ECLI:NL:PHR:2025:1095

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
4 november 2025
Publicatiedatum
9 oktober 2025
Zaaknummer
24/00094
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging vonnis t.a.v. beslissingen op de vorderingen benadeelde partijen in strafzaak

In deze zaak heeft het gerechtshof Den Haag op 27 december 2023 het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2022 bevestigd. De verdachte, geboren in 1976, was veroordeeld voor het opzettelijk beschadigen van een auto en het vernielen van een telefoon, beide toebehorende aan benadeelde partijen. De politierechter had de verdachte een gevangenisstraf van één maand opgelegd, met aftrek van voorarrest, en had de vorderingen van de benadeelde partijen gedeeltelijk toegewezen. De benadeelde partij [benadeelde] kreeg €1.370,00 voor materiële schade en de Nationale Politie District kreeg €322,79 voor de vernielde telefoon. In cassatie werd geklaagd over de (gedeeltelijke) toewijzing van deze vorderingen, waarbij de verdediging aanvoerde dat het hof niet voldoende had gereageerd op de verweren van de verdachte. De advocaat-generaal concludeerde dat de bevestiging van het vonnis niet onbegrijpelijk was en dat de vorderingen voldoende waren onderbouwd. De Hoge Raad heeft de conclusie van de advocaat-generaal overgenomen en het beroep verworpen, met toepassing van artikel 81 lid 1 RO.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/00094
Zitting4 november 2025
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
Het gerechtshof Den Haag heeft bij arrest van 27 december 2023 (rolnr. 22-002811-22) het vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam van 10 oktober 2022 bevestigd met vermelding van art. 63 Sr onder de toepasselijke wettelijke voorschriften. Daarbij is de verdachte in de zaak met parketnr. 10/164324-22 wegens 1. “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, beschadigen”, 2. “mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening”, 3. “eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening” en in de zaak met parketnr. 10/165215-22 wegens “opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen” veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van één maand (met aftrek van voorarrest). Verder is de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] gedeeltelijk toegewezen en de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie District geheel toegewezen en zijn voor de toegewezen bedragen schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben één middel van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De verdachte is onder meer veroordeeld wegens het beschadigen van een auto toebehorende aan [benadeelde] en het vernielen van een telefoon toebehorende aan de Nationale Politie. Beide partijen hebben zich in het strafproces gevoegd als benadeelde partij. In cassatie wordt geklaagd over de (gedeeltelijke) toewijzing door het hof van de vorderingen van deze benadeelde partijen.
2.2
Deze conclusie strekt tot verwerping van het middel.

3.Het middel

3.1
Het middel houdt in dat het hof het vonnis wat betreft de beslissingen op de vorderingen van de benadeelde partijen niet had mogen bevestigen zonder in te gaan op hetgeen door de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep over die vorderingen is aangevoerd.
Vordering van de benadeelde partij [benadeelde]
3.2
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 10/164324-22 onder 1 bewezenverklaard dat:
“hij op 2 juli 2022 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een auto, die geheel aan [benadeelde] toebehoorde heeft beschadigd”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“-
Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700­2022201722-2, pagina’s 8-9 bij het proces-verbaal met nummer PL1700­2022201722, inhoudende alsverklaring van aangever [benadeelde]:
Ik doe aangifte van vernieling van mijn voertuig. Ik heb niemand het recht en of de toestemming gegeven om mijn voertuig te vernielen op wat voor manier dan ook.
Op 2 juli 2022 omstreeks 13:00 uur bevond ik mij in de [a-straat] in [plaats] . Ik zag dat mijn voertuig met het kenteken [kenteken 1] , merk Audi, type A5 cabriolet en zwart van kleur in een parkeervak stond aan de [a-straat] net voor het basketbalveldje. Ik zag dat dit het zevende parkeervak was gezien vanaf de ingang van het parkje aan de rechterkant. Ik zag dat mijn voertuig met de achterzijde van het voertuig richting het parkje stond. Ik zag in de verte een voor mij onbekende man aan komen lopen. Ik heb deze man geen aandacht gegeven. Ik liep een portiek in van de [a-straat] . Ik wilde naar boven lopen. Ik hoorde van een man die in het trappenhuis liep dat ik naar buiten moest gaan. Ik liep naar buiten. Ik zag de voor mij onbekende man in de straat lopen. Ik keek naar mijn voertuig, Ik zag dat er een deuk in de motorkap zat en een kras op de achterzijde van mijn voertuig. Ik hoorde de man uit het trappenhuis zeggen dat de onbekende man deze deuk had gemaakt. Ik vond dit niet leuk. Ik zag dat de man dronken was. Ik zag dat de man moeilijk overeind kon blijven staan. Even later kwam de politie ter plaatse. Ik heb gezien dat de onbekende man mee is genomen door de politie. Ik heb nog gekeken of er meer schade aan mijn voertuig zat. Ik zag dat er op de motorkap een grote deuk zat. Ik zag dat er op de achterzijde van het voertuig een kras zat. Mijn vriendin heeft op 2 juli 2022 omstreeks 12:00 uur het voertuig voor het laatst onbeschadigd gezien.
-
Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam, nummer PL1700­2022201722-6, pagina’s 18 - 19 bij het proces-verbaal met nummer PL1700­2022201722, inhoudende alsverklaring van getuige [getuige]:
V: Kunt u mij vertellen wat er is gebeurd op 2 juli 2022, tussen 12:30 uur en 13:15 uur aan de [a-straat 1] in [plaats] ?
A: Ik was in mijn woning, ik zag een man vanuit de [b-straat] de [a-straat] inlopen. Ik zag dat deze man dronken was, hij liep wankel en was aan het vloeken. Hij had een glazen, doorzichtige fles vast met wit papier eromheen, ik kom zelf ook wel eens bij de Gall&Gall, dus ik weet dat het een alcohol fles was. Ik zag dat deze man, de verdachte naar de Audi van mijn buurvrouw toe liep en dat hij met volle kracht op de motorkap sloeg. Ik zag dat hij verder liep richting het voetbalveld aan de [a-straat] , over een heg bij het voetbalveld heen viel. Hierna stond hij op, liep verder en viel weer op de grond. De verdachte bleef hier liggen tot de politie ter plaatse kwam. De politie sloeg de verdachte in de boeien. Ik had de hele tijd zicht op de verdachte.
