Conclusie
1.Inleiding
2.Het eerste en het tweede middel
“een deel van haar ervaringen op dit moment emotioneel onder controle heeft”en dat
“confrontatie met verdachten en het feitencomplex in deze zaak [...] bij haar teveel onrust [zal] oproepen”. Dit, in combinatie met het feit dat de raadsheer-commissaris vanaf november 2020 heeft getracht een getuigenverhoor van [getuige] doorgang te laten vinden, maakt dat het hof tot de conclusie komt dat ze niet binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof is van oordeel dat, gelet op de bijzondere psychische gesteldheid van de getuige en het feitencomplex, de raadsheer-commissaris terecht heeft afgezien van een bevel tot medebrenging van de getuige. Het hof heeft bij zijn beslissing ook rekening gehouden met de ouderdom van de feiten, het tijdsverloop in deze strafzaak en het belang om strafzaken binnen een redelijke termijn af te doen. Het hof zal tot besluit, indien verklaringen van [getuige] voor het bewijs worden gebezigd, in de eindbeoordeling de toets van artikel 6 van Pro het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden toepassen.
Verklaringen [huis]
decisiveis. Ik doe wederom het verzoek om haar te horen hier in voorwaardelijke vorm. Ik verwijs naar mijn motivatie van eerder vandaag.”
Voorwaardelijk verzoek