ECLI:NL:PHR:2025:1078

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
7 oktober 2025
Publicatiedatum
5 oktober 2025
Zaaknummer
24/00351
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in hoger beroep wegens gebrek aan grieven en onjuiste betekening van de dagvaarding

In deze zaak is de verdachte, geboren in 1991, niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep door het gerechtshof 's-Hertogenbosch op 31 oktober 2023. De verdachte had hoger beroep ingesteld tegen een vonnis van de politierechter, maar het hof oordeelde dat er geen grieven of mondelinge bezwaren waren ingediend. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad, M.E. van Wees, heeft in zijn conclusie twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste middel betreft de klacht dat de dagvaarding in hoger beroep niet op de juiste wijze is betekend. De steller van het middel betoogt dat de dagvaarding niet is verzonden naar het verblijfadres van de verdachte, zoals vermeld in de machtiging tot hoger beroep. Het tweede middel betreft het verzuim van het hof om te onderzoeken waarom de raadsman van de verdachte niet ter zitting is verschenen en het niet verzenden van een afschrift van de dagvaarding naar de raadsman. De Hoge Raad heeft in zijn overwegingen vastgesteld dat de betekening van de dagvaarding niet correct is uitgevoerd, wat leidt tot de conclusie dat de verdachte niet behoorlijk is gedagvaard. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof en nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00351
Zitting7 oktober 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 31 oktober 2023 door het gerechtshof 's-Hertogenbosch niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep (parketnummer 20-001969-23).
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg, heeft twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel bevat de klacht dat het oordeel van het hof dat de verdachte “behoorlijk” is gedagvaard, onbegrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd, is. Daaraan legt de steller van het middel in de kern ten grondslag dat (een afschrift van) de dagvaarding niet is verzonden aan het verblijfadres van de verdachte dat door de gemachtigde raadsman van de verdachte is vermeld in de bijzondere schriftelijke volmacht tot het instellen van hoger beroep.
2.2
Voordat ik toekom aan de bespreking van het middel, zal ik eerst het procesverloop weergeven zoals dat blijkt uit de stukken van het geding.
Het procesverloop
2.3
De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
(i) de verdachte is bij vonnis van 27 juni 2023 door de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” tot een geldboete van € 750,‑, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
(ii) uit de “Akte instellen hoger beroep” blijkt dat op 11 juli 2023 door een griffiemedewerker van de rechtbank Zeeland-West-Brabant namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De akte vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] ;
(iii) aan de “Akte instellen hoger beroep” is een brief gehecht van 11 juli 2023 van mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg, die als adres van de verdachte [b-straat 1] in [plaats] vermeldt. Deze brief houdt onder meer in dat mr. Mooren door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd om een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen en dat beiden instemmen met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep. Als “toezendadressen van het afschrift van de appeldagvaarding” zijn het eerdergenoemde verblijfadres van de verdachte en het kantooradres van mr. Mooren opgegeven;
(iv) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 te verschijnen met als vermelding dat dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft, is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 5 september 2023 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
(v) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 te verschijnen met als adres [a-straat 1] in [plaats] , is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 5 oktober 2023 eveneens uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, met verzending van een afschrift van de dagvaarding aan het genoemde adres. De akte vermeldt dat de geadresseerde niet (meer) op het voormelde adres woont en dat er niemand aanwezig of bereid was de brief aan te nemen;
(vi) blijkens de aan beide aktes van uitreiking gehechte “Informatiestaat SKDB-personen” van respectievelijk 5 september 2023 en 5 oktober 2023 was de verdachte op die data niet gedetineerd, was sinds 2 maart 2023 de verdachte in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd als “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)” en was zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met als registratiedatum 7 augustus 2023, “ZVWOVHTL”’. Volgens deze Informatiestaten was [b-straat 1] in [plaats] het BRP-adres van de verdachte van 9 januari 2019 tot 3 mei 2021;
(vii) uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 volgt dat de verdachte daar niet is verschenen, dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op de juiste wijze is opgeroepen en dat het hof vervolgens verstek heeft verleend tegen de verdachte;
(viii) bij arrest van 31 oktober 2023 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven of mondelinge bezwaren tegen het vonnis, en omdat het niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin behandeld dient te worden.
De bespreking van het middel
2.4
Bij de bespreking van het middel is artikel 36e Sv van belang. Dat luidt als volgt:
“1. De uitreiking van de gerechtelijke mededeling, bedoeld in artikel 36b, tweede lid, geschiedt:
a. aan hem wie in Nederland in verband met de strafzaak waarop de uit te reiken gerechtelijke mededeling betrekking heeft rechtens zijn vrijheid is ontnomen en aan hem wie in Nederland in andere bij of krachtens algemene maatregel van bestuur bepaalde gevallen rechtens zijn vrijheid is ontnomen: in persoon;