(..)
V: Had u gezien dat de verdachte de vernielingen had gepleegd?
A: Ja dat kon ik duidelijk zien.
V: Wat deed de verdachte precies?
A: Hij sloeg met zijn rechterhand met volle kracht op de motorkap, met zijn knokkels, ik zag dat er hierna schade was aan de motorkap in de vorm van twee deuken/putten.
V: Had u gezien dat de politie deze verdachte had aangehouden?
A: Ja zij hebben de verdachte, de dader in de boeien geslagen.
-
Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam , nummer PL1700­2022201722-8, pagina’s 13 - 15 bij het proces-verbaal met nummer PL1700­20222201722, inhoudende alsrelaas van de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2]:
Op 2 juli 2022, waren wij verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] , belast met de noodhulp. Omstreeks 12:55 uur kregen wij het verzoek van het Operationeel Centrum te [plaats] om te gaan naar [a-straat] te [plaats] . Aldaar zou een dronken man voertuigen aan het vernielen zijn. Omstreeks 13:00 uur kwamen wij ter plaatse aan. Wij verbalisanten werden door twee mannen aangesproken. Man 1 bleek volledig te zijn genaamd: [benadeelde] geboren [geboortedatum] 1963 te [geboorteplaats] . [benadeelde] vertelde ons dat zijn voertuig door een dronken man was vernield. Wij zagen dat hij daarna naar een persoon wees, welke in het naastgelegen [c-straat] lag. Wij zagen een Audi cabriolet zwart van kleur en voorzien van het Nederlandse kenteken [kenteken 1] . Wij zagen dat op de motorkap van het voertuig deuken zaten. Ik verbalisant [verbalisant 1] vroeg [benadeelde] of het voertuig van hem is. Ik hoorde hem zeggen: Ja het is mijn auto. Wij verbalisanten hoorden man 2 praten, hij bleek volledig te zijn genaamd: [getuige] geboren op [geboortedatum] 1965 te [plaats] . [getuige] vertelde ons dat hij de eigenaar had gewaarschuwd. Wij hoorden hem zeggen dat hij de vernieling had gezien. Wij zagen dat hij daarna naar de man wees welke ook door [benadeelde] werd aangewezen. Ik verbalisant [verbalisant 1] vroeg [getuige] of hij bereid was om een getuigenverklaring af te leggen. Ik hoorde [getuige] zeggen dat het geen probleem was. Wij vroegen [benadeelde] of hij aangifte wilde doen. Wij hoorden hem ja zeggen. Wij liepen naar het [c-straat] en zagen de man liggen. Wij zagen dat naast hem een halfvolle fles lag met daarin bruine rum. Wij zagen dat aan de label van de fles. Wij roken ook alcohollucht bij het openen van de fles. Wij zagen dat de man op de grond lag en in eerste instantie niet reageerde toen wij hem aanspraken. Wij roken een sterke alcohollucht uit de mond van de man. Na het aanroepen kwam de man bij. Wij vroegen om een ID-kaart en de man overhandigde ons een ID-kaart. De man bleek volledig te zijn genaamd: [verdachte] geboren [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] . Wij zagen dat de verdachte bloeddoorlopen ogen had. Wij vroegen de verdachte om op te staan en zagen dat hij onvast ter been was. Wij hoorden dat hij ook met een dubbele tong sprak.”
3.4
Het bestreden arrest houdt het volgende in:

Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof – ook met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter.
Aangezien de verdachte na de datum waarop de door de eerste rechter bewezenverklaarde feiten gepleegd is opnieuw tot straf is veroordeeld, zal het hof het in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikel aanvullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve met de aanvulling als voormeld te worden bevestigd.”
3.5
Het door het hof bevestigde vonnis houdt, voor zover van belang, het volgende in:

9. Vorderingen benadeelde partijen
Toewijzing vordering benadeelde partij [benadeelde]tot een bedrag van €1.370,00 (duizenddriehonderdzeventig euro), bestaande uit vergoeding van materiële schade.
Veroordeling van de verdachte dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 2 juli 2022 tot aan de dag van de gehele voldoening.
Motivering gedeeltelijke toewijzing vordering benadeelde partij
Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade toegebracht, en de hoogte van het gevorderde bedrag is genoegzaam onderbouwd.
Niet-ontvankelijkverklaringvoor het resterende gedeelte van de vordering. Het resterende gedeelte van de vordering kan slechts bij de burgerlijke rechter worden aangebracht.
Kosten
Veroordeling van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot vandaag begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, nu de vordering van de benadeelde partij (in overwegende mate) is toegewezen.
Schadevergoedingsmaatregel
Oplegging aan de verdachte van de maatregel tot schadevergoeding, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
[benadeelde]te betalen €1.370,00 (hoofdsom: duizenddriehonderdzeventig euro), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 2 juli 2022 tot aan de dag van de gehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 27 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Betaling aan de benadeelde partij, geldt tevens als betaling aan de staat ten behoeve van
[benadeelde]en omgekeerd.”
3.6
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Als slachtoffer is aanwezig [benadeelde] . Het slachtoffer heeft door middel van een schadevergoedingsformulier te kennen gegeven zich als benadeelde partij in het strafproces te voegen. Het slachtoffer heeft [getuige] meegenomen naar de terechtzitting, omdat [getuige] getuige is geweest van het incident.
[…]
De politierechtergaat over tot bespreking van de vordering van de benadeelde partij.
De benadeelde partijdeelt mee dat hij voor het onder parketnummer 10/164324-22 feit 1 ten laste gelegde feit € 1.439.34 aan schadevergoeding vordert en € 120,00 aan proceskosten en licht de vordering als volgt toe.
