ECLI:NL:PHR:2025:1183

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
11 november 2025
Publicatiedatum
31 oktober 2025
Zaaknummer
23/03882
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Cassatieberoep tegen veroordeling voor openlijk geweld met betrekking tot een burenruzie

In deze zaak is de verdachte, geboren in 2000, na een vrijspraak door de rechtbank, door het gerechtshof Den Haag op 2 oktober 2023 veroordeeld voor openlijk geweld in vereniging tegen een persoon, met lichamelijk letsel tot gevolg. De verdachte kreeg een voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren opgelegd, met aftrek van voorarrest en een proeftijd van twee jaren. De zaak betreft een burenruzie die op 25 juli 2020 plaatsvond, waarbij de verdachte en medeverdachten betrokken waren. De verdediging heeft in cassatie twee middelen ingediend. Het eerste middel betreft de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen, waar de verdediging aanvoert dat het hof niet adequaat heeft gereageerd op hun argumenten over tegenstrijdigheden in de verklaringen. Het tweede middel betreft de schending van de redelijke termijn van berechting. Het hof heeft de verweren van de verdediging verworpen en de veroordeling bevestigd. De Hoge Raad concludeert dat de redelijke termijn is overschreden, maar verbindt hieraan geen rechtsgevolg. De conclusie van de Procureur-Generaal strekt tot verwerping van het beroep.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer23/03882
Zitting11 november 2025
CONCLUSIE
M.E. van Wees
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000,
hierna: de verdachte.

1.Inleiding

1.1
De verdachte is, na vrijspraak door de rechtbank, bij arrest van 2 oktober 2023 door het gerechtshof Den Haag (parketnr. 22–003496-20) wegens "openlijk in vereniging gewold plegen tegen personen, terwijl het door de schuldige gepleegde geweld enig lichamelijk letsel tan gevolge heeft", veroordeeld tot een voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren met aftrek van voorarrest en met een proeftijd van twee jaren. Het hof Het hof heeft daarnaast een vordering van de benadeelde partij gedeeltelijk toegewezen en in dat verband een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Er bestaat samenhang met de zaken 23/03879. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte en R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Het eerste middel

2.1
Het eerste middel komt op tegen het gebruik door het hof van de verklaringen de [aangever] , de [getuige 1] en de [getuige 2] . Geklaagd wordt dat de verdediging onderbouwd heeft aangevoerd dat hun verklaringen tegenstrijdig en onbetrouwbaar zijn en dat het hof ten onrechte heeft nagelaten om hier op in te gaan.
2.2
Het hof heeft ten laste van de verdachte bewezenverklaard dat:
“hij, op 25 juli 2020 te [plaats] , openlijk, te weten op of aan de openbare weg, in vereniging geweld heeft gepleegd tegen een persoon, [aangever] , door die [aangever] :
vast te houden en
- meermalen tegen het hoofd en het lichaam te slaan en/of te schoppen.”
2.3
Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 18 september 2023 heeft de raadsvrouw van de verdachte het woord tot verdediging gevoerd overeenkomstig een overgelegde pleitnota. Deze pleitnota houdt voor zover van belang in:
“De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank wel degelijk op de juiste gronden tot zijn oordeel is gekomen en dat de uitspraak van de rechtbank in eerste aanleg in stand gehouden dient te worden. Verdediging is nog immer van oordeel dat de tenlastegelegde feiten niet wettig en overtuigend is bewezen, dat niet wordt voldaan aan alle componenten van de tenlastegelegde feiten, zodat cliënt hiervan opnieuw dient te worden vrijgesproken.
De verdediging voert hiertoe het volgende aan.
Weliswaar is het bij openlijke geweldpleging niet vereist om te bepalen welk geweld aan welke verdachte kan worden toegerekend. Echter, volgens de verdediging is de precieze gang van zaken tijdens het incident op 25 juli 2020 in Nooddorp onvoldoende is komen vast te staan om tot conclusies ten aanzien van ieders rol in het geheel te komen die boven redelijke twijfel verheven zijn. Daarbij moet met name gedacht worden aan de grote discrepanties in de verklaringen van zowel de getuigen als de aangever zelf. Zo blijkt uit het dossier niet wie de nekklem heeft toegepast, de exacte plek/plaats van het geweld waardoor zelfs getwijfeld dient te worden aan het bestanddeel ‘openlijk’, wie als eerste is begonnen en/of wie de agressor is geweest en wat precies de geweldshandelingen zijn geweest.