b. aan alle anderen: in persoon of indien betekening in persoon niet is voorgeschreven en de mededeling in Nederland wordt aangeboden:
1. aan het adres waar de geadresseerde als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, dan wel,
2. indien de geadresseerde niet als ingezetene is ingeschreven in de basisregistratie personen, aan de woon- of verblijfplaats van de geadresseerde.
2. Indien in het geval bedoeld in het eerste lid, onderdeel b,
a. de geadresseerde niet wordt aangetroffen, geschiedt de uitreiking aan degene die zich op dat adres bevindt en die zich bereid verklaart het stuk onverwijld aan de geadresseerde te doen toekomen;
b. geen uitreiking heeft kunnen geschieden, wordt de gerechtelijke mededeling uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan. Indien vervolgens blijkt dat de geadresseerde op de dag van aanbieding en ten minste vijf dagen nadien als ingezetene in de basisregistratie personen was ingeschreven op het in de mededeling vermelde adres, wordt alsdan een afschrift van de gerechtelijke mededeling onverwijld toegezonden aan dat adres. In de in dit onderdeel bedoelde gevallen wordt een akte van uitreiking als bedoeld in artikel 36h opgemaakt. Op de akte wordt aantekening gedaan van deze uitreiking en, indien daarvan sprake is, van deze toezending. (…)”
2.5
Uit lid 1 onderdeel b, onder 2°, van dit artikel volgt dat uitreiking van de dagvaarding aan de niet-gedetineerde verdachte geschiedt aan zijn feitelijke woon- of verblijfplaats, indien hij niet als ingezetene is ingeschreven in de BRP. Bij onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte wordt de dagvaarding op de voet van lid 2 onderdeel b uitgereikt aan de autoriteit van welke zij is uitgegaan, oftewel het openbaar ministerie (OM). Onbekendheid van een feitelijke woon- of verblijfplaats kan evenwel niet worden aangenomen indien niet is getracht de uitreiking van de dagvaarding te doen plaatsvinden op een uit de stukken van het geding – voor de hand liggend en niet door een latere opgave achterhaald – adres dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden. [1]
2.6
In aanmerking genomen dat de verdachte ten tijde van de betekening van de dagvaarding niet gedetineerd was, dat hij niet was ingeschreven in de BRP, dat de dagvaarding twee maal is uitgereikt aan een medewerker van het OM, terwijl de gemachtigde raadsman een verblijfadres van de verdachte heeft opgenomen in de machtiging tot het instellen van hoger beroep dat redelijkerwijs als feitelijke woon- of verblijfplaats van de verdachte zou kunnen gelden en niet door een latere opgave is achterhaald, en dat niet is gebleken van een poging om de dagvaarding op dat adres uit te reiken, is het oordeel van het hof dat de verdachte “behoorlijk” is gedagvaard, niet zonder meer begrijpelijk.
2.7
Voor zover het middel daarover klaagt, is het terecht voorgesteld. Ik geef de Hoge Raad in overweging de dagvaarding zelf nietig te verklaren.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte heeft nagelaten te onderzoeken waarom de raadsman van de verdachte niet ter terechtzitting in hoger beroep is verschenen en dat, in strijd met artikel 48 Sv, is verzuimd een afschrift van de dagvaarding in hoger beroep naar hem te zenden.
3.2
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat de Hoge Raad in een arrest van 5 september 2017 heeft geoordeeld dat moet worden aangenomen dat een advocaat die heeft verzuimd aan de griffie van het desbetreffende gerecht schriftelijk kennis te geven dat hij bij de behandeling van de zaak ter terechtzitting zal optreden als raadsman van de verdachte, zich niet met vrucht erop kan beroepen dat hij voor de desbetreffende aanleg ten onrechte niet als raadsman is erkend. Een dergelijke kennisgeving dient te geschieden bij separaat schrijven waarin voldoende nauwkeurig is aangegeven – door vermelding van onder meer het parketnummer en, voor zover bekend, het griffie- of rolnummer – op welke zaak het optreden betrekking heeft. [2] Het in artikel 48 Sv neergelegde recht op kennisneming van processtukken en het verkrijgen van afschrift daarvan komt ook alleen toe aan de raadsman die zich op vorenbedoelde wijze heeft gesteld.
3.3
In de onderhavige zaak is blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 ter zitting noch de verdachte noch een raadsman verschenen. Uit de aan de Hoge Raad toegezonden stukken blijkt niet dat het hof heeft onderzocht waarom geen raadsman ter zitting is verschenen en evenmin dat op de voet van artikel 48 Sv een afschrift van de dagvaarding aan mr. Mooren of enige andere advocaat is gezonden. Tussen de stukken van het geding bevindt zich echter ook geen schriftelijke kennisgeving van het optreden van mr. Mooren (of enige andere advocaat) als raadsman van de verdachte in hoger beroep, hetgeen in cassatie ook niet wordt aangevoerd. Daarbij merk ik op dat de aan de rechtbank gezonden machtiging tot het instellen van hoger beroep van mr. Mooren van 11 juli 2023 niet als zodanig kan gelden. [3]
3.4
Gelet op een en ander getuigt het kennelijke oordeel van het hof dat niet is gebleken dat de verdachte zich in hoger beroep van rechtsbijstand had voorzien, en het derhalve niet was gehouden onderzoek te doen naar de reden van afwezigheid van een raadsman ter zitting en het voorschrift van artikel 48 Sv niet van toepassing was, niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat evenmin onbegrijpelijk.
3.5
Het middel faalt.

4.Afronding

4.1
Het eerste middel slaagt, het tweede middel faalt.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot nietigverklaring van de dagvaarding in hoger beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Vgl. HR 12 maart 2002, ECLI:NL:HR:2002:AD5163, rov. 3.17, 3.24-3.25.
2.HR 5 september 2017, ECLI:NL:HR:2017:2250, rov. 2.5.4.
3.HR 17 november 2015, ECLI:NL:HR:2015:3320, rov. 2.8.4. Vgl. HR 7 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:270 (81.1 RO na CAG Paridaens, ECLI:NL:PHR:2023:59, randnrs. 21-31).