Ik heb een prijsopgave laten maken en dit is het bedrag wat daaruit voortkwam. De kosten waren uiteindelijk € 1.250,00 euro. Het schaderapport wat ik heb laten opstellen kostte € 120,00 euro.
De verdachteverklaart in reactie op de vordering van de benadeelde partij:
Ik vind het oplichting. Ze kunnen niet bewijzen dat ik de schade heb veroorzaakt. De schade komt niet door een vuist. Het is zwaar overdreven.
De raadsvrouwdeelt in reactie op de vordering van de benadeelde partij mede:
Ik heb twee vragen over de vordering. Op de een na laatste pagina staat namelijk dat de expertisekosten in mindering worden gebracht bij de reparatie. Heeft u daar gebruik van gemaakt?
De benadeelde partijdeelt mede dat hij daarvan geen gebruik heeft gemaakt omdat hij de schade heeft laten herstellen bij een andere garage.
De raadsvrouwdeelt in reactie op de vordering van de benadeelde partij verder mede:
Klopt het dat de werkzaamheden zien op het uitdeuken van de deuk en de reparatie aan de achterzijde van de auto; aan het spatbord?
De benadeelde partijdeelt mede dat dat inderdaad klopt omdat op de achterzijde een kras zat.
De officier van justitiehoudt het requisitoir.
[…]
De vordering van de benadeelde partij [benadeelde] dient naar mijn mening gedeeltelijk te worden toegewezen tot een bedrag van € 1.370,00 met daarbij de wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel.
[…]
Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen wil ik opmerken dat de vordering van [benadeelde] gedeeltelijk kan worden toegewezen. Het uiteindelijke schadebedrag is € 1.370,00 euro en daar wil ik dan ook aan vasthouden.
[…]
Daarbij verzoek ik u om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen met de wettelijke rente. Gelet op het conservatoire beslag, zal dat met elkaar worden verrekend.
[…]
De raadsvrouwvoert het woord tot verdediging en voert aan:
[…]
Verder merkt de verdediging op dat de schade, te weten twee deuken op de motorkap en de kras op de achterzijde, niet rijmt met de handeling: met volle kracht met knokkels slaan op de auto. Gezien het voorgaande ontbreekt wettig en overtuigend bewijs, als gevolg waarvan mijn cliënt dient te worden vrijgesproken.
[…]
Gelet op mijn verzoek om de verdachte vrij te spreken, verzoek ik u om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen. Subsidiair verzoek ik u om de vordering af te wijzen omdat niet duidelijk is dat de offerte betrekking heeft op deze auto. Ik zie dat de naam van de eigenaar en het kenteken zijn weggelakt, terwijl aangever met vermelding van zijn naam en kenteken aangifte heeft gedaan. Meer subsidiair verzoek ik u om de vordering af te wijzen, dan wel te matigen omdat de werkzaamheden voor het spatscherm zijn meegenomen terwijl niet door de getuige gezien is dat mijn cliënt die schade zou hebben veroorzaakt. Ook de expertisekosten dienen te worden afgewezen, omdat deze in mindering konden worden gebracht op de kosten. [benadeelde] zegt dat hij de reparatie elders heeft laten verrichten, maar het is onduidelijk waar. Meer subsidiair verzoek ik u om de vordering niet-ontvankelijk te verklaren omdat onduidelijk is welke schade voor welk bedrag is gerepareerd.
[…]
De benadeelde partijwordt in de gelegenheid gesteld nog eens het woord te voeren. Hij merkt op:
Ik hoorde de verdediging net zeggen dat mijn naam was afgelakt. Dat heb ik bewust gedaan vanwege het feit dat mijn naam anders bekend wordt. Ik heb het origineel bij me. Ik kan het laten zien. De rand aan de achterzijde van de auto was ook beschadigd. Mijn auto is WA-verzekerd en deze schade wordt daarom niet gedekt.
De officier van justitiewordt in de gelegenheid gesteld te repliceren. Zij deelt mee:
De getuigenverklaring is heel duidelijk ten aanzien van de vernieling van de auto. De auto is vernield en de getuige heeft verklaard dat hij de hele tijd zicht had op de verdachte. Ik heb geen reden om te twijfelen aan die verklaring. De vordering over het wegkrassen is zojuist opgehelderd.”
3.7
Het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2023 houdt, voor zover van belang, het volgende in:
“Als benadeelde, partij is ter terechtzitting verschenen [benadeelde] .
[…]
De benadeelde partij voert op vragen van de voorzitter het woord, inhoudende:
U, voorzitter, zegt mij dat ik een brief aan het hof heb geschreven waarin ik mijn oorspronkelijke
vordering tot schadevergoeding met € 69,- heb verlaagd, onder verwijzing naar een brief maar dat u die brief niet heeft. In die meegestuurde brief staat de veroordeling van de verdachte en daar verwijs ik naar in mijn brief aan het hof.
Met mijn voegingsformulier heb ik tevens een offerte meegestuurd. Het klopt dat deze offerte deels zwartgelakt is, omdat daar mijn kenteken en adres staan vermeld.
Ik heb inderdaad tijdens het onderzoek ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat ik een expertiserapport en offerte heb laten opstellen door het bedrijf [A], maar dat ik de schade vervolgens niet door dit bedrijf heb laten repareren.
U, voorzitter, vraagt mij of ik van de daadwerkelijke reparatie een factuur heb. Die zou ik even moeten zoeken. De kosten bedroegen echter ook € 1.370,-. Mijn toenmalige buurman heeft zowel voor deze reparatie als voor de betaling zorg gedragen. Ter terechtzitting in eerste aanleg was mijn buurman aanwezig als getuige.
[…]
De raadsvrouw voert het woord tot verdediging overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota.
[…]
De advocaat-generaal en de raadsvrouw krijgen de gelegenheid tot respectievelijk repliek en dupliek.