Als wij de feiten doorlopen kunnen we vaststellen dat aangever degene is geweest die als eerste de confrontatie heeft opgezocht door met een zaag de tuin van cliënt en zijn familie in te lopen en hun aan te vallen en dus inbreuk op de privacy en/of huisvredebreuk heeft gepleegd waardoor cliënt zich genoodzaakt voelde om zich en zijn familie te verdedigen.
Dit wordt niet alleen ondersteund door de verklaringen van cliënt en de medeverdachten maar ook door de onsamenhangende verklaringen van de aangeverzelf en natuurlijk de zeer van elkaar afwijkende en tegenstrijdige verklaringen van de getuigen die in de ogen van de verdediging zeer onbetrouwbaar en ongeloofwaardig overkomen.
Het hele voorval begon immers over een oneindigheid betreffende een uithangende houtenbalk en/of golfplaat die over de gemeenschappelijk schutting hing. Wij hebben het hier dus over een burenruzie. Allereerst verwijst de verdediging naar de verklaringen van cliënt en de medeverdachten.
Cliënt heeft zowel tegen de politie als hier op de zitting verklaard dat de aangever hun tuin inliep met een zaag in zijn handen. Dat hij de zaag van aangever afnam en aangever heeft verzocht te vertrekken. Dat aangever als eerste hem sloeg met de vuist en dat hij toen heeft geprobeerd zich te verweren. Hij verklaart dat aangever zich niet normaal droeg. Dat aangever hem voor de tweede keer aanviel. Cliënt heeft verklaard dat hij de buurmaan alleen maar heeft vastgepakt om hem te kalmeren en dat de buurman hem juist heeft geslagen. Cliënt heeft vanaf het begin ontkent de aangever te hebben geslagen.
[medeverdachte] heeft op pag. 92 verklaart dat aangever hun tuin inkwam zonder toestemming, wegging en weer terugkwam met een zaag. Hij heeft ook verklaard dat de aangever zonder toestemming hun tuin inkwam en zijn zusje zonder hoofddoekje zag wat niet mag in hun cultuur.
Verder heeft de vader/medeverdachte verklaart dat de aangever en zijn familie regelmatig valse meldingen heeft gedaan bij de politie tegen hem. Dat aangever met de zaag de tuin inliep om een stuk van de overkapping af te zagen. Dat aangever begon te schreeuwen. Dat zij de aangever naar buiten hebben geduwd. Dat aangever hem aanviel en dat zijn zoon/cliënt tussenbeide kwam om hem te beschermen waarbij hij de aangever heeft geduwd. Dat er een vechtpartij is ontstaan tussen cliënt en de aangever en dat zij vervolgens beiden op de grond vielen. Hij verklaart verder dat beide vervolgens opstonden en dat zijn zoon/cliënt probeerde afstand tussen hem en aangever te creëren door weg te lopen en dat de aangever cliënt opnieuw aanviel. Hij verklaart dat de buren het gezien hebben en aangever hebben aangemaand weg te gaan. Hij verklaart dat toen zijn zoon/cliënt en aangever op de grond vielen en elkaar vasthielden dat ook zijn zoon/cliënt letsel had aan beide benen en zijn arm. Het laatste wordt overigens ook bevestigd door [verbalisant 1] in zijn PV van bevindingen op pag. 66 waarin hij verklaart dat hij zag dat cliënt op beide knieën schaafwonder had waar bloed uit kwam, dat hij zag dat cliënt op zijn rechterarm een schaafwondje had en een bult.
