NOK en doet ook in NOK aangifte voor de Noorse winstbelasting en
Petroleum Tax. In belanghebbendes commerciële jaarrekening 2017 is de deelneming in [A] met € 151,7 mio afgewaardeerd “mainly” wegens daling van de USD-koers ten opzichte van de euro.
hogere beroepvan de Inspecteur overwoog het Hof dat uit de wettekst of diens totstandkomingsgeschiedenis niet volgt dat de beschikking alleen wordt gegeven als de lening of het afdekkingsinstrument in dezelfde valuta luidt als die waarin de deelneming haar jaarrekening opstelt of aangifte doet. Evenmin steunen die tekst en geschiedenis de opvatting dat geen beschikking wordt afgegeven als de belanghebbende indirect valutarisico loopt of de
hedgeimperfect is. De voorloper van art. 13(7) (art. 13(1) (oud) Wet Vpb) is mede op verzoek van het bedrijfsleven ingevoerd om de door HR
BNB1977/12 [2] en
BNB1994/273 [3] ontstane discrepantie weg te nemen tussen de fiscale behandeling van valutaresultaat op deelnemingen (vrijgesteld) en van valutaresultaat op leningen tot financiering van die deelnemingen en op afdekkingsinstrumenten bij financiering van deelnemingen uit eigen vermogen (belast). Als de wetgever de werking van art. 13(7) Wet Vpb had willen beperken tot gevallen waarin de lening tot financiering van de deelneming in de valuta luidt van het vestigingsland van de deelneming, had het voor de hand gelegen dit in de wet vast te leggen of het in de totstandkomingsgeschiedenis toe te lichten. Nu de wetgever dat niet heeft gedaan, zag het Hof geen aanleiding die beperking in art. 13(7) Wet Vpb te lezen.
cashflowin USD luidt; (iii) de deelneming in [A] is gekocht tegen een prijs in USD, (iv) de in USD luidende
credit facilityals onderdeel van diezelfde transactie is overgenomen en (v) ook een eventuele verkoop van [A] in USD zal plaatsvinden, achtte het Hof de belanghebbende geslaagd in het bewijs dat de overgenomen USD
credit facilityeen valutarisico afdekt dat zij met de deelneming in [A] loopt in de zin van art. 13(7) Wet Vpb.
in cassatiedaartegen dat het Hof ten onrechte of onvoldoende gemotiveerd heeft aangenomen dat de USD
credit facility‘strekt tot’ afdekking van een valutarisico dat de belanghebbende met de deelneming in [A] loopt, omdat (a) art. 13(7) Wet Vpb niet bedoeld is voor gevallen waarin het afdekkingsinstrument in andere valuta (USD) luidt dan die waarin de deelneming rapporteert (NOK) omdat in die situatie het valutarisico niet vanuit economisch oogpunt is afgedekt en (b) de regeling alleen bedoeld is voor valutarisico dat
metde deelneming wordt gelopen en niet voor valutarisico dat
doorde deelneming zelf wordt gelopen; het Hof heeft de regeling ten onrechte ook toegepast op indirecte valutarisico’s (van de deelneming) en/of imperfecte
hedges. Tekst en geschiedenis van art. 13(7) Wet Vpb impliceren juist wél de beperkingen die de fiscus in het toepassingsbereik ervan leest. Een “vanuit economisch oogpunt afgedekte” situatie doet zich volgens de Staatssecretaris logischerwijs alleen voor als de deelneming en het afdekkingsinstrument in dezelfde valuta luiden. Een schuld in andere valuta dan die waarin de deelneming rapporteert, kan zijns inziens “strekken tot” afdekking van het valutarisico dat
metde deelneming wordt gelopen.
verweerbetoogt de belanghebbende dat de wettekst slechts eist dat de rechtshandeling strekt tot afdekking van het valutarisico met de deelneming en dat uit niets blijkt, ook niet uit de wetsgeschiedenis, dat het afdekkingsinstrument en de deelneming in dezelfde valuta moeten luiden. De wetgever had het oog op gevallen waarin een valutarisico met een deelneming vanuit economisch oogpunt is afgedekt. Dat is volgens haar precies haar geval. Het Hof heeft geoordeeld dat zij met haar deelneming een USD-valutarisico loopt dat is afgedekt met de
credit facility. Dat oordeel acht zij feitelijk, voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk en dus in cassatie onaantastbaar. Haar deelneming moet haar USD-risico weliswaar vertalen naar een NOK-equivalent omdat haar jaarrekening en aangiften in NOK luiden, maar dat is voor de belanghebbende niet relevant. De Staatssecretaris acht volgens de belanghebbende ten onrechte voor de toepassing van art. 13(7) Wet Vpb relevant welk valutarisico de deelneming zelf loopt. Dat is niet relevant omdat het Hof heeft vastgesteld dat de deelneming een USD-koersrisico loopt, dat zich in Nederland vertaalt in een EUR-USD koersrisico dat wordt afgedekt met de USD
credit facility. De stelling dat commercieel geen
hedgezou bestaan omdat de deelneming in NOK en niet in USD rapporteert, acht de belanghebbende onjuist. Dat economisch wel degelijk afdekking bestond, volgt al uit het feit dat in belanghebbendes jaarrekening 2017 de deelneming is afgewaardeerd “as a result of the weakening of the US dollar compared to the EUR during 2017”. De Staatssecretaris hecht ten onrechte belang aan het perspectief van de deelneming. Vanuit de belanghebbende bezien hangt de waardeontwikkeling van [A] af van de USD-koers.
viaeen deelneming - door een belastingplichtige gelopen valutarisico’s? Zo ja:
perfect(directe of indirecte)
hedgesof ook op (zeer)
effectivehedges? Anders gezegd: wat betekenen de termen ‘strekt tot het afdekken’ in de wet en ‘vanuit economisch opzicht afgedekt’ in de parlementaire toelichting?