De benadeelde partij voert desgevraagd door de voorzitter het woord, inhoudende:
De documenten, die in het dossier zitten, hebben inderdaad betrekking op mijn auto, de Audi. Ik heb er bewust voor gekozen om die stukken niet in te brengen. Het gaat om een behoorlijk bedrag en mijn buurman heeft dit voor mij opgelost.
De raadsvrouw wordt in de gelegenheid gesteld het laatst te spreken.”
3.8
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte – die de verdachte ook in eerste aanleg bijstond – het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang het volgende in:

Vordering benadeelde partij
Afwijzen: ivm verzoek vrijspraak;
Subsidiair: afwijzen omdat niet duidelijk is dat de offerte betrekking heeft op deze auto (eigenaar en kenteken weggelakt, terwijl aangever wel met naam, adres en kenteken aangifte heeft gedaan);
Meer subsidiair: afwijzen dan wel matigen omdat daarin ook werkzaamheden voor spatscherm zijn meegenomen. Expertisekosten afwijzen; worden in mindering gebracht bij reparatie.
Meest subsidiair: niet-ontvankelijk; geen duidelijkheid over schade.”
3.9
Het verzoek tot schadevergoeding van [benadeelde] dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt houdt onder het kopje “3. Strafbaar feit” over het ontstaan van de schade het volgende in:
“Een dronken persoon (de voor mij onbekende dader) heeft met zijn vuist een deuk geslagen in de motorkap van mijn audi A5.”Als omschrijving van de materiële/verplaatste schade houdt de vordering onder het kopje “4A Materiële en/of verplaatste schade” in:
“uitdeuken en spuitwerk”. Het schadebedrag dat wordt genoemd is € 1.439,34 en er is een bijlage bijgevoegd (1A). Onder het kopje “5. Verzoek vergoeding proceskosten” staat een bedrag van € 120,- voor gemaakte proceskosten bestaande uit de opmaak van een schaderapport. Ook hier is een bijlage bijgevoegd (1B).
3.1
Bijlage 1A houdt, voor zover van belang, het volgende in:
[…]
3.11
Bijlage 1B houdt, voor zover van belang, het volgende in:
Uit de eveneens bij deze bijlage gevoegde pinbon blijkt dat het bedrag van € 120,00 op 11 juli 2022 is voldaan.
3.12
Bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt zich verder nog een “Wensenformulier” van 23 maart 2023, inhoudende dat [benadeelde] het verzoek tot schadevergoeding wenst aan te passen, in die zin dat het verzoek met een bedrag van € 69,- wordt verlaagd. Als reden voor deze verlaging wordt genoemd: “Dit is overeenkomstig de uitspraak v.d. rechter op de zitting dd 10-10-’22. E.e.a. is bevestigd in uw brief dd 3-11-’22 met kenmerk [...] ”. [1]
3.13
In de toelichting op het middel wordt opgemerkt dat door de verdediging in hoger beroep uitdrukkelijk verweer is gevoerd over de in eerste aanleg toegewezen vordering van [benadeelde] . Geklaagd wordt dat het hof daar niet op heeft gereageerd en in het bevestigde vonnis evenmin een reactie op die verweren besloten ligt. In verband met de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] wordt aangevoerd dat uit de gebezigde bewijsmiddelen en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep blijkt dat (i) [benadeelde] in eerste aanleg een factuur van een garage heeft overgelegd die kennelijk slechts een offerte betreft, (ii) volgens opgave van [benadeelde] een andere garage de reparatie voor hetzelfde bedrag heeft uitgevoerd maar [benadeelde] de betreffende factuur bewust niet heeft overgelegd, (iii) het kenteken van de auto en de naam van aangever op de eerste factuur niet waren vermeld omdat aangever naar eigen zeggen zijn naam en kenteken onbekend wilde houden, terwijl aangever wel zijn naam en kenteken in de aangifte heeft opgegeven en (iv) de factuur ook kosten vermeldt ten aanzien van het herstellen van een kras aan de achterzijde van de auto, terwijl de getuige en de politie slechts schade aan de motorkap hebben waargenomen. Gelet hierop zouden de door het hof ten aanzien van deze vordering genomen beslissingen volgens de stellers van het middel onvoldoende met redenen zijn omkleed.
3.14
Uit het bestreden arrest, zoals onder 3.4 is weergegeven, blijkt dat het hof het vonnis – op vermelding van art. 63 Sr onder de wettelijke voorschriften na – kaal heeft bevestigd.
3.15
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] , bestaande uit een bedrag van € 1.439,34 aan materiële schade en een bedrag van € 120,00 aan proceskosten, toegewezen tot een bedrag van € 1.370,00 bestaande uit vergoeding van materiële schade. Volgens de politierechter is aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade toegebracht en is de hoogte van het gevorderde bedrag genoegzaam onderbouwd. Dat oordeel is in het licht van gevoerde verweren en de klachten in cassatie niet onbegrijpelijk.
3.16
Daartoe moet allereerst in aanmerking worden genomen dat de benadeelde partij op de terechtzitting in eerste aanleg heeft ingebracht dat het bedrag van € 1.439,34 het bedrag is dat uit de schadecalculatie van [A] BV komt, maar dat de kosten uiteindelijk € 1.250,- waren omdat hij de schade bij een andere garage heeft laten herstellen. Ook blijkt dat de benadeelde partij € 120,- aan expertisekosten heeft betaald, welke kosten niet bij de reparatie in mindering zijn gebracht omdat de schade niet is hersteld door [A] BV (zie de onder 3.11). Opgeteld komen deze bedragen uit op het toegewezen bedrag van € 1.370,-. De politierechter verklaart de benadeelde partij voor het overige deel van de vordering (€ 69,34) niet-ontvankelijk. Daarmee komt de som van de reparatiekosten bij de garage die de auto uiteindelijk heeft gerepareerd en de expertisekosten (samen: € 1.370,-.) lager uit dan het bedrag dat in totaal betaald zou zijn bij reparatie door [A] BV (€ 1.439,34 [2] ). De benadeelde partij heeft het totaal van de kosten dus beperkt (in overeenstemming met art. 6:101 BW [3] ) zodat het verweer dat de expertisekosten moeten worden afwezen omdat die in mindering zouden zijn gebracht bij reparatie door [A] BV niet kan slagen.