Tenslotte wijst de verdediging op de verklaring van [verbalisant 2] op pag. 63 waarin zij in haar PV van bevindingen verklaart dat de buurman die als tolk fungeerde heeft verklaard dat hij heeft vernomen dat de aangever zomaar zonder toestemming de tuin is ingelopen van cliënt en zijn familie en begon te schreeuwen. Dat er in de tuin van cliënt er een duw en trekwerk heeft plaatsgevonden.
Subsidiair verwijst de verdediging naar de verklaringen van aangever zelf.
In zijn eerste verklaring verklaart aangever op pag. 50 dat hij als eerste naar de buren loopt en op de achterdeur van de schutting van de buren klopt om hierover te praten. Hij vraagt "de buurjongen" om mee te lopen haar zijn tuin om te kijken naar de uithangende houtenbalk. De "buurjongen" vertelt de aangever dat zij daar op dat moment niets aan kunnen doen en verlaat de tuin van de aangever. Vervolgens belt de aangever zijn moeder om te overleggen. Zij moeder vertelt hem dat zij dit zullen melden bij de woningbouwvereniging. Indien de aangever op dat moment de keuze had gemaakt om het hierbij te laten in afwachting van een eventuele beslissing van de woningbouwvereniging, was er niets gebeurd en het hele voorval had niet plaatsgevonden. Echter, in plaats van het advies van zijn moeder op te volgen gaat aangever weer naar de achtertuin van cliënt en zijn familie en klopt op de achterdeur en confronteert cliënt en zijn familie met de mededeling dat zij de woningcorporatie gaan inschakelen. Hij gaat dan weer terug naar zijn eigen tuin, maar verklaart dat hij toen uit het niets een stoffer en blik tegen zich aan gegooid krijgt. Vervolgens zoekt hij weer de confrontatie op door weer terug te gaan naar de tuin van cliënt en zijn familie en klopt op de achterdeur. Aangever verklaart hierover op pag. 50 eerst dat hij meteen door de buurman en zonen de tuin wordt ingetrokken, dat hij meteen naar de grond wordt gebracht en in de nekklem wordt vastgehouden door een van de zonen maar weet niet wie dat is geweest en dat hij klappen en schoppen heeft gekregen van de vader en andere zoon.
In zijn aanvullende verklaring/aangifte verklaart aangever op pag. 74 over de derde keer totaal anders, namelijk dat hij terug naar de tuindeur van de buren is gegaan en op de tuindeur heeft geklopt en dat hij daar zou zijn opgewacht door de vader die met een stok of lang voorwerp klaar zou hebben staan. Hij verklaart dat de oudste zoon (cliënt) een fiets in zijn handen hield, dat de oudste zoon hiermee heeft geprobeerd aangever op afstand te houden. Aangever verklaart verder dat cliënt/oudste zoon hem hiermee weg wilde duwen maar dat aangever zich schrap hield en een stap naar voren doet en de tuin van cliënt en zijn ouders ingaat. Toen begon het duwen en trekken. Ook verklaart de aangever dat de moeder en zusjes op dat moment ook in de tuin waren.
Wat wij hier zien is dat de aangever tot drie keer toe de confrontatie zoekt met cliënt en zijn familie door drie keer cliënt en zijn familie lastig te vallen door op hun tuindeur te kloppen en ook hun tuin in te lopen. Hij is de degene die de confrontatie aangaat, de discussie start en degene die zich zonder toestemming begeeft in het privédomein van cliënt en zijn gezin, waardoor cliënt en zijn familie zich genoodzaakt zagen zich hiertegen te verweren. Cliënt en zijn familie waren zeer ontdaan door dit gedrag van de aangever en hebben dit terecht ervaren als een inbreuk op hun privacy en hun gezinsleven, gezien hun geloof, afkomst en hun verleden.
Deze verklaring bewijst en onderbouwd de stelling dat de aangever de agressor is geweest en dat hij bewust de confrontatie zocht en de confrontatie is aangegaan met cliënt en zijn familie.
Het OM heeft zich op het standpunt gesteld dat in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft beoordeeld de getuigenverklaringen een afdoende beschrijving geven van het geweld dat is gebruikt door cliënt en medeverdachten en waar het geweld zich heeft plaatsgevonden. De verdediging, betwist deze standpunt van het OM.