Alsart. 13(7) Wet Vpb ook
effective hedgesvan indirecte valutarisico’s bestrijkt, is de vraag of voldoende onderbouwd is ’s Hofs oordeel dat belanghebbendes valutarisico’s ter zake van [A]
effectively hedgedwaren door haar dollarfinanciering van die deelneming.
perfect hedgeomdat [A] andere bezittingen dan pure USD-vermogensbestanddelen heeft, met name in NOK geadministreerde licenties tot exploratie en winning van olie en gas en gekapitaliseerde uitgaven, waarvan het de vraag is in hoeverre dier waardeveranderingen
als gevolg van NOK-USD-koersbewegingencorreleert met de waardeveranderingen in euro’s van belanghebbendes USD
credit facility. De feitenrechters hebben niet vastgesteld dat de NOK/USD-verhouding steeds (vrijwel) dezelfde is als de Euro/USD-verhouding.
corporate treedat zou moeten zijn gedaan. Ik lees in de wettekst en -geschiedenis dan ook niet de allocatiebeperking die de Staatssecretaris er in leest (alleen het directe valutarisico op de directe deelneming). Onder een valutarisico dat ‘met’ een deelneming wordt gelopen, kan mijns inziens ook een indirect, via een tussenhoudster, gelopen valutarisico vallen of een valutarisico zoals dat van de belanghebbende. Dat ook indirecte valutarisico’s ‘vanuit economisch oogpunt’ afgedekt kunnen zijn, volgt mijns inziens uit IFRS 9 en IFRIC 16 (zie 4.17-4.21 hieronder). Ik meen daarom dat het Hof terecht vraag (i) in 1.9 hierboven bevestigend heeft beantwoord: ook indirect door de moeder gelopen risico’s zoals dat van de belanghebbende met betrekking tot het dollarrisico van haar dochter [A] kunnen onder art. 13(7) Wet Vpb vallen. Niet vereist is dat de lening of het afdekkingsinstrument in dezelfde valuta luidt als die waarin de deelneming haar jaarrekening opstelt of aangifte doet voor de lokale winstbelasting.
hedgeimperfect is. De expliciete wens van de wetgever om valutaresultaten op leningen alleen vrij te stellen
voor zoverzij het valutarisico op buitenlandse deelnemingen ‘uit economisch oogpunt’ afdekken, impliceert mijns inziens echter dat de wetgever het oog had op (nagenoeg)
perfect hedgesen niet ook op slechts
effective hedges, die u HR
BNB2009/271 (Cacaobon) en HR
BNB2019/58 (Kunstmest) omschreef als de verwachting op balansdatum dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 procent. De berekeningen die de medewetgever in de parlementaire toelichting maakte om de door hem gewenste koppeling tussen deelneming en financiering te laten zien, lijken mij praktisch onuitvoerbaar als een bandbreedte van 80 tot 125 procent voldoende afdekking ‘vanuit economisch oogpunt’ zou zijn. De uitvoerbaarheidsproblemen zouden niet te overzien zijn en werkbare uitkomsten zouden alleen schattenderwijs en compromissoir tot stand komen. Dat kan niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn. Het gaat hier immers ook niet cacaobonen of aardgas, maar om valuta’s. Daarbij bestaat mijns inziens minder behoefte aan een bandbreedte, omdat het veelal eenvoudig zal zijn om (nagenoeg) perfect te hegden.
credit facilityeen
perfect hedgeis van het USD-risico dat de belanghebbende loopt met betrekking tot [A] . Dat de waarde van [A] ’ bezittingen ‘voor een groot deel’ afhangt van de in USD luidende olieprijs, dat haar
cashflowvooral in USD luidt, en dat de USD
credit facilityals onderdeel van de verwerving van [A] in USD is overgenomen, impliceert geenszins dat de hedge
perfectis. Dat [A] in de commerciële jaarrekening afgewaardeerd is met € 151,7 mio houdt slechts “mainly” verband met de omstandigheden dat [A] haar
cashflowin USD genereert en dat de USD in 2017 tegenover de euro is gedaald. ‘Mainly’ duidt niet op een
perfect hedgevan belanghebbendes USD-risico op [A] door de USD
credit facility. De jaarrekening laat bovendien niet het bedrag zien waar het uiteindelijk om gaat, nl. het bedrag waarmee het aan de financiering van [A] toegerekende deel van de USD
credit facilityis afgewaardeerd in Euro’s. Dat [A] in USD is gekocht en mogelijk eens in USD verkocht kan worden, lijkt mij niet relevant. Dat [A] ’ transacties ‘doorgaans’ in dollars luiden, impliceert dat niet haar gehele
cashflowin dollars luidt. Dat de waarde van [A] ’ bezittingen ‘voor een groot deel’ afhangt van de dollar impliceert dat die waarde daar niet geheel van afhangt. Evenmin heeft het Hof onderzocht of de USD
de facto[A] ’ functionele valuta was. Voor zover dat oordeel in zijn uitspraak gelezen moet worden, achtv ik het onvoldoende gemotiveerd omdat het niet gebaseerd kan worden op de door het Hof vastgestelde feiten.