3.17
Over het door de verdediging aangevoerde punt dat niet duidelijk is dat de schadecalculatie betrekking heeft op de onderhavige auto omdat eigenaar en kenteken zijn weggelakt, heeft de benadeelde partij ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht waarom hij dit heeft gedaan en daarbij aangeboden om het origineel, waarover hij opmerkte dat hij dit bij zich had, te laten zien. Bovendien is door de benadeelde partij op de vraag van de raadsvrouw van de verdachte of het klopt dat de werkzaamheden ook betrekking hebben op “de reparatie aan de achterzijde van de auto; aan het spatbord” geantwoord dat dit inderdaad klopt omdat op de achterzijde een kras zat. Kennelijk hebben de rechtbank en het hof mede op grond van deze verhandelingen ter terechtzitting vastgesteld dat de schadecalculatie betrekking had op de in de bewezenverklaring genoemde auto. Dat is niet onbegrijpelijk.
3.18
Dat geldt ook voor het door het hof bevestigde oordeel van de rechtbank dat ook de schade door de kras c.q. aan het spatscherm aan de achterzijde van de auto voor vergoeding in aanmerking komt. Uit het hierna onder 3.29 weergegeven kader volgt immers dat voor het aannemen van een voldoende verband voor “rechtstreekse schade”, niet is vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld. In het onderhavige geval spreekt de bewezenverklaring in zijn algemeenheid over het beschadigd zijn van een auto en blijkt uit de bewijsmiddelen dat [benadeelde] zag dat er op de motorkap een grote deuk zat en dat op de achterzijde van het voertuig een kras zat, terwijl zijn vriendin op 2 juli 2022 omstreeks 12:00 uur het voertuig voor het laatst onbeschadigd heeft gezien. Daarin ligt besloten dat de politierechter aannemelijk heeft geacht dat beide schades door de verdachte zijn veroorzaakt. Dat is niet onbegrijpelijk. Daarbij wijs ik erop dat niet is gebleken dat de verdachte zich niet bij zowel de voorkant als de achterkant van de beschadigde auto zou hebben bevonden.
3.19
Gezien het voorgaande is de kale bevestiging door het hof van de beslissing van de politierechter, ook in het licht van het onder 3.8 weergegeven verweer, niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd. Daarbij merk ik nog op dat in cassatie er niet over is geklaagd dat de gemaakte expertisekosten (€ 120,-) ten onrechte zouden zijn toegekend als materiële schade in plaats van als proceskosten, zodat geen bespreking behoeft of die klacht zou kunnen slagen. [4]
3.2
De klacht over de vordering van de benadeelde partij [benadeelde] faalt.
Vordering van de benadeelde partij Nationale Politie District
3.21
Ten laste van de verdachte is in de zaak met parketnummer 10/165215-22 bewezenverklaard dat:
“hij op 3 juli 2022 te [plaats] , opzettelijk en wederrechtelijk een telefoon, dat geheel aan de Nationale Politie, toebehoorde heeft vernield”
3.22
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende bewijsmiddelen:
“- Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam , nummer PL1700-2022203234-6, pagina’s 5 - 6 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2022203234, inhoudende alsverklaring van aangeefster [aangever]:
Ik ben namens de benadeelde gerechtigd tot het doen van aangifte. Ik ben bevoegd aangifte te doen namens het politiekorps, regionale eenheid Rotterdam . Vandaag, 3 juli 2022, werd ik in kennis gesteld dat er in het voorlopig arrestanten verblijf (VAV 1) aan politiebureau Zuidplein gelegen aan het Zuidplein 111, 3083 CN Rotterdam , een DECT telefoon was vernield. De DECT telefoon zou tussen 3 juli 2022 te 22:00 uur, en 3 juli 2022 te 22:15 uur, door de aldaar ingesloten verdachte [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] vernield zijn.
Voordat de verdachte [verdachte] de DECT telefoon gebruikt had was de telefoon nog onbeschadigd en in goede staat. Toen verdachte [verdachte] de genoemde telefoon op de grond had gegooid was de telefoon defect en ging deze niet meer aan.
- Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam , nummer PL1700­2022203234-4, pagina 8 bij het proces-verbaal met nummer PL1700-2022203234, inhoudende alsrelaas van de verbalisant [verbalisant 3]:
[verdachte] bevond zich in voorlopig arrestantenverblijf (VAV) nr. 1 en sprak met dec telefoon met zijn advocaat. Na het gesprek klopte hij aan de deur en kwam ik naar hem toe lopen en heb de deur opengedaan. Ik zag dat de telefoon op het vensterbankje van het raam van de VAV lag dat zich naast de deur bevindt. Ik zag dat [verdachte] richting de deur liep. [verdachte] zette één stap buiten de deur en draaide zich toen half om richting de binnenkant van het raam. Ik zag dat hij de telefoon pakte en boven zijn hoofd uitbracht. Ik zag dat [verdachte] met een snelle harde neerwaartse beweging de telefoon op de grond gooide. Ik zag de telefoon via de grond, tegen de muur en vervolgens op het bankje van de VAV stuiteren. [verdachte] liep vervolgens door naar buiten. Ik ben hierop de VAV meteen binnengegaan en heb de telefoon gepakt. Ik zag dat het beeldscherm van de telefoon uit was, welke normaal gesproken altijd aan is. Ik heb op meerdere knoppen gedrukt om te kijken of ik reactie kreeg van de telefoon. Ik heb geprobeerd de aan/uit knop van de telefoon langdurig ingedrukt te houden om hem op deze wijze aan te zetten. De telefoon reageerde nergens op en ik heb de telefoon aangemerkt als defect. Hierop werd [verdachte] aangehouden voor vernieling.
Verdachte: [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] .
