Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het middel
proces-verbaal van aangiftevan 16 december 2016, opgemaakt door daartoe bevoegde
verklaring van [betrokkene 1]:
het hof begrijpt: [medeverdachte]) heeft de knop ingedrukt van de laadruimte en achterdeuren werden geopend.
het hof begrijpt: in de bus moesten blijven met hun hoofden naar beneden). Wij moesten vervolgens onze mobiele telefoons inleveren. Mijn telefoon heeft hij meegenomen.
proces-verbaal van verhoor van de raadsheer-commissarisvan 28 november 2022, (los stuk.
verklaring van [betrokkene 1]:
proces-verbaal van aangiftevan 15 december 2016, opgemaakt door daartoe bevoegde
verklaring van [medeverdachte]:
proces-verbaal beschrijving beelden [A]van 3 januari 2017, opgemaakt door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar (pag. 1203-1207).
relaasvan deze
eigen waarneming van het gerechtshofvan op de terechtzitting van 12 juni 2023 besproken camerabeelden van [A] .
Brandstichting
NJ2009/120 overwoog de Hoge Raad dat van levensgevaar als bedoeld in art. 157 aanhef Pro en onder 2° Sr niet reeds sprake is indien de brand is gesticht in een woning (of een andere behuizing die tot menselijke bewoning dient). [1] Om in een dergelijk geval in rechte het levensgevaar voor in het bijzonder de bewoner(s) als vaststaand te kunnen aannemen, is vereist dat uit de inhoud van wettige bewijsmiddelen volgt dat dat levensgevaar inderdaad te duchten was. Dit betekent dat het levensgevaar ten tijde van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest. Dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien, is in dat verband dus niet van belang. In HR 5 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW4230,
NJ2012/670 m.nt. Bleichrodt berustte het middel op de opvatting dat in een geval van vervolging voor art. 157 Sr Pro het opzet van de verdachte in alle gevallen niet alleen moet zijn gericht op – voor zover hier van belang – brandstichting, maar ook op het bestanddeel “levensgevaar […] voor een ander te duchten is”. De Hoge Raad wees die opvatting onder verwijzing naar genoemd arrest van 17 februari 2009 van de hand en herhaalde dat bedoeld gevaar ten tijde van het teweegbrengen van de brandstichting naar algemene ervaringsregels voorzienbaar moet zijn geweest, zodat niet van belang is dat de dader zelf dat gevaar wellicht niet heeft voorzien. [2] Dat betekent dat het soort redenering waarvan blijkt uit de opzetoverwegingen in het
Porsche-arrest [3] – waarin de veroordeling wegens doodslag in het verkeer onder meer geen stand hield omdat de verdachte door zijn handelwijze ook zelf aanmerkelijk levensgevaar had gelopen – in zaken als de onderhavige niet opgaat. Dat men zelf of een bloedverwant gevaar loopt, tast als zodanig niet de voorzienbaarheid van het gevolg aan. Daarentegen zal van de vereiste voorzienbaarheid in de regel geen sprake zijn indien zich ten tijde van de brandstichting niemand in het object bevond dat in brand is gestoken. [4]
PHvK: dat is rond 18:51 uur).