de factobeschouwd kan worden als de functionele valuta van de deelneming. De vastgestelde feiten en het dossier lijken mij echter geen andere conclusie toe te laten dan dat de deelneming niet gelijkgesteld kan worden met een USD-vermogensbestanddeel en dat de dollar
de factoniet als haar functionele valuta beschouwd kan worden.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
credit facilityin USD. Het verschil ad omgerekend € 5.748 mio tussen die schuld en de gezamenlijke waarde van de aandelen [A] en de vordering op [A] , is de belanghebbende aanvankelijk schuldig gebeleven aan [B] .
credit facilityvoor € 2.943 mio toegerekend aan haar vordering op [A] en voor het restant ad € 923 mio (€ 3.866 mio -/- € 2.943 mio) aan haar deelneming in [A] . Voor die deelneming geldt de deelnemingsvrijstelling.
Petroleum Taxaangifte in NOK.
credit facilitywaar het allemaal om gaat (belast of onbelast?), is (nog) niet vastgesteld, vermoedelijk omdat deze procedure niet over de aanslag, maar alleen over de (declaratoire) beschikking gaat.
vande deelneming en het risico
metde deelneming kon de Rechtbank niet volgen. De Inspecteur wees er weliswaar terecht op dat [A] een USD-NOK-risico loopt dat in haar resultaat valt, maar dat laat volgens de Rechtbank onverlet dat voor de toepassing art. 13(7) Wet Vpb bij de belanghebbende als belastingplichtige moet worden beoordeeld welk valutarisico zij op de deelneming in [A] loopt. De commerciële afwaardering op de deelneming [A] bevestigt dat zij met [A] een EUR- USD-valutarisico liep. De Rechtbank heeft belanghebbendes beroep daarom gegrond verklaard.
NTFR2021/4062) achtte het standpunt van de Inspecteur niet onbegrijpelijk omdat alles aan de deelneming Noors is en niet Amerikaans. De Inspecteur miskent volgens hem echter dat de olie- en gasmarkt in dollars handelt en hij vindt het verwarrend dat de Inspecteur stelt dat de deelneming een NOK-USD-valutarisico loopt en onderscheid gemaakt moet worden tussen het risico
metde deelneming en het risico
vande deelneming. Als het NOK-USD-valutarisico bij de deelneming de basis is voor de stelling dat het USD-EUR-valutarisico op de USD-geldlening geen
hedgeproduceert en art. 13(7) Wet Vpb daarom niet van toepassing is, zou de Inspecteur er immers juist bij gebaat zijn om het risico
vande deelneming (NOK-USD) gelijk te stellen aan het risico
metde deelneming (USD-EUR). Onderscheid lijkt dan juist contraproductief voor de inspecteur. Het verbaast hem daarom niet dat de rechtbank dit verweer niet kan volgen. De Rechtbank draagt overigens bij aan de verwarring door beslissend te achten het valutarisico
opde deelneming, hoewel de wet maar één voorzetsel noemt. Hij stelt verder:
vanuit het perspectief van de belastingplichtige.In onderhavige zaak is dat een USD-EUR-valutarisico. En omdat de USD-geldlening ‘tegenover’ de deelneming staat (de omvang van de hedge was niet in geschil), had de inspecteur dus een positieve beschikking moeten afgeven op het verzoek. Het correcte fiscale gevolg is dat in 2017 het gehele valutaresultaat op de USD-geldlening vrijgesteld is onder de deelnemingsvrijstelling.
cashflowvan [A] in USD luidt omdat olie in USD wordt verkocht en (iv) de afwaardering van de deelneming in [A] in haar commerciële jaarrekening 2017 het gevolg was van een wijziging van de EUR-USD koers.
credit facilitygeen EUR/USD-valutarisico van de belanghebbende af omdat onderscheid gemaakt moet worden tussen het valutarisico dat de belastingplichtige
meteen deelneming loopt en het valutarisico dat de deelneming zelf loopt (het valutarisico
vande deelneming). Een beschikking ex art. 13(7) Wet Vpb wordt slechts gegeven voor het eerste valutarisico, en dat is in casu geen EUR-USD-risico, maar een EUR-NOK-risico, aldus de Inspecteur. Alleen in het eerste geval wordt de door de wetgever gesignaleerde disbalans opgeheven tussen een vrijgesteld valutaresultaat op de deelneming en een belast resultaat op een lening tot financiering van die deelneming (of op een ander afdekkingsinstrument bij eigen-vermogenfinanciering van een deelneming). Dekt een lening tot financiering van een deelneming een valutarisico af dat de deelneming zelf loopt (het valutarisico
vande deelneming), dan wordt die disbalans niet opgeheven, maar juist gecreëerd, aldus de Inspecteur, omdat in dat geval tegenover het door de deelneming zelf behaalde
belastevalutaresultaat een
onbelastvalutaresultaat staat dat de belastingplichtige
metde deelneming behaalt. De Inspecteur noemde dat een imperfecte
hedge.