- Het proces-verbaal van de politie, eenheid Rotterdam , nummer PL1700­2022203234-5, pagina ‘s 11-138 bij het proces-verbaal met nummer PL1700­ 2022203234, inhoudende alsverklaring van verdachte:
Ik werd toen weer naar een VAV gebracht om met mijn advocaat te bellen. Toen ik gebeld had met mijn advocaat heb ik besloten, om wat met die telefoon te doen, dan moesten ze mij hier wel houden. Ik heb toen uit emotie die telefoon op de grond gegooid.”
3.23
Het door het hof bevestigde vonnis houdt, voor zover van belang, het volgende in:

9. Vorderingen benadeelde partijen
[…]
Toewijzing vordering benadeelde partij Nationale Politie Districttot een bedrag van €322,79 (driehonderdtweeëntwintig euro en negenenzeventig cent), bestaande uit vergoeding van materiële schade. Veroordeling van de verdachte dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 3 juli 2022 tot aan de dag van de gehele voldoening.
Motivering toewijzing vordering benadeelde partij
Aan de benadeelde partij is door het bewezenverklaarde strafbare feit, rechtstreeks (materiële) schade toegebracht, en de hoogte van het gevorderde bedrag is genoegzaam onderbouwd.
KostenVeroordeling van de verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot vandaag begroot op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, nu de vordering van de benadeelde partij is toegewezen.
SchadevergoedingsmaatregelOplegging aan de verdachte van de maatregel tot schadevergoeding, inhoudende de verplichting aan de staat ten behoeve van
Nationale Politie Districtte betalen €322,79 (hoofdsom: driehonderdtweeëntwintig euro en negenenzeventig cent), vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 3 juli 2022 tot aan de dag van de gehele voldoening, bij gebreke van betaling en verhaal van de hoofdsom te vervangen door 6 dagen gijzeling. De toepassing van de gijzeling heft de betalingsverplichting niet op.
Betaling aan de benadeelde partij, geldt tevens als betaling aan de staat ten behoeve van
Nationale Politie Districten omgekeerd.”
3.24
Het bestreden arrest houdt in:

Het vonnis waarvan beroep
De behandeling van de zaak in hoger beroep heeft het hof – ook met toepassing van artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht – niet gebracht tot andere beschouwingen en beslissingen dan die van de eerste rechter.
Aangezien de verdachte na de datum waarop de door de eerste rechter bewezenverklaarde feiten gepleegd is opnieuw tot straf is veroordeeld, zal het hof het in het vonnis waarvan beroep aangehaalde wetsartikel aanvullen met artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.
Het vonnis waarvan beroep dient derhalve met de aanvulling als voormeld te worden bevestigd.”
3.25
Het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg houdt, voor zover van belang, het volgende in:

De officier van justitiehoudt het requisitoir.
[…]
De vordering van de benadeelde partij de Nationale Politie Eenheid Rotterdam dient mijns inziens geheel te worden toegewezen met daarbij de wettelijke rente en schadevergoedingsmaatregel.
[…]
De vordering van de politie is onderbouwd met een factuur waardoor het bedrag van € 322,79 euro kan worden toegewezen.
Daarbij verzoek ik u om de schadevergoedingsmaatregel op te leggen met de wettelijke rente. Gelet op het conservatoire beslag, zal dat met elkaar worden verrekend.
[…]
De raadsvrouwvoert het woord tot verdediging en voert aan:
[…]
Ten aanzien van de vernieling van de telefoon betwist mijn cliënt dat hij de telefoon, die eigendom is van de nationale politie, zou hebben vernield. De telefoon is op de grond gevallen, maar niet is komen vast te staan dat hij onbruikbaar of beschadigd is geraakt. De verbalisant geeft aan dat er langdurig op de knop is gedrukt en dat de telefoon niet meteen aan is gegaan. Soms kan het even duren voordat een telefoon het weer doet. Het kan tevens zo zijn dat de batterij is verschoven. Niet is vast komen te staan dat de telefoon beschadigd of onbruikbaar is gemaakt en daarom dient mijn cliënt te worden vrijgesproken.
De vordering die is ingediend voor de telefoon bedraagt € 322,00 euro terwijl uit de factuur blijkt dat de telefoon € 239,26 euro kost inclusief BTW. Afgezien van het bedrag is het niet duidelijk hoe oud de telefoon is. Met het bedrag dat gevorderd is, is geen rekening gehouden met afschrijvingen in verband met de ouderdom van het toestel. Door de benadeelde partij wordt kennelijk de prijs voor een nieuw toestel gevraagd terwijl niet duidelijk is hoe oud het desbetreffende toestel was. De vordering dient dan ook te worden afgewezen. Dan kom ik op het bedrag dat is gevorderd. Op pagina 9 staat dat de kosten € 242,37 exclusief BTW en € 293,00 inclusief BTW zijn. Ik maak op dat die telefoon dat waard is, althans de nieuwwaarde. De overlegde factuur ziet echter op de aankoop van een andere telefoon dan de telefoon die beschadigd zou zijn.
[…]
De officier van justitiewordt in de gelegenheid gesteld te repliceren. Zij deelt mee:
[…]
Wat betreft de vordering die is ingediend door de politie, ben ik van mening dat u kunt uitgaan van de factuur die is bijgevoegd en dat de vordering voldoende is onderbouwd.”
3.26
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 13 december 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte – die de verdachte ook in eerste aanleg bijstond – het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig haar overgelegde en in het procesdossier gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt, voor zover van belang, het volgende in:

Vordering benadeelde partij
[…]
Vernieling (10-1625215-22)
[…]
Schadevergoeding
Afwijzingen, subsidiair: € 293,26 (niets over ouderdom, afschrijving)”
3.27
Het verzoek tot schadevergoeding van Nationale Politie District dat zich bij de aan de Hoge Raad toegezonden stukken bevindt houdt onder het kopje “4A Materiële en/of verplaatste schade” als omschrijving van de materiële/verplaatste schade in: “Vervangen Spectralink 7622”. Het schadebedrag dat wordt genoemd is € 322,79 en er is een bijlage bijgevoegd. Deze bijlage houdt het volgende in:
3.28
Ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie District wordt door de stellers van het middel in de toelichting op het middel opgemerkt dat het hof ook hier niet heeft gereageerd op hetgeen de verdediging heeft aangevoerd, namelijk dat ten onrechte is uitgegaan van de nieuwwaarde van de telefoon, terwijl niets bekend is over de ouderdom van de telefoon. Ook hier valt volgens de stellers van het middel in het bevestigde vonnis geen reactie op dit verweer te ontwaren.