Als wij de verklaringen van de getuigen een voor een onder de loep nemen zien we grote discrepanties en tegenstrijdigheden in de verklaringen over de aanleiding van het voorval, over wie wat heeft gedaan, over de plek van het voorval en de strafbare feit, over de specifieke handelingen die alle betrokkenen zouden hebben verricht, waardoor de verdediging stelt dat terecht getwijfeld dient te worden aan de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid van de verklaringen en daarom niet de waarde en de conclusie aan verbonden kan worden die het OM wenst te zien.
(…)
[getuige 1] – wonende te [a-straat 1] verklaart het volgende op pag. 81.
Dat hij zich op het tijdstip 19:15 samen met zijn vrouw in de slaapkamer bevond toen hij een hoop lawaai en geschreeuw hoorde. Hij verklaart dat hij toen naar buiten keek en zag hij dat er op de parkeerplaats een paar mensen kennelijk ruzie met elkaar hadden. Hij verklaart verder dat hij zag dat zijn achterbuurman samen met zijn vrouw en kennelijk twee zonen een donkere jongen tegen de grond hadden gewerkt. Hij verklaart dat hij niet heeft gezien wie van het viertal de jongen tegen de grond had gewerkt. Hij verklaart dat hij zag dat de buurmaan de aangever vasthield terwijl zijn zonen aan het stompen waren. Hij verklaart ook dat hij zag dat de achterbuurvrouw op de benen zat van de jongen die op de grond lag. Niemand anders heeft hierover iets verklaard. Hij verklaart dat hij niet gezien heeft of de donkere jongen onder het bloed zat. Dat hij geen idee heeft hoe en waarom de vechtpartij is ontstaan. Opvallend is dat ook deze getuige heeft verklaard dat cliënt en zijn familie geen vriendelijke mensen zijn en dat zij met de regelmaat ruzie zouden hebben met de buurtbewoners. Hij verklaart dat hij geen contact heeft met de verdachten.
[getuige 2] die ook op de [a-straat 1] woont en de partner is van [getuige 1] verklaart op pag. 84 het volgende:
Dat zij omstreeks 19:00 uur zich bevond op de slaapkamer die gelegen is op de eerste verdieping en bevind zich aan de achterzijde van haar woning. Volgens de verklaring van de getuige heeft het slaapkamer zicht op de parkeerplaats met daarachter woningen. Zij verklaart dat zij uit het raam keek en zag dat een getinte man met baard op de grond lag en in een nekklem gehouden werd. Zij verklaart dat de persoon die de getinte jongen in een nekklem hield zij herkent als de bewoner van [b-straat 1] , welke bewoner wordt niet specifiek aangeduid. Zij verklaart dat zij niet heeft gezien waar aangever allemaal is geraakt. Dat het allemaal behoorlijk snel ging. Zij verklaart dat het gebeurde op de parkeerplaats voor de achterzijde van de tuinen aldaar. Zij verklaart over de moeder van cliënt dat de vrouw des hausses iedereen probeerde uit elkaar te halen, terwijl haar man had verklaard dat hij zag dat de achterbuurvrouw op de benen zat van de jongen die op de grond lag. Op de vraag of zij zag dat aangever letsel had verklaard zij dat zij heeft gehoord of van horen zeggen heeft vernomen dat hij letsel zou hebben aan zijn hoofd en dat zijn handen kapot zouden zijn. Op de vraag wat de aanleiding was van de vechtpartij verklaart zij dat zij geen idee heeft.
Naar aanleiding van de verklaringen van de getuigen van [a-straat 1] voert verdediging aan dat deze getuigen onmogelijk alles duidelijk hebben kunnen zien. De verdediging heeft een uitdraai uit de Google streetview gemaakt waaruit blijkt dat [a-straat] tegenover en/of een straat verder ligt dan [b-straat 1] , zie bijgevoegd bijlage 1. De afstand tussen [a-straat 1] en de plek van het voorval is best wel groot en de verdediging twijfelt dan ook terecht of deze getuigen een duidelijk zicht hadden op wat er gebeurde vanaf hun slaapkamer op de eerste verdieping zoals de getuigen zelf aangeven.