goodwillwaarvoor zij heeft betaald), in [A] ’ jaarrekening in NOK worden uitgedrukt en [A] aangifte doet in NOK. [A] is daarmee vanuit de belanghebbende bezien een NOK-vermogensbestanddeel. De
USD credit facilitydient niet tot afdekking van dat EUR/NOK-risico en daarom heeft de belanghebbende volgens de Inspecteur geen recht op een beschikking ex art. 13(7) Wet Vpb. Het USD-risico wordt niet door de belanghebbende, maar door [A] zelf gelopen; de belanghebbende wordt daar slechts indirect door geraakt op haar balans en daar is art. 13(7) Wet Vpb niet voor bedoeld, aldus de Inspecteur.
3.Het geding in cassatie
credit facilitystrekt tot afdekking van een valutarisico dat de belanghebbende met de deelneming in [A] loopt, omdat (a) de regeling in art. 13(7) Wet Vpb niet bedoeld is voor gevallen waarin het afdekkingsinstrument in andere valuta (USD) luidt dan die waarin de deelneming wordt geadministreerd (NOK) omdat zich dan geen situatie voordoet waarin het valutarisico vanuit economisch opzicht is afgedekt en (b) de regeling ziet op valutarisico dat
metde deelneming wordt gelopen en niet op valutarisico dat
doorde deelneming wordt gelopen; het Hof heeft de regeling ten onrechte ook toegepast op indirecte valutarisico’s en/of imperfecte
hedges.
hedgewordt verstoord door fiscaal verschillende behandeling van de deelneming en de financieringslening, art. 13(7) Wet Vpb die verstoring moet repareren. Een “vanuit economisch oogpunt afgedekte” situatie doet zich volgens hem logischerwijs alleen voor als de deelneming en het afdekkingsinstrument in dezelfde valuta luiden. Dat is hooguit anders als twee valuta zodanig gekoppeld zijn dat hun koersontwikkeling gelijk loopt. Het Hof heeft dat niet vastgesteld. Uit de wettekst volgt volgens de Staatssecretaris dat een schuld in een andere valuta dan die waarin de deelneming is gedenomineerd, niet kan “strekken” tot afdekking van het valutarisico dat met de deelneming wordt gelopen. ‘s Hof oordeel is daarom rechtens onjuist. Dat de wetgever niet expliciet is ingegaan op een drie-valuta’s situatie zoals in casu, betekent niet dat de wetgever ook in die situatie een beschikking mogelijk achtte. Het kan immers zijn dat de wetgever niet aan die situatie heeft gedacht of het volstrekt evident achtte dat zij niet onder art. 13(7) Wet Vpb kon vallen. Volgens de Staatssecretaris heeft de wetgever de regeling bewust beperkt tot situaties waarin het valutarisico in economisch opzicht is afgedekt, waaruit volgt dat hij niet bedoelde om ook resultaten op imperfecte
hedgesvrij te stellen. Imperfecte hedges zijn iets anders dan (perfecte) hedges die slechts een deel van het valutarisico op de deelneming afdekken doordat de financieringslening lager of hoger is dan de waarde van de deelneming. In dat laatste geval is de regeling wel van toepassing, maar alleen
voor zoverhet risico wordt afgedekt.
credit facility. Hoewel veel van [A] ’ transacties in USD worden afgesloten en een deel van haar bezittingen is verworven of tot stand gekomen in USD, is het valutarisico NOK/USD in de eerste plaats een direct valutarisico van [A] en niet van de belanghebbende. Het is dus geen valutarisico dat de belanghebbende
methaar deelneming in [A] loopt, maar een valutarisico dat door [A] zelf in dier bedrijfsvoering wordt gelopen en ook door [A] afgedekt zou moeten worden. De belanghebbende loopt dit risico slechts indirect als onderdeel van [A] ’ bedrijfsresultaat. Volgens de Staatssecretaris heeft het Hof dit alles miskend.
