De aan de Hoge Raad gezonden stukken houden, voor zover voor de bespreking van het middel relevant, het volgende in:
(i) de verdachte is bij vonnis van 27 juni 2023 door de politierechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant veroordeeld wegens 1. “opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod” tot een geldboete van € 750,‑, subsidiair 15 dagen hechtenis, voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;
(ii) uit de “Akte instellen hoger beroep” blijkt dat op 11 juli 2023 door een griffiemedewerker van de rechtbank Zeeland-West-Brabant namens de verdachte hoger beroep is ingesteld tegen het vonnis van de politierechter. De akte vermeldt als adres van de verdachte [a-straat 1] in [plaats] ;
(iii) aan de “Akte instellen hoger beroep” is een brief gehecht van 11 juli 2023 van mr. G.J.P.M. Mooren, advocaat in Tilburg, die als adres van de verdachte [b-straat 1] in [plaats] vermeldt. Deze brief houdt onder meer in dat mr. Mooren door de verdachte bepaaldelijk is gemachtigd om een medewerker van de griffie te machtigen om hoger beroep in te stellen en dat beiden instemmen met het door de griffiemedewerker aanstonds in ontvangst nemen van de dagvaarding voor de terechtzitting in hoger beroep. Als “toezendadressen van het afschrift van de appeldagvaarding” zijn het eerdergenoemde verblijfadres van de verdachte en het kantooradres van mr. Mooren opgegeven;
(iv) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 te verschijnen met als vermelding dat dat de verdachte geen vaste woon- of verblijfplaats hier te lande heeft, is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 5 september 2023 uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie;
(v) de dagvaarding om ter terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 te verschijnen met als adres [a-straat 1] in [plaats] , is blijkens een akte van uitreiking met invuldatum 5 oktober 2023 eveneens uitgereikt aan een medewerker van het openbaar ministerie, met verzending van een afschrift van de dagvaarding aan het genoemde adres. De akte vermeldt dat de geadresseerde niet (meer) op het voormelde adres woont en dat er niemand aanwezig of bereid was de brief aan te nemen;
(vi) blijkens de aan beide aktes van uitreiking gehechte “Informatiestaat SKDB-personen” van respectievelijk 5 september 2023 en 5 oktober 2023 was de verdachte op die data niet gedetineerd, was sinds 2 maart 2023 de verdachte in de Basisregistratie Personen (BRP) geregistreerd als “Vertrokken Onbekend Waarheen (VOW)” en was zijn laatst opgegeven woon- of verblijfplaats, met als registratiedatum 7 augustus 2023, “ZVWOVHTL”’. Volgens deze Informatiestaten was [b-straat 1] in [plaats] het BRP-adres van de verdachte van 9 januari 2019 tot 3 mei 2021;
(vii) uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 31 oktober 2023 volgt dat de verdachte daar niet is verschenen, dat het hof heeft vastgesteld dat de verdachte op de juiste wijze is opgeroepen en dat het hof vervolgens verstek heeft verleend tegen de verdachte;
(viii) bij arrest van 31 oktober 2023 heeft het hof de verdachte niet-ontvankelijk verklaard in het hoger beroep wegens het ontbreken van grieven of mondelinge bezwaren tegen het vonnis, en omdat het niet van oordeel is dat de strafzaak desalniettemin behandeld dient te worden.