De verdediging stelt zich op het standpunt dat gelet op het voorgaande de verklaringen van alle getuigen zeer tegenstrijdig zijn en veel discrepanties bevatten. Verder kan de verdediging zich niet onttrekken aan het gevoel dat alle de getuigen in deze vooroordeeld waren ten opzichte van de [familie verdachte] . Daarom stelt de verdediging dat aan de getuigenverklaring niet te waarde, namelijk waarheid bevinding, kan worden toegekend die de aangever en het OM wellicht zou willen toekennen.
Gelet op het voorgaande
concludeertde verdediging dat wettig en overtuigend niet is bewezen wat cliënt is tenlastegelegd. De verdediging verzoekt Uw Hof derhalve
primaircliënt vrij te spreken van dit feit.”
2.4
Het hof heeft in het bestreden arrest de volgende nadere bewijsoverweging opgenomen:
““De raadsvrouw van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken, gelet op de discrepanties tussen de getuigenverklaringen, waardoor niet met voldoende zekerheid kan worden vastgesteld dat de verdachte samen met een ander enige bijdrage leverde aan het geweld tegen aangever.
Het hof overweegt hiertoe als volgt.
De parkeerplaats achter de woning aan de [b-straat 1] merkt het hof aan als openbare ruimte gelet op de ter zitting overgelegde foto’s van Google Streetview. Indien en voor zover geweldshandelingen hebben plaatsgevonden in de tuin behorende bij de woning aan de [b-straat 1] voldoen deze in dit geval niet aan het criterium dat deze handelingen openlijk moeten hebben plaatsgevonden. Blijkens de overgelegde foto’s is zicht vanaf de parkeerplaats in de tuin belemmerd door een schuur en schutting.
Op grond van de gebezigde en door het hof betrouwbaar aangemerkte bewijsmiddelen acht het hof bewezen dat verdachte samen met een ander geweld heeft gebruikt tegen het slachtoffer. Dit vindt bevestiging in het letsel, zoals gerelateerd en gedocumenteerd op blz. 51 tot en met 59 en blz. 74 van het proces-verbaal van politie.
Het hof verwerpt het verweer van de raadsvrouw.”
2.5
De in de bijlage bij het arrest opgenomen bewijsmiddelen houden onder meer in:

1. Een
proces-verbaal van aangifted.d. 25 juli 2020 van de politie, eenheid Der. Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 25 juli 2020 afgelegde verklaring van [aangever] :
(…)
Ik werd vastgehouden. Ik kreeg klappen en schoppen van de vader en zoon.
Korte opmerking verbalisant
Ik zag dat de aangever bloed, schaafplekken op zijn beide handen, linker elleboog en rechtervoet had. Tevens klaagde de aangever over druk en hoofdpijn. Ik zag dat de aangever een dikke bult achter zijn rechteroor had zitten.
2. Een
proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 26 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (….). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als de op 26 juli 2020 afgelegde verklaring van [getuige 1]:
Op 25 juli 2020 hoorde ik een hoop lawaai en geschreeuw. Ik zag dat op de parkeerplaats mensen ruzie met elkaar hadden. Ik zag dat mijn achterbuurman samen met zijn vrouw en kennelijk twee zonen een jongen tegen de grond hadden gewerkt. Ik zag dat mijn achterbuurman de jongen vasthield, terwijl zijn zonen de jongen aan het stompen waren. De zonen stompten de jongen waar ze hem maar konden raken ook in zijn gezicht.
3.