de factoeen USD-deelneming is omdat zij voornamelijk in USD opereert en een groot deel van haar bezittingen in USD luidt. Zo’n feitelijke vaststelling acht de Staatssecretaris onjuist en zelfs als al [A] ’ bezittingen en transacties in USD zouden luiden, maakt dat haar volgens hem nog geen USD-deelneming:
BNB1977/162 wilde repareren. De wetgever heeft HR
BNB1977/162 echter slechts genoemd om te signaleren dat valutaresultaten op een deelneming onder de deelnemingsvrijstelling vielen terwijl valutaresultaten op een lening tot financiering van die deelneming belast waren en dat
diediscrepantie onwenselijk was. ‘s Hofs uitleg van art. 13(7) Wet Vpb kan de disbalans in HR
BNB1977/162 niet opheffen omdat de deelneming in die zaak in Italiaanse
lireluidde en de financieringsschuld in USD. Economisch bezien is er dan geen afdekking omdat de koersontwikkelingen van de
lireen die van de dollar geen verband houden. Beide resultaten onder de deelnemingsvrijstelling brengen, heft de gesignaleerde disbalans dan dus niet op, aldus de Staatssecretaris. Hij wijst op de verwijzing in de MvT bij de Wet versterking fiscale infrastructuur (1996; zie 4.7 hieronder) naar uw arrest HR
BNB1994/273 (zie 4.2 hieronder), dat een valutarisico op Belgische francs betrof dat was afgedekt met valutatermijntransacties in Belgische francs. Ook daaruit volgt volgens hem dat het vanzelf spreekt dat het om dezelfde valuta moet gaan omdat er anders commercieel al geen
hedgeis, zodat er fiscaal niet bij aangesloten kán worden. De Staatssecretaris acht ’s Hofs oordeel daarom rechtskundig onjuist.
verweerbestrijdt de belanghebbende dat de wettekst het standpunt steunt dat een schuld in andere valuta dan die van de deelneming niet kan strekken tot afdekking van het valutarisico dat met de deelneming wordt gelopen. Die tekst eist slechts dat de rechtshandeling strekt tot afdekking van het valutarisico met de deelneming. Uit niets blijkt dat het afdekkingsinstrument en de deelneming in dezelfde valuta zouden moeten luiden. Dat volgt volgens evenmin uit de door de Staatssecretaris aangehaalde parlementaire geschiedenis. Daaruit volgt slechts dat de wetgever het oog had op gevallen waarin een valutarisico met een deelneming vanuit economisch oogpunt is afgedekt. Dat is volgens de belanghebbende precies haar geval. Zij verwijst daartoe naar ‘s Hofs vaststellingen in diens r.o. 5.7.1 (zie 2.16 hierboven), die impliceren dat zij met de deelneming een USD-valutarisico loopt dat is afgedekt met de
credit facility. Dat oordeel acht de belanghebbende feitelijk, voldoende gemotiveerd en niet onbegrijpelijk en dus in cassatie onaantastbaar.
credit facilityeen valutarisico afdekt dat de belanghebbende met de deelneming loopt. De deelneming zelf moet dat risico vertalen naar een NOK-equivalent omdat haar jaarrekening en aangiften in NOK luiden, maar dat is voor de belanghebbende niet relevant. Zij loopt met de deelneming een USD-risico en vanuit haar perspectief is alleen dat USD-valutarisico van belang. De Staatssecretaris hecht in diens voorbeeld van een Nederlandse deelneming met als enige bezitting een USD-deposito, waarin volgens hem geen beschikking ex art. 13(7) Wet Vpb wordt afgegeven, ten onrechte belang aan het perspectief van de deelneming. Vanuit de moeder bezien hangt de waardeontwikkeling van de deelneming volledig af van de USD-koers. Als de deelneming in dat voorbeeld door de moeder zou worden gefinancierd met een USD
credit facility, zou het valutarisico vanuit economisch oogpunt wel degelijk afgedekt zijn. Dat wordt volgens de belanghebbende niet anders als die deelneming zou worden gehouden via een of meer tussenhoudsters. Als geen van die tussenhoudsters het USD-koersrisico heeft afgedekt, hangt de waarde van al die deelnemingen af van de USD-koers. Als de tophoudster het USD-koersrisico dan wel afdekt, doet zich op dat niveau de situatie voor waarop art. 13(7) Wet Vpb ziet, aldus de belanghebbende. Het in par. 1.7.2 van het Besluit ingenomen standpunt komt haar daarom onjuist voor.
credit facility, aldus de belanghebbende. De stelling dat er commercieel geen
hedgezou bestaan, is onjuist. Dat economisch wel degelijk afdekking bestond, volgt al uit het feit dat in belanghebbendes jaarrekening 2017 de deelneming is afgewaardeerd “as a result of the weakening of the US dollar compared to the EUR during 2017”, aldus de toelichting op de jaarrekening.
