Uitspraak
1.Geding in cassatie
2.Beoordeling van het middel
3.Beslissing
5 september 2017.
Hoge Raad
De zaak betreft een cassatieberoep van een verdachte die werd veroordeeld voor diefstal door twee of meer verenigde personen. De kern van het geschil is of de verdachte in eerste aanleg was voorzien van rechtsbijstand door een raadsman, waardoor de dagvaarding aan die raadsman had moeten worden verzonden. De advocaat van de verdachte had een brief aan het Openbaar Ministerie gestuurd in het kader van een taakstrafzitting, maar deze brief werd niet als schriftelijke kennisgeving van optreden als raadsman aan de griffie beschouwd.
De Hoge Raad bespreekt de wettelijke regeling omtrent de kennisgeving van het optreden van de raadsman, waarbij het oude art. 39 Sv Pro voorschreef dat de raadsman schriftelijk aan de griffie moest melden dat hij optreedt. De recente wetswijziging heeft deze regeling aangepast, maar laat onduidelijk hoe de raadsman erkend wordt door de rechter als hij niet aan de griffie heeft gemeld.
De Hoge Raad stelt dat onder het huidige wetboek een advocaat die niet schriftelijk aan de griffie heeft gemeld dat hij bij de terechtzitting optreedt als raadsman, zich niet met vrucht kan beroepen op het niet-erkend worden als raadsman, ook niet als hij wel aan de (hulp)officier van justitie of rechter-commissaris heeft gemeld. Dit is belangrijk voor een ordelijke rechtspleging.
In deze zaak was de brief van de raadsman aan het OM geen geldige kennisgeving aan de griffie en was niet gebleken dat de verdachte in eerste aanleg rechtsbijstand had. De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt daarmee het oordeel van het hof.
Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt dat een advocaat die niet schriftelijk aan de griffie heeft gemeld als raadsman op te treden, zich niet kan beroepen op het niet-erkend worden als raadsman.