Een proces-verbaal van verhoor getuiged.d. 26 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…)
als de op 26 juli 2020 afgelegde verklaring van [getuige 2] :
Op 25 juli 2020 bevond ik mij in mijn slaapkamer. Vanuit mijn slaapkamerraam heb ik zicht op de parkeerplaats. Met daarachter woningen. Plotseling hoorde ik gegil en geschreeuw. Ik zag dat er een vechtpartij gaande was tussen meerdere personen. Ik zag dat er een persoon op de grond lag en in een nekklem werd gehouden. De man die de jongen in een nekklem hield herken ik als de bewoner van de [b-straat 1] te [plaats] . Ik zag vervolgens dat de hele familie er op dook. Ik zag dat een jongen met een oranje broekje verschillende klappen uitdeelde. Ik zag ook dat hij schopbewegingen maakte tegen de jongen op de grond. De vader van [nummer] had de jongen nog in de nekklem. De jongen in het oranje broekje sloeg de jongen meerdere keren.
4. Een proces-verbaal van aanhouding d. d. 25 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (…) Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op 25 juli 2020 bevond ik mij aan de [b-straat] te [plaats] naar aanleiding van een melding van een mishandeling. De melder zou woonachtig zijn aan de [b-straat 2] . De bewoner van [b-straat 2] wees naar de mensen waar het om ging. Ik verbalisant vroeg aan de mannen van de [b-straat 1] om een geldig legitimatiebewijs te tonen. Hierop zag ik dat het ging om
- [medeverdachte] geboren op [geboortedatum] 1976 te [geboorteplaats] ,
- [verdachte] geboren op [geboortedatum] 2000 ze [geboorteplaats] .
Ik hoorde een collega tegen mij zeggen dat de, vader en de zoon aangehouden konden worden ter zake mishandeling. Ik heb vervolgens de heren aangehouden als verdachte ter zake van mishandeling.
5.Een
proces-verbaal van bevindingend.d. 26 juli 2020 van de politie, eenheid Den Haag (…). Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (…):
als relaas van de betreffende opsporingsambtenaar:
Op zondag 26 juli 2020 heb ik telefonisch contact opgenomen met [aangever] . Ik hoorde [aangever] het volgende verklaren:
"Ik heb diverse schaafwonden en- een bloeduitstorting achter mijn oor opgelopen. Ik heb een zwaar gevoel in mijn hoofd en last van mijn heup wegens de schoppen en stompen die ik heb gekregen.”

6.De verklaring van de verdachte

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 26 april. 2023 verklaard - zakelijk weergegeven -:
Buiten de tuin is een drempel. Wij vielen daarover. Op de grond hebben wij elkaar verder geslagen. Ik geef toe dat ik heb geslagen.”
2.6
Bij de bespreking van het middel moet worden vooropgesteld dat de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter. Ook de vraag of bepaalde verklaringen gelet op hun betrouwbaarheid voor het bewijs kunnen worden gebruikt is een kwestie van waardering van het bewijs die zich in belangrijke mate afspeelt in het domein van de feitenrechter. In cassatie kan een en ander slechts op begrijpelijkheid worden onderzocht. [1] Daarbij is van belang dat de feitenrechter alleen verplicht is te reageren op een verweer inzake de betrouwbaarheid als het aangevoerde kan worden aangemerkt als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van art. 359 lid 2 Sv. [2] Van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt is slechts sprake als het een standpunt is dat duidelijk, door argumenten ondersteund en voorzien van een ondubbelzinnige conclusie ten overstaan van de feitenrechter naar voren is gebracht. [3] De verwerping van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt kan ook besloten liggen in de gebezigde, voor de verwerping van het standpunt relevante bewijsmiddelen.
2.7
Om te beginnen merk ik op dat door de verdediging in hoger beroep niet is aangevoerd dat de verklaring van de aangever en de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] moeten worden uitgesloten van het bewijs. De raadsvrouw van de verdachte heeft wel betoogd dat er discrepanties tussen de verschillende verklaringen in het dossier zitten en dat volgens de verdediging “aan de getuigenverklaringen niet te waarde waarheid bevinding, kan worden toegekend die de aangever en het OM wellicht zou willen toekennen”.
2.8
Het hof heeft het hiervoor geciteerde onderdeel van de pleitnota kennelijk niet aangemerkt als een afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake de betrouwbaarheid en bruikbaarheid van de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] . Hetgeen door de raadsvrouw van de verdachte is aangevoerd over de discrepanties tussen de verschillende verklaringen in het dossier, heeft het hof kennelijk opgevat als onderbouwing van een algemener bewijsverweer.