4.Het rechtskader
De fiscale behandeling van valutaresultaat op leenfinanciering van een deelneming en op instrumenten die valutarisico op met eigen vermogen gefinancierde deelnemingen afdekken
BNB1982/230 oordeelde u dat valutaresultaten op een deelneming onder de deelnemingsvrijstelling vallen, ook al worden zij niet veroorzaakt door de bedrijfsresultaten van de deelneming: [10]
swapof een valutatermijntransactie. Fiscaalrechtelijk bestaat er weinig reden om valutarisico’s op een buitenlandse deelneming af te dekken, [11] maar áls ze afgedekt worden, rijst de vraag naar de fiscale behandeling van resultaten op die afdekking. Valutaresultaten op leningen tot financiering van deelnemingen en op instrumenten tot afdekking van valutarisico’s op deelnemingen vielen tot 1996 niet onder de deelnemings-vrijstelling. Dat volgde uit HR
BNB1977/162 [12] over een Nederlandse NV die in guldens rapporteerde met een Italiaanse deelneming die in
lirerapporteerde en gefinancierd werd met een USD-lening. De term 'kosten' in art. 13(4) Wet Vpb omvatte volgens u niet valuta-resultaten op de financiering van een buitenlandse deelneming. De valutawinst door de daling van de USD ten opzichte van de gulden was volgens u geen (negatieve) kosten in de zin van art. 13(4) (oud) Wet Vpb. Dit arrest kreeg in de literatuur kritiek [13] die erop neerkwam dat het tot ongewenst gevolg had dat valutaschommelingen fiscaal niet neutraal konden verlopen bij buitenlandse deelnemingen gefinancierd met een lening in de valuta van het land van vestiging van de deelneming. De staatssecretaris diende geen wetsvoorstel in, maar kondigde aan nieuwe jurisprudentie te zullen uitlokken. [14] Dat hielp niet: u hield voet bij stuk in HR
BNB1994/273 [15] in een zaak over verliezen op valutatermijntransacties gesloten tot beperking van valutarisico’s op buitenlandse deelnemingen:
hedgedie een valutarisico commercieel precies afdekte, fiscaalrechtelijk resulteerde in een te lage of te hoge dekking afhankelijk van de koersbeweging doordat de waardefluctuatie van de deelneming wel was vrijgesteld, maar de waardebeweging van de afdekking niet. Bij koersdaling ontstond op de deelneming een niet-aftrekbaar koersverlies terwijl de concomitante winst op het afdekkingsinstrument of de schuld werd belast; voor een volledige dekking zou dus meer dan 100% afgedekt hebben moeten worden, maar vooraf zou daarover niets met enige zekerheid gezegd hebben kunnen worden. Andersom: bij een koersstijging bleek – even onvoorspelbaar - achteraf dat een kleinere afdekking voldoende zou zijn geweest. [16]
Bosal-arrest van het HvJ [22] opnieuw gewijzigd. [23] De aftrekuitsluiting van deelnemingskosten die geen verband hielden met in Nederland belastbare winst moest geschrapt worden; daarom werd ook de vrijstelling van valutaresultaten op leningen tot verwerving van de deelneming geschrapt. De term “alsmede kosten – daaronder begrepen voordelen als gevolg van wijzigingen in valutaverhoudingen – welke verband houden met een deelneming, tenzij blijkt dat deze kosten middellijk dienstbaar zijn aan het behalen van in Nederland belastbare winst” in de eerste volzin van lid 1 werd geschrapt. Lid 1 luidde van 2004 t/m 2006, voor zover hier relevant:
BNB2017/142) vindt dit standpunt onnodig restrictief. Volgens hem behoort een indirecte deelneming tot het vermogen van de directe deelneming en loopt de moeder via de direct gehouden deelneming valutarisico’s op de indirecte deelneming. Ook op basis van doel en strekking van de bepaling ziet hij geen reden voor de beperking. Hoogstens acht hij vanuit pragmatisch oogpunt iets te zeggen voor het standpunt van de Staatssecretaris:
International Accounting Standards Board(IASB) stelt thematische standaarden op het gebied van financiële verslaggeving op en streeft naar wereldwijde acceptatie en toepassing ervan. Zijn
International Financial Reporting Standards(IFRS) (voorheen de
International Accounting Standards (IAS))hebben steeds groter gezag gekregen. In de EU nam hun betekenis sterk toe door de IAS/IFRS-Verordening [35] van de EU, die deze standaarden (na goedkeuring door de EU) voorschrijft aan EU-beursgenoteerde bedrijven. Nederland heeft de in de Verordening opgenomen optie gebruikt om de IFRS ook op vrijwillige basis toe te passen in de enkelvoudige jaarrekening van beursgenoteerde ondernemingen en in zowel de enkelvoudige als de geconsolideerde jaarrekeningen van niet-beursgenoteerde vennootschappen. [36]
Financial Instruments) noemt de volgende criteria voor
hedge effectiveness: [37]
Financial Instruments) volgt dat een valutarisico A afgedekt kan worden met een instrument dat gekoppeld is aan valuta B als deze valuta aan elkaar zijn gekoppeld, mits overigens voldaan aan de
hedge effectiveness requirements: [38]
Rebalancing the hedging relationship and changes to the hedge ratio
Hedges of a Net Investment in a Foreign Operation) vermeldt het volgende over indirecte
hedges: [40]
Consensus
inde deelneming
,” menen Elsweier en Stevens [41] dat een lening tot financiering van een deelneming in een qua risico volstrekt andere valuta dan de valuta waarvan de waarde van de deelneming (het meest) afhangt, niet aan de voorwaarden van art. 13(7) Wet Vpb voldoet. Volgens hen hoeft de lening echter niet in
dezelfdevaluta te luiden als die waarvan de waarde van de deelneming primair afhangt, omdat de waardeontwikkelingen van die twee valuta met elkaar verbonden kunnen zijn.
5.Beoordeling
viahaar deelneming - door een belastingplichtige gelopen valutarisico’s (de discussie over de
met(op) of ook
doorde deelneming gelopen valutarisico’s)? Zo ja:
perfect(directe of indirecte) hedges of ook op (zeer)
effectivehedges? Wat betekent de term ‘strekken tot’ in de wettekst en de term ‘vanuit economisch opzicht afgedekt’ in de parlementaire toelichting daarop?
