ECLI:NL:HR:2024:168

Hoge Raad

Datum uitspraak
13 februari 2024
Publicatiedatum
2 februari 2024
Zaaknummer
23/00824
Instantie
Hoge Raad
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Cassatie
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 287 SrArt. 6 EVRM
Verwijzingen
5 uitgaand · 12 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad verwerpt beroep wegens onvoldoende gemotiveerd verweer overschrijding redelijke termijn

De zaak betreft een cassatieberoep tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden inzake poging tot doodslag door meerdere schoten op twee personen. De verdachte stelde in hoger beroep dat sprake was van een overschrijding van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 EVRM Pro.

Tijdens de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de verdachte aangegeven dat er sprake zou zijn van een overschrijding van de redelijke termijn, maar zonder concrete gronden te noemen waarop deze overschrijding zou berusten. Het hof heeft dit niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk moest worden beslist.

De Hoge Raad oordeelt dat dit oordeel van het hof niet onbegrijpelijk is en geen onjuiste rechtsopvatting bevat. Het cassatiemiddel faalt daarom en het beroep wordt verworpen. De Hoge Raad constateert dat het hof, gezien de beperkte overschrijding, volstaat met de constatering dat de redelijke termijn is overschreden zonder verdere sancties toe te passen.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt verworpen omdat het verweer van overschrijding van de redelijke termijn onvoldoende gemotiveerd was.

Uitspraak

HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer23/00824
Datum13 februari 2024
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 februari 2023, nummer 21-003136-21, in de strafzaak
tegen
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte.

1.Procesverloop in cassatie

Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft R.J. Baumgardt, advocaat te Rotterdam, bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De schriftuur is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit.
De advocaat-generaal A.E. Harteveld heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.

2.Beoordeling van het cassatiemiddel

2.1
Het cassatiemiddel klaagt dat het hof niet heeft beslist op het beroep dat namens de verdachte is gedaan op overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM).
2.2
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 14 februari 2023 heeft de raadsman van de verdachte daar onder meer het volgende aangevoerd:
“Cliënt heeft geen noemenswaardige documentatie. Er is sprake van een oud feit, een overschrijding van de redelijke termijn en ik verzoek het hof ook rekening te houden met de voorwaardelijke invrijheidsstelling.”
2.3
Het hof heeft wat de raadsman heeft aangevoerd kennelijk niet opgevat als een verweer waarop uitdrukkelijk een beslissing moet worden gegeven. Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, nu de raadsman alleen heeft gesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn, maar niet heeft aangevoerd op welke gronden de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro zou zijn overschreden. (Vgl. HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:45.)
2.4
Het cassatiemiddel faalt.

3.Beslissing

De Hoge Raad verwerpt het beroep.
Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren Y. Buruma en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van
13 februari 2024.