3.29
Bij de beoordeling van deze deelklacht moeten de volgende uitgangspunten uit het overzichtsarrest van de Hoge Raad van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
NJ2019/379 m.nt. Vellinga worden vooropgesteld:
“‘
Rechtstreekse schade’ (art. 51f, eerste lid, Sv; art. 361, tweede lid aanhef en onder b, Sv)
2.3.1
De benadeelde partij kan in het strafproces vergoeding vorderen van de schade die zij door een strafbaar feit heeft geleden indien tussen het bewezenverklaarde handelen van de verdachte en de schade voldoende verband bestaat om te kunnen aannemen dat de benadeelde partij door dit handelen rechtstreeks schade heeft geleden.
Voor de beantwoording van de vraag of zodanig verband bestaat zijn de concrete omstandigheden van het geval bepalend. Voor het aannemen van zodanig verband is niet vereist dat de schade betrekking heeft op voorwerpen die in de bewezenverklaring zijn vermeld. Evenmin geldt met betrekking tot vermogensdelicten als bovengrens aan de schadevergoeding het bedrag dat de verdachte door het bewezenverklaarde misdrijf heeft verworven. Voorts is niet vereist dat de benadeelde partij is getroffen in een belang dat door de overtreden strafbepaling rechtstreeks wordt beschermd.
[…]
Schade
2.4.1
Voor vergoeding aan de benadeelde partij komt overeenkomstig de regels van het materiële burgerlijk recht slechts in aanmerking de schade die de benadeelde partij heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige gedragingen van de verdachte, voor zover deze schade op de voet van art. 6:98 BW aan de verdachte kan worden toegerekend. Deze schade kan bestaan uit vermogensschade en, voor zover de wet daarop aanspraak geeft, ander nadeel (art. 6:95, eerste lid, BW).
a) Vermogensschade (art. 6:96 BW)
2.4.2
Vermogensschade kan zowel geleden verlies als gederfde winst omvatten (art. 6:96, eerste lid, BW). Zij bestaat uit de daadwerkelijke verandering die het vermogen van de benadeelde partij door het strafbare feit heeft ondergaan. Uitgangspunt is dus de vergoeding van de concreet geleden schade.
Bij beschadiging of verlies van een zaak kan in veel gevallen worden gekozen voor berekening van de schade uitsluitend aan de hand van de (vervangings)waarde van die zaak in het economisch verkeer (abstracte schadeberekening). Indien het een beschadigde zaak betreft waarvan herstel mogelijk en economisch verantwoord is, zal het geldbedrag waarin de waardevermindering van de zaak kan worden uitgedrukt in het algemeen gelijk zijn aan de – naar objectieve maatstaven berekende – herstelkosten. Indien herstel van de zaak niet meer mogelijk of niet verantwoord is en in geval van zaakverlies, wordt de waarde van de zaak vergoed. Ook in andere, bijzondere gevallen kan – zowel op praktische gronden als om redenen van billijkheid – een uitzondering op voornoemd uitgangspunt van concrete schadeberekening worden aanvaard.
Indien de omvang van de schade niet nauwkeurig kan worden vastgesteld, wordt zij geschat (art. 6:97 BW).
[…]
2.8.2
In het geval de verdachte de vordering van de benadeelde partij betwist zal de rechter aan de hand van de onderbouwing van de stellingen over en weer moeten beoordelen of de feiten en omstandigheden die tot toewijzing van de vordering kunnen leiden in voldoende mate zijn komen vast te staan.
[…]
2.8.6
Art. 361, vierde lid, Sv schrijft voor dat de beslissing op de vordering van de benadeelde partij met redenen is omkleed. De begrijpelijkheid van de beslissingen over de vordering van de benadeelde partij is mede afhankelijk van de wijze waarop (en de stukken waarmee) enerzijds de vordering is onderbouwd en anderzijds daartegen verweer is gevoerd. Naarmate de vordering uitvoeriger en specifieker wordt weersproken, zal de motivering van de toewijzing van de vordering dus meer aandacht vragen.”
3.3
De politierechter heeft de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie District van € 322,79 geheel toegewezen. Volgens de politierechter is aan de benadeelde partij door het bewezenverklaarde strafbare feit rechtstreeks (materiële) schade toegebracht en is de hoogte van het gevorderde bedrag genoegzaam onderbouwd. Dat de schade door het bewezenverklaarde strafbare feit is toegebracht wordt in cassatie niet betwist. [5] De klacht richt zich puur op de hoogte van het toegewezen bedrag.