Alsart. 13(7) Wet Vpb ook
effective hedgesvan indirecte valutarisico’s bestrijkt, dan is de vraag of het Hof volgens de juiste bewijslastverdeling en voldoende gemotiveerd heeft geoordeeld dat belanghebbendes valutarisico’s met betrekking tot [A] effectief
hedgedwaren door haar dollarfinanciering van die deelneming. Het Hof lijkt impliciet geoordeeld te hebben dat de functionele valuta van [A]
de factoniet de NOK, maar de USD was, in welk geval de
hedgeals effectief aangemerkt kan worden. De Staatssecretaris acht dat feitelijke oordeel onbegrijpelijk, althans onvoldoende gemotiveerd.
nietuitsluitend dollardeposito’s of andere pure dollarwaarden aanhoudt.
Uiteraardzou in de door de belanghebbende geschetste gevallen een
perfect hedgebestaan met de dollarfinanciering van [A] , maar in haar eigen geval bestaat juist geen
perfect hedgeomdat [A] andere bezittingen heeft, met name in NOK geadministreerde licenties tot exploratie en winning van olie en gas en gekapitaliseerde uitgaven, waarvan het juist de vraag is in hoeverre dier waardeveranderingen
als gevolg van NOK/USD-koersbewegingencorreleren met de waardeveranderingen in euro’s van de USD
credit facility. [A] is voor de belanghebbende geen puur USD-vermogensbestanddeel, maar een hybride NOK/USD-bestanddeel waarvan het de vraag is of het dollarkarakter voldoende overheerst om ‘afdekking vanuit economisch oogpunt’ door de USD
credit facilityaan te nemen. De feitenrechters hebben niet vastgesteld dat de NOK/USD-verhouding steeds (vrijwel) dezelfde is als de Euro/USD-verhouding. Een dollardeposito kan moeilijk anders in Eurowaarde veranderen dan door verandering in de Euro/USD-verhouding, maar exploratie- en productielicenties en gekapitaliseerde uitgaven, hoezeer ook verleend/gedaan in een branche die in dollars denkt en werkt, kunnen ook door andere invloeden dan die van veranderingen in de Euro/USD-verhouding in Eurowaarde wijzigen, bijvoorbeeld door een Europese olie- en gasboycot van Rusland of een aanslag op de Nord Stream pijpleiding. De belanghebbende stelt dat transacties in de olie- en gasbranche ‘doorgaans’ in USD worden uitgevoerd. Dat duidt niet op een
perfect hedge, maar de vraag is dus ook of die vereist is.
BNB1977/162 (zie 4.2 hierboven) werd in de MvT bij de invoering van de voorloper van art. 13(7) genoemd (zie 4.7 hierboven) om te laten zien dat valutaresultaten op leningen tot financiering van buitenlandse deelnemingen niet golden als (vrijgestelde) kosten in de zin van art. 13(1) (oud) Wet Vpb, waardoor valutaresultaten op de deelneming wel vrijgesteld waren en die op de financiering ervan niet, wat op zijn beurt tot gevolg had dat - hoewel een valutarisico op een deelneming ‘vanuit economisch oogpunt afgedekt’ was - dat risico fiscaal bleef bestaan. Dat gevolg moest weggenomen worden, waardoor de vragen rijzen wat ‘vanuit economisch oogpunt afgedekt’ betekent (alleen voor die gevallen is art. 13(7) Wet Vpb kennelijk bedoeld), welke term kennelijk de invulling is van de wettelijke term ’strekt tot het afdekken’.
lire) en haar leenfinanciering (in USD) geen enkel koersverband ten opzichte van de gulden waarin de belastingplichtige rapporteerde, zodat de Staatssecretaris in die zaak mijns inziens terecht geen afdekking in economische zin ziet van het
lire/guldenrisico dat die belastingplichtige liep met haar Italiaanse deelneming. Art. 13(1) (oud) en 13(7) zien niet op de casus van HR
BNB1977/162 en dus ook niet op de disbalans in die zaak. De verwijzing van de wetgever naar die zaak was dus vooral verwarrend. Hij wilde de discrepantie tussen commercieel en fiscaal immers alleen wegnemen als het valutarisico op de buitenlandse deelneming (wél) ‘vanuit economisch oogpunt’ (dus commercieel?) afgedekt was.
corporate treedat zou moeten gebeuren. Anders dan de Staatssecretaris lees ik in de tekst of geschiedenis dan ook geen allocatiebeperking. Onder een valutarisico dat ‘met’ een deelneming wordt gelopen, kan mijns inziens ook een indirect, via een tussenhoudster, gelopen valutarisico vallen en ook een indirect USD-risico zoals de belanghebbende dat loopt. Dat ook het indirecte valutarisico bedoeld in par 1.7.2 van het Besluit van 20 januari 2017 (moeder-dochter-kleindochter; zie 4.15 hierboven) wel degelijk ‘vanuit economisch oogpunt’ afgedekt kan zijn, volgt mijns inziens uit IFRS 9 en IFRIC 16 (zie 4.17-4.21).