2.9
Mede in aanmerking genomen dat de uitleg van de door de verdediging gevoerde verweren is voorbehouden aan de feitenrechter, acht ik dat oordeel niet onbegrijpelijk. Daarbij neem ik in aanmerking dat het betoog van de raadsvrouw met name ziet op de weging en waardering van de verschillende verklaringen en op de rechterlijke overtuiging die nodig is om tot een bewezenverklaring te komen, en niet zozeer op de specifieke vraag of de verklaringen van de aangever en de getuigen betrouwbaar zijn en de daaropvolgende vraag of deze verklaringen voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Dat het verweer van de verdediging met name op de weging van het bewijs betrekking heeft, valt in het bijzonder af te leiden uit hetgeen in de pleitnota is opgenomen onder het kopje “de verdediging voert hiertoe het volgende aan.” Daarin wordt gesteld dat “volgens de verdediging (…) de precieze gang van zaken tijdens het incident op 25 juli 2020 in Nooddorp onvoldoende [is vast] komen (…) te staan om tot conclusies ten aanzien van ieders rol in het geheel te komen die boven redelijke twijfel verheven zijn. Daarbij moet met name gedacht worden aan de grote discrepanties in de verklaringen van zowel de getuigen als de aangever zelf.” De ondubbelzinnige conclusie dat de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn en van het bewijs moeten worden uitgesloten wordt daaraan niet verbonden.
2.1
Het standpunt van de raadsvrouw dat de verdachte moet worden vrijgesproken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs vindt zijn weerlegging in de door het hof gebezigde bewijsmiddelen. Tot een nadere motivering was het hof, gelet op art. 359 lid 2 Sv, in dit opzicht niet gehouden.
2.11
Het eerste middel faalt.

3.Het tweede middel

3.1
Het tweede middel bevat de klacht dat het hof heeft verzuimd te responderen op het verweer dat de redelijke termijn van berechting is geschonden.
3.2
De pleitnota houdt in dit verband voor zover van belang in:
“Overschrijding van de redelijke termijn. De lange duur van de behandeltermijn waardoor er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn. De feiten hebben plaatsgevonden in 2020 en wij zijn inmiddels bijna drie jaar verder, ook de behandeling bij het hof heeft lang geduurd.
Ook cliënt heeft gedurende deze periode in grote onzekerheid en stress moeten leven. Het valt niet mee om dagelijks met de argusogen gekeken te worden door de buren, ook al zijn ze in eerste aanleg vrijgesproken.”
3.3
Het hof heeft in het bestreden arrest onder het kopje “Strafmotivering” geen aparte overweging gewijd aan de overschrijding van de redelijke termijn. Het hof heeft wat de raadsvrouw heeft aangevoerd, kennelijk niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk een beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, nu de raadsvrouw alleen heeft gesteld dat sprake is van een schending van de redelijke termijn en dat ook de behandeling bij het hof lang heeft geduurd, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM zou zijn overschreden. [4]
3.4
Het tweede middel faalt.

4.Afronding

4.1
Beide middelen falen en het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO ontleende motivering.
4.2
Ambtshalve merk ik op dat de Hoge Raad geen uitspraak zal doen binnen twee jaren na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de voorwaardelijke taakstraf van tachtig uur kan worden volstaan met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. [5]
4.3
Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.8.1, HR 23 juni 2020, ECLI:NL:HR:2020:1072, rov. 2.3 en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, rov. 3.3.
2.HR 5 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1413, rov. 2.3.
3.HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130, rov. 3.7.1.
4.Vgl. bijvoorbeeld HR 23 januari 2024, ECLI: NL:HR:2024:45 en HR 13 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:168 en HR 22 oktober 2024, ECLI:NL:HR:2024:1499 (art. 81 RO) en de daaraan voorafgaande conclusie van AG Hofstee, randnrs. 21-24.
5.HR 26 maart 2024, ECLI:NL:HR:2024:492, rov. 3.1.3.