3.31
Uit de onder 3.27 weergegeven bijlage bij de vordering blijkt dat de prijsopgave, gedateerd 26 juli 2022, van de “Spectralink 7622 DECT-telefoonhandset Grijs” een totaalbedrag van € 266,77 exclusief BTW inhoudt. Inclusief BTW (21%) gaat het om het gevorderde bedrag van € 322,79. In de door het hof bevestigde beslissing van de politierechter tot toewijzing van dit bedrag ligt besloten dat is uitgegaan van de gestelde aanschafwaarde/nieuwwaarde van een telefoon als de onderhavige en niet van de dagwaarde/marktwaarde. [6] Dat oordeel is gelet op het navolgende niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
3.32
Door de verdediging is in hoger beroep summier verweer tegen de vordering gevoerd. Er is enkel gesteld “Afwijzingen, subsidiair: € 293,26 (niets over ouderdom, afschrijving)”. Ik heb mij afgevraagd waarop dit verzoek tot matiging van het gevorderde bedrag tot een bedrag van € 293,26 is gestoeld. Een aanwijzing daarvoor vind ik in hetgeen de raadsvrouw van de verdachte – die de verdachte ook in eerste aanleg bijstond – op de terechtzitting in eerste aanleg heeft aangevoerd (zie onder 3.25). Zij voerde op die zitting onder meer aan dat bij het gevorderde bedrag geen rekening is gehouden met afschrijvingen vanwege de ouderdom van het toestel en dat het door de benadeelde partij gevorderde bedrag de nieuwprijs van een toestel betreft, terwijl niet duidelijk is hoe oud het desbetreffende toestel was. Over de hoogte van het gevorderde bedrag heeft zij opgemerkt dat “[O]p pagina 9 staat dat de kosten € 242,37 exclusief BTW en € 293,00 [ik begrijp dat dit moet zijn: € 293,26,
PHvK] inclusief BTW zijn. Ik maak op dat die telefoon dat waard is, althans de nieuwwaarde. De overlegde factuur ziet echter op de aankoop van een andere telefoon dan de telefoon die beschadigd zou zijn.”
3.33
Een blik achter de papieren muur laat zien dat p. 9 van het procesdossier een proces-verbaal van bevindingen (PL1700-2022203324-7) inhoudt waarin door een verbalisant wordt gerelateerd dat teneinde het schadebedrag van de door de verdachte vernielde telefoon te kunnen bepalen contact is opgenomen met de afdeling ICT van de politie met de vraag wat de kosten zijn van de aanschaf van een nieuwe telefoon van hetzelfde merk en type als de telefoon die de verdachte heeft vernield. Ook is daarin vermeld dat de reactie op deze vraag inhield dat op 30 mei 2022 een telefoon van hetzelfde merk en type was aangeschaft voor een bedrag van € 242,37 (excl. BTW) en € 293,26 (incl. BTW). Aan het proces-verbaal van bevindingen is een qua opmaak soortgelijke bijlage als bedoeld onder 3.27 gehecht met vermelding van het bedrag, excl. BTW. Daarmee is duidelijk waarin het bedrag van € 293,26 zijn oorsprong vindt.
3.34
Gelet op het voorgaande is niet onbegrijpelijk dat in de door het hof bevestigde beslissing van de politierechter is uitgegaan van de aanschafwaarde/nieuwwaarde van eenzelfde telefoon als de door de verdachte vernielde telefoon. Het door de verdediging in hoger beroep bij pleitnota voorgestelde bedrag van € 293,26 (zie onder 3.26 en 3.32) betreft immers ook de aanschafwaarde/nieuwwaarde van een dergelijke telefoon. Daarbij komt dat blijkens de voor het bewijs gebruikte verklaring van aangeefster [aangever] (zie onder 3.22) de telefoon voordat die door de verdachte werd gehanteerd “nog onbeschadigd en in goede staat” was. [7] De vraag is dan nog of het door de verdediging voorgestelde bedrag van € 293,26 inderdaad overeenstemt met de aanschafwaarde/nieuwwaarde van de vernielde telefoon. Dat is niet het geval blijkens het door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank, aangezien daarin het hogere bedrag van € 322,79 euro is toegewezen, oftewel het bedrag dat in de door de benadeelde partij overgelegde bijlage is vermeld (zie onder 3.27 en 3.31). Ook dat is niet onbegrijpelijk. Daartoe is van belang dat de in die bijlage weergegeven prijsopgave – anders dan de onder 3.32 genoemde prijsopgave [8] – dateert van na het gepleegde strafbare feit. Bovendien kan niet zonder meer worden vastgesteld dat de prijsopgave waar de verdediging zich op beroept impliceert dat de vernielde telefoon inmiddels was vervangen en dat die prijsopgave de vervangende telefoon betreft. Overigens wijs ik erop dat de administratiekosten die gepaard zullen zijn gegaan met het vervangen van de telefoon niet door de benadeelde partij Nationale Politie District zijn gevorderd en dat zulke kosten ook niet door het hof zijn toegekend.
3.35
Gelet op het voorgaande is het ook hier niet onbegrijpelijk dat het hof het vonnis op dit punt kaal heeft bevestigd.
3.36
Ook de klacht over de vordering van de benadeelde partij Nationale Politie District faalt.

4.Afronding

4.1
Het middel faalt en kan worden afgedaan met toepassing van art. 81 lid 1 RO.
4.2
Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze brief van het Informatiepunt Slachtoffers (IPS) bevindt zich eveneens bij de stukken en houdt o.m. het volgende in: “De rechter heeft besloten dat de dader een schadevergoeding van in totaal € 1.370,00 aan u moet betalen. Dit is een deel van het bedrag waar u om had gevraagd. Voor in totaal € 69,00 (
2.Expertise kosten € 120,- + reparatiekosten € 1.439,34 -/- verrekening expertisekosten € 120,- = € 1.439,34.
3.S.D. Lindenbergh, in:
4.Vgl. T. Hartlief, W.H. van Boom, A.L.M. Keirse & S.D. Lindenbergh,
5.Uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt dat de bewezenverklaarde vernieling ziet op een DECT telefoon en dat deze telefoon voorafgaand aan de vernieling door de verdachte nog onbeschadigd en in goede staat was.
6.Vgl. voor de zgn. “marktwaarde” HR 12 april 1991,
7.Vgl. A-G Harteveld, conclusie voor HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1948 (81 RO), randnr. 4.7. In deze zaak was door de verdediging aangevoerd dat niet mocht worden uitgegaan van de nieuwwaarde van het horloge. A-G Harteveld vond het gelet op de door de benadeelde partij overgelegde aankoopfactuur, waaruit bleek dat het horloge ten tijde van het delict drie maanden oud was, niet onbegrijpelijk dat het hof het bedrag van de nieuwwaarde van het horloge had toegewezen. Vgl. ook HR 15 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:933, r.o. 4.5.
8.Deze prijsopgave is gedateerd op 30 mei 2022.