hedge effectiveness requirements. Eén van die vereisten is dat een economische relatie bestaat tussen de afgedekte positie en het afdekkingsinstrument. IFRIC 16 en diens appendix geven een voorbeeld van een
hedge- waarbij kennelijk is voldaan aan dat vereiste van economische relatie - die overeenkomt met het moeder-dochter-kleindochter-voorbeeld in het Besluit van 20 januari 2017. Volgens IFRIC is het bij een EUR-moeder met GBP-dochter en USD-kleindochter toegestaan dat de moeder het valutarisico ter zake van haar investering in dochter en kleindochter afdekt door het valutarisico tussen de functionele valuta af te dekken, óók tussen GBP (dochter) en USD (kleindochter). Uit zijn tekst volgt weliswaar dat IFRS 9 en IFRIC 16 alleen kunnen worden toegepast op de bewegingen tussen de functionele valuta van de deelneming(en) en de functionele valuta van de moeder. Daar wordt in belanghebbendes geval in zoverre niet aan voldaan dat de functionele valuta van [A] niet de USD is, maar de NOK. ’s Hofs oordeel suggereert echter, zoals ook de Staatssecretaris veronderstelt, dat het Hof impliciet meent dat [A] ’ functionele valuta
de factoniet de NOK is, maar de USD. Dat formeel niet aan IFRIC 16 wordt voldaan, betekent bovendien op zichzelf niet dat ‘vanuit economisch oogpunt’ geen afgedekte situatie bestaat. Belanghebbendes voorbeelden (zie 3.10 hierboven), hoewel mijns inziens dus niet geschikt om haar eigen geval te beschrijven, illustreren dat: als een Japanse of Oezbeekse deelneming als enige bezitting een dollardeposito heeft, maakt haar lokale functionele valuta niet uit voor het EUR/USD-risico dat de Nederlandse moeder op die deelneming loopt.
hedgeal dan niet imperfect is. De expliciete wens van de wetgever om valutaresultaten op leningen vrij te stellen uitsluitend
voor zoverdie leningen het valutarisico op buitenlandse deelnemingen ‘uit economisch oogpunt’ afdekken (zie 4.11 en 4.12 hierboven), impliceert mijns inziens echter dat de wetgever wel degelijk het oog had op (nagenoeg)
perfect hedgesen niet op slechts
effective hedges, die u in het Cacaobonenarrest HR
BNB2009/271 [42] en het Kunstmestarrest HR
BNB2019/58 [43] op basis van (de oude) IFRS omschreef als de verwachting op balansdatum “dat de waardeontwikkelingen van de desbetreffende vermogensbestanddelen hoogstwaarschijnlijk zullen correleren binnen een bandbreedte van 80 tot 125 procent.” [44] De berekeningen die de medewetgever in het citaat in 4.11 hierboven maakte, lijken mij praktisch onuitvoerbaar als een bandbreedte van 80 tot 125 procent voldoende valutarisico-afdekking ‘vanuit economisch oogpunt’ zou zijn. De uitvoerbaarheidsproblemen zouden mijns inziens niet te overzien zijn en werkbare uitkomsten zouden denkelijk alleen schattenderwijs en compromissoir tot stand kunnen komen. Dat kan mijns inziens niet de bedoeling van de wetgever geweest zijn. Het gaat hier immers ook niet cacaobonen of aardgas zoals in het Kunstmestarrest, maar om valuta’s. Daarbij bestaat mijns inziens minder behoefte aan een bandbreedte, omdat het veelal eenvoudig zal zijn om (nagenoeg) perfect te hegden.
credit facilityeen
perfect hedgeis van het USD-risico dat de belanghebbende loopt met betrekking tot [A] . De omstandigheden dat de waarde van [A] ’ bezittingen ‘voor een groot deel’ afhangt van de in USD luidende olieprijs, dat haar
cashflowvooral in USD luidt, en dat de USD-schuld als onderdeel van de verwerving van [A] in dollars is overgenomen, impliceert immers geenszins dat de hedge
perfectis. Dat de deelneming in [A] in de commerciële jaarrekening afgewaardeerd is met € 151,7 mio houdt volgens de toelichting slechts hoofdzakelijk verband met (“mainly relating to”) het feit dat [A] haar
cash flowin USD genereert en dat in 2017 de waarde van de USD tegenover de euro is gedaald. ‘Mainly’ duidt geenszins op een
perfect hedgevan belanghebbendes USD-risico op [A] door haar USD
credit facility. De jaarrekening laat bovendien niet het bedrag zien waar het uiteindelijk om gaat, nl. het bedrag waarmee het aan de financiering van [A] toegerekende deel van de USD
credit facilityis afgewaardeerd in Euro’s.
cashflowin dollars stroomt. ’s Hofs vaststelling dat de waarde van [A] ’ bezittingen ‘voor een groot deel’ afhangt van de dollar impliceert dat die waarde daar slechts deels en niet geheel door bepaald wordt. Evenmin heeft het Hof onderzocht of de USD
de facto[A] ’ functionele valuta was. Voor zover een dergelijk impliciet oordeel in zijn uitspraak gelezen zou moeten worden, is dat oordeel mijns inziens onvoldoende gemotiveerd omdat het niet gebaseerd kan worden op de door het Hof vastgestelde feiten.
de factobeschouwd kan worden als haar functionele valuta.
de factoniet als [A] ’ functionele valuta beschouwd kan worden.